Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5402
2026-09-04
Civiel recht
12305305 \ CV EXPL 26-2291
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedaagde huurt een woning van SWZ. SWZ vordert ontruiming van de woning, omdat gedaagde overlast zou veroorzaken en daarmee ernstig tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst en aanvullende bepalingen. Daarnaast vordert SWZ betaling van opruimkosten, omdat gedaagde goederen en afval in gemeenschappelijke ruimten zou hebben geplaatst. Gedaagde voert aan dat hij geen overlast veroorzaakt en dat de spullen in de gemeenschappelijke ruimten niet van hem zijn. De kantonrechter wijst de vorderingen toe met inachtneming van een ruimere ontruimingstermijn dan gevorderd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2007:BA1522 Hoge Raad 15-06-2007
- ECLI:NL:HR:2025:1081 Hoge Raad 04-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.533 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12305305 \ CV EXPL 26-2291
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
de stichting WONINGSTICHTING SWZ,
gevestigd in Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: SWZ,
gemachtigde: mr. L.R. Brendel,
tegen
de besloten vennootschap FINDOOL VERTEGENWOORDIGINGEN B.V.
gevestigd in Nijverdal,
gedaagde partij,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[gedaagde]
,
hierna afzonderlijk te noemen: gedaagde en [gedaagde],
gemachtigde: mr. A. aan het Rot.
1Waar deze zaak over gaat
[gedaagde] huurt een woning van SWZ. SWZ vordert ontruiming van de woning, omdat [gedaagde] overlast zou veroorzaken en daarmee ernstig tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst en aanvullende bepalingen. Daarnaast vordert SWZ betaling van opruimkosten, omdat [gedaagde] goederen en afval in gemeenschappelijke ruimten zou hebben geplaatst. [gedaagde] voert aan dat hij geen overlast veroorzaakt en dat de spullen in de gemeenschappelijke ruimten niet van hem zijn. De kantonrechter wijst de vorderingen toe met inachtneming van een ruimere ontruimingstermijn dan gevorderd.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 44, uitgebracht op 12 augustus 2026,- producties 1 tot en met 5 van gedaagde,- producties 45 tot en met 48 van SWZ,- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar namens beide partijen pleitnota’s zijn voorgedragen.
3De feiten
3.1.
[gedaagde] huurt met ingang van 29 oktober 2025 de woning aan de [adres 1] van SWZ. Daarvoor huurde [gedaagde] een woning aan de [adres 2] van SWZ.
3.2.
Op de huurovereenkomst van de [adres 1] zijn de algemene huurvoorwaarden van 1 april 2018 van toepassing alsmede de “Bijzondere bepalingen als onderdeel van het huurcontract [adres 1]”.
3.3.
Op 26 juni 2026 heeft een schoonmaakbedrijf in opdracht van SWZ tegen betaling spullen uit het portiek van [gedaagde] opgeruimd.
4Het geschil
4.1.
SWZ vordert (samengevat) ontruiming van de woning aan [adres 1] en betaling van de opruimkosten.
4.2.
Gedaagde voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of SWZ ten tijde van dit vonnis bij elk van de voorzieningen een spoedeisend belang heeft.
Spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang van de ontruimingsvordering volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de aard van deze vordering. Dat de ontruimingsvordering voornamelijk is gebaseerd op overlastmeldingen en incidenten die zich hebben voorgedaan in de vorige woning van [gedaagde] aan de [adres 2] is de kantonrechter niet gebleken, aangezien SWZ zeventien overlastmeldingen van omwonenden van de [adres 1] in het geding heeft gebracht.
5.3.
Het spoedeisend belang van de vordering tot betaling van de opruimkosten valt naar het oordeel van de kantonrechter af te leiden van het spoedeisend belang bij de ontruimingsvordering. Betaling van de opruimkosten is nauw verwant met de ontruiming, omdat deze kosten door SWZ zijn gemaakt in het kader van dezelfde huurovereenkomst op grond waarvan ontruiming is gevorderd. Bovendien heeft gedaagde haar stelling dat deze betalingsvordering niet spoedeisend is niet onderbouwd, zodat de kantonrechter mag aannemen dat deze nevenvordering de hoofdvordering in spoedeisendheid volgt.
5.4.
De kantonrechter zal hierna beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
5.5.
De kantonrechter stelt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de bijzondere bepalingen, de algemene huurvoorwaarden en de wet. Indien [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
5.6.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de bijzondere bepalingen door overlast te veroorzaken bij omwonenden. In de bijzondere bepalingen is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“
Overlast
U dient ervoor te zorgen dat aan omwonenden en/of derden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door u of derden. Wanneer er wel overlast wordt veroorzaakt door iemand dan bent u daar als hoofdhuurder verantwoordelijk voor.”
