Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2847

2026-09-22 Civiel recht 200.362.714/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.714/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

ontbinding arbeidsovereenkomst, ernstig verwijtbaar handelen, billijk vergoeding, afschrikwekkend effect

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.163 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.362.714/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11692185 VZ VERZ 25-3307





Beschikking van 22 september 2026





in de zaak van




Hader Development B.V.,
gevestigd in Den Bosch,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S. Rötscheid, kantoorhoudend in Almere,



tegen





[verweerder]
,
wonend in [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.A. Lacasa, kantoorhoudend in Rotterdam.



Het hof noemt partijen hierna Prijsvrij en [verweerder] .





1Procesverloop in hoger beroep

1.1.
Bij beroepschrift (met bijlagen), ter griffie ingekomen op 16 december 2025, is Prijsvrij in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 september 2025. [verweerder] heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend dat op 15 april 2026 is ontvangen ter griffie van het hof. In dit verweerschrift is een incidentele grief opgenomen.



1.2.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 7 mei 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.




2Feitelijke achtergrond

2.1

[verweerder] is vanaf 1 juli 2024 werkzaam voor Prijsvrij op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. Vanaf 9 december 2024 ervaarde [verweerder] acute en ernstige problemen met (in het bijzonder) zijn zicht. Op zondag 15 december 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld bij Prijsvrij.


2.2
Op maandag 16 december 2024 is [verweerder] naar het oogziekenhuis gegaan voor nader onderzoek. De oogarts heeft hem gemeld dat er verschillende oorzaken voor de klachten zouden kunnen zijn.


2.3

[verweerder] heeft die dag telefonisch contact gezocht met zijn leidinggevende, [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ) en met [Director Offline Marketing] , Director Offline Marketing van Prijsvrij (hierna: [Director Offline Marketing] ), om hen te informeren over wat er speelde.


2.4
Op woensdag 18 december 2024 heeft [verweerder] wederom met [leidinggevende] gebeld om een update te geven van zijn medische situatie en gemeld dat verdere onderzoeken pas in de tweede week van januari gepland stonden, wat betekende dat het hersteltraject mogelijk langer zou duren.


2.5
Op 30 december 2024 heeft [verweerder] nog een update over zijn gezondheid aan [leidinggevende] gestuurd.


2.6

Op 3 januari 2025 heeft [verweerder] een telefonisch consult bij de bedrijfsarts gehad. In de rapportage van de bedrijfsarts van die datum staat dat [verweerder] functionele beperkingen had, als volgt:

“Persoonlijk functioneren: energie, duurbelasting […] Sociaal functioneren: visus beiderzijds, deelname met eigen vervoer aan het verkeer, beeldschermwerk.”

en:

“geen re-integratie geadviseerd, wel zijn er mogelijkheden om als telefonisch vraagbaak voor de collega's bereikbaar te zijn.”




2.7

In de ‘medische kaart’ met daarin notities van de bedrijfsarts staat op 3 januari 2025 vermeld:
“Lichaamsbeweging intraining voor de marathon 4x p/w hardlopen”.



2.8

Bij e-mail van 6 januari 2025 heeft [general counsel] , general counsel en advocaat van Prijsvrij (hierna: [general counsel] ), het volgende aan [verweerder] geschreven:

“Vandaag ontving ik, naast de rapportage van de Arbo-dienst, het bericht dat jij gedurende jouw afwezigheid wegens 'visuele beperkingen” wél zeer actief bent met allerlei hardloopsessies (tot een halve marathon aan toe) en bezig bent met het dagelijks actief (op)volgen van allerlei berichten op Linkedln. Het zal jou niet verbazen dat we hiermee als werkgever geen genoegen nemen. We twijfelen niet alleen aan de juist- gegrondheid van jouw ziekmelding maar ook aan de juistheid c.q. volledigheid van hetgeen je aan de Arbo-dienst hebt voorgehouden. Ik zal dit bericht eveneens delen met de Arbo-dienst.


Nu getwijfeld kan worden aan de juistheid van jouw ziekmelding zal ik de Arbo-dienst verzoeken een en ander te heroverwegen, althans een second opinion (deskundigenbericht) aanvragen bij het UWV. Voorts verwacht ik jou morgen te 9:00 uur weer hier op kantoor. Tot het moment dat jij je weer op de werkvloer meldt wordt het loon opgeschort over de periode van jouw ziekmelding. Over de periode van ongeoorloofde afwezigheid zal vanzelfsprekend geen loon worden voldaan.”




2.9
De advocaat van [verweerder] heeft daar bij e-mail van diezelfde dag op gereageerd. Daarbij is meegedeeld dat de opstelling van Prijsvrij onterecht en ongepast is en dat Van [verweerder] niet kon worden verlangd op kantoor te komen. Verder is aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon. Prijsvrij heeft niet gereageerd op de e-mail van de advocaat van [verweerder] .


2.10
Op 8 januari 2025 berichtte Prijsvrij dat zij de bedrijfsauto bij [verweerder] zou komen ophalen. Diezelfde dag heeft [Director Offline Marketing] [verweerder] uitgenodigd om de volgende dag op kantoor te komen om te bespreken welke werkzaamheden mogelijk zijn. Daarop heeft de advocaat van [verweerder] gereageerd bij e-mail van 9 januari 2025, met de mededeling dat Prijsvrij door haar opstelling een conflict creëert en dat dit ernstig verwijtbaar is. Verder schreef de advocaat dat het re-integratietraject van [verweerder] ernstig in gevaar werd gebracht door Prijsvrij, dat [verweerder] niet op kantoor zou verschijnen en dat hij aanspraak maakte op doorbetaling van loon.


