Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4425

2026-07-07 Civiel recht 200.356.181/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.356.181/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen A en B zijn buren. A is door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van grond van B die A bij zijn tuin had betrokken. Afwijzing van de vordering van B tot teruglevering van die (door verjaring verkregen) grond als schadevergoeding in natura. Geen eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring door A van grond van B die door (huurders van) A werd gebruikt om op te parkeren en als toegangsweg. Wel verkrijging door bevrijdende verjaring ten behoeve van het perceel van A en ten laste van het perceel van B van een erfdienstbaarheid om vanaf de gebouwen van het perceel van A over de op het perceel van B gelegen toegangsweg te komen en te gaan van en naar de openbare weg.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (57.426 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.356.181/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 570972




arrest van 7 juli 2026




in de zaak van





[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.A. Fokker



en




Expo Vastgoed Ontwikkeling II B.V. (Expo)

die is gevestigd in Bleiswijk
advocaat: mr. J.W. Verhoeven






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1

Bij dagvaarding van 15 mei 2025 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 19 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep van 15 mei 2025
• het herstelexploot van 20 juni 2025 waarbij [appellant] aangeeft dat het hoger beroep dat hij heeft ingesteld bij het hof niet alleen het eindvonnis van 19 februari 2025 betreft, maar zich ook richt tegen het vonnis dat de rechtbank op 16 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord ook memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties)
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (met producties).



1.2
Het hof heeft Expo in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bij memorie van antwoord in incidenteel appel door [appellant] overgelegde producties, maar Expo heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.



1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.







2De kern van de zaak


2.1
Partijen zijn buren in [plaats] . Het gaat in deze zaak om de vragen of [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van grond die behoort tot het kadastrale perceel van Expo en of ten gunste van de percelen van [appellant] en ten laste van een perceel van Expo door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan op een deel van de grond van Expo.



2.2

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank:


de juridisch grens tussen zijn percelen aan de [straatnaam] 106 en 107 en een perceel van Expo aan de [straatnaam] 109 vaststelt overeenkomstig de feitelijke grens c.q. de gebruikersgrens zoals vastgelegd door Geobalans Landmeetkunde, althans verklaart voor recht dat dit zo is en Expo veroordeelt tot medewerking aan het wijzigen van de kadastrale grens;


voor recht verklaart dat ten behoeve van zijn percelen aan de [straatnaam] 106 en 107 en ten laste van de percelen van Expo aan de [straatnaam] 108 en 109 , althans het perceel aan de [straatnaam] 109 door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om van het eigendom van [appellant] te komen en te gaan over het pad (in- en uitrit) gelegen op het eigendom van Expo naar de openbare weg en vice versa;


Expo beveelt om mee te werken aan de notariële akte waarin de erfdienstbaarheid wordt gevestigd;


(op verbeurte van een dwangsom) Expo veroordeelt om het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden;


Expo veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten, alles met rente.





2.3
Expo heeft een voorwaardelijke reconventionele vordering ingesteld. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [appellant] een erfdienstbaarheid heeft verkregen, vordert Expo opheffing van die erfdienstbaarheid.



2.4
In haar (tussen)vonnis van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank een plaatsopneming en verschijning van partijen bevolen op de percelen van [appellant] en Expo. In haar vonnis van 19 februari 2025 heeft zij daarna voor recht verklaard dat [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van de stook grond gelegen op het perceel van Expo (kadastraal bekend onder nummer [perceelnummer4] ) die door de huurders van [appellant] wordt gebruikt als tuin (waaronder begrepen de smalle strook aan de achterzijde van de woning op perceel [perceelnummer2] ) en begrensd wordt door de heg en dat de erfgrens ligt in het midden van de heg. Verder is Expo veroordeeld om mee te werken aan notariële vastlegging van die eigendom van de grond. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tot verkrijging van eigendom van grond van Expo voor het overige afgewezen en ook het beroep van [appellant] tot verkrijging van een erfdienstbaarheid. De rechtbank heeft het door [appellant] meer of anders gevorderde afgewezen. De voorwaardelijke reconventionele vordering van Expo is om die reden onbesproken gebleven.



2.5

[appellant] wil met zijn hoger beroep bereiken dat de door de rechtbank afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.



