Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5221
2026-08-11
Civiel recht
200.342.712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:5221 → ECLI:NL:GHARL:2025:6552
Inhoudsindicatie
Effectenlease. Dexia. Afnemer toegelaten tot leveren van tegenbewijs tegen vermoeden dat echtgenote vóór 13 maart 2000 met bestaan van overeenkomsten bekend raakte. Bewijsvermoeden met afgelegde getuigenverklaringen ontzenuwd. Verjaringsberoep Dexia gaat niet op. Overeenkomsten rechtsgeldig vernietigd op grond van art. 1:88 jo 1:89 BW
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.595 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.342.712
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 9394270
arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde1]
en
[geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optraden als gedaagden
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
Partijen worden hierna ‘Dexia’, ‘ [geïntimeerde1] ’ en ‘ [geïntimeerde2] ’ genoemd. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden gezamenlijk aangeduid als ‘ [geïntimeerden] ’.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 hebben op 27 januari 2026 en 8 april 2026 getuigenverhoren bij het hof plaatsgevonden. Daarvan zijn verslagen gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd (de processen-verbaal). Na de getuigenverhoren hebben partijen memories na enquête genomen.
2De kern van de zaak
2.1.
Tussen Dexia en [geïntimeerde1] zijn zeven effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen (overeenkomsten I t/m VII). [geïntimeerden] hebben daarna gezamenlijk nog een achtste effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (overeenkomst VIII). Het gaat om de volgende overeenkomsten:
Nr.
Contract-nummer
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I
[conctractnummer]
[datum]
Feestplan
120 mnd
ƒ 10.275,75
II
[conctractnummer]
[datum]
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
ƒ 8.816,40
III
[conctractnummer]
[datum]
Cash-Clicken
84 mnd
ƒ 7.302,12
IV
[conctractnummer]
[datum]
Feestplan
120 mnd
€ 4.670,80
V
[conctractnummer]
[datum]
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
€ 22.984,56
VI
[conctractnummer]
[datum]
Troefplan
60 mnd
€ 16.965,58
VII
[conctractnummer]
[datum]
Troefplan
60 mnd
€ 6.730,29
VIII
[conctractnummer]
[datum]
Security Plus Effect
60 mnd
€ 32.817,30
2.2.
[geïntimeerde1] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten getrouwd met [geïntimeerde2] . Zij had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten I t/m VII. [geïntimeerde2] heeft op 29 december 2004 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de overeenkomsten I t/m VII vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stellen [geïntimeerden] dat zij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten I t/m VII, nog een vordering hebben op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.
3De verdere beoordeling door het hof
De grieven van Dexia
3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep vijf grieven aan. Grieven 1 t/m 3 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomsten I t/m VII. Daarbij richt Dexia zich (met name) tegen het oordeel dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde2] vóór 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten I t/m III, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [geïntimeerde2] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief 1), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief 2) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief 3). Grieven 4 en 5 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst VIII. Dexia betoogt met de grieven dat ten onrechte is aangenomen sprake is geweest van vergunningsplichtige advisering door de tussenpersoon en dat Dexia daarvan wist dan wel behoorde te weten.
Advisering door de tussenpersoon en wetenschap van Dexia (overeenkomst VIII)
3.2.
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de grieven van Dexia die zich richten tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst VIII tevergeefs zijn.
Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW (overeenkomsten I t/m VII)
3.3.
Verder heeft het hof in het tussenarrest ten aanzien van de overeenkomsten IV t/m VII geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerden] op de vernietiging van die overeenkomsten slaagt. Wat betreft de overeenkomsten I t/m III heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat het vernietigingsrecht van [geïntimeerde2] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten I t/m III. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.
3.4.
Het hof heeft in het tussenarrest verder overwogen dat gelet op het gegeven dat de betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening van [geïntimeerden] , in dit geval het vermoeden geldt dat, behoudens door [geïntimeerden] te leveren tegenbewijs, [geïntimeerde2] door ontvangst van de rekeningafschriften van die gezamenlijk rekening, korte tijd na het aangaan van de overeenkomsten I t/m III – en dus voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met die overeenkomsten bekend is geworden. [geïntimeerden] zijn toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [geïntimeerde2] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten I t/m II. Vervolgens zijn [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als getuigen gehoord. Dexia heeft afgezien van een contra-enquête.
3.5.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] het voorshands aangenomen bewijs hebben ontzenuwd en daarmee in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang.
3.6.
