Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2452
2026-04-28
Civiel recht
200.325.190/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2452 → ECLI:NL:RBDHA:2022:15884 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHDHA:2026:2452 → ECLI:NL:GHDHA:2025:2691
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking; loon en overige vergoedingen na ongeldig ontslag op staande voet. Bindende eindbeslissingen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
- ECLI:NL:HR:2018:878 Hoge Raad 08-06-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2218 Hoge Raad 30-11-2018
- ECLI:NL:HR:2018:878 Hoge Raad 08-06-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.106 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.190/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 9907035 RP VERZ 22-50242
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
Multi Cars Den Haag B.V.,
gevestigd in Den Haag,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. V.G. Baran, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [plaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. Verloop, kantoorhoudend in Rijswijk.
Het hof noemt partijen hierna Multi Cars en [verweerder]
1Het verdere procesverloop in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 11 juni 2024, 24 september 2024 en 16 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken.
1.2
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de akte na tussenbeschikking van [verweerder], met bijlagen;
de akte na tussenbeschikking van Multi Cars.
2De verdere beoordeling in hoger beroep
De nabetalingen
2.1
Bij tussenbeschikking van 16 september 2025 heeft het hof [verweerder] in de gelegenheid gesteld een nieuwe berekening te maken ten aanzien van zijn vordering met betrekking tot het loon en overige vergoedingen, waarbij hij diende uit te gaan van een werkweek van 35 uur en het uurloon dat volgens de cao bij de functie van een automonteur hoort.
2.2
[verweerder] heeft de volgende berekening gemaakt:
- het achterstallige loon over de periode van 1 december 2021 tot en met 31 maart
2022 bedraagt € 8.067,85 bruto;
het (achterstallige) loon wegens ziekte over de maand november 2021 bedraagt € 921,20 bruto;
de vakantietoeslag bedraagt € 7.425,53 bruto;
de nabetaling in verband met een te laag gehanteerd uurloon bedraagt
€ 4.209,72 bruto;
- de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen bedraagt € 11.043,99 bruto.
2.3
Multi Cars heeft eerst in algemene zin nog bestreden dat [verweerder] recht heeft op loon en overige vergoedingen. Hierover is door het hof echter al bindend beslist in de uitspraak van 11 juni 2024. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. Dit is anders als de beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zal worden gedaan. Dat sprake is van zo’n onjuiste feitelijke of juridische grondslag is door Multi Cars niet gesteld of aannemelijk gemaakt. Wel heeft Multi Cars aangevoerd dat [verweerder] geen arbeid in loondienst heeft verricht en hij onregelmatig en beperkt werkzaamheden verrichtte. Door Multi Cars is echter niet bestreden dat [verweerder] arbeid heeft verricht op het terrein van Multi Cars, met dien verstande dat Multi Cars daarbij heeft gesteld dat [verweerder] dit voor zichzelf deed omdat hij ontslag had genomen. Nu vaststaat dat [verweerder] geen ontslag heeft genomen en de arbeidsovereenkomst voortduurde, moet er ook vanuit worden gegaan dat hij deze arbeid in het kader van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst heeft uitgevoerd. Deze arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd voor 35 uur in de week met het uurloon van een automonteur. Derhalve heeft hij overeenkomstig recht op loon en overige vergoedingen (art. 7:628 BW). De door Multi Cars aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Evenmin bestaat aanleiding om terug te komen van het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de handtekening op de brief van [verweerder] afkomstig is. Ook op dit punt is niet gebleken van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Dit betekent voor de vorderingen van [verweerder] het volgende.
2.4
Het achterstallige loon berekend op € 8.067,85 bruto wordt toegewezen. Multi Cars heeft de berekening van dit bedrag en de daarbij door [verweerder] gehanteerde uitgangspunten niet betwist.
2.5
Ook het achterstallige loon tijdens ziekte over de maand november 2021 van € 921,20 bruto wordt toegewezen. Multi Cars heeft nog wel aangevoerd dat zij wel heeft betwist dat [verweerder] ziek was, maar dat kan niet volgen uit de betwisting dat er geen recht op loon bestaat omdat [verweerder] maar onregelmatig en beperkt werkzaamheden verrichtte. Voor het overige is de berekening niet betwist.