2.6
Expo wil met haar hoger beroep bereiken dat de door de rechtbank toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Expo heeft in incidenteel hoger beroep haar eis gewijzigd en vordert, onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat sprake is van verjaring van haar grond die bij de huurder van [appellant] van het perceel aan de [straatnaam] 107 als tuin in gebruik is, primair schadevergoeding in natura (teruglevering van de door verjaring aan [appellant] toekomende grond) en subsidiair schadevergoeding in geld (€ 17.075,50 althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag). Expo beroept zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (Gemeente [gemeentenaam] ). Verder vordert Expo [appellant] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten.



2.7
Het hof zal oordelen dat [appellant] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het deel van de grond van Expo dat bij zijn huurder(s) van de woning aan de [straatnaam] 107 in gebruik is als tuin (waaronder begrepen de smalle strook aan de achterzijde van die woning). Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op verkrijging door verjaring van eigendom van andere grond van Expo. Het beroep van [appellant] op verkrijging door verjaring van een erfdienstbaarheid ten laste van percelen van Expo slaagt. Dit betekent dat het hoger beroep van [appellant] deels slaagt en het hoger beroep van Expo niet. Het hof zal verder oordelen dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de rechtsvoorganger van Expo. Het hof zal de door Expo in hoger beroep ingestelde vordering daarom afwijzen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in stand laten behalve de afwijzing van de vorderingen b, c en d van [appellant] . Voor dat deel zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen. Het hof zal die vorderingen van [appellant] toewijzen zoals te lezen is onder de beslissing. Dat alles wordt hierna uitgelegd.






3De toelichting op de beslissing van het hof



De feiten




3.1

Partijen zijn eigenaren van naast elkaar gelegen percelen aan de [straatnaam] in [plaats] .

[appellant] is sinds maart 1998 eigenaar van de percelen [straatnaam] 106 en 107 in [plaats] , kadastraal bekend als [plaats] [perceelnummer1] en [perceelnummer2] (hierna percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] ). Perceel 106 / [perceelnummer1] ligt aan de [straatnaam] , perceel 107 / [perceelnummer2] ligt vanaf de weg bezien achter perceel 106 / [perceelnummer1] .
Expo is sinds maart 2023 eigenaar van de percelen [straatnaam] 108 en 109 , kadastraal bekend als [plaats] [perceelnummer3] en [perceelnummer4] (hierna percelen 108 / [perceelnummer3] en 109 / [perceelnummer4] ). Perceel 108 / [perceelnummer3] ligt aan de [straatnaam] , perceel 109 / [perceelnummer4] ligt vanaf de weg bezien grotendeels achter perceel 108 / [perceelnummer3] , maar loopt voor een deel uit tot aan de [straatnaam] tussen perceel 106 / [perceelnummer1] en perceel 108 / [perceelnummer3] .




3.2
De ligging van de percelen van partijen is te zien op het kadastrale kaartje hierna dat [appellant] heeft ingekleurd; paars zijn de percelen van [appellant] , geel is de [straatnaam] en blauw is de [riviernaam] . Ter verduidelijking heeft het hof op het kaartje de huisnummers van de percelen van partijen vergroot. Op perceel 109 / [perceelnummer4] ligt een toegangsweg van en naar de openbare weg, de [straatnaam] .









3.3
Op perceel 106 / [perceelnummer1] van [appellant] staan een bedrijfspand en vier appartementen (huisnummers 106a, 106b, 106c en 106e). Het bedrijfspand heeft een horecabestemming waarin sinds 2019 een restaurant wordt geëxploiteerd. [appellant] verhuurt het bedrijfspand en de appartementen. Op perceel 107 / [perceelnummer2] staat een woning. Ook die woning verhuurt [appellant] , aan zijn dochter.


















Detailkaart met percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] . Het geschil spitst zich toe op (a) het hiervoor genoemde pad/toegangsweg (in- en uitrit, gearceerd met kruisjes) en (b) de strook tuin/heg (het andere gearceerde deel).

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] van strook a niet de eigendom heeft verkregen, maar wel van strook b wel. Het hof zal daar nog uitgebreid op ingaan.










