Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2926
2025-10-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.352.685_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHSHE:2026:745 → ECLI:NL:GHSHE:2025:2926
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging afwijzing verzoek opheffing bewind; geen reden om tot opheffing bewind over te gaan. Voordat het hof beslist op het verzoek tot ontslag huidige bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming van een nieuwe bewindvoerder wordt de rechthebbende de gelegenheid gegeven om zelf een opvolgend bewindvoerder voor te stellen en een bereidverklaring te overleggen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.029 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 23 oktober 2025
Zaaknummer: 200.352.685/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11400285 TD VERZ 24-1824
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. N.P. Scholte.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[B.V. 1] B.V., (voorheen: [B.V. 2] B.V.), hierna te noemen: de bewindvoerder;
[de zoon 1] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de zoon;
[de zoon 2] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de zoon.
In het kort:
Deze zaak gaat over het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende of, als het bewind in stand blijft, over het benoemen van een nieuwe bewindvoerder.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2025, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- primair: het verzoek in eerste aanleg om het bewind op te heffen alsnog toe te wijzen;
- subsidiair: bij bekrachtiging van de beslissing van de kantonrechter, de huidige bewindvoerder van de rechthebbende te ontslaan met benoeming van een opvolgend bewindvoerder.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Scholte namens de rechthebbende;
[medewerker 1] en [medewerker 2] namens de bewindvoerder.
2.3.1.
De rechthebbende is met bericht van verhindering niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.3.2.
De beide zoons zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, ook niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
een V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 6 mei 2025;
een brief van de bewindvoerder d.d. 13 mei 2025;
een e-mail met bijlage van de bewindvoerder d.d. 20 augustus 2025;
een e-mail met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 10 september 2025.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Bij beschikking van 1 oktober 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant, wegens een lichamelijke of geestelijke toestand, een bewind ingesteld over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, met benoeming van [B.V. 2] B.V. tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant [B.V. 2] B.V. met ingang van 1 april 2025 ontslagen onder gelijktijdige benoeming van [B.V. 1] B.V. tot (opvolgend) bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van de rechthebbende.
3.4.
De rechthebbende kan zich met de beslissing genoemd onder rov. 3.2 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De rechthebbende voert in het beroepschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. De rechthebbende heeft haar financiële zaken op orde. Ze heeft al jaren geen schulden meer. Ze heeft een maandelijks vast inkomen uit hoofde van een bijstandsuitkering. De noodzaak tot voortzetting van het bewind bestaat niet meer. De rechthebbende is met behulp van een budgetcoach van de gemeente in staat haar financiën te beheren. Zij zal hiervan gebruik maken en het is gratis omdat de kosten vanuit de bijzondere bijstand vergoed worden.
Verder heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat, alvorens het bewind kan worden opgeheven, het gebruikelijk is dat er eerst een zelfstandigheidstraject moet worden doorlopen. Het contact tussen de rechthebbende en de bewindvoerder is verslechterd en de rechthebbende heeft geen vertrouwen meer in de bewindvoerder. Het is daarom voor de rechthebbende onbegrijpelijk dat verwacht wordt dat de rechthebbende erin zal slagen een stappenplan in het kader van een zelfstandigheidstraject met de bewindvoerder te bespreken zodat een dergelijk traject gevolgd kan worden. Het is onredelijk deze voorwaarde te verbinden aan de opheffing van het bewind. De budgetcoach van de gemeente heeft laten weten dat budgetbeheer volstaat. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking aangegeven dat wanneer de rechthebbende een schriftelijke reactie van de gemeente ontvangt waaruit blijkt dat budgetbeheer kan volstaan, dat een reden kan zijn om alsnog tot opheffing van het bewind over te gaan. De bewindvoerder dient daartoe, volgens de kantonrechter, een brief op te stellen voor rechthebbende. Hiermee lijkt de kantonrechter terug te komen op de beslissing dat er eerst een zelfstandigheidstraject doorlopen moet zijn. Bovendien heeft de bewindvoerder een dergelijke brief niet gemaakt.