SWZ heeft meerdere overlastmeldingen uit de periode december 2025 tot en met juli 2026 overlegd. Omwonenden hebben onder meer herhaaldelijk aan SWZ gemeld dat [gedaagde] afval en andere goederen in de gemeenschappelijke ruimten zou hebben geplaatst. Daarnaast hebben omwonden gemeld dat wanneer [gedaagde] bezoek heeft, er vanuit de woning lawaai en geschreeuw hoorbaar is. Tot slot meldden omwonenden dat bezoekers van [gedaagde] over het algemeen agressief zijn en hen een onveilig gevoel geven.
5.7.
[gedaagde] heeft de overlast onvoldoende weersproken. Dat de overlast niet structureel van aard is, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk. Op grond van de meldingen kan wel degelijk een patroon van herhaaldelijke overlast worden aangenomen. Bovendien kwalificeert de huurovereenkomst met de daarbij behorende bijzondere bepalingen als laatste kans overeenkomst. Het slechts éénmaal niet nakomen van deze overeenkomst vormt hierdoor op zichzelf al voldoende grond de ontruimingsvordering toe te wijzen. Het verweer van gedaagde dat [gedaagde] mogelijk niet begreep waar hij voor tekende maakt dit niet anders, omdat geen beroep op een wilsgebrek is gedaan en bij de gesprekken over de nieuwe huurovereenkomst begeleiding aanwezig was om [gedaagde] te ondersteunen. Ook volgt de kantonrechter gedaagde niet in haar verweer dat [gedaagde] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van zijn bezoekers. De bezoekers bevinden zich in of bij het gehuurde omwille van [gedaagde], of dit nu met zijn goedvinden gebeurt of niet. Tot slot is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk dat het afval en de goederen in de gemeenschappelijke ruimten van [gedaagde] waren of door hem daar zijn geplaatst. Naast het feit dat meerdere omwonenden herhaaldelijk hebben gemeld dat het afval en de goederen van [gedaagde] afkomstig zijn, heeft [gedaagde] ook, na daartoe te zijn verzocht door SWZ omstreeks 21 juli 2026, het op dat moment aanwezige afval opgeruimd.
5.8.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de tekortkomingen van [gedaagde] ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij bij verlies van de woning op straat zal belanden en daardoor de hulpverlening die hij op dit moment ontvangt (mentor, bewindvoerder en ondersteuning van Humanitas) lastig uitvoerbaar wordt. Ook bestaat een reëel risico dat [gedaagde] (opnieuw) in de criminaliteit belandt. SWZ heeft daartegen aangevoerd dat zij door de overlast wordt bemoeilijkt het woongenot aan haar overige huurders (de omwonenden) te verschaffen en dat zij al rekening heeft gehouden met de belangen van [gedaagde] door hem een tweede kans te bieden. Dat [gedaagde] de fout in blijft gaan komt hierdoor voor zijn risico. Hij was immers een gewaarschuwd mens.
5.9.
SWZ heeft een ontruimingstermijn van veertien dagen gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft SWZ aangegeven dat deze procedure haar vooral te doen is om een ontruimingstitel te krijgen en dat zij openstaat voor verruiming van de termijn indien [gedaagde] een overbruggingsperiode nodig heeft om tijdelijk onderdak te vinden én [gedaagde] hiervoor een concreet plan heeft. De kantonrechter acht gezien het voorgaande een ontruimingstermijn tot 1 november 2026 redelijk, omdat deze termijn [gedaagde] voldoende in staat stelt andere woonruimte te vinden dan wel de kans geeft (eventueel samen met SWZ) te kijken naar een andere woning waar hij kan verblijven totdat hij terecht kan op een locatie voor beschermd wonen.
[gedaagde] moet de opruimkosten betalen
5.10.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] de opruimkosten van SWZ van het afval en de goederen in de gemeenschappelijke ruimten moet betalen. Zoals de kantonrechter onder 5.7. heeft overwogen is aannemelijk dat het afval en de goederen van [gedaagde] afkomstig waren. SWZ was hierdoor gerechtigd deze zaken op kosten van [gedaagde] te verwijderen. Anders dan gedaagde stelt is voorafgaande toestemming van de bewindvoerder voor doorberekening van deze kosten aan [gedaagde] niet vereist. Bovendien was gedaagde op de hoogte van het voornemen van SWZ om deze kosten door te berekenen aan [gedaagde] indien hij niet zorg zou dragen voor het opruimen van de spullen. Dit blijkt uit een e-mail van 7 juli 2026 van de gedaagde aan SWZ waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:
“Ik heb cliënt zelf gevraagd spullen op te ruimen aan de hand van jullie brief.”