3.5

[naam] was sinds 1981 eigenaar van perceel 109 / [perceelnummer4] . Expo heeft in mei 2018 diverse percelen van hem gekocht, waaronder de percelen 108 / [perceelnummer3] en 109 / [perceelnummer4] . [naam] heeft deze percelen in maart 2023 aan Expo geleverd. Op perceel 109 / [perceelnummer4] van Expo staat een gebouw dat in het verleden dienstdeed als wasserij van een onderneming van [naam] . Op perceel 108 / [perceelnummer3] staat een woning; de voormalige bedrijfswoning van [naam] .



3.6
In 2002 heeft [naam] de wasserij verplaatst naar een andere locatie in [plaats] . Op dat moment was [appellant] bezig met de verbouwing van zijn pand op perceel 106 / [perceelnummer1] en heeft [appellant] met [naam] een huurovereenkomst gesloten betreffende de bedrijfsruimte op perceel 109 / [perceelnummer4] voor de duur van ongeveer een half jaar voor opslag en werkruimte. Ook heeft [appellant] in 2014 en 2018 met [naam] huurovereenkomsten gesloten voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019.



3.7
Expo heeft het voornemen om onder andere percelen 108 / [perceelnummer3] en 109 / [perceelnummer4] te herontwikkelen door de voormalige wasserij op perceel 109 / [perceelnummer4] en de voormalige bedrijfswoning op perceel 108 / [perceelnummer3] te slopen en daar 14 woningen te bouwen. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een bodemsanering nodig van bodemverontreiniging in een deel van perceel 108 / [perceelnummer3] en in een deel van perceel 109 / [perceelnummer4] .



3.8
De feitelijke situatie vanaf de straatkant richting de percelen van [appellant] (rechts op de foto) en Expo (links op de foto) is te zien op deze overzichtsfoto, die is opgenomen in het proces-verbaal van de descente van de rechtbank.




3.9
Vanaf maart 1998 maken huurders van de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] en hun bezoekers, dagelijks gebruik van de op het perceel van Expo gelegen toegangsweg om vanaf de openbare weg van en naar hun woningen te gaan. Verder maken de huurders van de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] en hun bezoekers gebruik van een deel van perceel 109 / [perceelnummer4] om hun auto’s te parkeren (te weten vóór het lage witte gebouw op perceel 106 / [perceelnummer1] dat te zien is op de vorige foto en op de luchtfoto’s hieronder). Perceel 109 / [perceelnummer4] omvat de breedte van de toegangsweg op ongeveer drie meter na, gerekend vanaf het lage witte gebouw op perceel 106 / [perceelnummer1] .



3.10
De feitelijke situatie van de percelen van partijen en de toegangsweg op perceel 109 / [perceelnummer4] is ook te zien op de luchtfoto hieronder. Onduidelijk is wanneer de luchtfoto is gemaakt. Ter verduidelijking heeft het hof de huisnummers van de percelen daarop aangebracht. Op de foto is te zien dat de toegangsweg het gebouw op perceel 109 / [perceelnummer4] met de openbare weg ( [straatnaam] ).









3.11
Op enig moment heeft [appellant] naast het lage gebouw op perceel 106 / [perceelnummer1] grotendeels op zijn eigen perceel en deels op het perceel 109 / [perceelnummer4] een betonplaat geplaatst. De betonplaat is te zien op de vorige foto’s en op de luchtfoto hieronder, waarop het hof naast de posities van perceel 106 / [perceelnummer1] en de betonplaat (aangeduid als het betonpad) ook de posities van het hek en de heg heeft aangegeven. Daar komt het hof nog op terug. Onduidelijk is wanneer de luchtfoto is gemaakt.









3.12
De betonplaat ligt grotendeels op perceel 106 / [perceelnummer1] en voor een klein deel op perceel 109 / [perceelnummer4] . In juli 2023 heeft Expo vanaf de openbare weg tot aan de betonplaat het hek geplaatst. Het hek staat niet op de kadastrale erfgrens tussen de kadastrale percelen van partijen. De kadastrale erfgrens loopt ongeveer 1,5 rechts (vanaf de weg bezien) van het hek richting perceel 106 / [perceelnummer1] . Achter de betonplaat loopt, in het verlengde van de zijkant van de betonplaat een heg. In een rechte lijn tussen de heg en het hek ligt een strook met twee rijen vierkante stoeptegels (op perceel 109 / [perceelnummer4] ).