2.11
Daarop is door [general counsel] bij e-mail van diezelfde dag geantwoord dat op [verweerder] de verplichting rustte de bedrijfsauto te retourneren en aangekondigd dat de auto op 15 januari 2025 zou worden opgehaald. Verder heeft [general counsel] zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er sprake is van benutbare mogelijkheden voor aangepaste werkzaamheden en dat [verweerder] in staat moest worden geacht met het openbaar vervoer naar kantoor te komen. [general counsel] heeft een loonstop in het vooruitzicht gesteld als [verweerder] de volgende dag niet op kantoor zou verschijnen. [general counsel] heeft verder te kennen gegeven dat Prijsvrij twijfelde aan de gegrondheid van de ziekmelding en zich afvroeg hoe de uitgebreide hardloopsessies zich verhouden tot de gestelde visuele beperkingen, en hoe deze zich dan weer verhouden tot de activiteiten van [verweerder] op social media. Volgens [general counsel] was dit informatie waarover de bedrijfsarts niet beschikte op het moment waarop deze rapporteerde. Tot slot heeft [general counsel] gemeld dat Prijsvrij verlangde dat [verweerder] gevolg zou geven aan redelijke verzoeken om de gegrondheid van de ziekmelding te (doen) controleren en aan redelijke verzoeken in het kader van de re-integratie.


2.12

[general counsel] heeft vervolgens de bedrijfsarts op verzoek van [verweerder] om advies gevraagd over de vraag of hij wel of niet kon re-integreren en of hij kon worden opgeroepen voor werkgerelateerde afspraken.


2.13
Op 14 januari 2025 heeft er vervolgonderzoek plaatsgevonden in het ziekenhuis. Daarbij is een verdenking van een spierziekte, Myasthenia Gravis, vastgesteld.


2.14

Die dag heeft de advocaat van [verweerder] aan [general counsel] bericht dat de specialist in het oogziekenhuis vermoedde dat sprake is van een spierziekte en dat [verweerder] is doorverwezen naar een neuroloog. De advocaat schrijft verder:

“Cliënt voelt zich onder druk gezet dit te delen, nu hij zich totaal niet gesteund voelt door Prijsvrij in deze spannende tijd en er nog steeds een (totaal onterechte) loonopschorting boven zijn hoofd hangt. Dit zorgt voor extra spanning en maakt dat cliënt heel veel (extra) stress heeft. Iets wat hij in deze tijd niet kan gebruiken en wat hij ook niet verdient.


Ik verzoek u dan ook dringend mij nog vóór het einde van de dag te bevestigen dat cliënt gewoon recht heeft op loon en de aangezegde loonopschorting zodoende geen doorgang zal vinden, uiteraard ook niet voor de afgelopen periode.


Indien u niet aan dit verzoek voldoet ziet cliënt zich genoodzaakt een kort geding te starten. Deze stress in deze periode kan niet langer zo door gaan.”




2.15

[general counsel] heeft daar weer op gereageerd. Volgens [general counsel] had het feit dat [verweerder] zeer actief was op social media, in combinatie met diverse hardloopsessies en het lopen van een halve marathon, de nodige terechte vragen opgeroepen, maar dat Prijsvrij uit coulance en om het spoedige herstel van [verweerder] daar niet van af te laten hangen de tot tweemaal toe doorgevoerde loonopschorting zou intrekken.


2.16

Op verzoek van [verweerder] heeft er op 21 januari 2025 een consult bij de bedrijfsarts plaatsgevonden. De bedrijfsarts oordeelde:

“Door bovengenoemde beperkingen is betrokkene niet belastbaar om te kunnen starten met een structurele re-integratie. Op dit moment is betrokkene vanwege zijn huidige gezondheidsbeperkingen onvoldoende belastbaar om afspraken te maken tav werk-gerelateerde aspecten.”




2.17
Op 14 februari 2025 heeft [verweerder] een telefonisch consult gehad met de bedrijfsarts. Het oordeel van de bedrijfsarts bleef hetzelfde. [verweerder] was niet belastbaar en de bedrijfsarts adviseerde geen re-integratieactiviteiten.


2.18
Bij e-mail van 17 februari 2025 heeft Prijsvrij [verweerder] opgeroepen voor een consult bij een andere bedrijfsarts. Prijsvrij heeft daarbij medegedeeld dat zij kon besluiten de loonbetaling op te schorten als [verweerder] niet zou komen opdagen.


2.19
Op 20 februari 2025 is [verweerder] een dag opgenomen geweest in het ziekenhuis. Uit het onderzoek bleek vrijwel zeker dat sprake was van de spierziekte Myasthenia Gravis. [verweerder] is gestart met de opbouw van medicatie.


2.20

Bij e-mail van 27 februari 2025 heeft [general counsel] aan de advocaat van [verweerder] bericht:

“Enige tijd terug bespraken wij het feit dat werkgever twijfelde aan de gegrondheid van de ziekmelding vanwege onder meer de vele uitgebreide en langdurige hardloopsessies van uw cliënt. Inmiddels heeft werkgever geconstateerd dat uw cliënt zijn voorheen openbare STRAVA-account geblokkeerd heeft c.q. op privé heeft gezet. Werkgever gaat er, gelet op het recente bericht van de bedrijfsarts waaruit blijkt dat uw cliënt nog altijd een zichtbeperking heeft, vanuit uw cliënt zijn hardloopsessies gestaakt heeft en houdt. Of heeft uw dient het STRAVA account alleen maar dichtgezet om een en ander te verhullen? Een en ander roept - zoals u zult begrijpen – bij werkgever opnieuw vragen op.


