Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AI0806
2003-08-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
38623
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2003:AI0806 → ECLI:NL:PHR:2003:AI0806
Inhoudsindicatie
Hoge Raad der Nederlanden D e r d e K a m e r Nr. 38.623 8 augustus 2003 JMH Beslissing gegeven op het verzoekschrift van X te Z strekkende tot wraking van alle leden van de Hoge Raad, ingediend in het door haar aanhangig gemaakte geding in cassatie (nr. 38 623). 1. De procedure...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:4356 Rechtbank Noord-Holland 11-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1185 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1184 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1073 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1074 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3022 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:9091 Rechtbank Noord-Holland 04-09-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1679 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3328 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1286 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2020:4786 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-10-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:3598 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:2740 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2020
- ECLI:NL:HR:2018:2397 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2016:859 Parket bij de Hoge Raad 12-08-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.373 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 38.623
8 augustus 2003
JMH
Beslissing
gegeven op het verzoekschrift van X te Z strekkende tot wraking van alle leden van de Hoge Raad, ingediend in het door haar aanhangig gemaakte geding in cassatie (nr. 38 623).
1. De procedure
Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2002, nr. 01/02115, betreffende een door de Directeur van de Gemeentebelastingen Amsterdam (hierna: de Directeur) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
De Directeur heeft een verweerschrift ingediend, waarna verzoekster een conclusie van repliek heeft ingediend.
Bij een tot de Hoge Raad gerichte brief van 9 mei 2003 heeft de gemachtigde van verzoekster verzocht de zaak mondeling ter terechtzitting te mogen toelichten. Nadat de Griffier erop had gewezen dat ingevolge artikel 29c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) een zaak in cassatie uitsluitend door een advocaat mondeling kan worden toegelicht en de Hoge Raad de gemachtigde - die niet advocaat was - derhalve niet in de gelegenheid kon stellen een mondelinge toelichting te geven, heeft de gemachtigde bij brief van 17 mei 2003 medegedeeld dat een en ander in strijd is met artikel 6 EVRM en dat verzoekster derhalve alle leden van de Hoge Raad wenst te wraken.
Ter zitting van de Hoge Raad van 9 juli 2003 is dit wrakingsverzoek overeenkomstig artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ter openbare zitting behandeld; in de oproep voor deze zitting is verzoekster medegedeeld welke raadsheren het cassatieberoep en welke raadsheren het wrakingsverzoek zullen behandelen. Namens verzoekster heeft haar gemachtigde het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 10 juli 2003 geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van het verzoek, voorzover het is gericht tegen de leden van de Hoge Raad die niet met de behandeling van het cassatieberoep zijn belast, en tot afwijzing van het verzoek voor het overige.
De gemachtigde van verzoekster heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van de AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
Uit voornoemd artikel 8:15 blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechters kan betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelen. Dit brengt mede dat het wrakingsverzoek, voorzover het betrekking heeft op leden van de Hoge Raad die niet met de behandeling van het cassatieberoep zijn belast, niet-ontvankelijk is.
Voorzover het wrakingsverzoek betrekking heeft op raadsheren die met de behandeling van het beroep in cassatie zijn belast, dient het te worden afgewezen. Blijkens artikel 8:15 van de Awb kan een rechter slechts worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Tot zodanige feiten en omstandigheden kan niet worden gerekend de omstandigheid dat - naar verzoekster stelt - artikel 29c van de AWR, voorzover daarin is bepaald dat alleen advocaten de zaak mondeling kunnen toelichten, in strijd is met artikel 6 EVRM.
Uit de namens verzoekster ter zitting gegeven toelichting leidt de Hoge Raad af dat zij niet bedoeld heeft enige andere grond aan haar wrakingsverzoek ten grondslag te leggen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk, voorzover het betrekking heeft op de leden van de Hoge Raad die niet zijn belast met de behandeling van het cassatieberoep van verzoekster, en wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.C. van Oven als raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2003.
D e r d e K a m e r
Nr. 38.623
8 augustus 2003
JMH
Beslissing
gegeven op het verzoekschrift van X te Z strekkende tot wraking van alle leden van de Hoge Raad, ingediend in het door haar aanhangig gemaakte geding in cassatie (nr. 38 623).
1. De procedure
Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2002, nr. 01/02115, betreffende een door de Directeur van de Gemeentebelastingen Amsterdam (hierna: de Directeur) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
De Directeur heeft een verweerschrift ingediend, waarna verzoekster een conclusie van repliek heeft ingediend.
Bij een tot de Hoge Raad gerichte brief van 9 mei 2003 heeft de gemachtigde van verzoekster verzocht de zaak mondeling ter terechtzitting te mogen toelichten. Nadat de Griffier erop had gewezen dat ingevolge artikel 29c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) een zaak in cassatie uitsluitend door een advocaat mondeling kan worden toegelicht en de Hoge Raad de gemachtigde - die niet advocaat was - derhalve niet in de gelegenheid kon stellen een mondelinge toelichting te geven, heeft de gemachtigde bij brief van 17 mei 2003 medegedeeld dat een en ander in strijd is met artikel 6 EVRM en dat verzoekster derhalve alle leden van de Hoge Raad wenst te wraken.
Ter zitting van de Hoge Raad van 9 juli 2003 is dit wrakingsverzoek overeenkomstig artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ter openbare zitting behandeld; in de oproep voor deze zitting is verzoekster medegedeeld welke raadsheren het cassatieberoep en welke raadsheren het wrakingsverzoek zullen behandelen. Namens verzoekster heeft haar gemachtigde het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 10 juli 2003 geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van het verzoek, voorzover het is gericht tegen de leden van de Hoge Raad die niet met de behandeling van het cassatieberoep zijn belast, en tot afwijzing van het verzoek voor het overige.
De gemachtigde van verzoekster heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van de AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
Uit voornoemd artikel 8:15 blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechters kan betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelen. Dit brengt mede dat het wrakingsverzoek, voorzover het betrekking heeft op leden van de Hoge Raad die niet met de behandeling van het cassatieberoep zijn belast, niet-ontvankelijk is.
Voorzover het wrakingsverzoek betrekking heeft op raadsheren die met de behandeling van het beroep in cassatie zijn belast, dient het te worden afgewezen. Blijkens artikel 8:15 van de Awb kan een rechter slechts worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Tot zodanige feiten en omstandigheden kan niet worden gerekend de omstandigheid dat - naar verzoekster stelt - artikel 29c van de AWR, voorzover daarin is bepaald dat alleen advocaten de zaak mondeling kunnen toelichten, in strijd is met artikel 6 EVRM.
Uit de namens verzoekster ter zitting gegeven toelichting leidt de Hoge Raad af dat zij niet bedoeld heeft enige andere grond aan haar wrakingsverzoek ten grondslag te leggen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk, voorzover het betrekking heeft op de leden van de Hoge Raad die niet zijn belast met de behandeling van het cassatieberoep van verzoekster, en wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.C. van Oven als raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2003.