[geïntimeerde1] heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [geïntimeerde1] heeft de contracten met Dexia afgesloten om daarmee financieel gewin te behalen. Hij wilde een buffer opbouwen voor als zijn kinderen later zouden gaan studeren. Bij de overeenkomsten I tot en met III was geen adviseur betrokken. [geïntimeerde1] heeft het aangaan van de overeenkomsten niet besproken met [geïntimeerde2] . Voor overeenkomst VIII is een medewerker van de tussenpersoon Spaar Select bij [geïntimeerden] thuis geweest. [geïntimeerde2] was op dat moment ook thuis en heeft het contract mede ondertekend. [geïntimeerde1] weet niet of [geïntimeerde2] bij het gesprek met de tussenpersoon aanwezig is geweest. Bij de totstandkoming van overeenkomst VIII hebben [geïntimeerden] het niet gehad over de eerder afgesloten overeenkomsten met Dexia. [geïntimeerden] zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. [geïntimeerde1] werkte destijds als gemeenteambtenaar en [geïntimeerde2] werkte een klein aantal uren in de thuiszorg. Voor een deel van de overeenkomsten met Dexia zijn bedragen vooruit betaald aan Dexia. [geïntimeerde1] heeft dat niet met [geïntimeerde2] besproken. [geïntimeerden] beslisten gezamenlijk wel over alle grotere uitgaven die thuis moesten worden gekocht, zoals een auto of een bank. Hun gezamenlijke financiële positie bespraken zij nooit met elkaar. In het gezin van [geïntimeerden] deed [geïntimeerde1] de financiële administratie en de belastingaangifte en [geïntimeerde2] het huishouden. De post ten aanzien van de bankzaken opende [geïntimeerde1] altijd. De bankafschriften van de rekening waarvan de afschrijvingen ten aanzien van de overeenkomsten met Dexia plaatsvonden heeft [geïntimeerde2] nooit bekeken. Ook had zij destijds geen bankpas van die rekening. [geïntimeerde1] kan zich het moment dat [geïntimeerde2] op de hoogte raakte van de overeenkomsten niet herinneren. Hij denk dat het in 2002 of 2003 moet zijn gebeurd, omdat het toen slecht ging op de beurs. Dat had effect op de overeenkomsten die hij met Dexia had gesloten. Er liepen destijds enkele contracten af en het resultaat daarvan was negatief.
3.7.
[geïntimeerde2] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [geïntimeerde2] wist niet dat [geïntimeerde1] in 1997, 1998 en 1999 effectenleaseovereenkomsten met Dexia had afgesloten (de overeenkomsten I t/m III). [geïntimeerde2] deed de kinderen en het huishouden en [geïntimeerde1] het papierwerk. Zij kan zich niet herinneren dat zij overeenkomst VIII in 2002 mede heeft ondertekend. [geïntimeerde2] heeft weleens iets ondertekend op verzoek van [geïntimeerde1] , maar wist dan niet wat het inhield. Ook kan zij zich niet herinneren dat in 2002 iemand bij haar en [geïntimeerde1] thuis is geweest in verband met een overeenkomst met Dexia. Verder wist zij in 2002 nog niet van het bestaan van de overeenkomsten die voor 2002 door [geïntimeerde1] met Dexia waren afgesloten. [geïntimeerden] zijn sinds het begin van hun huwelijk in gemeenschap van goederen getrouwd. Ze bespraken hun gezamenlijke financiële positie nooit met elkaar. Wel bespraken zij de grotere uitgaven met elkaar, zoals de aanschaf van een nieuwe fiets. De financiële administratie en de belastingaangifte deed [geïntimeerde1] . Destijds opende [geïntimeerde1] ook de post. Alleen als er een kaartje voor [geïntimeerde2] kwam, opende zij dat. [geïntimeerde2] bekeek toen nooit de bankafschriften. Ook had zij geen bankpas van de rekening. [geïntimeerde1] heeft [geïntimeerde2] over de overeenkomsten I t/m III verteld toen zij te horen kregen dat er wat mis was gegaan. [geïntimeerde2] kan er geen duidelijk jaartal bij noemen. Ze weet niet meer wanneer dat was. Verder hebben [geïntimeerden] weleens gesproken over sparen voor de kinderen voor later. [geïntimeerde1] is ook gaan sparen voor de studies van de kinderen. [geïntimeerde2] wist niet hoe [geïntimeerde1] spaarde.
3.8.
