Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1995:AA3126
1995-11-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
30141
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (50)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5517 Rechtbank Overijssel 14-09-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4640 Rechtbank Overijssel 29-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2405 Gerechtshof Den Haag 08-07-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:2503 Rechtbank Overijssel 08-05-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:2072 Rechtbank Oost-Brabant 03-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:7600 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12503 Rechtbank Rotterdam 15-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6876 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5289 Rechtbank Oost-Brabant 22-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:4860 Rechtbank Oost-Brabant 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14023 Rechtbank Den Haag 17-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3880 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:359 Gerechtshof Den Haag 05-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8813 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6130 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:710 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4323 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9593 Rechtbank Den Haag 07-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6751 Rechtbank Den Haag 02-04-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2023:3432 Rechtbank Oost-Brabant 05-07-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:2797 Rechtbank Oost-Brabant 31-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:954 Rechtbank Midden-Nederland 07-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:369 Gerechtshof Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7124 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1701 Gerechtshof Den Haag 02-08-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1701 Gerechtshof Den Haag 02-08-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:508 Gerechtshof Den Haag 17-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:56 Gerechtshof Den Haag 18-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13582 Rechtbank Den Haag 02-08-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1257 Gerechtshof Den Haag 17-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5798 Rechtbank Den Haag 03-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1035 Gerechtshof Den Haag 29-04-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3911 Rechtbank Noord-Nederland 12-11-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1014 Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:860 Gerechtshof Den Haag 14-04-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:860 Gerechtshof Den Haag 14-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:51 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:51 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2020
- ECLI:NL:RBROT:2019:9592 Rechtbank Rotterdam 04-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10949 Rechtbank Den Haag 08-10-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2018:3015 Rechtbank Noord-Nederland 31-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2719 Rechtbank Gelderland 20-06-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3863 Gerechtshof Amsterdam 12-09-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1987 Gerechtshof Den Haag 17-06-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1212 Gerechtshof Amsterdam 29-03-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1213 Gerechtshof Amsterdam 29-03-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1211 Gerechtshof Amsterdam 29-03-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1033 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2015:3001 Gerechtshof Amsterdam 14-07-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2014:6685 Rechtbank Den Haag 27-05-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.863 tekens)
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 februari 1994 betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting en beschikking kosten wielklem van de gemeente Amsterdam.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is terzake van het parkeren op 9 augustus 1991 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 61,--, bestaande uit ƒ 2,50 aan enkelvoudige belasting en ƒ 58,50 aan kosten. Tevens is bij beschikking van belanghebbende een bedrag van ƒ 60,-- gevorderd ter zake van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Gemeente heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de Gemeente naar de letter genomen heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 59, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 1994), nu zij belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaarschrift - dat naar het oordeel van het Hof was gericht tegen zowel de naheffingsaanslag parkeerbelasting als tegen de beschikking kosten wielklem - te splitsen in twee afzonderlijke bezwaarschriften. Het Hof heeft vervolgens, in het licht van de in 5.1 van de bestreden uitspraak genoemde omstandigheden, om proceseconomische redenen terecht ervan afgezien het bezwaar alsnog te doen splitsen, nu belanghebbende daardoor niet in enig processueel belang is geschaad. In zoverre falen de klachten. 3.2. Het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval door de Gemeente aannemelijk is gemaakt dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het door belanghebbende in de a-straat parkeren van een auto redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat voldoende duidelijk was dat ter plaatse voor het parkeren betaald diende te worden door middel van het in werking stellen van een parkeerautomaat, kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het ontbreken van officiële verkeersborden, waarmee belanghebbende kennelijk bedoelt in bijlage II van het toentertijd geldende Reglement verkeersregels en verkeerstekens opgenomen verkeerstekens kan in dit oordeel geen wijziging brengen omdat dat Reglement geen regels bevat ter zake van de aanduiding van plaatsen waar kan worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Voor zover de klachten van een andere opvatting uitgaan treffen zij derhalve geen doel. 3.3 De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep
Dit arrest is op 22 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is terzake van het parkeren op 9 augustus 1991 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 61,--, bestaande uit ƒ 2,50 aan enkelvoudige belasting en ƒ 58,50 aan kosten. Tevens is bij beschikking van belanghebbende een bedrag van ƒ 60,-- gevorderd ter zake van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Gemeente heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de Gemeente naar de letter genomen heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 59, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 1994), nu zij belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaarschrift - dat naar het oordeel van het Hof was gericht tegen zowel de naheffingsaanslag parkeerbelasting als tegen de beschikking kosten wielklem - te splitsen in twee afzonderlijke bezwaarschriften. Het Hof heeft vervolgens, in het licht van de in 5.1 van de bestreden uitspraak genoemde omstandigheden, om proceseconomische redenen terecht ervan afgezien het bezwaar alsnog te doen splitsen, nu belanghebbende daardoor niet in enig processueel belang is geschaad. In zoverre falen de klachten. 3.2. Het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval door de Gemeente aannemelijk is gemaakt dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het door belanghebbende in de a-straat parkeren van een auto redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat voldoende duidelijk was dat ter plaatse voor het parkeren betaald diende te worden door middel van het in werking stellen van een parkeerautomaat, kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het ontbreken van officiële verkeersborden, waarmee belanghebbende kennelijk bedoelt in bijlage II van het toentertijd geldende Reglement verkeersregels en verkeerstekens opgenomen verkeerstekens kan in dit oordeel geen wijziging brengen omdat dat Reglement geen regels bevat ter zake van de aanduiding van plaatsen waar kan worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Voor zover de klachten van een andere opvatting uitgaan treffen zij derhalve geen doel. 3.3 De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep
Dit arrest is op 22 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.