Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2745

2025-10-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.348.567_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-07
Publicatiedatum
2025-10-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.348.567_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; JERF Actueel 2026/204; ERF-Updates.nl 2026-0406; VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0406

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Broer heeft erfenis verworpen om dochters te laten erven, maar geen plaatsvervulling. Is sprake van eerdere stilzwijgende zuivere aanvaarding?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.383 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.348.567/01




arrest van 7 oktober 2025




in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. P.G.L. van Veghel te Asten,



tegen





1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] ,
advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond,





2 [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 2] ,
advocaat: mr. L.C. van Kasteren te Maastricht,





3 [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ,
advocaat: mr. G.H.J. Spee te Nijmegen,



op het bij exploten van dagvaarding van 5 en 12 november 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 4 januari 2023 en van 21 augustus 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, [geïntimeerde sub 1] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, [geïntimeerde sub 2] als op de voet van artikel 118 Rv opgeroepen partij in conventie, eiser in reconventie, en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 4] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/296325 / HA ZA 21-464)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaardingen in hoger beroep met grieven, met productie 1;


de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ;


de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 2] ;


de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde sub 1] .




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



de kern van het geschil




3.1.1.

[appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn broers. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn de dochters van [geïntimeerde sub 2] . Deze zaak ziet op de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . Partijen zijn er lange tijd allen vanuit gegaan dat [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap had verworpen en dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] door plaatsvervulling ex artikel 4:12 BW in de plaats van [geïntimeerde sub 2] zijn getreden. Om die reden zijn aan hen vooruitlopend op de definitieve verdeling van de nalatenschap ook voorschotten betaald. [geïntimeerde sub 1] heeft in eerste aanleg [appellant] en [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] gedagvaard en - kort gezegd - vaststelling van de verdeling van de nalatenschap gevorderd.



3.1.2.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis naar aanleiding van een door [appellant] gevoerd verweer beslist dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] niet door plaatsvervulling of uit hoofde van een overeenkomst deelgenoot zijn geworden in de nalatenschap, zodat zij ten onrechte in de procedure zijn betrokken. Op basis van door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ingenomen (subsidiaire) stellingen heeft de rechtbank beslist dat beoordeeld moet worden of [geïntimeerde sub 2] deelgenoot is in de nalatenschap als resultaat van een eerdere stilzwijgende zuivere aanvaarding. Daarop heeft de rechtbank [geïntimeerde sub 1] in de gelegenheid gesteld om [geïntimeerde sub 2] op grond van artikel 118 Rv in de procedure te betrekken. [geïntimeerde sub 2] is in de procedure verschenen en heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij eindvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard zodat de nalatenschap tussen [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] moet worden verdeeld, heeft de omvang van de nalatenschap vastgesteld en heeft de (wijze van) verdeling gelast. De aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betaalde voorschotten zijn niet in de vaststelling van de verdeling betrokken.



3.1.3.
In hoger beroep ligt in de kern de vraag voor of [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard of dat hij deze heeft verworpen. Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat [geïntimeerde sub 2] stilzwijgend zuiver heeft aanvaard. De aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betaalde voorschotten zullen door hen aan de nalatenschap moeten worden terugbetaald. Die oordelen worden hierna toegelicht.




de feiten





3.2.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.


3.2.1.

[appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn de kinderen van [persoon A] (hierna: moeder), overleden op 2 mei 2013 en [persoon B] (hierna: vader of erflater), overleden op 9 maart 2019. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn de kinderen van [geïntimeerde sub 2] .



3.2.2.
Vader en moeder hebben bij testament van 25 maart 1981 beschikt over hun nalatenschap. Beide testamenten bevatten een ouderlijke boedelverdeling conform artikel 4:1167 (oud) BW, zodat de drie broers na het overlijden van moeder een vordering op vader kregen. Deze vordering bedroeg op de sterfdatum van vader inclusief rente € 18.187,84.



3.2.3.

[geïntimeerde sub 1] en [appellant] hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard. [geïntimeerde sub 2] heeft ter griffie van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, een verklaring tot verwerping afgelegd die op 21 mei 2019 in het boedelregister is ingeschreven.



3.2.4.
Op 5 februari 2009 heeft de onderneming van [appellant] , [xx] Beheer B.V., een lening van vader ontvangen van € 40.000,00 tegen 5,5% rente.