In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van [geïntimeerden] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de gezamenlijke rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten I t/m III ontzenuwd. Doordat het financiële beheer alleen door [geïntimeerde1] werd gedaan, (onder meer) via de gezamenlijke rekening waarvan [geïntimeerde2] geen bankpas had en die zij niet bekeek, kan niet worden aangenomen dat zij via deze rekening bekend raakte met de overeenkomsten I t/m III. Behalve kaartjes of andere post op haar eigen naam opende zij geen post, waaronder bankafschriften, en hield zij zich niet bezig met de financiën binnen het gezin. Alleen grote uitgaven zoals de aanschaf van een nieuwe fiets of een auto bespraken [geïntimeerden] met elkaar. Het hof acht de verklaringen van [geïntimeerden] over het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Anders dan Dexia heeft aangevoerd zijn de verklaringen van [geïntimeerden] niet ongeloofwaardig doordat [geïntimeerde2] heeft verklaard dat zij voorafgaand aan het getuigenverhoor met [geïntimeerde1] “een beetje” heeft besproken wat zij gaat verklaren, dat [geïntimeerde1] van tevoren zijn schriftelijke verklaring heeft doorgenomen en dat het getuigenverhoor van [geïntimeerde2] – in verband met een botbreuk van [geïntimeerde2] – pas enkele maanden na het getuigenverhoor van [geïntimeerde1] heeft plaatsgevonden, waardoor [geïntimeerden] hun verklaringen met elkaar hebben kunnen bespreken. Verder heeft Dexia aangevoerd dat [geïntimeerden] wisselende verklaringen hebben afgelegd over het moment waarop [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] heeft ingelicht over de overeenkomsten I t/m III. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] kunnen beiden geen exact jaartal en maand noemen wanneer [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] heeft verteld over de overeenkomsten. Zij noemen als moment toen het misging met de overeenkomsten en enkele overeenkomsten eindigden met een negatief resultaat, wat te maken had met de aanslagen op 11 september 2001. Verder noemen [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde2] dat dit was toen het slecht ging op de beurs (rond 2002 of 2003) en het volop in het nieuws was dat de banken die deze producten verkochten, niet de juiste informatie hadden verstrekt. De door Dexia gestelde tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen zijn echter van onvoldoende gewicht om de verklaringen van [geïntimeerden] ongeloofwaardig te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om gebeurtenissen die zich vele jaren geleden hebben afgespeeld, waardoor [geïntimeerden] zich mogelijk niet goed kunnen herinneren wanneer het moment was dat [geïntimeerde2] wetenschap kreeg van de overeenkomsten met Dexia. [geïntimeerden] hebben consistent verklaard dat [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten I t/m III en dat zij daarvan pas vele jaren later op de hoogte raakte. Uit de getuigenverklaringen kan, ook in aanmerking genoemde de genoemde afwijkingen, afgeleid worden dat [geïntimeerde2] niet vóór 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten I t/m III. De genoemde verklaringen duiden er juist alle op dat [geïntimeerde2] met de overeenkomsten I t/m III bekend is geworden op een tijdstip dat is gelegen ná die datum. Het gegeven dat [geïntimeerde2] wist dat er gespaard werd is, anders dan Dexia meent, niet voldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde2] met de overeenkomsten I t/m III bekend was, ook niet als de overige omstandigheden van dit geval daarbij in aanmerking worden genomen. [geïntimeerde2] wist voor 13 maart 2000 alleen dat [geïntimeerde1] spaarde en daarvoor geld opzijzette, maar zij wist niet van het bestaan van de overeenkomsten I t/m III met Dexia. Het aangaan van de overeenkomsten I t/m III met Dexia en de maandelijkse betalingen aan Dexia heeft [geïntimeerde1] niet met haar besproken. Het hof neemt ook in aanmerking dat de overeenkomsten I t/m III zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Dexia (Legio-Lease) zijn toegezonden. Hetgeen Dexia verder ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.
3.9.
Het hof is, zoals vermeld, van oordeel dat de [geïntimeerden] het in hun nadeel werkende bewijsvermoeden ontzenuwd hebben. Verder is het hof van oordeel dat Dexia, gelet op wat [geïntimeerden] als getuigen hebben verklaard, met de door haar genoemde stellingen en bewijsstukken, niet bewezen heeft dat [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten I t/m III. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en nadien tijdig is gestuit, zodat [geïntimeerde2] met haar brief van 29 december 2004 de overeenkomsten I t/m III rechtsgeldig heeft vernietigd. Dit betekent dat ook grieven 1 t/m 3 van Dexia tevergeefs zijn.
