Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:745
2026-03-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.352.685_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHSHE:2026:745 → ECLI:NL:GHSHE:2025:2926
Inhoudsindicatie
Vervolgbeschikking. Afwijzing subsidiair verzoek ontslag huidige bewindvoerder en benoeming van een nieuwe bewindvoerder.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.688 tekens)
GERECHTSHOF ‘s HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 maart 2026
Zaaknummer: 200.352.685/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11400285 TD VERZ 24-1824
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
thans zonder advocaat (voorheen: mr. N.P. Scholte; onttrokken per 27 februari 2026).
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[B.V. 1] B.V., (voorheen: [B.V. 2] B.V.), hierna te noemen: de bewindvoerder;
[de zoon 1], wonende te [woonplaats], de zoon;
[de zoon 2], wonende te [woonplaats], de zoon.
5De beschikking d.d. 23 oktober 2025
5.1.
Bij die beschikking heeft het hof bekrachtigd de bestreden beschikking van 17 januari 2025 waarin het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen omdat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid nog steeds aanwezig is. Verder heeft het hof onder rechtsoverweging 3.12 als volgt overwogen:
“Voldoende aannemelijk is geworden dat de verstandhouding tussen de bewindvoerder en de rechthebbende ernstig verstoord is geraakt. De rechthebbende heeft een weerstand tegen de bewindvoerder ontwikkeld en de bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof in beginsel sprake is van een voldoende gewichtige reden om de bewindvoerder ontslag te verlenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen over de goederen van de rechthebbende.
De rechthebbende heeft echter geen opvolgend bewindvoerder voorgedragen. Het hof zal de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid stellen om een voorstel te doen voor een persoon of organisatie die bereid is tot professionele bewindvoerder te worden benoemd. De rechthebbende dient hierbij te motiveren waarom deze professionele bewindvoerder het meest geschikt is en een bereidverklaring van die professionele bewindvoerder over te leggen. De reden voor ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder is immers gelegen in de situatie dat de verhoudingen verstoord zijn. Het is in het belang van de rechthebbende om een goede samenwerking te hebben met haar bewindvoerder. De kans dat sprake gaat zijn van een goede samenwerking en de benodigde basis van vertrouwen zal minder snel aanwezig zijn als het hof een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder benoemt.
Het hof wijst de rechthebbende erop dat totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd, [B.V. 1] B.V. de bewindvoerder blijft.”
5.2.
De rechthebbende is in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 februari 2026 een gemotiveerd voorstel voor een opvolgend te benoemen professioneel bewindvoerder bij het hof in te dienen, met daarbij een bereidverklaring.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Op 31 januari 2026 heeft mr. Scholte, de toenmalige advocaat van de rechthebbende, het hof verzocht om uitstel te verlenen ten aanzien van het indienen van een voorstel voor een opvolgend bewindvoerder aangezien de advocaat niet meer in contact is kunnen komen met de rechthebbende.
6.2.
Het hof heeft dit verzoek toegewezen en uitstel verleend tot 1 maart 2026.
6.3.
Op 27 februari 2026 heeft het hof van mr. Scholte een V2-formulier ontvangen waarbij de hij zich als advocaat van de rechthebbende heeft onttrokken.
6.4.
De griffier heeft op 9 maart 2026 telefonisch contact gehad met mr. Scholte om te informeren naar de reden van onttrekking. Hieruit is naar voren gekomen dat het hem nog steeds niet gelukt was de rechthebbende te bereiken. Om die reden heeft mr. Scholte besloten de samenwerking met de rechthebbende te beëindigen en zich als advocaat te onttrekken.
7De verdere beoordeling
7.1.
Thans ligt nog ter beoordeling aan het hof voor het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om de huidige bewindvoerder te ontslaan onder gelijktijdige benoeming van een opvolgend bewindvoerder.
7.2.
Het hof heeft, zoals voormeld, geoordeeld dat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid nog steeds aanwezig is.
Vast staat dat de rechthebbende geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een opvolgend bewindvoerder voor te dragen. Gezien het overwogene in rechtsoverweging 3.12 van de tussenbeschikking zal het hof niet overgaan tot benoeming van een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder.
7.3.
Op grond van het voorgaande zal het hof het subsidiaire verzoek van de rechthebbende afwijzen. Dit brengt met zich dat de huidige bewindvoerder aanblijft.