3.2.5.
Als voorschot op de verdeling van de nalatenschap van erflater is op 9 september 2019 aan [geïntimeerde sub 1] een bedrag uitgekeerd van € 40.000,00 en aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ieder een bedrag van € 20.000,00.



3.2.6.
Aan [appellant] is ook (indirect) een voorschot van € 40.000,00 uitgekeerd doordat dit in overeenstemming tussen partijen in mindering is gebracht op de hiervoor genoemde lening van zijn onderneming.



3.2.7.
Partijen zijn niet tot een verdeling van de nalatenschap van erflater gekomen.



de vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank





3.3.1.
In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde sub 1] in eerste aanleg vorderingen ingediend die - kort gezegd - zien op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van erflater en de verdeling daarvan.



3.3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie, na wijziging van eis, samengevat, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de verdeling vaststelt en gelast op basis van de berekening zoals die als productie 13 is overgelegd en [geïntimeerde sub 1] veroordeelt eraan mee te werken dat het bedrag van € 23.606,27 ook daadwerkelijk aan [appellant] wordt voldaan;
2. bepaalt en voor recht verklaart dat de geldleningsovereenkomst van [appellant] , althans van zijn onderneming, per datum van overlijden van erflater door verrekening is tenietgegaan of afgelost;
3. eventueel in goede justitie de nalatenschap vaststelt en de verdeling daarvan bepaalt;
4. [geïntimeerde sub 1] veroordeelt in de proceskosten.



3.3.3.

In het tussenvonnis van 4 januari 2023 heeft de rechtbank - onder meer - geoordeeld dat in dit geschil de vraag aan de orde komt of [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap van erflater al dan niet zuiver heeft aanvaard. Bij bevestigende beantwoording daarvan is [geïntimeerde sub 2] te zien als deelgenoot in die nalatenschap. In dat geval is tussen [geïntimeerde sub 1] , [appellant] en [geïntimeerde sub 2] sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Ter beoordeling van de vraag of [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en deelgenoot is in de nalatenschap van erflater, achtte de rechtbank het noodzakelijk dat [geïntimeerde sub 2] in dit geding werd opgeroepen ex artikel 118 Rv: [geïntimeerde sub 1] is daartoe in de gelegenheid gesteld.
Verder heeft de rechtbank uit proceseconomische overwegingen vast de vraag beantwoord of [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] door plaatsvervulling dan wel door overeenkomst deelgenoot zijn geworden in de nalatenschap van erflater. Die vraag is ontkennend beantwoord. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn daarom volgens de rechtbank ten onrechte in de procedure betrokken.




3.3.4.


[geïntimeerde sub 2] is door [geïntimeerde sub 1] in het geding opgeroepen en is verschenen. Hij heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [appellant] en heeft een eis in reconventie ingediend. [geïntimeerde sub 2] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:




voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard;


de verdeling van de nalatenschap van erflater vaststelt en daarbij bepaalt dat:


a. de thans resterende gemeenschap een saldo heeft van € 192.187,29 en dat iedere deelgenoot daarin gerechtigd is voor een derde deel, althans een saldo heeft van € 137.623,57 en dat iedere deelgenoot daarin gerechtigd is voor een derde deel en aanspraak heeft op betaling van zijn kindsdeel ter grootte van € 18.187,84;
b. de reeds verstrekte voorschotten in mindering komen op hetgeen waartoe de erfgenamen gerechtigd zijn;
c. [appellant] na verrekening met het voorschot van € 40.000,00 nog een schuld van
€ 14.113,53 heeft aan (de nalatenschap van) erflater en dat deze schuld aan hem wordt toegerekend bij de verdeling op basis van gedwongen schuldtoerekening;
d. het tekort op de ervenrekening ad € 34.084,83 evenredig onder de erfgenamen dient te worden verdeeld;

Subsidiair:

- in het geval het primair gevorderde niet wordt toegewezen, de (wijze van) verdeling in goede justitie vaststelt.



3.3.5.

[geïntimeerde sub 1] heeft zich aangesloten bij de vorderingen in reconventie zoals die door [geïntimeerde sub 2] zijn ingesteld en daarmee zijn oorspronkelijke vorderingen in conventie verlaten, met dien verstande dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] intussen een hogere schuld heeft aan (de nalatenschap van) vader (als bedoeld in rov. 3.3.4 onder c.) omdat de rente over die schuld volgens [geïntimeerde sub 1] ook na het overlijden van erflater nog steeds oploopt.