Gezien de verstoorde verhoudingen tussen de rechthebbende en de bewindvoerder en het verlies aan vertrouwen van de rechthebbende in de bewindvoerder, had het op de weg van de kantonrechter gelegen om de huidige bewindvoerder ambtshalve te ontslaan wegens gewichtige redenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen. Mocht het hof niet overgaan tot opheffing van het bewind dan verzoekt de rechthebbende om de huidige bewindvoerder te ontslaan en een opvolgend bewindvoerder te benoemen.
3.6.
De bewindvoerder voert - samengevat - het volgende aan. De bewindvoerder blijft bij haar standpunt dat het bewind in stand moet blijven. De brief voor de gemeente over de budgetcoach zou door de rechthebbende zelf worden opgesteld en de bewindvoerder zou deze brief vervolgens doorsturen naar de gemeente. De brief is echter nooit opgesteld door de rechthebbende.
De bewindvoerder bevestigt dat de relatie tussen de rechthebbende en de bewindvoerder verstoord is en dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. De communicatie verloopt lastig omdat rechthebbende niet begrijpt waarom er bijvoorbeeld geen extra leefgeld mogelijk is. Ze heeft geen besef van geld.
De beoordeling
3.7.
Het hof zal eerst ingaan op het verzoek tot opheffing van het bewind.
3.8.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.9.
Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken, volgt dat de goederen van de rechthebbende in 2018 onder bewind zijn gesteld omdat de rechthebbende als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was ten volle de vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Het ligt op de weg van de rechthebbende om aan te tonen dat de oorzaken die aanleiding hebben gegeven tot de instelling van het bewind niet meer aanwezig zijn en dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat. De rechthebbende is daar niet in geslaagd. Het hof licht dit als volgt toe.
De rechthebbende stelt dat er geen schulden meer zijn en dat zij daarom zelf in staat is haar financiële zaken te regelen. Het hof volgt deze stelling niet als reden voor opheffing van het bewind. Het hebben van problematische schulden was immers niet de grond van de onderbewindstelling.
Dat de grond voor de onderbewindstelling (lichamelijke of geestelijke toestand) niet meer aanwezig is, heeft de rechthebbende niet (gemotiveerd) gesteld. Dit is ook niet uit het dossier gebleken. De rechthebbende heeft enkel verklaard dat ze zelf haar vermogensrechtelijke belangen kan behartigen al dan niet met een budgetcoach van de gemeente. Zij heeft niet aangevoerd of onderbouwd met verificatoire stukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een arts dat de lichamelijke of geestelijke toestand die aanleiding was voor het instellen van een bewind niet meer bestaat.
Uit het dossier blijkt dat er zorgen zijn over de mentale gesteldheid van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft, in het kader van een aantal schadegevallen aan de woning van de rechthebbende als gevolg van lekkages, correspondentie overgelegd van de woningbouwcorporatie. De woningbouwcorporatie geeft bij de bewindvoerder aan dat zij in het kader van de afwikkeling van de schade, vanwege de zorgen over de mentale gesteldheid van de rechthebbende, begeleiding van [instantie] willen gaan inschakelen. De rechthebbende kan, zo staat in de e-mail van 29 juli 2025 van de woningbouwcorporatie, de situatie zelf niet goed overzien.
Daarbij komt dat de bewindvoerder heeft verklaard dat de rechthebbende geen besef van geld heeft, vaak om extra leefgeld vraagt terwijl daarvoor geen budget is en zij dan vaak boos wordt en dat de communicatie ook lastig verloopt omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. De rechthebbende heeft dit niet gemotiveerd betwist.
Gelet op het voorgaande heeft de rechthebbende nu nog de bescherming nodig die alleen het bewind haar kan bieden. Het hof deelt ook de zorgen van de bewindvoerder over de financiële situatie van de rechthebbende wanneer het bewind op dit moment zou worden opgeheven.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid op dit moment nog steeds aanwezig is. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen.