Ik verneem graag binnen 5 dagen na heden of uw werknemer zijn hardloopsessies nog altijd gestaakt heeft zodat ik een en ander met werkgever kan bespreken.”




2.21

Op 1 april 2025 is [verweerder] bij de bedrijfsarts in Den Bosch geweest. Omdat [verweerder] beperkt was in het autorijden, heeft zijn broer hem gebracht. In de rapportage staat het volgende advies:

“Werknemer ervaart momenteel nog veel stres tgv onzekerheid verdere beloop vd aandoening en evt resultaten / verder behandelbeleid. Er volgt ook nog aanvullend onderzoek. Er is sprake v.e. (chron) medische aandoening waarvoor medicamenteuze behandeling gegeven wordt. De klachten, bekend bij werkgever, kunnen verergeren door stress, emoties of hevige inspanning en wisselen momenteel nog sterk.

Prognose; bij een adequate medicamenteuze behandeling kan meestal herstel/verbetering optreden (maanden).

Ik adviseer momenteel om nog geen werkhervattingsafspraken te maken.”




2.22
Bij e-mail van 9 april 2025 heeft de heer [ceo] , CEO van Prijsvrij (hierna: [ceo] ) [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 15 april 2025 op kantoor in Den Bosch.


2.23
Naar aanleiding van deze uitnodiging heeft de advocaat van [verweerder] op 14 april 2025 per e-mail aan [general counsel] geschreven dat uit het oordeel van de bedrijfsarts blijkt dat deze nog geen werkhervattingsafspraken adviseerde en aan heeft gegeven dat de medische klachten konden verergeren door bijvoorbeeld stress en emoties. Volgens de advocaat was een afspraak met [ceo] niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts en zou dat de gezondheid van [verweerder] verslechteren. Verder gaf de advocaat te kennen dat er sprake was van een doorgaande pesterij en dat [verweerder] niet naar het kantoor zou komen.


2.24

Bij brief van 15 april 2025 heeft Prijsvrij [verweerder] op staande voet ontslagen. Deze brief luidt als volgt:

“Via deze weg bericht ik je hierbij dat HaDer Development B.V. (hierna: "Prijsvrij Vakanties") zich genoodzaakt ziet jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op grond van een dringende reden. Ter toelichting dient het volgende.


(…)


Visusbeperking


Uit het observatieverslag van Hoffmann Recherche blijkt dat werknemer op meerdere dagen in maart 2025 zelfstandig autorijdt. Zo is geconstateerd dat werknemer herhaaldelijk een kind in de vroege ochtend naar school brengt over een afstand van circa 3,5 kilometer, en boodschappen doet met gebruik van een voertuig. Deze gedragingen vonden plaats op structurele basis, zonder enige zichtbare beperking of begeleiding.


Deze feiten staan op gespannen voet met het ziektebeeld zoals dat door de bedrijfsarts is vastgelegd, zoals laatstelijk in de rapportage van 1 april 2025. Daarin wordt uitdrukkelijk vermeld dat sprake is van een visusbeperking die "langdurig achtereen lezen en werken met beeldschermen op dit moment beperkt, evenals zelfstandig chaufferen." De combinatie van deze medische beoordeling en het structureel autorijden rechtvaardigt in hoge mate het vermoeden dat werknemer zijn belastbaarheid niet naar waarheid heeft weergegeven aan de bedrijfsarts en/of werkgever. Dit betreft een ernstige schending van de informatieplicht die op werknemer rust op grond van artikel 7:660a BW en de Wet Verbetering Poortwachter.


Daarbij geldt dat – indien de medische beperking zoals opgegeven daadwerkelijk aanwezig was ten tijde van het autorijden – dit handelen kwalificeert als ernstig onverantwoord en mogelijk gevaarzettend gedrag. Het zelfstandig deelnemen aan het verkeer, en in het bijzonder het vervoeren van een minderjarig kind, terwijl men lijdt aan een visuele aandoening die rijden onveilig maakt, kan civielrechtelijk worden aangemerkt als onrechtmatige daad (art. 7:162 BW) en in bepaalde omstandigheden zelfs als schuld of roekeloosheid in het verkeer in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet. Indien sprake zou zijn van een ongeval, zou dat potentieel leiden tot aansprakelijkheid voor letsel of schade, zowel tegenover derden als jegens de werkgever in het kader van eigen risico op loondoorbetaling.


Hetzij werknemer heeft onterecht ziekte geclaimd en zijn belastbaarheid verzwegen, hetzij hij heeft gehandeld in strijd met medische beperkingen die hij zelf aanvoert, met ernstig risico voor derden. In beide scenario’s is sprake van zwaarwegend verwijtbaar gedrag dat het vertrouwen in werknemer duurzaam ondermijnt en een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet (artikel 7:678 lid 2 BW).


Deelname Marathon Rotterdam -13 april 2025


Op 13 april 2025 heeft werknemer deelgenomen aan de Marathon Rotterdam en deze voltooid in een officiele eindtijd van 3 uur, 27 minuten en 58 seconden. Hiermee finishte werknemer op plaats 3.112 van in totaal 17.843 deelnemers, wat werknemer plaatst binnen de top 18% van het gehele deelnemersveld. Een dergelijke prestatie vereist langdurige, intensieve fysieke inspanning en valt op basis van internationale medische normen onder de categorie ‘zware lichamelijke belasting’.