2.6
De vakantietoeslag heeft [verweerder] berekend op € 7.425,53 bruto. De verschuldigdheid en de berekening hiervan is door Multi Cars niet (meer) betwist, zodat ook dit bedrag verschuldigd is. Multi Cars heeft wel aangevoerd dit bedrag, ter uitvoering van de beschikking van de kantonrechter in eerste aanleg, al aan [verweerder] te hebben betaald. De beschikking van de kantonrechter zal op dit punt (ook ten aanzien van de wettelijke rente en wettelijke verhoging) dan ook bekrachtigd worden, zodat Multi Cars, als hij dit bedrag inderdaad heeft betaald, dit op grond van deze beschikking heeft betaald en niet nogmaals hoeft te betalen.
2.7
Het bedrag van € 4.209,72 bruto in verband met een te laag gehanteerd uurloon wordt ook toegewezen. Ook deze berekening is, afgezien van de hierboven onder 2.3 reeds besproken betwisting dat tussen partijen een dienstverband van 35 uur per week tegen een cao-loon bestond, niet bestreden.
2.8
Tot slot heeft [verweerder] de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen berekend op € 11.043,99 bruto (831 uur maal het laatst verschuldigde uurloon van € 13,29). Hoewel Multi Cars heeft betwist dat [verweerder] bij het einde van het dienstverband nog recht had op 831 uur vakantie, is deze betwisting niet deugdelijk onderbouwd. Wederom wordt betwist dat van een arbeidsovereenkomst voor 35 uur per week tegen een cao-uurloon moet worden uitgegaan en dat [verweerder] in dat kader arbeid zou hebben verricht. Deze stellingen van Multi Cars zijn reeds verworpen. Voor het overige verwijst het hof naar r.o. 6.21 van de beschikking van 11 juni 2024. Ook dit bedrag wordt toegewezen
2.9
De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden toegewezen over de looncomponenten zoals bedoeld in dit artikel, met dien verstande dat dit wordt gemaximeerd tot 25%. Ook de wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing vermeld.
De overige vergoedingen (transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding)
2.10
Zoals overwogen in de tussenbeschikking van 16 september 2025 komen [verweerder] ook vergoedingen (billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding) toe omdat het ontslag op 31 maart 2022 niet rechtsgeldig was.
2.11
De transitievergoeding heeft [verweerder] berekend op € 2.641,95 bruto. De berekening is bij de stukken gevoegd en is naar het oordeel van het hof juist. Deze berekening is door Multi Cars ook niet bestreden. Dit bedrag wordt, gelet op artikel 7:673 BW, toegewezen omdat de arbeidsovereenkomst vanwege Multi Cars (de werkgever) is beëindigd. Hoewel [verweerder] een bedrag vordert van € 2.634,02 bruto begrijpt het hof de vordering van [verweerder] aldus dat hij de wettelijk verschuldigde transitievergoeding vordert. Aangezien die wettelijk verschuldigde transitievergoeding € 2.641,95 bruto bedraagt, zal dit bedrag worden toegewezen.
2.12
De gevorderde wettelijke verhoging van art. 7:625 BW zal worden afgewezen aangezien het hier niet gaat om loon zoals bedoeld in dat artikel. De wettelijke rente zal overeenkomstig art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 1 mei 2022 (een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd).
2.13
De gefixeerde schadevergoeding over de niet in acht genomen opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 11 BW heeft [verweerder] berekend op € 2.133,48 bruto. Dit bedrag is door Multi Cars niet betwist en zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging is ook over dit bedrag niet verschuldigd en wordt daarom afgewezen. De wettelijke rente zal overeenkomstig art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 31 maart 2022 (de dag van opzegging).
2.14
De billijke vergoeding heeft [verweerder] berekend op € 25.000,00. Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW is Multi Cars een billijke vergoeding verschuldigd omdat zij in strijd met artikel 7:671 BW de arbeidsovereenkomst met [verweerder] heeft opgezegd. De ernstige verwijtbaarheid van de werkgever is hiermee gegeven (Kamerstukken II 2013/14m 33818, 4, p. 61).
