Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:BA1522
2007-06-15
Civiel recht
C06/058HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:BA1522 → ECLI:NL:PHR:2007:BA1522
Inhoudsindicatie
Burengeschil over de aanvaardbaarheid van hinder bij de uitoefening van een erfdienstbaarheid van uitweg; kort geding, vordering tot betaling van een geldsom, verzwaarde motiveringseisen; spoedeisendheid van hoofdvordering en nevenvordering ter zake van buitengerechtelijke kosten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (97)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5466 Rechtbank Overijssel 08-09-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5402 Rechtbank Overijssel 04-09-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5027 Rechtbank Overijssel 17-08-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10612 Rechtbank Noord-Holland 13-08-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4647 Rechtbank Overijssel 28-07-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4407 Rechtbank Overijssel 17-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5086 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3548 Rechtbank Midden-Nederland 09-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2290 Rechtbank Midden-Nederland 28-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7574 Rechtbank Noord-Holland 24-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 Rechtbank Midden-Nederland 23-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2461 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:2328 Rechtbank Oost-Brabant 15-04-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5444 Rechtbank Rotterdam 02-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1324 Rechtbank Midden-Nederland 23-03-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:1334 Rechtbank Overijssel 13-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3217 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:1349 Rechtbank Rotterdam 10-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:14979 Rechtbank Rotterdam 18-12-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:7230 Rechtbank Oost-Brabant 30-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7415 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-10-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5310 Rechtbank Midden-Nederland 14-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5525 Rechtbank Overijssel 10-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:10630 Rechtbank Rotterdam 04-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4776 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3944 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-06-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2562 Rechtbank Noord-Nederland 27-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2336 Rechtbank Noord-Nederland 02-05-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:4145 Rechtbank Limburg 01-05-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:3730 Rechtbank Limburg 22-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2469 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1921 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-03-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:200 Rechtbank Limburg 15-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:6934 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9455 Rechtbank Rotterdam 26-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:9690 Rechtbank Noord-Holland 19-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4699 Rechtbank Midden-Nederland 31-07-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:6308 Rechtbank Noord-Holland 24-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3601 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3465 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:2409 Rechtbank Limburg 14-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:9270 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6516 Rechtbank Midden-Nederland 01-12-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6613 Rechtbank Limburg 14-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10646 Rechtbank Rotterdam 01-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6528 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7442 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1667 Gerechtshof Den Haag 11-07-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1136 Rechtbank Midden-Nederland 16-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1774 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:456 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2918 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:6229 Rechtbank Limburg 12-08-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2360 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-07-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:4858 Rechtbank Limburg 09-06-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:3514 Rechtbank Limburg 06-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:537 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:36 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-01-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2021:9780 Rechtbank Limburg 22-12-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (8.982 tekens)
15 juni 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/058HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder tezamen in enkelvoud te noemen: [verweerder] - hebben bij exploot van 21 juni 2004 eisers tot cassatie - verder tezamen in enkelvoud te noemen: [eiser] - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch en kort gezegd gevorderd (i) [eiser] te verbieden auto's en andere objecten te plaatsen op het aan hem in eigendom toebehorende perceel, waarop ten gunste van [verweerder] een erfdienstbaarheid van weg rust, alsmede op de direct daarnaast gelegen uitrit in eigendom toebehorend aan [verweerder]. [Verweerder] heeft voorts een aantal nevenvorderingen ingesteld waaronder de veroordeling van [eiser] tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de veroordeling in de kosten van onderhavige procedure, met wettelijke rente.
[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 20 juli 2004 de vordering onder (i) toegewezen. Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen, heeft de voorzieningenrechter de beslissing over de overige vorderingen aangehouden. Bij vonnis van 1 februari 2005 heeft de voorzieningenrechter de overige vorderingen afgewezen onder compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
Tegen het vonnis van 1 februari 2005 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 6 december 2005 heeft het hof - voorzover in cassatie van belang - het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld:
- aan [verweerder] een bedrag te voldoen van € 12.106,33 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde rente vanaf de dag van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg;
- in de proceskosten van de eerste aanleg en van hoger beroep.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afwijzing van de vordering van [verweerder] ter zake van een voorschot op schadevergoeding wegens buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in dit kort geding om een burengeschil. In de feitelijke instanties stond centraal de vraag of [eiser] zijn buurman [verweerder] onaanvaardbaar heeft gehinderd in de uitoefening van een, ten gunste van het erf van laatstgenoemde, op zijn erf rustende erfdienstbaarheid van uitweg. [Verweerder] heeft niet alleen een verbod van deze hinder gevraagd, maar ook veroordeling van [eiser] in de buitengerechtelijke kosten die hij, [verweerder], heeft moeten maken.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen ter bestrijding van de gestelde hinder ten dele toegewezen, en voor het overige geweigerd. Zij heeft de gevraagde veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat [verweerder] daarbij naar haar oordeel onvoldoende spoedeisend belang had.
