Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1992:ZC5114

1992-10-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 28204
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1992-10-07
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
28204
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; BNB 1993/5 met annotatie van J.E.A.M. VAN DIJCK; FED 1993/664 met annotatie van Redactie; FED 1992/803; WFR 1992/1499, 1; V-N 1992/3323, 18 met annotatie van Redactie

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Voordeel uit voorwaardelijk optierecht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.175 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden

derde kamer
Nr. 28.204
7 oktober 1992
MD




ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 april 1991 betreffende de hem voor het jaar 1984 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.



1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.

Aan belanghebbende is voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 227.475, -- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Geding in cassatie.


Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een uit twee onderdelen bestaand middel van cassatie.
Het beroepsschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H.W. de Planque, advocaat te Rotterdam. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 29 mei 1992 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.



3. Beoordeling van het middel.


3.1. Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende als vaststaand aangemerkt.
Belanghebbende is in dienstbetrekking bij [A] B.V., een dochtermaatschappij van [B] ([B]) Ltd. (hierna: [B]). [B] is een zogenaamde closed company; alleen werknemers en hun naaste familieleden kunnen aandeelhouder zijn. Van hen kunnen slechts de werknemers zelf, in volledige dienstbetrekking, onder bepaalde voorwaarden een optierecht met betrekking tot de aandelen van [B] verwerven. Zo verkreeg belanghebbende op basis van een tussen hem en [B] op 26 februari 1979 gesloten optiecontract, dat in afschrift tot de gedingstukken behoort, het strikt persoonlijke recht om, onder bepaalde voorwaarden, in de jaren 1984 tot en met 1986 1569 aandelen van 5p elk te kopen tegen de in 1979 geldende koers van twee Engelse ponden.
Hij betaalde voor de verkrijging van het optierecht 156.90 Engelse ponden, te weten 10p voor elk aandeel waarvoor een optie werd verkregen. Dit bedrag zou nimmer worden terugbetaald, doch het zou wel in mindering van de koopprijs strekken bij het uitoefenen van het optierecht.
De voorwaarden behelzen:

- Het optierecht kan gedurende twee jaren, volgende op een periode van vijf jaren na de datum waarop het optiecontract is gesloten, worden uitgeoefend.
- De werknemer met wie een contract is gesloten, moet gedurende de hiervoor genoemde periode en tot het moment van het uitoefenen van de optie werknemer zijn en niet minder dan 1500 aandelen in zijn bezit hebben.
- De koers van de aandelen moet aan het einde van de meergenoemde periode dan wel bij de feitelijke uitoefening van het optierecht minimaal 2,5 maal de optiekoers bedragen.

Belanghebbende oefende in 1984 het recht uit. Bij een toenmaals geldende koers van de aandelen van 13 Engelse ponden en van een waarde van f 4,04 voor het Engelse pond verkreeg belanghebbende op basis van intrinsieke waarde een voordeel van f 69.726, --. Dit voordeel - klaarblijkelijk de uitkomst van (£ 13 - £ 2) x f 4,04 x 1569 - is door de Inspecteur in het belastbare inkomen begrepen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het bezitten van de hoedanigheid van werknemer van een zodanig doorslaggevende betekenis voor het verwerven van het optierecht is dat gezegd moet worden dat uit dit recht voortvloeiende voordelen hun grond vinden in de dienstbetrekking en derhalve als inkomsten uit dienstbetrekking moeten worden beschouwd en dat niet in geschil is dat de omvang van het voordeel op f 69.726, -- moet worden gesteld. Het middel bestrijdt in zijn beide onderdelen deze oordelen, evenwel tevergeefs, zulks op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 onderscheidenlijk 6.3 en 6.4 aangegeven gronden.
3.3. Het Hof heeft bij voormelde oordelen, zulks overigens op het voetspoor van partijen, terecht niet onderzocht of het door belanghebbende in 1979 voor de verwerving van het onderhavige voorwaardelijke optierecht betaalde bedrag al dan niet overeenkwam met de in 1979 aan het optierecht toe te kennen waarde. De uitkomst van zodanig onderzoek kon immers de belastbaarheid van het door belanghebbende in 1984 genoten voordeel niet beïnvloeden, nu het karakter van een voorwaardelijk te genieten voordeel geen wijziging ondergaat als daarvoor een bedrag in rekening is gebracht. Het Hof heeft voorts het door belanghebbende in 1979 betaalde bedrag terecht niet in 1984 in aanmerking genomen, omdat zodanig in rekening gebracht bedrag in het jaar van betaling negatief loon vormt.



4. Beslissing.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis, in raadkamer van 7 oktober 1992.