3.13
Een deel van het perceel van Expo wordt door de huurder(s) van [appellant] van de woning op perceel 107 / [perceelnummer2] gebruikt als tuin. De feitelijke situatie is te zien op de foto hieronder links die is opgenomen in het proces-verbaal van de descente van de rechtbank op 10 december 2024. Partijen hebben verklaard dat bij benadering de linkerkant van het turquoise (door het hof wit omcirkelde) object perceel 109 / [perceelnummer4] van Expo is en dat rechts van dit turquoise en wit omcirkelde object perceel 107 / [perceelnummer2] van [appellant] ligt. Op de foto rechts is de feitelijke situatie aldaar te zien in 2001.








december 2024


2001
























3.14
Achter de woning van [appellant] op perceel 107 / [perceelnummer2] bevindt zich een strook grond tussen de woning en de heg, zoals is te zien op de in het proces-verbaal van de descente van de rechtbank opgenomen foto hierna. Deze strook grond ligt op perceel 109 / [perceelnummer4] van Expo.









3.15
Bij besluit van 3 oktober 2022 is aan Rastrum B.V., enig aandeelhouder en bestuurder van Expo, een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de door Expo gewenste herontwikkeling. [appellant] heeft met twee andere omwonenden beroep ingesteld tegen deze aan Expo verleende omgevingsvergunning.



3.16
In een brief van 6 april 2023 heeft Expo aan [appellant] laten weten het gebruik van haar perceel 109 / [perceelnummer4] door de huurders van [appellant] en hun bezoeker te willen beëindigen in verband met toekomstige woningbouw. In die brief schrijft Expo dat [appellant] niet het recht heeft om van perceel 109 / [perceelnummer4] gebruik te maken. Expo wil de gebouwen op dat perceel en perceel 108 / [perceelnummer3] en nog een ander perceel slopen om daarna 14 woningen te bouwen. Expo beschikt over de daarvoor noodzakelijke vergunningen. Op 12 juni 2023 heeft zij [appellant] meegedeeld dat zij een hek zal plaatsen, zodat de huurders van [appellant] en hun bezoekers niet langer ongeoorloofd gebruik kunnen maken van perceel 109 / [perceelnummer4] .



3.17
In een uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, sector bestuursrecht, het beroep van [appellant] en twee andere omwonenden tegen de aan Expo verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard.



De ontvankelijkheid in hoger beroep





3.18
Voor het eerst in het herstelexploot van 20 juni 2025 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 16 oktober 2024. De door Expo opgeworpen vraag naar de (on)mogelijkheid om dat zo te doen, kan onbesproken blijven omdat tegen dat tussenvonnis geen grieven zijn aangevoerd. [appellant] zal daarom in hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard. Overigens zou [appellant] wanneer hij wel grieven zou hebben aangevoerd tegen het tussenvonnis maar geen herstelexploot zou hebben uitgebracht, wel ontvankelijk zijn geweest in zijn appel tegen dat tussenvonnis, omdat volgens vaste rechtspraak wanneer alleen appel is ingesteld tegen het eindvonnis het appel in de memorie van grieven nog kan worden uitgebouwd tegen een of meer andere (tussen)vonnissen dan vermeld in de appeldagvaarding.



De toelaatbaarheid van de wijziging van eis





3.19

[appellant] maakt bezwaar tegen de eiswijziging van Expo. Het hof stelt voorop dat de eiswijziging van Expo tijdig is gebeurd, omdat Expo deze in de memorie van grieven in haar incidenteel hoger beroep heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eisvermeerderingen.



3.20

[appellant] werpt op dat hem door de eiswijziging een feitelijke instantie wordt onthouden. Aan het wettelijk stelsel is evenwel inherent dat op de gewijzigde eis alleen door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf daarom niet doorslaggevend.



3.21
Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] door de eiswijziging van Expo in zijn verdediging wordt bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ook ambtshalve ziet het hof geen grond voor een dergelijk oordeel.