2.15
Met de hier aan de orde zijnde billijke vergoeding, wordt geen andere vergoeding bedoeld dan de billijke vergoeding zoals die elders in de WWZ is opgenomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het er bij de begroting van de billijke vergoeding, kort gezegd, om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter kan daarbij rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De Hoge Raad heeft in dat verband een niet-limitatieve lijst van gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de begroting van de vergoeding, waaronder:
- hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de beëindiging niet zou hebben plaatsgevonden;
- de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken;
- de gevolgen van het ontslag voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever;
- of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet;
- de andere inkomsten die de werknemer in de toekomst naar verwachting kan verwerven;
- de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.
2.16
Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter maar kan dienen om de werkgever te wijzen op de noodzaak zijn gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Dit laatste strookt met het uitgangspunt dat met de billijke vergoeding ook kan worden tegengegaan dat werkgevers er voor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het op juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan.
2.17
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij per 8 september 2022 een nieuwe baan heeft gevonden en in de periode daarvoor ongeveer € 12.000,00 bruto aan inkomsten is misgelopen. Daarnaast dient er een vergoeding te komen om het gedrag van Multi Cars te compenseren zodat de billijke vergoeding € 25.000,00 zou moeten bedragen, aldus [verweerder].
2.18
Hoewel [verweerder] in eerste aanleg heeft aangevoerd dat hij, als Multi Cars niet tot het onrechtmatige ontslag was overgegaan, tot zijn pensioengerechtigde leeftijd bij Multi Cars zou hebben gewerkt, heeft hij in hoger beroep zijn vordering in hoogte aangepast omdat hij een inmiddels weer een baan had gevonden. Dat [verweerder], als Multi Cars niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met hem zou zijn overgegaan nog lange tijd bij Multi Cars zou hebben gewerkt, acht het hof niet aannemelijk. Tussen partijen speelden het één en ander en ook [verweerder] was niet tevreden over de gang van zaken. Daarnaast heeft [verweerder] weer vrij snel een nieuwe baan gevonden en komen hem ook andere vergoedingen toe voor de periode na zijn ontslag. Gelet op deze omstandigheden, tezamen met de omstandigheid dat het voor werkgevers niet moet lonen om een arbeidsovereenkomst onregelmatig te beëindigen, brengt het hof op een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto. Dat komt neer op een vergoeding van 3 bruto maandsalarissen, waarbij is uitgegaan van een inkomen van ongeveer € 2.000,00 bruto per maand.
2.19
De gevorderde wettelijke verhoging van art. 7:625 BW wordt afgewezen omdat de billijke vergoeding geen loon is. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 14 dagen na deze uitspraak.
Conclusie en proceskosten
2.20
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van Multi Cars niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] wel slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vorderingen van [verweerder] zijn afgewezen en bekrachtigen wat het toewijzen van het bedrag van € 7.425,23 met de wettelijke verhoging van 25% en rente betreft. Multi Cars zal alsnog in de kosten van de procedure in eerste aanleg worden veroordeeld. Het hof zal Multi Cars als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zowel in principaal als incidenteel appel. Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 373,00
salaris advocaat € 11.760,00 (5 punten × tarief IV)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.322,00
3Beslissing
Het hof:
3.1
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van 22 september 2022 voor zover Multi Cars daarin is veroordeeld tot betaling van € 7.425,23 bruto te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente over € 7.425,23 bruto vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening en voor zover deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
3.2
vernietigt de beschikking voor het overige en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Multi Cars om aan [verweerder] te betalen:
a. het achterstallige loon over de periode van 1 december 2021 tot en met 31 maart
2022 van € 8.067,85 bruto;
het (achterstallige) loon wegens ziekte over de maand november 2021 van € 921,20 bruto;
een bedrag van € 4.209,72 bruto ter zake de nabetaling van een te laag gehanteerd uurloon;
de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 11.043,99 bruto;
de wettelijke verhoging van 25% ex art. 7:625 BW over de hiervoor onder a) t/m d) genoemde bedragen;
de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hiervoor onder a) t/m d) genoemde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;
de transitievergoeding van € 2.641,95 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 mei 2022 tot aan de dag van voldoening;
de gefixeerde schadevergoeding van € 2.133,48 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 31 maart 2022 tot aan de dag van voldoening;
de billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 14 dagen na deze uitspraak tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt Multi Cars tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter, die aan de kant van [verweerder] worden begroot op € 86,00 aan griffierecht en op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde;
3.3
veroordeelt Multi Cars in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verweerder] begroot op € 12.322,00;
3.4
bepaalt dat als Multi Cars niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Multi Cars de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-,
3.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk, mr. R.S. van Coevorden en mr. A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
onder meer HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle), HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Service Now).
vgl. ECLI:NL:HR:2018:878, (Zinzia rov. 3.3.5).