3.3.6.

[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben gevorderd dat de rechtbank een reële proceskosten-veroordeling zal uitspreken ten bedrage van € 5.233,22.



3.3.7.

In het eindvonnis van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerde sub 2] erfgenaam is in de nalatenschap van erflater geoordeeld dat de gedragingen van [geïntimeerde sub 2] moeten worden beoordeeld in het kader van artikel 4:190 lid 4 BW en 4:192 lid 1 BW, zoals die artikelen volgens de rechtbank onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis moeten worden uitgelegd. In dat kader moest de vraag worden beantwoord of [geïntimeerde sub 2] overeenkomsten is aangegaan strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers heeft onttrokken. Daarbij is niet relevant of er daadwerkelijk schuldeisers zijn die door deze gedragingen van [geïntimeerde sub 2] daadwerkelijk zijn benadeeld. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord, omdat [geïntimeerde sub 2] goederen uit de nalatenschap heeft vervreemd en bovendien 1/3e deel van de opbrengst aan hem is toebedeeld.
De stelling van [appellant] dat in geval van een positief saldo alsnog kan worden verworpen mits de beschikkingshandelingen worden teruggedraaid, berust volgens de rechtbank niet op de wet.
De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] terecht heeft gesteld dat de Wet Bescherming erfgenamen tegen schulden (hierna: de Wet BETS) bedoeld was ter voorkoming van lichtvaardige zuivere aanvaarding en dat deze niet tot doel heeft om de erfgenaam te beschermen die kennelijk spijt heeft van zijn gemaakte keuze om de nalatenschap te verwerpen. Echter, de juridische werkelijkheid van artikel 4:192 lid 1 BW is dat indien een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen door (voor zover hier van belang) overeenkomsten tot vervreemding van goederen van de nalatenschap aan te gaan of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken, deze de nalatenschap zuiver aanvaardt. Dat dit [geïntimeerde sub 2] nu goed uitkomt maakt dit niet anders.
De rechtbank heeft het betoog van [appellant] dat de verwerper zelf geen beroep toekomt op artikel 4:192 lid 1 BW omdat volgens [appellant] enkel tegen hem een beroep op die bepaling kan worden gedaan, verworpen. Niet valt in te zien om welke reden degene die stelt of vermoedt gedragingen te hebben verricht die zuivere aanvaarding tot gevolg hebben niet bevoegd zou zijn dit handelen ter toetsing aan de rechter voor te leggen. De rechtsgevolgen van de gedragingen in de zin van artikel 4:192 lid 1 BW treden van rechtswege in. Het gaat volgens de rechtbank om het toetsen van de gedragingen aan de norm zoals omschreven in voornoemd artikel.
Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het beroep op zuivere aanvaarding naar maatstaven van redelijkheid in billijkheid onaanvaardbaar is, heeft de rechtbank overwogen dat gesteld noch gebleken is dat toepassing van de bepaling leidt tot onaanvaardbare gevolgen zodat de stelling al hierom geen doel treft. Ook zijn beroep op rechtsverwerking is niet gehonoreerd, om de reden dat geen sprake is van een rechtsverhouding die wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.
De vaststelling dat [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap van erflater eerder stilzwijgend zuiver heeft aanvaard, leidt er toe dat [geïntimeerde sub 1] , [appellant] en [geïntimeerde sub 2] erfgenaam zijn in die nalatenschap. De door [geïntimeerde sub 2] gevorderde verklaring voor recht dat hij zuiver heeft aanvaard is gegeven. Dat betekent verder dat de nalatenschap van erflater tussen hen moet worden verdeeld, waarbij aan ieder ook een vordering uit de nalatenschap van moeder toekomt. De rechtbank heeft de omvang van de nalatenschap vastgesteld en de (wijze van) verdeling vastgesteld zoals in het dictum van het eindvonnis is vermeld. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.




het geschil in hoger beroep





3.4.1.