3.10.
Omdat het hof het bewind in stand laat, komt het hof toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om een nieuwe bewindvoerder te benoemen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.11.
Ingevolge artikel 1:448 lid 2 BW kan de kantonrechter een bewindvoerder ontslaan hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.12.
Voldoende aannemelijk is geworden dat de verstandhouding tussen de bewindvoerder en de rechthebbende ernstig verstoord is geraakt. De rechthebbende heeft een weerstand tegen de bewindvoerder ontwikkeld en de bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof in beginsel sprake is van een voldoende gewichtige reden om de bewindvoerder ontslag te verlenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen over de goederen van de rechthebbende.
De rechthebbende heeft echter geen opvolgend bewindvoerder voorgedragen. Het hof zal de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid stellen om een voorstel te doen voor een persoon of organisatie die bereid is tot professionele bewindvoerder te worden benoemd. De rechthebbende dient hierbij te motiveren waarom deze professionele bewindvoerder het meest geschikt is en een bereidverklaring van die professionele bewindvoerder over te leggen. De reden voor ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder is immers gelegen in de situatie dat de verhoudingen verstoord zijn. Het is in het belang van de rechthebbende om een goede samenwerking te hebben met haar bewindvoerder. De kans dat sprake gaat zijn van een goede samenwerking en de benodigde basis van vertrouwen zal minder snel aanwezig zijn als het hof een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder benoemt.
Het hof wijst de rechthebbende erop dat totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd, [B.V. 1] B.V. de bewindvoerder blijft.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen ten aanzien van de afwijzing van de opheffing van het bewind. De rechthebbende krijgt de gelegenheid een andere professionele bewindvoerder voor te stellen. Het hof stelt de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid om een ‘bereidverklaring bewind’ van een opvolgend professionele bewindvoerder over te leggen.
Het hof zal de zaak vervolgens in beginsel op de stukken afdoen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 januari 2025 waarin het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen;
stelt de rechthebbende in de gelegenheid om uiterlijk 1 februari 2026, een gemotiveerd voorstel voor een opvolgend te benoemen professioneel bewindvoerder bij het hof in te dienen, met daarbij een bereidverklaring;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 23 oktober 2025
Zaaknummer: 200.352.685/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11400285 TD VERZ 24-1824
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. N.P. Scholte.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[B.V. 1] B.V., (voorheen: [B.V. 2] B.V.), hierna te noemen: de bewindvoerder;
[de zoon 1] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de zoon;
[de zoon 2] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de zoon.
In het kort:
Deze zaak gaat over het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende of, als het bewind in stand blijft, over het benoemen van een nieuwe bewindvoerder.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2025, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- primair: het verzoek in eerste aanleg om het bewind op te heffen alsnog toe te wijzen;
- subsidiair: bij bekrachtiging van de beslissing van de kantonrechter, de huidige bewindvoerder van de rechthebbende te ontslaan met benoeming van een opvolgend bewindvoerder.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Scholte namens de rechthebbende;
[medewerker 1] en [medewerker 2] namens de bewindvoerder.
2.3.1.
De rechthebbende is met bericht van verhindering niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.3.2.
De beide zoons zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, ook niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
een V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 6 mei 2025;
een brief van de bewindvoerder d.d. 13 mei 2025;
een e-mail met bijlage van de bewindvoerder d.d. 20 augustus 2025;
een e-mail met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 10 september 2025.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Bij beschikking van 1 oktober 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant, wegens een lichamelijke of geestelijke toestand, een bewind ingesteld over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, met benoeming van [B.V. 2] B.V. tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank OostBrabant [B.V. 2] B.V. met ingang van 1 april 2025 ontslagen onder gelijktijdige benoeming van [B.V. 1] B.V. tot (opvolgend) bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van de rechthebbende.
3.4.