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.190/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 9907035 RP VERZ 22-50242
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
Multi Cars Den Haag B.V.,
gevestigd in Den Haag,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. V.G. Baran, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [plaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. Verloop, kantoorhoudend in Rijswijk.
Het hof noemt partijen hierna Multi Cars en [verweerder]
1Het verdere procesverloop in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 11 juni 2024, 24 september 2024 en 16 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken.
1.2
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de akte na tussenbeschikking van [verweerder], met bijlagen;
de akte na tussenbeschikking van Multi Cars.
2De verdere beoordeling in hoger beroep
De nabetalingen
2.1
Bij tussenbeschikking van 16 september 2025 heeft het hof [verweerder] in de gelegenheid gesteld een nieuwe berekening te maken ten aanzien van zijn vordering met betrekking tot het loon en overige vergoedingen, waarbij hij diende uit te gaan van een werkweek van 35 uur en het uurloon dat volgens de cao bij de functie van een automonteur hoort.
2.2
[verweerder] heeft de volgende berekening gemaakt:
- het achterstallige loon over de periode van 1 december 2021 tot en met 31 maart
2022 bedraagt € 8.067,85 bruto;
het (achterstallige) loon wegens ziekte over de maand november 2021 bedraagt € 921,20 bruto;
de vakantietoeslag bedraagt € 7.425,53 bruto;
de nabetaling in verband met een te laag gehanteerd uurloon bedraagt
€ 4.209,72 bruto;
- de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen bedraagt € 11.043,99 bruto.
2.3
Multi Cars heeft eerst in algemene zin nog bestreden dat [verweerder] recht heeft op loon en overige vergoedingen. Hierover is door het hof echter al bindend beslist in de uitspraak van 11 juni 2024. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. Dit is anders als de beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zal worden gedaan. Dat sprake is van zo’n onjuiste feitelijke of juridische grondslag is door Multi Cars niet gesteld of aannemelijk gemaakt. Wel heeft Multi Cars aangevoerd dat [verweerder] geen arbeid in loondienst heeft verricht en hij onregelmatig en beperkt werkzaamheden verrichtte. Door Multi Cars is echter niet bestreden dat [verweerder] arbeid heeft verricht op het terrein van Multi Cars, met dien verstande dat Multi Cars daarbij heeft gesteld dat [verweerder] dit voor zichzelf deed omdat hij ontslag had genomen. Nu vaststaat dat [verweerder] geen ontslag heeft genomen en de arbeidsovereenkomst voortduurde, moet er ook vanuit worden gegaan dat hij deze arbeid in het kader van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst heeft uitgevoerd. Deze arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd voor 35 uur in de week met het uurloon van een automonteur. Derhalve heeft hij overeenkomstig recht op loon en overige vergoedingen (art. 7:628 BW). De door Multi Cars aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Evenmin bestaat aanleiding om terug te komen van het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de handtekening op de brief van [verweerder] afkomstig is. Ook op dit punt is niet gebleken van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Dit betekent voor de vorderingen van [verweerder] het volgende.
2.4
Het achterstallige loon berekend op € 8.067,85 bruto wordt toegewezen. Multi Cars heeft de berekening van dit bedrag en de daarbij door [verweerder] gehanteerde uitgangspunten niet betwist.
2.5
Ook het achterstallige loon tijdens ziekte over de maand november 2021 van € 921,20 bruto wordt toegewezen. Multi Cars heeft nog wel aangevoerd dat zij wel heeft betwist dat [verweerder] ziek was, maar dat kan niet volgen uit de betwisting dat er geen recht op loon bestaat omdat [verweerder] maar onregelmatig en beperkt werkzaamheden verrichtte. Voor het overige is de berekening niet betwist.
