Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2405

2026-07-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/664
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/664
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026081303; V-N Vandaag 2026/1682; FutD 2026-1454

Inhoudsindicatie

Art. 6:5 en 6:6, onderdeel a, Awb. Gronden niet tijdig ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Hoger beroep niet-ontvankelijk.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.365 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/664



Uitspraak van 8 juli 2026


in het geding tussen:



[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: N. van der Laan)


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2025, nummer SGR 25/2942.





Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 68,45, bestaande uit € 2,15 parkeerbelasting en € 66,30 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 4 januari 2026 een nader stuk ingediend.



1.5.
Partijen zijn bij bericht van 31 maart 2026 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op 17 juni 2026. Partijen hebben het Hof, ieder afzonderlijk, bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en hebben daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft om die reden niet plaatsgehad. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.





Feiten


2.1.
Op 19 februari 2025 om 13:35 uur stond het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning kan worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan en dat belanghebbende niet beschikte over een geldige parkeervergunning.



2.2.
Op 22 september 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende bij het indienen van het hoger beroep het volgende vermeld:




“Uw argumenten
Met dit bericht wil ik namens [belanghebbende] hoger beroep aantekenen. De machtiging alsmede de onderliggende stukken volgen zo spoedig mogelijk


(…)




E-mailadres

[e-mailadres 1] ”


2.3.
Bij bericht van 22 september 2025 is aan de gemachtigde van belanghebbende verzocht de volgende verzuimen te herstellen:


“- de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het
niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank;
- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. De machtiging mag niet ouder zijn dan 3 jaar gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;





Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 20 oktober 2025 te herstellen.


Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden
verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”



2.4.
Op 27 oktober 2025 zijn de gronden en de machtiging ontvangen. Eveneens op 27 oktober 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende een verklaring voor de termijnoverschrijding verstrekt:


“Gisteravond laat heb ik u de nadere gronden van het hoger beroep en de machtiging digitaal toegezonden.



Op uw site onder mijn zaaknummer bleek zich een brief d.d. 22 september j.l. te bevinden welke ik niet had ontvangen. Na controle bleek zich niets in mijn mailbox te bevinden.



Het nazien van alle stukken in deze zaak bracht aan het licht dat ik geen e-mailbericht van de rechtspraak kon ontvangen omdat er een tikfout in het e-mailadres zat, zie het stuk waarmee het hoger beroep oorspronkelijk was ingediend (zie de bijlage hieronder).



Omdat uw brief niet in mijn mailbox terechtgekomen is heb ik deze brief niet onder ogen gehad en zijn de nadere gronden van dit hoger beroep te laat door u ontvangen..



Het verzoek is dit hoger beroep alsnog in behandeling te willen nemen.



Zojuist heb ik mijn e-mailadres in de site kunnen wijzigen; er stond [e-mailadres 1] , moet zijn [e-mailadres 2] ”




2.5.
Het Hof heeft de gemachtigde op 28 oktober 2025 als volgt bericht:


“U hebt een verklaring gegeven voor de te late indiening van de gronden. Het hof zal de zaak op een zitting behandelen. Daarbij zal, naast de inhoud, ook de ontvankelijkheid van het hoger beroep worden onderzocht. De gronden zijn immers te laat ingediend door een vergissing aan uw kant. U ontvangt een uitnodiging voor de zitting zodra de zaak op een zitting wordt geplaatst. Eerst zal de wederpartij worden uitgenodigd om een verweerschrift in te dienen.”






Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:


“5. De rechtbank stelt voorop dat van de gemeente mag worden verwacht dat het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk en kenbaar is. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo’n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van voorschriften, komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.[1]


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de bij het verweerschrift overgelegde plattegrond, de scanfoto’s, de uitvergrote foto’s van de parkeersituatie (productie 11a en 11b) en hetgeen verweerder in zijn nadere stukken heeft gesteld, aannemelijk gemaakt dat de regels omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting, zoals die op de locatie waar eiser zijn auto parkeerde van toepassing zijn, voor eiser voldoende duidelijk waren dan wel hadden moeten zijn. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

7. Dat eiser heeft aangevoerd dat zijn parkeerapp een andere zone aangaf doet hier niet aan af. De rechtbank overweegt in dit verband dat op de parkeerder, zoals in rechtsoverweging 5 is overwogen, een onderzoeksplicht rust. Het is aan eiser om te controleren of de parkeerzone waar hij parkeert overeenkomt met de parkeerzone die verschijnt in de parkeerapplicatie. Nu eiser dat kennelijk niet heeft gedaan, dient dit voor zijn rekening en risico te komen. Ook de stelling van eiser dat hij het parkeerbord met de zone […] niet heeft kunnen zien vanaf zijn parkeerlocatie omdat er een publiek toiletgebouw tussen de parkeerlocatie en het parkeerbord in stond, slaagt niet. Eiser heeft immers het parkeerbord bij het oprijden van de parkeerplaats, dus voordat hij ging parkeren, wel (gemakkelijk) kunnen zien en daarnaast staat het parkeerbord zodanig dichtbij de parkeerlocatie dat eiser bij het uitstappen van de auto ook zonder veel moeite het parkeerbord had kunnen ontwaren ter controle van de zone die in zijn parkeerapp verscheen. Nu eiser het vereiste onderzoek niet heeft gedaan, komt dit voor zijn rekening en risico.[2] Anders dan eiser in de stukken lijkt te stellen, ontslaat de omstandigheid dat parkeerbelasting via een door derden aangeboden mobiele app kan worden betaald, de gebruiker niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om te controleren of de in de app vermelde zone de juiste is.

8. Voorts overweegt de rechtbank dat het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2020[3] niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie. In het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2020 was sprake van een onjuiste tariefstelling in de app, hetgeen in tegenstelling tot de onderhavige situatie, niet voor rekening en risico van de parkeerder komt.

9. Dat eiser de intentie heeft gehad om parkeerbelasting te betalen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Parkeerbelasting is namelijk niet een boete, maar een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Het enkele feit dat voor de geparkeerde auto geen parkeerbelasting is betaald, is voldoende om een naheffingsaanslag op te leggen.


(…)



[1] Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126; Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1701.
[2] Vgl. Hof Amsterdam, 29 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1211; Gerechtshof Den Haag 5 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:359.
[3] Hoge Raad 5 juni 2020,ECLI:NL:HR:2020:1014.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep



Ontvankelijkheid hoger beroep




5.1.
Het hoger beroepschrift dient ingevolge artikel 6:5 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het hoger beroep is gericht en de gronden van het hoger beroep te bevatten. Aangezien de gronden van het hoger beroep niet in het hoger beroepschrift zijn vermeld en de indiener geen machtiging tot procesvertegenwoordiging heeft overgelegd, is belanghebbende mede ingevolge artikel 6:6, onderdeel a, in verbinding met artikel 6:24 Awb, in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.



5.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep te verstrekken, althans hij heeft dat niet binnen de daartoe gestelde termijn gedaan. Het hoger beroep dient in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.



5.3.
Onder bepaalde omstandigheden is een niet tijdig verzuimherstel verschoonbaar. Het is aan belanghebbende daarvoor feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.



5.4.
De gemachtigde van belanghebbende heeft verklaard dat hij het bericht met de uitnodiging tot het herstel van het verzuim niet tijdig heeft gezien, omdat de notificatie over het bericht is verstuurd naar een onjuist e-mailadres. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij het indienen van het hoger beroepschrift zelf een onjuist e-mailadres ingevuld. Nu de notificatie over het bericht naar het door de gemachtigde opgegeven e-mailadres is gestuurd, is de indiener naar het oordeel van het Hof op een juiste wijze uitgenodigd het verzuim te herstellen. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende dat de gemachtigde onjuiste contactgegevens heeft verstrekt. Het Hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden geen verschoonbaarheid van de overschrijding van de reactietermijn opleveren. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.





Proceskosten en griffierecht


Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.





Beslissing



Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, R.A. Bosman, M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.




De griffier, de voorzitter,












D.W. Renes L.D.M.A. Reijs




De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.