De rechthebbende kan zich met de beslissing genoemd onder rov. 3.2 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De rechthebbende voert in het beroepschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het nog te vroeg is om het bewind op te heffen. De rechthebbende heeft haar financiële zaken op orde. Ze heeft al jaren geen schulden meer. Ze heeft een maandelijks vast inkomen uit hoofde van een bijstandsuitkering. De noodzaak tot voortzetting van het bewind bestaat niet meer. De rechthebbende is met behulp van een budgetcoach van de gemeente in staat haar financiën te beheren. Zij zal hiervan gebruik maken en het is gratis omdat de kosten vanuit de bijzondere bijstand vergoed worden.
Verder heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat, alvorens het bewind kan worden opgeheven, het gebruikelijk is dat er eerst een zelfstandigheidstraject moet worden doorlopen. Het contact tussen de rechthebbende en de bewindvoerder is verslechterd en de rechthebbende heeft geen vertrouwen meer in de bewindvoerder. Het is daarom voor de rechthebbende onbegrijpelijk dat verwacht wordt dat de rechthebbende erin zal slagen een stappenplan in het kader van een zelfstandigheidstraject met de bewindvoerder te bespreken zodat een dergelijk traject gevolgd kan worden. Het is onredelijk deze voorwaarde te verbinden aan de opheffing van het bewind. De budgetcoach van de gemeente heeft laten weten dat budgetbeheer volstaat. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking aangegeven dat wanneer de rechthebbende een schriftelijke reactie van de gemeente ontvangt waaruit blijkt dat budgetbeheer kan volstaan, dat een reden kan zijn om alsnog tot opheffing van het bewind over te gaan. De bewindvoerder dient daartoe, volgens de kantonrechter, een brief op te stellen voor rechthebbende. Hiermee lijkt de kantonrechter terug te komen op de beslissing dat er eerst een zelfstandigheidstraject doorlopen moet zijn. Bovendien heeft de bewindvoerder een dergelijke brief niet gemaakt.
Gezien de verstoorde verhoudingen tussen de rechthebbende en de bewindvoerder en het verlies aan vertrouwen van de rechthebbende in de bewindvoerder, had het op de weg van de kantonrechter gelegen om de huidige bewindvoerder ambtshalve te ontslaan wegens gewichtige redenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen. Mocht het hof niet overgaan tot opheffing van het bewind dan verzoekt de rechthebbende om de huidige bewindvoerder te ontslaan en een opvolgend bewindvoerder te benoemen.
3.6.
De bewindvoerder voert - samengevat - het volgende aan. De bewindvoerder blijft bij haar standpunt dat het bewind in stand moet blijven. De brief voor de gemeente over de budgetcoach zou door de rechthebbende zelf worden opgesteld en de bewindvoerder zou deze brief vervolgens doorsturen naar de gemeente. De brief is echter nooit opgesteld door de rechthebbende.
De bewindvoerder bevestigt dat de relatie tussen de rechthebbende en de bewindvoerder verstoord is en dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. De communicatie verloopt lastig omdat rechthebbende niet begrijpt waarom er bijvoorbeeld geen extra leefgeld mogelijk is. Ze heeft geen besef van geld.
De beoordeling
3.7.
Het hof zal eerst ingaan op het verzoek tot opheffing van het bewind.
3.8.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.9.
Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken, volgt dat de goederen van de rechthebbende in 2018 onder bewind zijn gesteld omdat de rechthebbende als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was ten volle de vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Het ligt op de weg van de rechthebbende om aan te tonen dat de oorzaken die aanleiding hebben gegeven tot de instelling van het bewind niet meer aanwezig zijn en dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat. De rechthebbende is daar niet in geslaagd. Het hof licht dit als volgt toe.
De rechthebbende stelt dat er geen schulden meer zijn en dat zij daarom zelf in staat is haar financiële zaken te regelen. Het hof volgt deze stelling niet als reden voor opheffing van het bewind. Het hebben van problematische schulden was immers niet de grond van de onderbewindstelling.