[appellant] heeft in zijn inleiding op de grieven aangevoerd dat het hof de inhoud van zijn stukken uit de eerste aanleg als herhaald en ingelast moet beschouwen. Het hof kan niet zonder meer aan dat verzoek gehoor geven. Uit de memorie van grieven moet voldoende kenbaar zijn (zowel voor het hof als voor geïntimeerden) tegen welke beslissingen en oordelen van de rechtbank het hoger beroep is gericht, wat daarvoor de redenen zijn en wat [appellant] bedoelt aan te voeren. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht (vgl. o.a. HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970).



3.4.2.

[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd en heeft zijn eis gewijzigd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van zijn gewijzigde vorderingen, aldus dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de verdeling van de nalatenschappen van beide ouders vaststelt en gelast conform de berekening die [appellant] in eerste aanleg als productie 13 heeft overgelegd;
2. bepaalt en voor recht verklaart dat [appellant] nog een vordering heeft op de
nalatenschap van erflater van € 23.606,27;
3. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] veroordeelt tot terugbetaling van een bedrag van € 19.825,- [het hof verstaat: € 19.875,-, omdat alle partijen van dat bedrag uitgaan, of zelfs van een hoger bedrag (€ 20.000,-), zodat het door [appellant] genoemde bedrag een kennelijke verschrijving betreft] elk en wel door storting op de ervenrekening bij de Rabobank;
4. [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ieder voor zich dan wel gezamenlijk te veroordelen in de proceskosten van [appellant] in beide instanties.



3.4.3.

[geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.



3.4.4.

[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] concluderen tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in zijn hoger beroep jegens hen, dan wel tot het ongegrond verklaren van de grieven en afwijzen van de vorderingen, met veroordeling van [appellant] in de reële proceskosten van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] .



3.4.5.

[geïntimeerde sub 2] concludeert primair tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in zijn hoger beroep en subsidiair tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.



3.4.6.

[geïntimeerde sub 1] concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in zijn hoger beroep, althans tot het ongegrond verklaren van de grieven, met bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de (reële) proceskosten.



3.4.7.
Het hof zal de grieven hierna zoveel mogelijk gezamenlijk beoordelen.



de ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]





3.5.1.

[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen rechtens te respecteren belang heeft bij het in de procedure betrekken van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] , omdat het hier een verdelingsprocedure betreft waarin zij geen deelgenoten horen te zijn. Bovendien betoogt [appellant] zelf dat [geïntimeerde sub 1] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn vordering jegens hen, zodat ook daarom het procesbelang ontbreekt.



3.5.2.
Volgens vaste rechtspraak heeft de appellant een voldoende belang in hoger beroep als hij de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordeling bestrijdt. Die situatie doet zich voor nu [appellant] de compensatie van de proceskosten vanwege de familierelatie door de rechtbank bestrijdt en veroordeling vordert van - onder andere - [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] in zijn proceskosten in beide instanties. Daar komt bij dat [appellant] in hoger beroep veroordeling van hen beiden vordert tot terugbetaling van de aan hen verstrekte voorschotten. Het verweer slaagt niet.



3.5.3.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat de rechtbank in het eindvonnis waarvan beroep heeft verzuimd een beslissing te nemen ten aanzien van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] . Het zou volgens [appellant] voor de hand hebben gelegen dat [geïntimeerde sub 1] niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in zijn vorderingen jegens [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] , met al dan niet een proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde sub 1] . Het hof ziet niet in welk (proces)belang [appellant] heeft bij een beoordeling van deze grief en gaat er om die reden aan voorbij. Bovendien zal het hof opnieuw een oordeel geven over de proceskosten.



het toetsingskader en de door het hof te beantwoorden vragen





3.6.1.
In artikel 4:190 lid 1 BW is bepaald dat een erfgenaam een nalatenschap kan aanvaarden of kan verwerpen. De keuze tot aanvaarding kan niet alleen uitdrukkelijk worden gedaan (artikel 4:191 lid 1 BW), maar kan ook stilzwijgend geschieden (artikel 4:192 lid 1 BW). Op grond van artikel 4:190 lid 4 BW is het uitgangspunt dat een eenmaal gemaakte keuze onherroepelijk is en terugwerkt tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op grond van dwaling en evenmin op grond van benadeling van een of meer schuldeisers worden vernietigd. Dat betekent dat als moet worden vastgesteld dat een keuze voor aanvaarding of verwerping is gemaakt, een latere daarvan afwijkende keuze geen effect heeft. Uit dat wetssysteem van dwingend recht vloeit voort dat [geïntimeerde sub 2] dus niet meer kon verwerpen als moet worden vastgesteld dat de gedragingen zoals die voordien hebben plaatsgevonden moeten worden gekwalificeerd als daden van stilzwijgende zuivere aanvaarding in de zin van artikel 4:192 lid 1 BW. Er is dan geen sprake van het ‘ongedaan maken’ van de verwerping door [geïntimeerde sub 2] , zoals [appellant] betoogt, maar de rechtshandeling tot verwerping is in dat geval nietig en heeft nooit rechtsgevolg gehad. Dat deze in de wettelijke vorm - door het afleggen van een verklaring ter griffie - is gedaan, maakt geen verschil.