Volgens het American College of Sports Medicine (ACSM) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) kwalificeert hardlopen aan een tempo boven de 10 km/u als ‘vigorous intensity’ (zware fysieke inspanning), gemeten als METS (Metabolic Equivalent of Task). Werknemer liep met een gemiddeld tempo van ca. 12,2 km/u, wat neerkomt op 11- 12 MET’s: aanzienlijk binnen de zwarte belastingcategorie. Daarnaast wordt bij een marathonprestatie als deze een energieverbruik van gemiddeld 2.800- 3.300 kcal verondersteld, met een hartslagbelasting van ca. 75- 90% van de maximale hartslag over een tijdsduur van ruim 3,5 uur. Deze fysieke belasting is structureel onverenigbaar met de door de werknemer opgegeven beperkingen en het medisch beeld geschetst in de bedrijfsartsrapportage van o.a. 1 april 2025, waarin onder meer wordt vermeld dat werknemer beperkt zou zijn in het “dynamisch energetisch vermogen” en dat “langdurige/zware fysieke inspanning beperkt mogelijk is”.


De marathonprestatie van werknemer staat daarmee objectief haaks op de medische beperkingen waarop zijn arbeidsongeschiktheid en loondoorbetaling zijn gebaseerd. Het niet melden van deze herstelinformatie aan werkgever of bedrijfsarts vormt bovendien een schending van zijn plicht tot transparantie en medewerking [n]aar re- integratie (artikel 7:660a BW en Wet Verbetering Poortwachter).


Deze feiten bevestigen dat er sprake is ven bewuste misleiding en ernstige vertrouwensbreuk en onderbouwe[n] het ontslag op staande voet als juridisch proportioneel, noodzakelijk en rechtens verdedigbaar.


Wettelijk kader


Gelet op het voorgaande is sprake van dringende redenen die o.a. bestaan uit:

 Opzettelijke misleiding werkgever en bedrijfsarts
 Werkweigering
 Ernstige vertrouwensbreuk
 Niet meewerken aan/belemmeren van re – integratie (art. 7:660a BW)

Op grond van dit alles afzonderlijk, althans in ieder geval in onderlinge samenhang bezien, rest Prijsvrij Vakanties geen andere optie dan de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden (art. 7:678 BW) te beëindigen. Dit betekent dat het dienstverband op en ingaande per 15 april 2025 met onmiddellijke ingang is geëindigd.


Prijsvrij Vakanties beschouwt de hiervoor omschreven dringende reden als ernstig verwijtbaar handelen zodat geen aanspraak bestaat op een transitievergoeding.”






3Procedure bij de kantonrechter

3.1

[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht:


I. te verklaren voor recht dat de opzegging door Prijsvrij in strijd met het bepaalde in art. 7:671 BW heeft plaatsgevonden;
II. Prijsvrij te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen het achterstallig salaris naar rato van 1 april t/m 15 april 2025 van € 5.500,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
III. Prijsvrij te veroordelen om zorg te dragen voor een correcte eindafrekening met uitbetaling van de resterende vakantiedagen (103,09 uur) en het vakantiegeld berekend tot 15 april 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
IV. aan [verweerder] ten laste van Prijsvrij toe te kennen de gefixeerde schadevergoeding van € 8.250,-- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente;
V. aan [verweerder] ten laste van Prijsvrij toe te kennen de transitievergoeding van € 1.566,37,-- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente;
VI. aan [verweerder] ten laste van Prijsvrij toe te kennen een billijke vergoeding van € 70.000,-- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente;
VII. Prijsvrij te veroordelen om aan [verweerder] deugdelijke specificaties ten aanzien van de hiervoor genoemde betalingen te verstrekken op straffe van een dwangsom;
VIII. Prijsvrij te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen een bedrag van € 932,30 ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten, berekend over de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding;
IX. Prijsvrij te veroordelen in de kosten van het geding.



3.2
Prijsvrij heeft tegenverzoeken gedaan. Deze zijn in het principaal en incidenteel hoger beroep niet meer aan de orde.


3.3
De kantonrechter heeft de verzoeken van [verweerder] grotendeels toegewezen. De billijke vergoeding is bepaald op een bedrag van € 50.000,-- bruto, de transitievergoeding op een bedrag van € 1.820,42 bruto en de gefixeerde schadevergoeding op een bedrag van € 8.250,-- bruto. De buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen. Prijsvrij is in de proceskosten veroordeeld.




4Verzoek in principaal hoger beroep

4.1
Prijsvrij verzoekt de beschikking van de kantonrechter te vernietigen, de verzoeken van [verweerder] alsnog af te wijzen en hem te veroordelen aan Prijsvrij terug te betalen wat hij van haar ter uitvoering van de beschikking heeft ontvangen. Tevens verzoekt Prijsvrij om [verweerder] in de proceskosten van beide instanties te veroordelen, te vermeerderen met wettelijke rente.




5Verzoek in incidenteel hoger beroep

5.1

[verweerder] verzoekt de beschikking van de kantonrechter te vernietigen op (uitsluitend) het punt van de billijke vergoeding en deze alsnog vast te stellen op een bedrag van € 70.000,-- bruto dan wel een ander bedrag hoger dan € 50.000,-- bruto, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. Verder verzoekt [verweerder] om Prijsvrij te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.




6Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
Geen dringende reden

6.1
Centraal in deze zaak staat de rechtsgeldigheid van het door Prijsvrij aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. In de bestreden beschikking is geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is, als volgt.