3.22
De conclusie luidt dat het bezwaar van [appellant] tegen de eiswijziging van Expo wordt verworpen.



De verschillende rechten die [appellant] stelt op de grond van Expo te hebben verkregen





3.23

[appellant] stelt dat hij door verjaring de eigendom heeft verkregen van de op de kadastrale tekening hieronder door hem oranje ingekleurde strook van het perceel van Expo, waarin hij het volgende onderscheid maakt:


een strook op de toegangsweg waarop de huurders van [appellant] en hun bezoekers hun auto’s parkeren (hieronder oranje ingekleurd met kruisjes weergegeven)


een strook die door de huurder(s) van [appellant] van de woning op perceel 107 / [perceelnummer2] gebruikt wordt als tuin (hieronder oranje ingekleurd schuin gearceerd weergegeven)











3.24
De oranje strook heeft volgens [appellant] een oppervlakte van in totaal ongeveer 116,3 m². [appellant] geeft aan de oranje ingekleurde strook de volgende omschrijving: Een deel van de strook loopt vanaf de weg ongeveer 52,5 meter naar achteren. Aan de voor- c.q. wegzijde is de strook ongeveer 3,20 meter breed; de strook loopt eerst taps toe tot 1,60 meter en wordt aan de achterzijde van het perceel weer breder. De strook loopt door aan de achterzijde van perceel 107 / [perceelnummer2] met een lengte van ongeveer 17,5 meter en een breedte van 0,70 meter. Over de gehele lengte van de strook op de toegangsweg kunnen 17 auto’s worden geparkeerd.



3.25
Verder stelt [appellant] dat door verjaring ten gunste van zijn percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] en ten laste van perceel 109 / [perceelnummer4] van Expo een erfdienstbaarheid is ontstaan om vanaf de openbare weg via de toegangsweg op het perceel van Expo de parkeerplaatsen te bereiken en andersom.



3.26
Het hof zal hierna eerst ingaan op de betwiste verkrijging van eigendom door verjaring. Het juridisch kader zal worden geschetst en vervolgens zal worden getoetst of [appellant] de eigendom heeft verkregen van (a) de oranje ingekleurde stook met de kruisjes en (b) de oranje ingekleurde schuin gearceerde strook. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] van strook a niet de eigendom heeft verkregen. Daartegen richt grief I zich van [appellant] . De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] van strook b wel de eigendom heeft verkregen. Daartegen is grief I van Expo gericht.



3.27
Daarna zal het hof beoordelen of [appellant] door verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen. Ook dan zal het hof eerst het juridisch kader uiteenzetten en vervolgens toetsen of [appellant] dat recht heeft verkregen. De rechtbank heeft geoordeeld dat door verjaring geen erfdienstbaarheid is ontstaan. Tegen dat oordeel komt [appellant] op met grief II.



Juridisch kader bij eigendomsverkrijging door verjaring





3.28
In beginsel geldt de grens zoals die uit de kadastrale registratie blijkt, als eigendomsgrens tussen de percelen van partijen. Als uitgangspunt geldt daarom dat Expo eigenaar is van de stukken grond die [appellant] claimt. Dit is anders als [appellant] , die zich daarop heeft beroepen, door verjaring eigenaar van een deel van het perceel van Expo is geworden omdat de rechtsvordering waarmee Expo (of zijn rechtsvoorganger) het bezit van [appellant] zou(den) hebben kunnen beëindigen, is verjaard (artikel 3:306 BW gelezen in verbinding met artikel 3:314 lid 2 BW).



3.29
Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [appellant] om (deugdelijk en toereikend onderbouwd) feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waarop hij baseert dat sprake is van verkrijgende verjaring. Dat moeten allereerst feiten en omstandigheden zijn waaruit volgt dat [appellant] bezitter is van de gedeelten van de onroerende zaak waarvan hij de eigendom claimt die kadastraal als eigendom van Expo te boek staan doordat hij of zijn rechtsvoorgangers deze gedeelten door inbezitneming voor zichzelf zijn gaan houden. Dat wil zeggen dat sprake is van een voor anderen zichtbare uitoefening van macht over die gedeelten waaruit de pretentie van eigendom blijkt. Voor bezit van (een gedeelte van) een onroerende zaak die kadastraal van een ander is, is meer nodig dan het plegen van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening van de inbezitnemer moet dan zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter geheel tenietdoet. Het gaat er bovendien niet om wat zich enkel in het hoofd van de betrokkenen heeft afgespeeld (dat is subjectief) maar om de feitelijke situatie en om wat er allemaal is gedaan en is gebeurd. Dat wordt dan met de blik van buiten (dus objectief) uitgelegd: voor een buitenstaander moet uit het gedrag van de potentiële bezitter duidelijk zijn dat deze denkt gerechtigde te zijn.