3.6.2.


[appellant] voert aan dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd zoals die door partijen aan haar is voorgelegd is getreden door de verwerping ambtshalve te toetsen aan artikel 4:192 lid 1 BW. [geïntimeerde sub 2] heeft immers zelf alleen een beroep gedaan op artikel 4:192 lid 1 BW en zelfs een expliciet bewijsaanbod gedaan. De rechtsgevolgen van dit artikel treden niet van rechtswege in, hetgeen volgt uit het feit dat uit de rechtspraak blijkt dat degene die zich op dit artikel beroept de stelplicht en bewijslast draagt ten aanzien van de gewraakte gedragingen. Aan [geïntimeerde sub 2] komt volgens [appellant] geen beroep toe op artikel 4:192 lid 1 BW. De wetgever heeft met de Wet BETS voor de verwerper niet de mogelijkheid willen scheppen om met omzeiling van artikel 4:190 lid 4 BW de verwerper weer als deelgenoot in de eerder door hem verworpen nalatenschap in het zadel te helpen. Artikel 4:192 BW beoogt
(mede-)erfgenamen in een nalatenschap met een negatief saldo te beschermen die wel zuiver hebben aanvaard en daardoor met hun privévermogen aansprakelijk zijn voor de schulden van de nalatenschap, welke situatie zich hier niet voordoet. Het was van meet af aan zonneklaar dat de nalatenschap een aanzienlijk positief saldo had en zou houden, aldus [appellant] .




3.6.3.
Het hof overweegt dat niet alleen [geïntimeerde sub 2] , maar ook [geïntimeerde sub 1] als deelgenoot in de nalatenschap van erflater een beroep heeft gedaan op artikel 4:192 lid 1 BW (vgl. de akte van uitlating na eiswijziging, nr. 13, en de conclusie van antwoord in reconventie, nr. 2). Er is zodoende geen sprake van het ambtshalve toetsen aan artikel 4:192 lid 1 BW en evenmin heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 24 Rv. [appellant] stelt op zichzelf terecht dat de Wet BETS mede-erfgenamen en/of schuldeisers van de nalatenschap de mogelijkheid biedt om verwerping door een of meerdere mede-erfgenamen die zich ten koste van de nalatenschap hebben verrijkt ongedaan te maken, zodat zij ook mede aansprakelijk zijn voor de nalatenschapsschulden, maar uit niets blijkt dat uitsluitend wanneer die gevallen zich voordoen een beroep op deze bepaling kan worden gedaan. Ook in een geval als het onderhavige kan en moet op een daartoe strekkend betoog getoetst worden of de nalatenschap stilzwijgend is aanvaard. Met in ieder geval het beroep op deze bepaling door [geïntimeerde sub 1] , ligt die vraag in dit geding voor. Voor de stelling dat alleen degene wiens bescherming wordt beoogd een beroep kan doen op artikel 4:192 lid 1 BW bestaat geen grondslag. Uit de wet noch uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat geen beroep kan worden gedaan op deze bepaling in geval van een positieve nalatenschap. Zoals hiervoor in rov. 3.6.1 al is geoordeeld, kán niet meer worden verworpen als er zuiver is aanvaard. Of al dan niet sprake is geweest van daadwerkelijke benadeling van schuldeisers is in dat opzicht niet relevant.



3.6.4.
Met betrekking tot de opmerkingen over de stelplicht en bewijslast oordeelt het hof dat in deze kwestie daarover geen geschil bestaat. Partijen zijn niet verdeeld over de feiten, wel over de gevolgen die daaraan verbonden moeten worden.