2.6
De vakantietoeslag heeft [verweerder] berekend op € 7.425,53 bruto. De verschuldigdheid en de berekening hiervan is door Multi Cars niet (meer) betwist, zodat ook dit bedrag verschuldigd is. Multi Cars heeft wel aangevoerd dit bedrag, ter uitvoering van de beschikking van de kantonrechter in eerste aanleg, al aan [verweerder] te hebben betaald. De beschikking van de kantonrechter zal op dit punt (ook ten aanzien van de wettelijke rente en wettelijke verhoging) dan ook bekrachtigd worden, zodat Multi Cars, als hij dit bedrag inderdaad heeft betaald, dit op grond van deze beschikking heeft betaald en niet nogmaals hoeft te betalen.
2.7
Het bedrag van € 4.209,72 bruto in verband met een te laag gehanteerd uurloon wordt ook toegewezen. Ook deze berekening is, afgezien van de hierboven onder 2.3 reeds besproken betwisting dat tussen partijen een dienstverband van 35 uur per week tegen een cao-loon bestond, niet bestreden.
2.8
Tot slot heeft [verweerder] de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen berekend op € 11.043,99 bruto (831 uur maal het laatst verschuldigde uurloon van € 13,29). Hoewel Multi Cars heeft betwist dat [verweerder] bij het einde van het dienstverband nog recht had op 831 uur vakantie, is deze betwisting niet deugdelijk onderbouwd. Wederom wordt betwist dat van een arbeidsovereenkomst voor 35 uur per week tegen een cao-uurloon moet worden uitgegaan en dat [verweerder] in dat kader arbeid zou hebben verricht. Deze stellingen van Multi Cars zijn reeds verworpen. Voor het overige verwijst het hof naar r.o. 6.21 van de beschikking van 11 juni 2024. Ook dit bedrag wordt toegewezen
2.9
De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden toegewezen over de looncomponenten zoals bedoeld in dit artikel, met dien verstande dat dit wordt gemaximeerd tot 25%. Ook de wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing vermeld.
De overige vergoedingen (transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding)
2.10
Zoals overwogen in de tussenbeschikking van 16 september 2025 komen [verweerder] ook vergoedingen (billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding) toe omdat het ontslag op 31 maart 2022 niet rechtsgeldig was.
2.11
De transitievergoeding heeft [verweerder] berekend op € 2.641,95 bruto. De berekening is bij de stukken gevoegd en is naar het oordeel van het hof juist. Deze berekening is door Multi Cars ook niet bestreden. Dit bedrag wordt, gelet op artikel 7:673 BW, toegewezen omdat de arbeidsovereenkomst vanwege Multi Cars (de werkgever) is beëindigd. Hoewel [verweerder] een bedrag vordert van € 2.634,02 bruto begrijpt het hof de vordering van [verweerder] aldus dat hij de wettelijk verschuldigde transitievergoeding vordert. Aangezien die wettelijk verschuldigde transitievergoeding € 2.641,95 bruto bedraagt, zal dit bedrag worden toegewezen.
2.12
De gevorderde wettelijke verhoging van art. 7:625 BW zal worden afgewezen aangezien het hier niet gaat om loon zoals bedoeld in dat artikel. De wettelijke rente zal overeenkomstig art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 1 mei 2022 (een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd).
2.13
De gefixeerde schadevergoeding over de niet in acht genomen opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 11 BW heeft [verweerder] berekend op € 2.133,48 bruto. Dit bedrag is door Multi Cars niet betwist en zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging is ook over dit bedrag niet verschuldigd en wordt daarom afgewezen. De wettelijke rente zal overeenkomstig art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 31 maart 2022 (de dag van opzegging).
2.14
De billijke vergoeding heeft [verweerder] berekend op € 25.000,00. Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW is Multi Cars een billijke vergoeding verschuldigd omdat zij in strijd met artikel 7:671 BW de arbeidsovereenkomst met [verweerder] heeft opgezegd. De ernstige verwijtbaarheid van de werkgever is hiermee gegeven (Kamerstukken II 2013/14m 33818, 4, p. 61).
2.15
Met de hier aan de orde zijnde billijke vergoeding, wordt geen andere vergoeding bedoeld dan de billijke vergoeding zoals die elders in de WWZ is opgenomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het er bij de begroting van de billijke vergoeding, kort gezegd, om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter kan daarbij rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De Hoge Raad heeft in dat verband een niet-limitatieve lijst van gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de begroting van de vergoeding, waaronder:
- hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de beëindiging niet zou hebben plaatsgevonden;
- de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken;
- de gevolgen van het ontslag voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever;
- of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet;
- de andere inkomsten die de werknemer in de toekomst naar verwachting kan verwerven;
- de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.