[gedaagde] heeft de spullen vervolgens niet opgeruimd.
Proceskosten: ambtshalve toetsing
5.11.
De huurovereenkomst en de bijbehorende algemene huurvoorwaarden zijn gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
5.12.
SWZ heeft onder meer gevorderd dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het voor deze vordering relevante beding is opgenomen in artikel 13.1. van de algemene huurvoorwaarden. Met dit beding kan SWZ een beroep doen op een hogere vergoeding van de proceskosten dan de wettelijke aanspraak en kan SWZ een beroep doen op vergoeding van de proceskosten ook als de kantonrechter hierover geen oordeel geeft. Hierdoor wijkt het beding voor de consument ten nadele af van de wettelijke regeling over proceskostenveroordeling.
5.13.
Er bestaat op dit moment echter onduidelijkheid of een rechter de in het ongelijk gestelde partij op grond van het nationale procesrecht mag veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als het proceskostenbeding oneerlijk is. De Hoge Raad heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie. De kantonrechter is van oordeel dat tot die tijd gekozen moet worden voor proceskostenveroordeling op grond van het nationale recht, omdat de Richtlijn 93/13/EEG zich in principe niet verzet tegen toepassing van het buitencontractuele nationale recht in de plaats van een oneerlijk beding. Dit in tegenstelling tot het nationaal recht dat het evenwicht in de contractuele rechtsverhouding beoogt te regelen.
5.14.
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Van omstandigheden die rechtvaardigen dat de proceskosten worden gecompenseerd is de kantonrechter niet gebleken. De proceskosten van SWZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.015,67
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.15.
De kantonrechter zal de vorderingen van SWZ uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het belang van SWZ om binnen afzienbare tijd tot ontruiming over te gaan weegt zwaarder dan het belang van gedaagde en [gedaagde] om een oordeel in hoger beroep af te wachten, onder meer vanwege het spoedeisend belang van SWZ. Bovendien heeft gedaagde de mogelijkheid om in hoger beroep in bezwaar te gaan tegen dit vonnis en te vragen om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] om uiterlijk op 31 oktober 2026 de woning aan [adres 1] te ontruimen en te verlaten met medeneming van al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan SWZ,
6.2.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] om een bedrag van € 263,00 exclusief btw aan SWZ te betalen,
6.3.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] in de proceskosten van € 1.015,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026. (hg)
ECLI:NL:HR:2007:BA1522.
Artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6.10. algemene huurvoorwaarden.
ECLI:NL:HR:2025:1081.
Artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12305305 \ CV EXPL 26-2291
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
de stichting WONINGSTICHTING SWZ,
gevestigd in Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: SWZ,
gemachtigde: mr. L.R. Brendel,
tegen
de besloten vennootschap FINDOOL VERTEGENWOORDIGINGEN B.V.
gevestigd in Nijverdal,
gedaagde partij,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[gedaagde]
,
hierna afzonderlijk te noemen: gedaagde en [gedaagde],
gemachtigde: mr. A. aan het Rot.
1Waar deze zaak over gaat
[gedaagde] huurt een woning van SWZ. SWZ vordert ontruiming van de woning, omdat [gedaagde] overlast zou veroorzaken en daarmee ernstig tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst en aanvullende bepalingen. Daarnaast vordert SWZ betaling van opruimkosten, omdat [gedaagde] goederen en afval in gemeenschappelijke ruimten zou hebben geplaatst. [gedaagde] voert aan dat hij geen overlast veroorzaakt en dat de spullen in de gemeenschappelijke ruimten niet van hem zijn. De kantonrechter wijst de vorderingen toe met inachtneming van een ruimere ontruimingstermijn dan gevorderd.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 44, uitgebracht op 12 augustus 2026,- producties 1 tot en met 5 van gedaagde,- producties 45 tot en met 48 van SWZ,- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar namens beide partijen pleitnota’s zijn voorgedragen.
3De feiten
3.1.
[gedaagde] huurt met ingang van 29 oktober 2025 de woning aan de [adres 1] van SWZ. Daarvoor huurde [gedaagde] een woning aan de [adres 2] van SWZ.
3.2.
Op de huurovereenkomst van de [adres 1] zijn de algemene huurvoorwaarden van 1 april 2018 van toepassing alsmede de “Bijzondere bepalingen als onderdeel van het huurcontract [adres 1]”.
3.3.