Autorijden




 Prijsvrij heeft in de ontslagbrief (kort gezegd) vermeld dat uit het observatieverslag van Hoffmann Bedrijfsrecherche blijkt dat [verweerder] op meerdere dagen in maart 2025 zelfstandig auto heeft gereden en dat Prijsvrij heeft geconstateerd dat hij op 13 april 2025 heeft deelgenomen aan de marathon van Rotterdam en dat hij deze ook heeft uitgelopen, terwijl in de rapportage van de bedrijfsarts van 1 april 2025 is opgenomen dat [verweerder] nog niet zelfstandig auto rijdt en dat sprake is van beperkingen met betrekking tot langdurige/zware fysieke inspanning.



 [verweerder] heeft verklaard dat hij tijdens het consult van 1 april 2025 tegen de bedrijfsarts heeft gezegd dat hij sinds eind februari 2025 (toen hij medicatie had voor zijn ziekte) kleine stukjes auto rijdt, maar dat hij nog niet in staat was om langere afstanden, zoals woon-werkverkeer en de afstand naar Den Bosch voor het consult bij de bedrijfsarts, te rijden.



 Deze verklaring van [verweerder] is plausibel. Deze strookt ook met de bevindingen van Hoffmann, die heeft geconstateerd dat [verweerder] op 17 maart, 24 maart en op 1 april 2025 slechts enkele (zeer) korte ritjes met de auto heeft gereden om zijn kind naar school te brengen en om een boodschap te doen, en dat de broer van [verweerder] hem op 1 april 2025 naar de bedrijfsarts in Den Bosch heeft gebracht.



 De verklaring van [verweerder] vindt steun in de overgelegde schriftelijke verklaring van zijn broer van 22 augustus 2025. Daarin is ook vermeld dat [verweerder] op 1 april 2025 aan de bedrijfsarts heeft verteld dat hij inmiddels weer wat korte ritjes met de auto had gereden, maar dat langere ritten nog niet mogelijk waren.



 Prijsvrij heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat zij niet met de bedrijfsarts heeft besproken dat Hoffmann heeft geconstateerd dat [verweerder] inmiddels korte afstanden auto rijdt en hoe dit zich verhoudt met het verslag van de bedrijfsarts van 1 april 2025. Meer in het bijzonder had Prijsvrij de bedrijfsarts kunnen vragen wat [verweerder] nu precies over het autorijden heeft gezegd tijdens het consult op 1 april 2025. Dit had wel op de weg van Prijsvrij gelegen, maar dat heeft zij niet gedaan.



 De conclusie is dat op grond van de door Prijsvrij aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] de bedrijfsarts en Prijsvrij heeft misleid over het autorijden.

Hardlopen




 [verweerder] heeft gesteld dat hij al tijdens het eerste consult bij de eerste bedrijfsarts op 3 januari 2025 heeft meegedeeld dat hij 4 keer per week hardliep en dat hij in training was voor de marathon van Rotterdam. Dit blijkt ook uit de door [verweerder] overgelegde notities van deze bedrijfsarts (pagina 20 van de medische kaart van [verweerder] ). Dat dit niet in de rapportage van de bedrijfsarts van 3 januari 2025 is opgenomen, kan niet aan [verweerder] worden verweten.



 Verder had het op de weg van Prijsvrij gelegen om het hardlopen met de bedrijfsarts te bespreken. Prijsvrij wist immers dat [verweerder] zeer actief was met hardlopen en dat hij recent een halve marathon had gelopen. Dit blijkt uit de e-mail van Prijsvrij van 6 januari 2025. De gemachtigde van Prijsvrij heeft dit tijdens de zitting nog eens erkend. Zowel de bedrijfsarts als Prijsvrij waren er dus al begin januari 2025 van op de hoogte dat [verweerder] zeer intensief hardliep.



 Uit niets blijkt dat de gemachtigde van [verweerder] tijdens een telefoongesprek op 9 januari 2025 aan de gemachtigde van Prijsvrij heeft meegedeeld dat [verweerder] niet meer zou hardlopen. Prijsvrij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om over te stappen naar een nieuwe bedrijfsarts. Voor zover deze bedrijfsarts niet op de hoogte was van het hardlopen, valt dit niet aan [verweerder] te verwijten. Prijsvrij, die hier kennelijk zwaar aan tilde, had de bedrijfsarts hierover zelf kunnen informeren.



 De conclusie van de kantonrechter is dat op grond van de door Prijsvrij aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] de bedrijfsarts en Prijsvrij heeft misleid over het hardlopen.




Sociale media




 De stelling van Prijsvrij dat het (op)volgen van berichten op LinkedIn door [verweerder] niet te verenigen valt met het volgens de bedrijfsarts niet kunnen verrichten van beeldschermwerk is niet relevant. Immers, deze reden is in de ontslagbrief niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Alleen al hierom kan het gebruik van sociale media niet als dringende reden worden aangemerkt.



6.2
Met de principale grief 1 komt Prijsvrij op tegen dit oordeel, als volgt.


 Het is niet juist dat [verweerder] op 1 april 2025 tegen de bedrijfsarts heeft gezegd dat hij sinds eind februari 2025 kleine stukjes auto rijdt, maar dat hij nog niet in staat was om langere afstanden te rijden. Uit de correspondentie met de bedrijfsarts volgt dat [verweerder] toen heeft gezegd dat hij nog geen auto reed in verband met het feit dat de visus per dag en soms per moment wisselde. [verweerder] heeft dus in strijd met de waarheid verklaard en is dus terecht op deze grond ontslagen.