De conclusie
3.10.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 14 maart 2024;
4.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, S.C.P. Giesen en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.342.712
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 9394270
arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde1]
en
[geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optraden als gedaagden
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
Partijen worden hierna ‘Dexia’, ‘ [geïntimeerde1] ’ en ‘ [geïntimeerde2] ’ genoemd. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden gezamenlijk aangeduid als ‘ [geïntimeerden] ’.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 hebben op 27 januari 2026 en 8 april 2026 getuigenverhoren bij het hof plaatsgevonden. Daarvan zijn verslagen gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd (de processen-verbaal). Na de getuigenverhoren hebben partijen memories na enquête genomen.
2De kern van de zaak
2.1.
Tussen Dexia en [geïntimeerde1] zijn zeven effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen (overeenkomsten I t/m VII). [geïntimeerden] hebben daarna gezamenlijk nog een achtste effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (overeenkomst VIII). Het gaat om de volgende overeenkomsten:
Nr.
Contract-nummer
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I
[conctractnummer]
[datum]
Feestplan
120 mnd
ƒ 10.275,75
II
[conctractnummer]
[datum]
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
ƒ 8.816,40
III
[conctractnummer]
[datum]
Cash-Clicken
84 mnd
ƒ 7.302,12
IV
[conctractnummer]
[datum]
Feestplan
120 mnd
€ 4.670,80
V
[conctractnummer]
[datum]
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
€ 22.984,56
VI
[conctractnummer]
[datum]
Troefplan
60 mnd
€ 16.965,58
VII
[conctractnummer]
[datum]
Troefplan
60 mnd
€ 6.730,29
VIII
[conctractnummer]
[datum]
Security Plus Effect
60 mnd
€ 32.817,30
2.2.
[geïntimeerde1] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten getrouwd met [geïntimeerde2] . Zij had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten I t/m VII. [geïntimeerde2] heeft op 29 december 2004 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de overeenkomsten I t/m VII vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stellen [geïntimeerden] dat zij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten I t/m VII, nog een vordering hebben op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.
3De verdere beoordeling door het hof
De grieven van Dexia
3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep vijf grieven aan. Grieven 1 t/m 3 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomsten I t/m VII. Daarbij richt Dexia zich (met name) tegen het oordeel dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde2] vóór 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten I t/m III, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [geïntimeerde2] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief 1), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief 2) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief 3). Grieven 4 en 5 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst VIII. Dexia betoogt met de grieven dat ten onrechte is aangenomen sprake is geweest van vergunningsplichtige advisering door de tussenpersoon en dat Dexia daarvan wist dan wel behoorde te weten.
Advisering door de tussenpersoon en wetenschap van Dexia (overeenkomst VIII)
3.2.
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de grieven van Dexia die zich richten tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van overeenkomst VIII tevergeefs zijn.
Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW (overeenkomsten I t/m VII)
3.3.
Verder heeft het hof in het tussenarrest ten aanzien van de overeenkomsten IV t/m VII geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerden] op de vernietiging van die overeenkomsten slaagt. Wat betreft de overeenkomsten I t/m III heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat het vernietigingsrecht van [geïntimeerde2] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten I t/m III. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.
3.4.
Het hof heeft in het tussenarrest verder overwogen dat gelet op het gegeven dat de betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening van [geïntimeerden] , in dit geval het vermoeden geldt dat, behoudens door [geïntimeerden] te leveren tegenbewijs, [geïntimeerde2] door ontvangst van de rekeningafschriften van die gezamenlijk rekening, korte tijd na het aangaan van de overeenkomsten I t/m III – en dus voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met die overeenkomsten bekend is geworden. [geïntimeerden] zijn toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [geïntimeerde2] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten I t/m II. Vervolgens zijn [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als getuigen gehoord. Dexia heeft afgezien van een contra-enquête.
3.5.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] het voorshands aangenomen bewijs hebben ontzenuwd en daarmee in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang.
3.6.