3.30
Verder is van belang dat [appellant] ook feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat hij bezitter is op het moment dat de verjaringstermijn van 20 jaar van de vordering tot beëindiging van het bezit is verstreken. Het is daarbij aan [appellant] om onderbouwd te stellen wanneer die termijn is aangevangen (de dag, volgende op die waarop hij of zijn rechtsvoorgangers bezitter zijn geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan hun bezit de voortzetting vormt) en dat de toestand van het bezit van [appellant] (of zijn rechtsvoorgangers) gedurende de gehele verjaringstermijn van 20 jaar heeft voortgeduurd.



3.31
Het komt erop neer dat [appellant] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de stroken grond als hij deze stroken gedurende 20 jaar onafgebroken voor zichzelf heeft gebruikt op een wijze waardoor het voor de eigenaar duidelijk moet zijn geweest dat [appellant] pretendeerde eigenaar te zijn.


a. de oranje ingekleurde strook met de kruisjes – parkeren en gebruik als toegangsweg




3.32
Voor de vraag of [appellant] zich als eigenaar van de lange strook heeft gedragen, moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie. [appellant] stelt dat deze strook op haar perceel is gemarkeerd door afwijkende bestrating. [appellant] wijst op de twee rijen vierkante stenen tussen het hek en de heg, zoals die te zien zijn op de hiervoor in rechtsoverweging 3.10 opgenomen foto en de uitvergroting daarvan hieronder van de stenen.









3.33
Hoewel de door [appellant] en [naam] in 2001 geplaatste heg in het verlengde van die twee rijen vierkante stenen staat, net als het hek dat Expo in 2023 heeft geplaatst, heeft [appellant] geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze feitelijke situatie zich meer dan twintig jaar heeft voorgedaan (dat wordt hierna onder b. uitgelegd). Alleen van de heg staat vast dat die er meer dan twintig jaar staat. [appellant] stelt niet wanneer de betonplaat en/of de stenen zijn gelegd. Alleen al daarom spelen het plaatsen van de betonplaat en het plaatsen van deze stenen geen rol van betekenis bij het antwoord op de vraag of sprake is van verkrijgende verjaring.



3.34

[appellant] stelt verder dat zijn huurders en hun bezoekers de strook steeds hebben gebruikt om hun auto’s (deels) op te parkeren. Dat is onvoldoende om bezit van eigendom op te baseren. Het hof stelt vast dat de strook niet specifiek is ingericht als parkeerplaats. Er zijn geen parkeervakken en er is geen belijning. Alleen de aan de muur van het gebouw op perceel 106 / [perceelnummer1] opgehangen autonummerborden wijzen daar visueel op, maar niet de strook zelf. In het midden kan blijven of het plaatsen van de nummerborden aan het gebouw op perceel 106 / [perceelnummer1] kan gelden als bezitsdaad ten aanzien van het naastgelegen perceel 109 / [perceelnummer4] . [appellant] stelt namelijk niet sinds wanneer die nummerborden er hangen. Volgens Expo is dat pas sinds 2020 zo, in ieder geval pas van na 15 november 2019. Al met al is onvoldoende onderbouwd dat 20 jaar zijn verstreken vanaf het moment dat er nummerborden aan de muur zijn opgehangen tot het moment dat Expo op 6 april 2023 in actie kwam. Dat [appellant] aan zijn huurders meldde dat ze hun auto (deels ook) op het perceel van Expo mochten parkeren, maakt geen einde aan het bezit van (de rechtsvoorgangers) van Expo.