 Volgens Prijsvrij had [verweerder] de bedrijfsarts moeten informeren over het hardlopen. Uit de rapportages en correspondentie met de bedrijfsarts blijkt dat [verweerder] heeft gezegd dat hij geen (zware) fysieke inspanning kon leveren, terwijl hij topfit moet zijn geweest. Dat de vorige bedrijfsarts wist dat [verweerder] een paar keer per week hardliep is een andere kwestie dan de zware voorbereiding op een marathon. Dat [verweerder] de marathon van Rotterdam heeft gelopen wist Prijsvrij pas op 13 april 2025, zodat het onmogelijk was dit aan de bedrijfsarts mee te delen. Prijsvrij heeft de gemachtigde van [verweerder] uitdrukkelijk nagevraagd of [verweerder] nog zo intensief trainde, maar daar wilde zij geen uitspraak over doen.



 Prijsvrij erkent dat zij het opvolgen van social mediaberichten niet in de ontslagbrief als ontslagreden heeft genoemd. Echter, deze omstandigheid draagt wel bij aan het beeld dat Prijsvrij heeft gekregen van [verweerder] . Namelijk dat hij zijn energie (en visuele inzet achter een beeldscherm) wél kan inzetten voor privézaken, maar niet voor Prijsvrij.



 Prijsvrij is van mening dat de kantonrechter ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de bedrijfsarts op 3 januari 2025 heeft geoordeeld dat er benutbare mogelijkheden waren. [verweerder] had daarom op dat moment gehoor moeten geven aan het verzoek van Prijsvrij om te onderzoeken welke werkzaamheden konden worden verricht. Zou dit zijn gebeurd, dan was deze kwestie daarna mogelijk niet zo geëscaleerd.



 Tot slot is Prijsvrij van mening dat van belang is dat de bedrijfsarts heeft bevestigd dat de prognose ten aanzien van herstel en re-integratie mogelijk anders waren geweest, als [verweerder] had verteld over het trainen voor de marathon en het feit dat hij wel degelijk kon autorijden.



6.3
De principale grief 1 faalt. Het hof neemt het oordeel van de kantonrechter, en de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd, over. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.


 Op Prijsvrij ligt de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. In de kern lijkt Prijsvrij te betogen dat [verweerder] minder ziek was dan hij deed voorkomen en dat [verweerder] de bedrijfsarts informatie heeft onthouden, waardoor de bedrijfsarts zich een onjuist oordeel heeft gevormd over de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en diens mogelijkheden tot re-integratie.



 Prijsvrij heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep evenwel te kennen gegeven de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] als zodanig niet te betwisten (pleitaantekeningen 20). Het hof gaat er dus van uit dat [verweerder] in de periode waar het om gaat, arbeidsongeschikt was. Het verwijt van Prijsvrij ziet dus inmiddels kennelijk erop dat de bedrijfsarts een onjuist advies heeft gegeven over de inzetbaarheid van [verweerder] en diens re-integratiemogelijkheden doordat [verweerder] geen openheid van zaken heeft gegeven over het autorijden en het hardlopen.



 Het feit dat bedrijfsarts [bedrijfsarts] (naderhand) heeft verklaard dat bij bekendheid van het marathonlopen “de prognose tav van herstel en reintegratie mogelijkheden er wellicht anders kunnen uitzien” vormt onvoldoende bewijs van de stelling van Prijsvrij dat de bedrijfsarts als gevolg van misleiding door [verweerder] een onjuist advies heeft gegeven. Dat geldt ook voor de overgelegde verklaring van neuroloog dr. [neuroloog] , nog los van de vraag wat een neuroloog kan verklaren over de spierziekte Myasthenia Gravis. Ook in samenhang vormen deze verklaringen onvoldoende bewijs.







Billijke vergoeding




6.4
De kantonrechter heeft geoordeeld dat Prijsvrij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [verweerder] op die grond aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Daartoe heeft de kantonrechter als volgt overwogen.


 Prijsvrij is na de ziekmelding door [verweerder] er al snel ‘met gestrekt been’ is ingegaan en in zeer korte tijd een conflict heeft laten ontstaan.



 Zo heeft Prijsvrij begin januari (vrij kort na de ziekmelding van [verweerder] ) de juistheid van de ziekmelding betwijfeld en hem een aantal keren opgeroepen op kantoor te verschijnen op straffe van opschorting van het loon, hoewel de bedrijfsarts had geadviseerd dat [verweerder] alleen als telefonische vraagbaak voor collega’s beschikbaar zou kunnen zijn.



 Prijsvrij is dus volstrekt ten onrechte tot (de aankondiging van) een loonopschorting en zelfs een loonstop overgegaan.



 Ook in de daaropvolgende periode heeft Prijsvrij niet gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mag worden.



 Op grond van het bij Prijsvrij – ten onrechte – bestaande wantrouwen met betrekking tot de ziekmelding en de beperkingen van [verweerder] heeft zij er niet voor gekozen om (telefonisch) in gesprek te gaan met [verweerder] en hem te vragen om een toelichting, maar zij heeft er voor gekozen om Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen. Dit is in de gegeven omstandigheden een buitenproportionele maatregel. Daarmee heeft Prijsvrij bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] en zijn gezin.



 Hoffmann heeft [verweerder] op verschillende dagen bij zijn woning geobserveerd, is hem gevolgd en heeft diverse foto’s gemaakt. De kantonrechter kan zich goed voorstellen dat de inzet van Hoffmann voor veel extra stress bij [verweerder] heeft gezorgd, terwijl stress volgens de bedrijfsarts gezien zijn ziektebeeld juist zoveel mogelijk vermeden moet worden.