Het hof heeft, met vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter, de gevraagde voorzieningen ter kering van de gestelde - en door het hof voorshands voldoende aannemelijk geachte - hinder alsnog geheel toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot vergoeding van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke kosten. Die laatste beslissing werd door het hof aldus gemotiveerd, dat de vordering in zodanig nauw verband staat met de primaire hoofdvordering(-en) dat daardoor het spoedeisend belang geacht wordt zich over deze nevenvordering uit te strekken, en dat een afzonderlijke behandeling van dit onderdeel van het gevorderde uit proceseconomisch oogpunt onaanvaardbaar is (rov. 4.7.1). Het hof overwoog verder dat vaststaat dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat de redelijkheid van de gemaakte kosten door [eiser] niet met concrete argumenten is betwist (rov. 4.7.2).
3.2 [Eiser] is in cassatie uitsluitend opgekomen tegen de beslissing van het hof omtrent de door [verweerder] gevorderde buitengerechtelijke kosten. Onderdeel 1 voert daartoe aan, kort samengevat, dat het hof heeft miskend dat voor de spoedeisendheid ten aanzien van geldvorderingen verhoogde motiveringseisen gelden, dat de door het hof gehanteerde argumenten om de onderhavige nevenvordering toe te wijzen, onjuist en/of onbegrijpelijk zijn, en dat het hof heeft verzuimd de essentiële stelling van [eiser] te bespreken dat geen nauw verband bestaat tussen de hoofdvordering en de onderhavige nevenvordering.
3.3 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (HR 14 april 2000, nr. C 98/270, NJ 2000, 489).
Het bestreden arrest moet aldus worden verstaan dat de ter motivering van de bestreden beslissing genoemde feiten en omstandigheden als hiervoor in 3.1 weergegeven, naar het oordeel van het hof voldoen aan de verzwaarde motiveringseisen die ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad hebben te gelden bij de toewijzing van een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof deze eisen in die zin heeft miskend dat het van oordeel is geweest dat die eisen hier niet van toepassing waren, kan het dus niet tot cassatie leiden.
3.4 Voor zover het onderdeel de klacht bevat dat het hof de in genoemd arrest van de Hoge Raad besloten norm niet goed heeft toegepast, althans zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, faalt het. Indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten kan worden beslist. Daarbij valt te bedenken dat in het niet zeldzame geval dat de verliezende partij, eventueel na hoger beroep, zich bij het in kort geding gegeven rechterlijk oordeel neerlegt, noch een bijzonder partijbelang, noch het algemene belang dat terughoudendheid wordt betracht met een beroep op de rechter, ermee is gediend wanneer eiser uitsluitend wat betreft de onderhavige nevenvordering, naar een bodemprocedure wordt verwezen. Indien die vordering niet of onvoldoende wordt betwist en de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, mag in beginsel worden aangenomen dat ook toewijzing van genoemde nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.
Blijkens de hiervoor in 3.1 weergegeven motivering van zijn arrest heeft het hof alle hiervoor genoemde omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Het heeft dit op begrijpelijke wijze gedaan. Hieruit volgt dat het de in het arrest van 14 mei 2000 van de Hoge Raad vervatte eisen op de juiste wijze heeft toegepast en zijn oordeel bovendien voldoende heeft gemotiveerd. Dit geldt ook voor de verwerping van het verweer van [eiser] dat geen nauw verband bestaat tussen de hoofdvordering en de onderhavige nevenvordering.
3.5 Onderdeel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 juni 2007.
Eerste Kamer
Nr. C06/058HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder tezamen in enkelvoud te noemen: [verweerder] - hebben bij exploot van 21 juni 2004 eisers tot cassatie - verder tezamen in enkelvoud te noemen: [eiser] - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch en kort gezegd gevorderd (i) [eiser] te verbieden auto's en andere objecten te plaatsen op het aan hem in eigendom toebehorende perceel, waarop ten gunste van [verweerder] een erfdienstbaarheid van weg rust, alsmede op de direct daarnaast gelegen uitrit in eigendom toebehorend aan [verweerder]. [Verweerder] heeft voorts een aantal nevenvorderingen ingesteld waaronder de veroordeling van [eiser] tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de veroordeling in de kosten van onderhavige procedure, met wettelijke rente.