Op 26 juni 2026 heeft een schoonmaakbedrijf in opdracht van SWZ tegen betaling spullen uit het portiek van [gedaagde] opgeruimd.
4Het geschil
4.1.
SWZ vordert (samengevat) ontruiming van de woning aan [adres 1] en betaling van de opruimkosten.
4.2.
Gedaagde voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of SWZ ten tijde van dit vonnis bij elk van de voorzieningen een spoedeisend belang heeft.
Spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang van de ontruimingsvordering volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de aard van deze vordering. Dat de ontruimingsvordering voornamelijk is gebaseerd op overlastmeldingen en incidenten die zich hebben voorgedaan in de vorige woning van [gedaagde] aan de [adres 2] is de kantonrechter niet gebleken, aangezien SWZ zeventien overlastmeldingen van omwonenden van de [adres 1] in het geding heeft gebracht.
5.3.
Het spoedeisend belang van de vordering tot betaling van de opruimkosten valt naar het oordeel van de kantonrechter af te leiden van het spoedeisend belang bij de ontruimingsvordering. Betaling van de opruimkosten is nauw verwant met de ontruiming, omdat deze kosten door SWZ zijn gemaakt in het kader van dezelfde huurovereenkomst op grond waarvan ontruiming is gevorderd. Bovendien heeft gedaagde haar stelling dat deze betalingsvordering niet spoedeisend is niet onderbouwd, zodat de kantonrechter mag aannemen dat deze nevenvordering de hoofdvordering in spoedeisendheid volgt.
5.4.
De kantonrechter zal hierna beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
5.5.
De kantonrechter stelt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de bijzondere bepalingen, de algemene huurvoorwaarden en de wet. Indien [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
5.6.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de bijzondere bepalingen door overlast te veroorzaken bij omwonenden. In de bijzondere bepalingen is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“
Overlast
U dient ervoor te zorgen dat aan omwonenden en/of derden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door u of derden. Wanneer er wel overlast wordt veroorzaakt door iemand dan bent u daar als hoofdhuurder verantwoordelijk voor.”
SWZ heeft meerdere overlastmeldingen uit de periode december 2025 tot en met juli 2026 overlegd. Omwonenden hebben onder meer herhaaldelijk aan SWZ gemeld dat [gedaagde] afval en andere goederen in de gemeenschappelijke ruimten zou hebben geplaatst. Daarnaast hebben omwonden gemeld dat wanneer [gedaagde] bezoek heeft, er vanuit de woning lawaai en geschreeuw hoorbaar is. Tot slot meldden omwonenden dat bezoekers van [gedaagde] over het algemeen agressief zijn en hen een onveilig gevoel geven.
5.7.
[gedaagde] heeft de overlast onvoldoende weersproken. Dat de overlast niet structureel van aard is, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk. Op grond van de meldingen kan wel degelijk een patroon van herhaaldelijke overlast worden aangenomen. Bovendien kwalificeert de huurovereenkomst met de daarbij behorende bijzondere bepalingen als laatste kans overeenkomst. Het slechts éénmaal niet nakomen van deze overeenkomst vormt hierdoor op zichzelf al voldoende grond de ontruimingsvordering toe te wijzen. Het verweer van gedaagde dat [gedaagde] mogelijk niet begreep waar hij voor tekende maakt dit niet anders, omdat geen beroep op een wilsgebrek is gedaan en bij de gesprekken over de nieuwe huurovereenkomst begeleiding aanwezig was om [gedaagde] te ondersteunen. Ook volgt de kantonrechter gedaagde niet in haar verweer dat [gedaagde] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van zijn bezoekers. De bezoekers bevinden zich in of bij het gehuurde omwille van [gedaagde], of dit nu met zijn goedvinden gebeurt of niet. Tot slot is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk dat het afval en de goederen in de gemeenschappelijke ruimten van [gedaagde] waren of door hem daar zijn geplaatst. Naast het feit dat meerdere omwonenden herhaaldelijk hebben gemeld dat het afval en de goederen van [gedaagde] afkomstig zijn, heeft [gedaagde] ook, na daartoe te zijn verzocht door SWZ omstreeks 21 juli 2026, het op dat moment aanwezige afval opgeruimd.
5.8.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de tekortkomingen van [gedaagde] ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij bij verlies van de woning op straat zal belanden en daardoor de hulpverlening die hij op dit moment ontvangt (mentor, bewindvoerder en ondersteuning van Humanitas) lastig uitvoerbaar wordt. Ook bestaat een reëel risico dat [gedaagde] (opnieuw) in de criminaliteit belandt. SWZ heeft daartegen aangevoerd dat zij door de overlast wordt bemoeilijkt het woongenot aan haar overige huurders (de omwonenden) te verschaffen en dat zij al rekening heeft gehouden met de belangen van [gedaagde] door hem een tweede kans te bieden. Dat [gedaagde] de fout in blijft gaan komt hierdoor voor zijn risico. Hij was immers een gewaarschuwd mens.