 In een periode waarin [verweerder] in een kwetsbare levensfase verkeerde, heeft Prijsvrij hem niet gesteund, maar het hem juist extra moeilijk gemaakt en hem de mogelijkheid ontnomen om op enig moment bij Prijsvrij te kunnen re-integreren. Weliswaar was sprake van een tijdelijke arbeidsovereenkomst (voor de duur van een jaar) en ontvangt [verweerder] thans een Ziektewetuitkering, maar gelet op de overige hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en in aanmerking nemende dat door het optreden van Prijsvrij het solliciteren bij een nieuwe werkgever lastiger is (omdat [verweerder] niet bij Prijsvrij heeft kunnen re-integreren), is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een hoge mate van verwijtbaarheid van Prijsvrij.



6.5
De kantonrechter heeft in het voorgaande aanleiding gezien om aan [verweerder] een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto toe te kennen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding is toegewezen vanaf twee weken na de datum van de bestreden beschikking.


6.6
De principale grief 3 richt zich tegen dit oordeel, als volgt.


 Primair stelt Prijsvrij zich op het standpunt dat deze billijke vergoeding dient te worden afgewezen, omdat het ontslag op staande voet terecht is verleend.
 Subsidiair is Prijsvrij van mening dat het bedrag van € 50.000,-- bruto te hoog is. Op het moment van de ziekmelding van [verweerder] was hij nog maar 5,5 maand in dienst van Prijsvrij en op het moment van het ontslag op staande voet, betrof dit 9,5 maand. Dit dienstverband zou van rechtswege eindigen op 30 juni 2025. Het dienstverband van [verweerder] was daarmee nog niet duurzaam of bestendig ontwikkeld. Ook was er geen sprake van een opgebouwde inkomenszekerheid of carrièreperspectief binnen Prijsvrij.
 Er was geen enkele kans dat Prijsvrij per 1 juli 2025 ervoor zou hebben gekozen het dienstverband van [verweerder] te verlengen. Er bestonden grote twijfels over het functioneren, de motivatie en de ziekmelding van [verweerder] . Als gevolg daarvan zou het dienstverband ook zonder het ontslag op staande voet zijn geëindigd, maar dan op 30 juni 2025.
 Daarnaast is het ook niet aannemelijk dat [verweerder] zich voor lange tijd aan Prijsvrij zou hebben verbonden. Het ligt in de rede dat hij op zoek zou zijn gegaan naar ander werk. In dat geval had [verweerder] zelfs geen recht gehad op een transitievergoeding, die nu wel is verkregen. Ook met deze omstandigheid dient conform rechtspraak rekening te worden gehouden in het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
 Binnen deze kaders kon [verweerder] redelijkerwijs slechts 2,5 maand resterende loonverwachting hebben, waarvan reeds 1,5 maand zijn gecompenseerd door de gefixeerde schadevergoeding en de laatste maand een Ziektewetuitkering is toegewezen. Daarmee is zijn materiële schade minimaal.
 De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate door Prijsvrij is veroorzaakt. De feiten laten zien dat [verweerder] substantieel heeft bijgedragen aan de escalatie.
 Tot slot heeft de kantonrechter in de beschikking geoordeeld dat [verweerder] re-integratiekansen zijn ontnomen. Dit oordeel kan Prijsvrij moeilijk volgen. Uit de stukken blijkt allereerst dat [verweerder] zelf al geen intentie had om bij Prijsvrij te re-integreren. De bedrijfsarts omschreef dit ook al als een motivatieprobleem. Daarbij geldt ook op dit punt dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook zou zijn geëindigd op 30 juni 2025, waarmee de re-integratiemogelijkheden bij Prijsvrij niet meer zouden bestaan. Het is Prijsvrij dan ook niet duidelijk welke mogelijkheden [verweerder] precies zouden zijn ontnomen als de samenwerking niet op 15 april 2025, maar op 30 juni 2025 zouden zijn geëindigd.



6.7
De incidentele grief richt zich eveneens tegen de toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto , en wel als volgt.


 Door te kiezen voor ontslag op staande voet kwam [verweerder] ziek en zonder re-integratietraject op straat te staan. Hierdoor heeft Prijsvrij ervoor gezorgd dat [verweerder] na de einddatum van het contract ook niet in staat was om snel ander werk te vinden of zijn positie op de arbeidsmarkt te herstellen. De werkloosheid van een jaar na het ontslag is het directe gevolg van het handelen van Prijsvrij.



 Hierbij speelt een cruciale rol dat [verweerder] niet goed kan inschatten waar hij toe in staat is indien hij weer volledig aan het werk zal gaan. De mogelijkheid tot een rustige opbouw in werkzaamheden en re-integratie is hem immers ontnomen, waardoor zijn belastbaarheid in reguliere arbeid nooit getest is.



 Prijsvrij blijft haar eigen fouten miskennen en de schuld op [verweerder] schuiven. Het is zeer ongepast om te handelen zoals Prijsvrij heeft gedaan, terwijl [verweerder] door de zwaarste periode van zijn leven ging.



 Het is aannemelijk dat Prijsvrij, zolang zij haar eigen verantwoordelijkheid niet erkent en herkent, in toekomstige gevallen vergelijkbaar zal handelen. Een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto heeft in ieder geval geen afschrikkende werking gehad.