[geïntimeerde1] heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [geïntimeerde1] heeft de contracten met Dexia afgesloten om daarmee financieel gewin te behalen. Hij wilde een buffer opbouwen voor als zijn kinderen later zouden gaan studeren. Bij de overeenkomsten I tot en met III was geen adviseur betrokken. [geïntimeerde1] heeft het aangaan van de overeenkomsten niet besproken met [geïntimeerde2] . Voor overeenkomst VIII is een medewerker van de tussenpersoon Spaar Select bij [geïntimeerden] thuis geweest. [geïntimeerde2] was op dat moment ook thuis en heeft het contract mede ondertekend. [geïntimeerde1] weet niet of [geïntimeerde2] bij het gesprek met de tussenpersoon aanwezig is geweest. Bij de totstandkoming van overeenkomst VIII hebben [geïntimeerden] het niet gehad over de eerder afgesloten overeenkomsten met Dexia. [geïntimeerden] zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. [geïntimeerde1] werkte destijds als gemeenteambtenaar en [geïntimeerde2] werkte een klein aantal uren in de thuiszorg. Voor een deel van de overeenkomsten met Dexia zijn bedragen vooruit betaald aan Dexia. [geïntimeerde1] heeft dat niet met [geïntimeerde2] besproken. [geïntimeerden] beslisten gezamenlijk wel over alle grotere uitgaven die thuis moesten worden gekocht, zoals een auto of een bank. Hun gezamenlijke financiële positie bespraken zij nooit met elkaar. In het gezin van [geïntimeerden] deed [geïntimeerde1] de financiële administratie en de belastingaangifte en [geïntimeerde2] het huishouden. De post ten aanzien van de bankzaken opende [geïntimeerde1] altijd. De bankafschriften van de rekening waarvan de afschrijvingen ten aanzien van de overeenkomsten met Dexia plaatsvonden heeft [geïntimeerde2] nooit bekeken. Ook had zij destijds geen bankpas van die rekening. [geïntimeerde1] kan zich het moment dat [geïntimeerde2] op de hoogte raakte van de overeenkomsten niet herinneren. Hij denk dat het in 2002 of 2003 moet zijn gebeurd, omdat het toen slecht ging op de beurs. Dat had effect op de overeenkomsten die hij met Dexia had gesloten. Er liepen destijds enkele contracten af en het resultaat daarvan was negatief.
3.7.
[geïntimeerde2] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [geïntimeerde2] wist niet dat [geïntimeerde1] in 1997, 1998 en 1999 effectenleaseovereenkomsten met Dexia had afgesloten (de overeenkomsten I t/m III). [geïntimeerde2] deed de kinderen en het huishouden en [geïntimeerde1] het papierwerk. Zij kan zich niet herinneren dat zij overeenkomst VIII in 2002 mede heeft ondertekend. [geïntimeerde2] heeft weleens iets ondertekend op verzoek van [geïntimeerde1] , maar wist dan niet wat het inhield. Ook kan zij zich niet herinneren dat in 2002 iemand bij haar en [geïntimeerde1] thuis is geweest in verband met een overeenkomst met Dexia. Verder wist zij in 2002 nog niet van het bestaan van de overeenkomsten die voor 2002 door [geïntimeerde1] met Dexia waren afgesloten. [geïntimeerden] zijn sinds het begin van hun huwelijk in gemeenschap van goederen getrouwd. Ze bespraken hun gezamenlijke financiële positie nooit met elkaar. Wel bespraken zij de grotere uitgaven met elkaar, zoals de aanschaf van een nieuwe fiets. De financiële administratie en de belastingaangifte deed [geïntimeerde1] . Destijds opende [geïntimeerde1] ook de post. Alleen als er een kaartje voor [geïntimeerde2] kwam, opende zij dat. [geïntimeerde2] bekeek toen nooit de bankafschriften. Ook had zij geen bankpas van de rekening. [geïntimeerde1] heeft [geïntimeerde2] over de overeenkomsten I t/m III verteld toen zij te horen kregen dat er wat mis was gegaan. [geïntimeerde2] kan er geen duidelijk jaartal bij noemen. Ze weet niet meer wanneer dat was. Verder hebben [geïntimeerden] weleens gesproken over sparen voor de kinderen voor later. [geïntimeerde1] is ook gaan sparen voor de studies van de kinderen. [geïntimeerde2] wist niet hoe [geïntimeerde1] spaarde.
3.8.