[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 20 juli 2004 de vordering onder (i) toegewezen. Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen, heeft de voorzieningenrechter de beslissing over de overige vorderingen aangehouden. Bij vonnis van 1 februari 2005 heeft de voorzieningenrechter de overige vorderingen afgewezen onder compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
Tegen het vonnis van 1 februari 2005 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 6 december 2005 heeft het hof - voorzover in cassatie van belang - het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld:
- aan [verweerder] een bedrag te voldoen van € 12.106,33 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde rente vanaf de dag van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg;
- in de proceskosten van de eerste aanleg en van hoger beroep.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afwijzing van de vordering van [verweerder] ter zake van een voorschot op schadevergoeding wegens buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in dit kort geding om een burengeschil. In de feitelijke instanties stond centraal de vraag of [eiser] zijn buurman [verweerder] onaanvaardbaar heeft gehinderd in de uitoefening van een, ten gunste van het erf van laatstgenoemde, op zijn erf rustende erfdienstbaarheid van uitweg. [Verweerder] heeft niet alleen een verbod van deze hinder gevraagd, maar ook veroordeling van [eiser] in de buitengerechtelijke kosten die hij, [verweerder], heeft moeten maken.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen ter bestrijding van de gestelde hinder ten dele toegewezen, en voor het overige geweigerd. Zij heeft de gevraagde veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen omdat [verweerder] daarbij naar haar oordeel onvoldoende spoedeisend belang had.
Het hof heeft, met vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter, de gevraagde voorzieningen ter kering van de gestelde - en door het hof voorshands voldoende aannemelijk geachte - hinder alsnog geheel toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot vergoeding van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke kosten. Die laatste beslissing werd door het hof aldus gemotiveerd, dat de vordering in zodanig nauw verband staat met de primaire hoofdvordering(-en) dat daardoor het spoedeisend belang geacht wordt zich over deze nevenvordering uit te strekken, en dat een afzonderlijke behandeling van dit onderdeel van het gevorderde uit proceseconomisch oogpunt onaanvaardbaar is (rov. 4.7.1). Het hof overwoog verder dat vaststaat dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat de redelijkheid van de gemaakte kosten door [eiser] niet met concrete argumenten is betwist (rov. 4.7.2).
3.2 [Eiser] is in cassatie uitsluitend opgekomen tegen de beslissing van het hof omtrent de door [verweerder] gevorderde buitengerechtelijke kosten. Onderdeel 1 voert daartoe aan, kort samengevat, dat het hof heeft miskend dat voor de spoedeisendheid ten aanzien van geldvorderingen verhoogde motiveringseisen gelden, dat de door het hof gehanteerde argumenten om de onderhavige nevenvordering toe te wijzen, onjuist en/of onbegrijpelijk zijn, en dat het hof heeft verzuimd de essentiële stelling van [eiser] te bespreken dat geen nauw verband bestaat tussen de hoofdvordering en de onderhavige nevenvordering.
3.3 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (HR 14 april 2000, nr. C 98/270, NJ 2000, 489).
Het bestreden arrest moet aldus worden verstaan dat de ter motivering van de bestreden beslissing genoemde feiten en omstandigheden als hiervoor in 3.1 weergegeven, naar het oordeel van het hof voldoen aan de verzwaarde motiveringseisen die ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad hebben te gelden bij de toewijzing van een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof deze eisen in die zin heeft miskend dat het van oordeel is geweest dat die eisen hier niet van toepassing waren, kan het dus niet tot cassatie leiden.
3.4 Voor zover het onderdeel de klacht bevat dat het hof de in genoemd arrest van de Hoge Raad besloten norm niet goed heeft toegepast, althans zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, faalt het. Indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten kan worden beslist. Daarbij valt te bedenken dat in het niet zeldzame geval dat de verliezende partij, eventueel na hoger beroep, zich bij het in kort geding gegeven rechterlijk oordeel neerlegt, noch een bijzonder partijbelang, noch het algemene belang dat terughoudendheid wordt betracht met een beroep op de rechter, ermee is gediend wanneer eiser uitsluitend wat betreft de onderhavige nevenvordering, naar een bodemprocedure wordt verwezen. Indien die vordering niet of onvoldoende wordt betwist en de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, mag in beginsel worden aangenomen dat ook toewijzing van genoemde nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.
Blijkens de hiervoor in 3.1 weergegeven motivering van zijn arrest heeft het hof alle hiervoor genoemde omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Het heeft dit op begrijpelijke wijze gedaan. Hieruit volgt dat het de in het arrest van 14 mei 2000 van de Hoge Raad vervatte eisen op de juiste wijze heeft toegepast en zijn oordeel bovendien voldoende heeft gemotiveerd. Dit geldt ook voor de verwerping van het verweer van [eiser] dat geen nauw verband bestaat tussen de hoofdvordering en de onderhavige nevenvordering.
3.5 Onderdeel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 juni 2007.