Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AR2942
2004-11-09
Strafrecht
01443/03 P
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AR2942 → ECLI:NL:PHR:2004:AR2942
Inhoudsindicatie
Cassatieschriftuur in ontnemingszaak voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen omdat de daarin vervatte klachten zich richten tegen de uitspraak in de hoofdzaak en niet tegen het arrest in de onderhavige ontnemingszaak. HR verklaart betrokkene niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:PHR:2025:1101 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1103 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2016:648 Parket bij de Hoge Raad 12-04-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (2.259 tekens)
9 november 2004
Strafkamer
nr. 01443/03 P
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2003, nummer 20/000355-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Roermond van 10 juli 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.438,--, subsidiair 45 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het in de schriftuur aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu het geen klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur vervatte klachten richten zich immers tegen de door het Hof in de hoofdzaak gegeven uitspraak en niet tegen het onderhavige, in de ontnemingszaak gewezen arrest.
3.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 november 2004.
Strafkamer
nr. 01443/03 P
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2003, nummer 20/000355-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Roermond van 10 juli 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.438,--, subsidiair 45 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het in de schriftuur aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu het geen klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur vervatte klachten richten zich immers tegen de door het Hof in de hoofdzaak gegeven uitspraak en niet tegen het onderhavige, in de ontnemingszaak gewezen arrest.
3.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 november 2004.