3.35
Het rijden door de huurders van [appellant] en hun bezoekers over dit deel van de strook grond maakt geen einde aan het bezit van (de rechtsvoorgangers van) Expo. Expo en zijn rechtsvoorgangers en hun personeel en toeleveranciers hebben steeds op dezelfde wijze als de huurders van [appellant] gebruik van de strook gemaakt. Dit deel van de strook maakt onderdeel uit van de toegangsweg die zowel de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] van [appellant] als de gebouwen op de percelen 108 / [perceelnummer3] en 109 / [perceelnummer4] van Expo verbindt met de openbare weg. Grief I van [appellant] slaagt niet.


b. de oranje ingekleurde schuin gearceerde strook – de tuin




3.36
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] de strook grond die bij perceel 107 / [perceelnummer2] in gebruik is als tuin (waaronder begrepen de smalle strook aan de achterzijde van de woning op perceel 107 / [perceelnummer2] meer dan 20 jaar in bezit heeft gehad. De daartegen gerichte grief (I) van Expo slaagt niet.



3.37
De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] samen met [naam] in 2000 of 2001 coniferen heeft vervangen door de heg die op de foto’s te zien is. Omdat daartegen geen grief is gericht, gaat ook het hof daarvan uit. Net als de rechtbank, stelt het hof vast dat de strook grond sinds de plaatsing van de heg in (in ieder geval) 2001 één geheel vormt met perceel 107 / [perceelnummer2] van [appellant] . Er is sindsdien geen waarneembaar onderscheid tussen het stuk grond en het perceel van [appellant] . Ook staat vast dat [appellant] de strook grond door zijn huurder(s) van de woning op perceel 107 / [perceelnummer2] heeft laten gebruiken.



3.38
Op basis van het voorgaande, waaronder de uiterlijke omstandigheden – een stuk grond dat visueel één geheel vormt met een ander perceel - kan naar het oordeel van het hof naar verkeersopvatting de wil van [appellant] worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Omdat die situatie zich voordoet sinds de plaatsing van de heg in 2001 en de heg er al meer dan twintig jaar staat, is de verjaring voltooid.



3.39
Expo stelt dat [appellant] niet alleen de bedrijfsruimte op perceel 109 / [perceelnummer4] , maar het gehele perceel en dus ook de strook grond in 2002 en in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 van [naam] heeft gehuurd. Expo verwijst naar een door haar overgelegde verklaring van makelaar [naam2] , die destijds werkzaamheden verrichtte voor [naam] , waarin hij dat bevestigt, en naar een verklaring van [naam] . De laatste verklaart dat hij in 2002 de bedrijfshal aan [appellant] heeft verhuurd inclusief de toegangsweg naar de hal.



3.40
Expo gaat er evenwel ten onrechte aan voorbij dat de bezitsuiting, het planten van de heg waarmee de strook grond één geheel vormt met alleen perceel 107 / [perceelnummer2] , daarvóór heeft plaatsgevonden, te weten in 2001. Vanaf dat moment in 2001 was [appellant] al bezitter van de strook. Expo heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat [appellant] dit bezit op enig moment heeft verloren. [appellant] heeft steeds de feitelijke macht over deze strook grond uitgeoefend.



Over de door Expo gevorderde schadevergoeding





3.41
Expo vordert dat [appellant] de grond die hij door verjaring heeft verkregen, teruglevert als schadevergoeding in natura, althans dat [appellant] wordt veroordeeld tot schadevergoeding.



3.42
Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat [appellant] wist dat (de rechtsvoorganger van) Expo eigenaar was van de grond voor de feitelijke erfafscheiding (de heg) toen hij die grond in bezit nam. Het in bezit nemen en houden van een zaak, wetend dat een ander daarvan eigenaar is, is onrechtmatig. Expo stelt dat [naam] aan hem alle aanspraken heeft gecedeerd die [naam] kan doen gelden ten aanzien van derden.



3.43
Expo stelt dat [appellant] moet hebben geweten dat de oranje ingekleurde schuin gearceerde strook (tuin/heg) van [naam] was omdat hij naderhand deze grond van [naam] heeft gehuurd, wat [appellant] betwist. [appellant] voert aan dat hij alleen de bedrijfsruimte op perceel 109 / [perceelnummer4] heeft gehuurd. Deze door [appellant] in het kader van zijn betwisting aangevoerde stelling wordt gesteund door de drie schriftelijke huurovereenkomsten die Expo in het geding heeft gebracht; een huurovereenkomst van 2014, een tijdelijke huurovereenkomst van 2018 en een huurovereenkomst van 2018. Daaruit blijkt niet dat [appellant] naast de bedrijfsruimte ook de grond heeft gehuurd die onderdeel is geworden van de tuin van zijn woning op perceel 108 / [perceelnummer2] .