In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van [geïntimeerden] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de gezamenlijke rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten I t/m III ontzenuwd. Doordat het financiële beheer alleen door [geïntimeerde1] werd gedaan, (onder meer) via de gezamenlijke rekening waarvan [geïntimeerde2] geen bankpas had en die zij niet bekeek, kan niet worden aangenomen dat zij via deze rekening bekend raakte met de overeenkomsten I t/m III. Behalve kaartjes of andere post op haar eigen naam opende zij geen post, waaronder bankafschriften, en hield zij zich niet bezig met de financiën binnen het gezin. Alleen grote uitgaven zoals de aanschaf van een nieuwe fiets of een auto bespraken [geïntimeerden] met elkaar. Het hof acht de verklaringen van [geïntimeerden] over het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Anders dan Dexia heeft aangevoerd zijn de verklaringen van [geïntimeerden] niet ongeloofwaardig doordat [geïntimeerde2] heeft verklaard dat zij voorafgaand aan het getuigenverhoor met [geïntimeerde1] “een beetje” heeft besproken wat zij gaat verklaren, dat [geïntimeerde1] van tevoren zijn schriftelijke verklaring heeft doorgenomen en dat het getuigenverhoor van [geïntimeerde2] – in verband met een botbreuk van [geïntimeerde2] – pas enkele maanden na het getuigenverhoor van [geïntimeerde1] heeft plaatsgevonden, waardoor [geïntimeerden] hun verklaringen met elkaar hebben kunnen bespreken. Verder heeft Dexia aangevoerd dat [geïntimeerden] wisselende verklaringen hebben afgelegd over het moment waarop [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] heeft ingelicht over de overeenkomsten I t/m III. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] kunnen beiden geen exact jaartal en maand noemen wanneer [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] heeft verteld over de overeenkomsten. Zij noemen als moment toen het misging met de overeenkomsten en enkele overeenkomsten eindigden met een negatief resultaat, wat te maken had met de aanslagen op 11 september 2001. Verder noemen [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde2] dat dit was toen het slecht ging op de beurs (rond 2002 of 2003) en het volop in het nieuws was dat de banken die deze producten verkochten, niet de juiste informatie hadden verstrekt. De door Dexia gestelde tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen zijn echter van onvoldoende gewicht om de verklaringen van [geïntimeerden] ongeloofwaardig te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om gebeurtenissen die zich vele jaren geleden hebben afgespeeld, waardoor [geïntimeerden] zich mogelijk niet goed kunnen herinneren wanneer het moment was dat [geïntimeerde2] wetenschap kreeg van de overeenkomsten met Dexia. [geïntimeerden] hebben consistent verklaard dat [geïntimeerde1] [geïntimeerde2] niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten I t/m III en dat zij daarvan pas vele jaren later op de hoogte raakte. Uit de getuigenverklaringen kan, ook in aanmerking genoemde de genoemde afwijkingen, afgeleid worden dat [geïntimeerde2] niet vóór 13 maart 2000 bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten I t/m III. De genoemde verklaringen duiden er juist alle op dat [geïntimeerde2] met de overeenkomsten I t/m III bekend is geworden op een tijdstip dat is gelegen ná die datum. Het gegeven dat [geïntimeerde2] wist dat er gespaard werd is, anders dan Dexia meent, niet voldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde2] met de overeenkomsten I t/m III bekend was, ook niet als de overige omstandigheden van dit geval daarbij in aanmerking worden genomen. [geïntimeerde2] wist voor 13 maart 2000 alleen dat [geïntimeerde1] spaarde en daarvoor geld opzijzette, maar zij wist niet van het bestaan van de overeenkomsten I t/m III met Dexia. Het aangaan van de overeenkomsten I t/m III met Dexia en de maandelijkse betalingen aan Dexia heeft [geïntimeerde1] niet met haar besproken. Het hof neemt ook in aanmerking dat de overeenkomsten I t/m III zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Dexia (Legio-Lease) zijn toegezonden. Hetgeen Dexia verder ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen en wordt niet ondersteund door bijvoorbeeld de getuigenverklaringen.
3.9.
Het hof is, zoals vermeld, van oordeel dat de [geïntimeerden] het in hun nadeel werkende bewijsvermoeden ontzenuwd hebben. Verder is het hof van oordeel dat Dexia, gelet op wat [geïntimeerden] als getuigen hebben verklaard, met de door haar genoemde stellingen en bewijsstukken, niet bewezen heeft dat [geïntimeerde2] voor 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten I t/m III. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en nadien tijdig is gestuit, zodat [geïntimeerde2] met haar brief van 29 december 2004 de overeenkomsten I t/m III rechtsgeldig heeft vernietigd. Dit betekent dat ook grieven 1 t/m 3 van Dexia tevergeefs zijn.
De conclusie
3.10.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 14 maart 2024;
4.2.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (3 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, S.C.P. Giesen en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.