3.6.5.
Uit het voorgaande volgt dat de vraag moet worden beantwoord of [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard voordat hij een verklaring tot verwerping heeft afgelegd.



3.6.6.

[appellant] heeft geen kenbare grief gericht tegen de uitleg door de rechtbank van artikel 4:192 lid 1 BW zoals die is opgenomen in rov. 4.7 en 4.8 van het eindvonnis. Het hof neemt die uitleg eveneens tot uitgangspunt. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord of [geïntimeerde sub 2] overeenkomsten is aangegaan strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers heeft onttrokken. Daarbij is niet relevant of er daadwerkelijk schuldeisers zijn die door deze gedraging van [geïntimeerde sub 2] daadwerkelijk zijn benadeeld.



heeft [geïntimeerde sub 2] stilzwijgend zuiver aanvaard?





3.7.1.

[appellant] heeft gesteld dat de gedragingen van [geïntimeerde sub 2] niet duiden op een ondubbelzinnige zuivere aanvaarding. [geïntimeerde sub 2] heeft geen beschikkingshandelingen verricht en voor zover hij wat uit de nalatenschap ontvangen heeft, is dat te duiden vanuit zijn positie als rechthebbende op zijn kindsdeel in de nalatenschap van moeder. Hetgeen [geïntimeerde sub 2] tot zich heeft genomen, is in waarde veel minder dan zijn vordering op de nalatenschap van vader, aldus steeds [appellant] .



3.7.2.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] na het overlijden van erflater gezamenlijk in overleg zijn getreden over de afwikkeling. Het eerste overleg werd gehouden op 17 maart 2019 en daarvan is door [appellant] een actiepuntenlijstje (productie 1 bij akte uitlating eiswijziging [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ) opgesteld, met afspraken over de afwikkeling en een taakverdeling met daarin voor alle drie een rol. Daaruit blijkt dat zij onder meer afspraken dat het appartement van erflater zou worden opgeruimd en verkocht en dat de inboedel zou worden afgevoerd of verkocht via Marktplaats. In dat overzicht staat onder meer dat [geïntimeerde sub 2] de verkoop via Marktplaats ter hand zou nemen, hetgeen ook is gebeurd. Onweersproken is verder dat:
i. [geïntimeerde sub 2] een deel van inboedel heeft verkocht aan een bekende van [geïntimeerde sub 2] voor een bedrag van € 500,-, welk bedrag hij ook in ontvangst heeft genomen;
ii. [geïntimeerde sub 2] de sieraden uit de boedel heeft overgenomen voor een bedrag van € 3.000,-;
iii. tussen [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] een afrekening heeft plaats gevonden van de opbrengst van de inboedelgoederen en de sieraden, waarbij ieder per saldo 1/3e deel van de opbrengst van die zaken heeft ontvangen;
iv. [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] alle drie wat spulletjes uit de woning hebben meegenomen: [geïntimeerde sub 2] heeft enkele versierde opbergkistjes meegenomen.




3.7.3.
Uit het voorgaande blijkt dat [geïntimeerde sub 2] enkele zaken uit de woning van erflater voor zichzelf heeft meegenomen en overeenkomsten is aangegaan met betrekking tot de vervreemding van goederen uit de nalatenschap. Bovendien heeft hij in de opbrengst gedeeld. Daarmee zijn de goederen aan het verhaal van eventuele schuldeisers onttrokken. Deze handelingen vallen onder het bereik van artikel 4:192 lid 1 BW. Het zijn bewust verrichte beschikkingshandelingen die zo ingrijpend zijn dat [geïntimeerde sub 2] daarmee ‘als heer en meester’ heeft beschikt over de nalatenschap. Dat [geïntimeerde sub 2] die handelingen als schuldeiser van de nalatenschap zou hebben verricht wordt betwist en blijkt nergens uit. Het had op de weg van [appellant] gelegen om die stelling meer concreet te onderbouwen, bijvoorbeeld door toe te lichten welke concrete afspraken daarover tussen hen zijn gemaakt en op welk moment, hetgeen hij heeft nagelaten. Overigens oordeelt het hof die stelling ook weinig geloofwaardig, omdat de veronderstelling dat hiermee dan een deel van zijn vordering op de nalatenschap zou kunnen worden voldaan zich maar moeilijk laat rijmen met de evenredige verdeling van de opbrengst tussen hen drieën. Het zou in dat geval immers meer voor de hand hebben gelegen dat [geïntimeerde sub 2] de opbrengst van de verkopen als voorschot op de voldoening van zijn vordering geheel had mogen houden. Bovendien past de stelling niet bij de hiervoor onder rov. 3.7.2 beschreven gang van zaken na het overlijden van erflater, waaruit blijkt dat de broers gedrieën en in overleg de afwikkeling en gedeeltelijke verdeling ter hand hebben genomen. Het betreft geen handelen als schuldeiser, maar handelen als erfgenaam.