8De beslissing
Het hof:
wijst af het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om de huidige bewindvoerder van de rechthebbende te ontslaan en een opvolgend bewindvoerder te benoemen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 maart 2026
Zaaknummer: 200.352.685/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11400285 TD VERZ 24-1824
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
thans zonder advocaat (voorheen: mr. N.P. Scholte; onttrokken per 27 februari 2026).
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
[B.V. 1] B.V., (voorheen: [B.V. 2] B.V.), hierna te noemen: de bewindvoerder;
[de zoon 1], wonende te [woonplaats], de zoon;
[de zoon 2], wonende te [woonplaats], de zoon.
5De beschikking d.d. 23 oktober 2025
5.1.
Bij die beschikking heeft het hof bekrachtigd de bestreden beschikking van 17 januari 2025 waarin het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind is afgewezen omdat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid nog steeds aanwezig is. Verder heeft het hof onder rechtsoverweging 3.12 als volgt overwogen:
“Voldoende aannemelijk is geworden dat de verstandhouding tussen de bewindvoerder en de rechthebbende ernstig verstoord is geraakt. De rechthebbende heeft een weerstand tegen de bewindvoerder ontwikkeld en de bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat benoeming van een andere bewindvoerder in het belang van de rechthebbende is. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof in beginsel sprake is van een voldoende gewichtige reden om de bewindvoerder ontslag te verlenen en een opvolgend bewindvoerder te benoemen over de goederen van de rechthebbende.
De rechthebbende heeft echter geen opvolgend bewindvoerder voorgedragen. Het hof zal de rechthebbende tot uiterlijk 1 februari 2026 in de gelegenheid stellen om een voorstel te doen voor een persoon of organisatie die bereid is tot professionele bewindvoerder te worden benoemd. De rechthebbende dient hierbij te motiveren waarom deze professionele bewindvoerder het meest geschikt is en een bereidverklaring van die professionele bewindvoerder over te leggen. De reden voor ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder is immers gelegen in de situatie dat de verhoudingen verstoord zijn. Het is in het belang van de rechthebbende om een goede samenwerking te hebben met haar bewindvoerder. De kans dat sprake gaat zijn van een goede samenwerking en de benodigde basis van vertrouwen zal minder snel aanwezig zijn als het hof een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder benoemt.
Het hof wijst de rechthebbende erop dat totdat een opvolgend bewindvoerder is benoemd, [B.V. 1] B.V. de bewindvoerder blijft.”
5.2.
De rechthebbende is in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 februari 2026 een gemotiveerd voorstel voor een opvolgend te benoemen professioneel bewindvoerder bij het hof in te dienen, met daarbij een bereidverklaring.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Op 31 januari 2026 heeft mr. Scholte, de toenmalige advocaat van de rechthebbende, het hof verzocht om uitstel te verlenen ten aanzien van het indienen van een voorstel voor een opvolgend bewindvoerder aangezien de advocaat niet meer in contact is kunnen komen met de rechthebbende.
6.2.
Het hof heeft dit verzoek toegewezen en uitstel verleend tot 1 maart 2026.
6.3.
Op 27 februari 2026 heeft het hof van mr. Scholte een V2-formulier ontvangen waarbij de hij zich als advocaat van de rechthebbende heeft onttrokken.
6.4.
De griffier heeft op 9 maart 2026 telefonisch contact gehad met mr. Scholte om te informeren naar de reden van onttrekking. Hieruit is naar voren gekomen dat het hem nog steeds niet gelukt was de rechthebbende te bereiken. Om die reden heeft mr. Scholte besloten de samenwerking met de rechthebbende te beëindigen en zich als advocaat te onttrekken.
7De verdere beoordeling
7.1.
Thans ligt nog ter beoordeling aan het hof voor het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om de huidige bewindvoerder te ontslaan onder gelijktijdige benoeming van een opvolgend bewindvoerder.
7.2.
Het hof heeft, zoals voormeld, geoordeeld dat de grond die tot instelling van het bewind heeft geleid nog steeds aanwezig is.
Vast staat dat de rechthebbende geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een opvolgend bewindvoerder voor te dragen. Gezien het overwogene in rechtsoverweging 3.12 van de tussenbeschikking zal het hof niet overgaan tot benoeming van een voor de rechthebbende onbekende bewindvoerder.
7.3.
Op grond van het voorgaande zal het hof het subsidiaire verzoek van de rechthebbende afwijzen. Dit brengt met zich dat de huidige bewindvoerder aanblijft.
8De beslissing
Het hof:
wijst af het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om de huidige bewindvoerder van de rechthebbende te ontslaan en een opvolgend bewindvoerder te benoemen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.