5.9.
SWZ heeft een ontruimingstermijn van veertien dagen gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft SWZ aangegeven dat deze procedure haar vooral te doen is om een ontruimingstitel te krijgen en dat zij openstaat voor verruiming van de termijn indien [gedaagde] een overbruggingsperiode nodig heeft om tijdelijk onderdak te vinden én [gedaagde] hiervoor een concreet plan heeft. De kantonrechter acht gezien het voorgaande een ontruimingstermijn tot 1 november 2026 redelijk, omdat deze termijn [gedaagde] voldoende in staat stelt andere woonruimte te vinden dan wel de kans geeft (eventueel samen met SWZ) te kijken naar een andere woning waar hij kan verblijven totdat hij terecht kan op een locatie voor beschermd wonen.
[gedaagde] moet de opruimkosten betalen
5.10.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] de opruimkosten van SWZ van het afval en de goederen in de gemeenschappelijke ruimten moet betalen. Zoals de kantonrechter onder 5.7. heeft overwogen is aannemelijk dat het afval en de goederen van [gedaagde] afkomstig waren. SWZ was hierdoor gerechtigd deze zaken op kosten van [gedaagde] te verwijderen. Anders dan gedaagde stelt is voorafgaande toestemming van de bewindvoerder voor doorberekening van deze kosten aan [gedaagde] niet vereist. Bovendien was gedaagde op de hoogte van het voornemen van SWZ om deze kosten door te berekenen aan [gedaagde] indien hij niet zorg zou dragen voor het opruimen van de spullen. Dit blijkt uit een e-mail van 7 juli 2026 van de gedaagde aan SWZ waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:
“Ik heb cliënt zelf gevraagd spullen op te ruimen aan de hand van jullie brief.”
[gedaagde] heeft de spullen vervolgens niet opgeruimd.
Proceskosten: ambtshalve toetsing
5.11.
De huurovereenkomst en de bijbehorende algemene huurvoorwaarden zijn gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
5.12.
SWZ heeft onder meer gevorderd dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het voor deze vordering relevante beding is opgenomen in artikel 13.1. van de algemene huurvoorwaarden. Met dit beding kan SWZ een beroep doen op een hogere vergoeding van de proceskosten dan de wettelijke aanspraak en kan SWZ een beroep doen op vergoeding van de proceskosten ook als de kantonrechter hierover geen oordeel geeft. Hierdoor wijkt het beding voor de consument ten nadele af van de wettelijke regeling over proceskostenveroordeling.
5.13.
Er bestaat op dit moment echter onduidelijkheid of een rechter de in het ongelijk gestelde partij op grond van het nationale procesrecht mag veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als het proceskostenbeding oneerlijk is. De Hoge Raad heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie. De kantonrechter is van oordeel dat tot die tijd gekozen moet worden voor proceskostenveroordeling op grond van het nationale recht, omdat de Richtlijn 93/13/EEG zich in principe niet verzet tegen toepassing van het buitencontractuele nationale recht in de plaats van een oneerlijk beding. Dit in tegenstelling tot het nationaal recht dat het evenwicht in de contractuele rechtsverhouding beoogt te regelen.
5.14.
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Van omstandigheden die rechtvaardigen dat de proceskosten worden gecompenseerd is de kantonrechter niet gebleken. De proceskosten van SWZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.015,67
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.15.
De kantonrechter zal de vorderingen van SWZ uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het belang van SWZ om binnen afzienbare tijd tot ontruiming over te gaan weegt zwaarder dan het belang van gedaagde en [gedaagde] om een oordeel in hoger beroep af te wachten, onder meer vanwege het spoedeisend belang van SWZ. Bovendien heeft gedaagde de mogelijkheid om in hoger beroep in bezwaar te gaan tegen dit vonnis en te vragen om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] om uiterlijk op 31 oktober 2026 de woning aan [adres 1] te ontruimen en te verlaten met medeneming van al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan SWZ,
6.2.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] om een bedrag van € 263,00 exclusief btw aan SWZ te betalen,
6.3.
veroordeelt gedaagde in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] in de proceskosten van € 1.015,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026. (hg)
ECLI:NL:HR:2007:BA1522.
Artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek.
Artikel 6.10. algemene huurvoorwaarden.
ECLI:NL:HR:2025:1081.
Artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.