 Door het ontslag op staande voet en het uitblijven van re-integratie lijdt [verweerder] maandelijks een aanzienlijk inkomensverlies. Het verschil tussen zijn loon en de Ziektewetuitkering bedraagt € 1.820,43 bruto per maand. Dit verlies loopt sinds april 2025 door en zal, zolang geen duurzaam dienstverband wordt gevonden en de uitkering lager blijft dan het oorspronkelijke loon, voortduren. Bovendien brengt dit ook een risico met zich mee dat [verweerder] bij het vinden van een nieuwe baan, zal instromen op een aanmerkelijk lager niveau in salaris. Dit betekent dat er sprake is van een structureel inkomensverlies en daarbij ook gemiste pensioenopbouw. De billijke vergoeding dient dit structurele inkomensverlies te compenseren.



 [verweerder] is inmiddels (vanaf 14 april 2026) op onbetaalde basis gestart bij GI Travel voor de duur van 6 weken. Hij krijgt hier de kans om te re-integreren.



 De Ziektewetuitkering van [verweerder] loopt naar verwachting af in december 2026. Daarna zal hij - afhankelijk van de dan geldende medische beoordeling – zijn aangewezen op een WIA-uitkering of, indien daarop geen recht bestaat, op andere (lagere) voorzieningen of eigen middelen. Dit betekent dat de inkomensachteruitgang na afloop van de Ziektewet structureel kan toenemen en dat de financiële onzekerheid voor [verweerder] op langere termijn aanzienlijk is.



 Gelet op dit alles is volgens [verweerder] een billijke vergoeding van € 70.000,-- bruto gerechtvaardigd.



6.8
Zowel de principale grief 3 als de incidentele grief faalt. Het hof komt op dezelfde gronden als die de kantonrechter heeft gehanteerd tot het oordeel dat Prijsvrij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daar voegt het hof aan toe dat niet is te begrijpen dat Prijsvrij op – geparafraseerd – onderbuikgevoelens [verweerder] agressief heeft bejegend en hem onnodig en op ongepaste wijze onder grote druk heeft gezet. Daar komt nog bij dat Prijsvrij [verweerder] op staande voet heeft ontslagen op een moment dat hij zich als gevolg van ziekte in een kwetsbare positie bevond.


6.9
De billijke vergoeding strekt ertoe om het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever te compenseren, ook om dit gedrag in de toekomst te voorkomen. Met dit laatste kan bijvoorbeeld worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan. De billijke vergoeding kan als middel dienen om de werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Het gaat hier dan niet alleen om het voorkomen van het uit kostenoogpunt kiezen voor een vernietigbaar ontslag als hiervoor genoemd. Het kan ook gaan om het voorkomen van ander ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever die in eventuele volgende gevallen tot een einde van de arbeidsovereenkomst kan leiden.


6.10
Voor de omvang van de billijke vergoeding is in dit concrete geval het afschrikwekkend doel belangrijk. [general counsel] heeft desgevraagd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat Prijsvrij achteraf bezien wellicht met meer nuance had kunnen handelen, maar hij heeft geen afstand genomen van het ernstig verwijtbaar gedrag. Prijsvrij ziet de ernstige verwijtbaarheid van haar gedrag kennelijk niet in. Voor het hof is die ernstige verwijtbaarheid evident. Het valt niet uit te sluiten dat als gevolg van het handelen van Prijsvrij het herstel en de re-integratie van [verweerder] ernstig zijn bemoeilijkt en vertraagd, waardoor [verweerder] schade heeft geleden in de vorm van gederfd inkomen.


6.11
De omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het ontslag op staande voet op korte termijn tot een einde zou zijn gekomen en naar verwachting daarna niet zou zijn voortgezet, heeft tot gevolg dat de ‘waarde’ van de arbeids-overeenkomst – uitgedrukt in verwacht inkomstenverlies – beperkt is. Het werkelijke inkomensverlies dat [verweerder] heeft geleden komt afgerond uit op € 4.550, - bruto (zijnde het verschil tussen zijn ziektewetuitkering en zijn salaris bij Prijsvrij over de periode dat de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd.)


6.12
Gezien de ernst van het verwijtbaar handelen van Prijsvrij en de geringe mate waarin Prijsvrij hierin inzicht heeft getoond, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een billijke vergoeding waarbij enkel het inkomensverlies van [verweerder] wordt gecompenseerd. Als het hof zich daartoe zou beperken is niet te verwachten dat de billijke vergoeding een relevant afschrikwekkend effect zou hebben voor toekomstige ontslaggevallen.


6.13

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit dat [verweerder] ook wordt gecompenseerd voor verlies van potentieel inkomen na de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als Prijsvrij niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. De omvang van deze schade laat zich moeilijk begroten. In de gegeven omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat de door de kantonrechter toegewezen billijke vergoeding passend is. Het feit dat de arbeidsovereenkomst nog maar kort geduurd heeft maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders.

Conclusie en proceskosten




6.14
De conclusie is dat het principaal en het incidenteel hoger beroep falen. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal Prijsvrij als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. [verweerder] zal in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Deze laatste kosten zullen op nihil worden gesteld omdat het debat in incidenteel hoger beroep ook in principaal hoger beroep heeft plaatsgevonden en geen op zichzelf staande betekenis heeft.


6.15
Die proceskosten in principaal hoger beroep worden begroot op:


griffierecht € 373,--
salaris advocaat € 3.870,-- (3 punten × tarief II)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.421,--
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 september 2025;


veroordeelt Prijsvrij in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 4.421,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Prijsvrij deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;


bepaalt dat als Prijsvrij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Prijsvrij de kosten van die betekening moet/moeten betalen, plus extra nakosten van € 92,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Prijsvrij deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;


veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, begroot op nihil;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.


Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.



Vergelijk HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, r.o. 3.4.2 en 3.4.5.


HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, r.o. 3.3.5.