2.16
Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter maar kan dienen om de werkgever te wijzen op de noodzaak zijn gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Dit laatste strookt met het uitgangspunt dat met de billijke vergoeding ook kan worden tegengegaan dat werkgevers er voor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het op juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan.
2.17
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij per 8 september 2022 een nieuwe baan heeft gevonden en in de periode daarvoor ongeveer € 12.000,00 bruto aan inkomsten is misgelopen. Daarnaast dient er een vergoeding te komen om het gedrag van Multi Cars te compenseren zodat de billijke vergoeding € 25.000,00 zou moeten bedragen, aldus [verweerder].
2.18
Hoewel [verweerder] in eerste aanleg heeft aangevoerd dat hij, als Multi Cars niet tot het onrechtmatige ontslag was overgegaan, tot zijn pensioengerechtigde leeftijd bij Multi Cars zou hebben gewerkt, heeft hij in hoger beroep zijn vordering in hoogte aangepast omdat hij een inmiddels weer een baan had gevonden. Dat [verweerder], als Multi Cars niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met hem zou zijn overgegaan nog lange tijd bij Multi Cars zou hebben gewerkt, acht het hof niet aannemelijk. Tussen partijen speelden het één en ander en ook [verweerder] was niet tevreden over de gang van zaken. Daarnaast heeft [verweerder] weer vrij snel een nieuwe baan gevonden en komen hem ook andere vergoedingen toe voor de periode na zijn ontslag. Gelet op deze omstandigheden, tezamen met de omstandigheid dat het voor werkgevers niet moet lonen om een arbeidsovereenkomst onregelmatig te beëindigen, brengt het hof op een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto. Dat komt neer op een vergoeding van 3 bruto maandsalarissen, waarbij is uitgegaan van een inkomen van ongeveer € 2.000,00 bruto per maand.
2.19
De gevorderde wettelijke verhoging van art. 7:625 BW wordt afgewezen omdat de billijke vergoeding geen loon is. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 14 dagen na deze uitspraak.
Conclusie en proceskosten
2.20
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van Multi Cars niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] wel slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vorderingen van [verweerder] zijn afgewezen en bekrachtigen wat het toewijzen van het bedrag van € 7.425,23 met de wettelijke verhoging van 25% en rente betreft. Multi Cars zal alsnog in de kosten van de procedure in eerste aanleg worden veroordeeld. Het hof zal Multi Cars als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zowel in principaal als incidenteel appel. Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 373,00
salaris advocaat € 11.760,00 (5 punten × tarief IV)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.322,00
3Beslissing
Het hof:
3.1
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van 22 september 2022 voor zover Multi Cars daarin is veroordeeld tot betaling van € 7.425,23 bruto te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente over € 7.425,23 bruto vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening en voor zover deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
3.2
vernietigt de beschikking voor het overige en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Multi Cars om aan [verweerder] te betalen:
a. het achterstallige loon over de periode van 1 december 2021 tot en met 31 maart
2022 van € 8.067,85 bruto;
het (achterstallige) loon wegens ziekte over de maand november 2021 van € 921,20 bruto;
een bedrag van € 4.209,72 bruto ter zake de nabetaling van een te laag gehanteerd uurloon;
de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 11.043,99 bruto;
de wettelijke verhoging van 25% ex art. 7:625 BW over de hiervoor onder a) t/m d) genoemde bedragen;
de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hiervoor onder a) t/m d) genoemde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;
de transitievergoeding van € 2.641,95 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 mei 2022 tot aan de dag van voldoening;
de gefixeerde schadevergoeding van € 2.133,48 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 31 maart 2022 tot aan de dag van voldoening;
de billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 14 dagen na deze uitspraak tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt Multi Cars tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter, die aan de kant van [verweerder] worden begroot op € 86,00 aan griffierecht en op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde;
3.3
veroordeelt Multi Cars in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verweerder] begroot op € 12.322,00;
3.4
bepaalt dat als Multi Cars niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Multi Cars de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-,
3.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk, mr. R.S. van Coevorden en mr. A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
onder meer HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle), HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Service Now).
vgl. ECLI:NL:HR:2018:878, (Zinzia rov. 3.3.5).