3.7.4.
Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [geïntimeerde sub 2] de nalatenschap stilzwijgend heeft aanvaard. De verwerping is nietig en heeft dus geen effect.



is het beroep van [geïntimeerde sub 2] op artikel 4:192 lid 1 BW in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid?





3.8.1.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde sub 2] een spelletje heeft gespeeld waardoor iedereen op het verkeerde been is gezet. Het onaanvaardbare gevolg is dat [geïntimeerde sub 2] de uitsluiting van een beroep op dwaling zoals neergelegd in artikel 4:190 lid 4 BW omzeilt terwijl hij impliciet verklaart de nalatenschapsschuldeisers voor de verwerping op meerdere momenten te hebben benadeeld.



3.8.2.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet toereikend toegelicht om welke reden het beroep van [geïntimeerde sub 2] op deze rechtsregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Tot het moment dat [appellant] tijdens deze procedure op de mondelinge behandeling in eerste aanleg zich op het standpunt stelde dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] geen erfgenamen waren geworden bij plaatsvervulling, waren alle partijen in de veronderstelling dat dit wel het geval was. Daar is mede door [appellant] ook naar gehandeld, met de verstrekking van de voorschotten en door hen te betrekken bij de levering van het appartement van erflater aan kopers. [appellant] kreeg in die constellatie 1/3e deel van de nalatenschap, en dat is nog steeds de uitkomst. Op welke wijze hij op onaanvaardbare wijze is benadeeld is niet duidelijk geworden. Dat [appellant] meer proceskosten heeft gemaakt is daartoe niet voldoende, ook niet omdat deze voor een belangrijk deel mede te wijten zijn aan het feit dat hij zich pas laat in de procedure op een ander standpunt ten aanzien van de plaatsvervulling heeft gesteld.



slaagt het beroep van [appellant] op rechtsverwerking?





3.9.1.

[appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank het beroep op rechtsverwerking ten onrechte heeft verworpen om de reden dat er geen sprake zou zijn van een rechtsverhouding die wordt beheerst door de eisen van redelijkheid in billijkheid. Hij voert aan dat [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ten tijde van de verwerping deelgenoten waren in de nalatenschappen van hun ouders; dat is een rechtsverhouding die wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.



3.9.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde sub 2] zijn rechten als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam als gevolg van rechtsverwerking niet meer zou mogen laten gelden, zou de grief zo ruim moeten worden opgevat. Weliswaar kan [appellant] worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtsverhouding tussen partijen - immers allen zijnde zuiver aanvaard hebbende erfgenamen in de nalatenschap van erflater - wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW), maar er is onvoldoende onderbouwd dat en waarom en op welk moment op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van [geïntimeerde sub 2] had mogen worden verwacht, waar hij in plaats daarvan heeft stilgezeten. Geen van partijen was zich ten tijde van de verwerping en lange tijd daarna bewust van het feit dat de verwerping niet het gewenste effect had, te weten dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] in plaats van [geïntimeerde sub 2] zouden erven. Dat was het doel van [geïntimeerde sub 2] . Voor het erfdeel van [appellant] maakte het geen verschil: of [geïntimeerde sub 2] zou 1/3e deel erven, of [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zouden samen 1/3e deel erven. Voor het hof is aannemelijk ten eerste dat [geïntimeerde sub 2] zich ten tijde van de verwerping niet realiseerde dat hij vanwege zijn handelen al zuiver had aanvaard, en ten tweede dat hij op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat hij zijn dochters op deze wijze zou kunnen laten delen in de nalatenschap. Wat dan precies de jegens [appellant] onrechtmatige situatie is geweest die [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] als gevolg van samenspanning zouden hebben gecreëerd, is niet toegelicht. Dat [geïntimeerde sub 2] zich - net als de anderen - pas tijdens de procedure realiseerde dat het beoogde doel niet kon worden behaald, maakt niet dat hij zijn rechten als erfgenaam niet meer geldend kon maken.



de aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betaalde voorschotten





3.10.1.
Niet in geschil is dat de voorschotten onverschuldigd uit de nalatenschap zijn betaald aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] . Dat betekent dat [appellant] zich terecht op het standpunt stelt dat de gezamenlijke erfgenamen een vordering uit dien hoofde hebben op [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] . Ingevolge artikel 3:171 BW is [appellant] als deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Geen der deelgenoten heeft aangevoerd dat er een regeling is die anders bepaalt. Dat betekent dat [appellant] de onderhavige rechtsvordering in deze procedure kan instellen.



3.10.2.

[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] stellen zich op het standpunt dat het geld aan [geïntimeerde sub 2] als deelgenoot in hun plaats toekomt. Zij hebben het geld aan [geïntimeerde sub 2] overgemaakt zodat er geen plaats is voor enige vordering op hen. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] voeren daarmee als verweer aan dat zij bevrijdend hebben betaald aan [geïntimeerde sub 2] . Voor zover zij menen dat sprake is van een inbetalinggeving als bedoeld in artikel 6:45 BW, dan geldt dat daarvan slechts kan sprake zijn als de gezamenlijke erfgenamen daaraan hun medewerking hebben verleend. Die ontbreekt. Voor zover zij zich hebben willen beroepen op het bepaalde in artikel 6:32 BW, de betaling aan een derde, overweegt het hof het volgende. Een dergelijke betaling bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat. Van bekrachtiging is geen sprake. Het betaalde bedrag is ook niet in het vermogen van de gemeenschap gevloeid, zodat er geen sprake is van baat in de zin van artikel 6:32 BW.



3.10.3.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering voor toewijzing gereed ligt.



conclusie





3.11.1.
Gelet op de beoordeling van de grieven hoeft geen bewijs te worden geleverd, nog daargelaten dat een gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen de vonnissen waarvan beroep geen doel treft.



3.11.2.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de verdeling gelast zoals conform zijn in eerste aanleg overgelegde berekening. Uit zijn memorie van grieven kan het hof echter niet afleiden op welke onderdelen het oordeel van de rechtbank over de verdeling onjuist is. Geen enkele grief is gericht tegen de daarop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank en ook verder valt uit de memorie van grieven niet af te leiden wat en waarom zijn berekening moet worden gevolgd in plaats van de beslissing van de rechtbank. Verder heeft het hof geconstateerd dat [appellant] in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - verdeling van de nalatenschappen van beide ouders heeft gevorderd, terwijl in het eindvonnis waarvan beroep de nalatenschap van erflater is verdeeld. Het hof verstaat die formulering zo dat [appellant] wenst dat de vorderingen uit hoofde van de kindsdelen in de verdeling worden betrokken, zoals de rechtbank ook heeft gedaan. Mocht [appellant] op dit onderdeel een wijziging van eis hebben voorgestaan, dan heeft hij dat onvoldoende duidelijk en concreet toegelicht, zodat het hof die zal afwijzen. Het hof zal het eindvonnis bekrachtigen. Het hoger beroep slaagt alleen voor wat betreft de eis dat [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3] moeten betalen. Die eis zal het hof toewijzen.



de proceskosten





3.12.1.
De rechtbank heeft de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen vanwege de familierelatie gecompenseerd, zo dat ieder de eigen kosten draagt. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 3.9.2 is overwogen is het hof van oordeel dat van kwade opzet noch van een vooropgezet plan tot misleiding sprake is geweest.



3.12.2.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
Het hof ziet geen grond om in afwijking daarvan ten laste van een der partijen een veroordeling tot vergoeding van de reële proceskosten uit te spreken. Aan de strenge voorwaarden (misbruik van procesrecht of ander onrechtmatig handelen) voor toewijzing van een dergelijke vordering, zoals ingediend door [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 1] , is niet voldaan.








4De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep en in aanvulling daarop rechtdoende:



veroordeelt [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] tot terugbetaling van een bedrag van € 19.875,- elk, en wel door storting op de ervenrekening bij de Rabobank;



verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten in hoger beroep, zo dat elke partij de eigen kosten draagt;



wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, M. van Ham en G. Megchelsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.



griffier rolraadsheer