Dat de grond voor de onderbewindstelling (lichamelijke of geestelijke toestand) niet meer aanwezig is, heeft de rechthebbende niet (gemotiveerd) gesteld. Dit is ook niet uit het dossier gebleken. De rechthebbende heeft enkel verklaard dat ze zelf haar vermogensrechtelijke belangen kan behartigen al dan niet met een budgetcoach van de gemeente. Zij heeft niet aangevoerd of onderbouwd met verificatoire stukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een arts dat de lichamelijke of geestelijke toestand die aanleiding was voor het instellen van een bewind niet meer bestaat.
Uit het dossier blijkt dat er zorgen zijn over de mentale gesteldheid van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft, in het kader van een aantal schadegevallen aan de woning van de rechthebbende als gevolg van lekkages, correspondentie overgelegd van de woningbouwcorporatie. De woningbouwcorporatie geeft bij de bewindvoerder aan dat zij in het kader van de afwikkeling van de schade, vanwege de zorgen over de mentale gesteldheid van de rechthebbende, begeleiding van [instantie] willen gaan inschakelen. De rechthebbende kan, zo staat in de e-mail van 29 juli 2025 van de woningbouwcorporatie, de situatie zelf niet goed overzien.
Daarbij komt dat de bewindvoerder heeft verklaard dat de rechthebbende geen besef van geld heeft, vaak om extra leefgeld vraagt terwijl daarvoor geen budget is en zij dan vaak boos wordt en dat de communicatie ook lastig verloopt omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. De rechthebbende heeft dit niet gemotiveerd betwist.
Gelet op het voorgaande heeft de rechthebbende nu nog de bescherming nodig die alleen het bewind haar kan bieden. Het hof deelt ook de zorgen van de bewindvoerder over de financiële situatie van de rechthebbende wanneer het bewind op dit moment zou worden opgeheven.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid op dit moment nog steeds aanwezig is. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen.
3.10.
Omdat het hof het bewind in stand laat, komt het hof toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om een nieuwe bewindvoerder te benoemen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
3.11.
Ingevolge artikel 1:448 lid 2 BW kan de kantonrechter een bewindvoerder ontslaan hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.
3.12.
Voldoende aannemelijk is geworden dat de verstandhouding tussen de bewindvoerder en de rechthebbende ernstig verstoord is geraakt. De rechthebbende heeft een weerstand tegen de bewindvoerder ontwikkeld en de bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof in beginsel sprake is van een voldoende gewichtige reden om de bewindvoerder ontslag te verlenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen over de goederen van de rechthebbende.
De rechthebbende heeft echter geen opvolgend bewindvoerder voorgedragen. Het hof zal de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid stellen om een voorstel te doen voor een persoon of organisatie die bereid is tot professionele bewindvoerder te worden benoemd. De rechthebbende dient hierbij te motiveren waarom deze professionele bewindvoerder het meest geschikt is en een bereidverklaring van die professionele bewindvoerder over te leggen. De reden voor ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder is immers gelegen in de situatie dat de verhoudingen verstoord zijn. Het is in het belang van de rechthebbende om een goede samenwerking te hebben met haar bewindvoerder. De kans dat sprake gaat zijn van een goede samenwerking en de benodigde basis van vertrouwen zal minder snel aanwezig zijn als het hof een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder benoemt.
Het hof wijst de rechthebbende erop dat totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd, [B.V. 1] B.V. de bewindvoerder blijft.
De slotsom
3.13.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen ten aanzien van de afwijzing van de opheffing van het bewind. De rechthebbende krijgt de gelegenheid een andere professionele bewindvoerder voor te stellen. Het hof stelt de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid om een ‘bereidverklaring bewind’ van een opvolgend professionele bewindvoerder over te leggen.
Het hof zal de zaak vervolgens in beginsel op de stukken afdoen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 januari 2025 waarin het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen;
stelt de rechthebbende in de gelegenheid om uiterlijk 1 februari 2026, een gemotiveerd voorstel voor een opvolgend te benoemen professioneel bewindvoerder bij het hof in te dienen, met daarbij een bereidverklaring;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.