3.44
In alle drie de overeenkomsten gaat het namelijk specifiek alleen over de bedrijfsruimte. In december 2014 hebben [naam] en [appellant] een schriftelijke huurovereenkomst “kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” gesloten waarin [naam] aan [appellant] verhuurt “de bedrijfsruimte (…) gelegen [straatnaam] 109”. In de ongedateerde en ongetekende tijdelijke huurovereenkomst van 2018 staat [naam] aan [appellant] verhuurt “de bedrijfsruimte (…) gelegen (…) aan de [straatnaam] 109”. Op 31 oktober 2018 hebben [naam] en [appellant] ondertekend een door [naam2] opgesteld stuk met het opschrift “Betreft: huurovereenkomst [straatnaam] 109 (...)” dat luidt: “Hierbij bevestig ik u de op vrijdagmiddag 26 oktober jl. onderling gemaakte afspraken ter zake van de huur van bovengenoemde bedrijfsruimte”.



3.45
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verwijzing naar kadastrale grenzen in de huurovereenkomsten niet betekent dat daarmee het bezit van [appellant] tot een eind is gekomen. De strook grond was immers nog steeds in gebruik als tuin en als zodanig bij de tuin betrokken, en afgescheiden van het perceel van (de rechtsvoorganger van) Expo.



3.46
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellant] ligt het op de weg van Expo om haar stelling nader te onderbouwen dat [appellant] moet hebben geweten dat de oranje ingekleurde schuin gearceerde strook (tuin) van [naam] was. Dat heeft Expo onvoldoende gedaan.



3.47
Expo verwijst naar een door haar overgelegde verklaring van [naam2] van 12 november 2025, die betrokken was bij het opstellen van de huurovereenkomsten voor [naam] . [naam2] verklaart dat [appellant] naast de bedrijfsruimte ook de omliggende grond van perceel 109 / [perceelnummer4] heeft gehuurd. Zonder toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk waar [naam2] dat op baseert, terwijl dit niet uit de tekst van de huurovereenkomsten volgt. Het hof gaat daarom voorbij aan de verklaring van [naam2] .



3.48
Expo verwijst verder naar een door haar overgelegde verklaring van [naam] , maar daarin leest het hof niet dat [naam] met [appellant] een afspraak heeft gemaakt over het gebruik van zijn grond als tuin. [naam] verklaart namelijk dat hij de bedrijfshal in 2002 voor ongeveer een half jaar aan [appellant] heeft verhuurd, “uiteraard inclusief de (toegangs)weg”. Anders dan [naam] in zijn verklaring heeft opgenomen, is dit niet het hele perceel 109 / [perceelnummer4] . Perceel 109 / [perceelnummer4] omvat immers ook nog de oranje ingekleurde schuin gearceerde strook, die onderdeel uitmaakt van de tuin bij de woning op perceel 107 / [perceelnummer2] .



3.49
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat Expo onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant] zich in 2001 doelbewust de grond tot aan de heg heeft toegeëigend in de wetenschap dat de grond niet van hem was. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof daarom niet toe.



3.50
Ook verder komt het hof aan bewijslevering niet toe, omdat partijen geen (voldoende specifiek) bewijsaanbod hebben gedaan van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.



3.51
De schadevergoedingsvordering van Expo zal worden afgewezen.



Juridisch kader bij verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid





3.52
Art. 5:72 BW bepaalt dat een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging of door (verkrijgende of bevrijdende) verjaring. Art. 3:105 lid 1 BW regelt de bevrijdende verjaring en verheft tot rechthebbende degene die een goed (in dit geval: een erfdienstbaarheid) bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Dat geldt ongeacht of het bezit te goeder trouw was. De verjaringstermijn van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW).


3.53
Hieruit volgt dat [appellant] een erfdienstbaarheid kan hebben verkregen als hij daarvan twintig jaar het bezit heeft gehad. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 e.v. BW. Artikel 3:107 lid 1 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Hieronder moet worden verstaan het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de (al dan niet gerechtvaardigde) pretentie daarvan rechthebbende te zijn. Het begrip ‘voor zichzelf’ brengt het aan het bezitsbegrip verbonden aspect van exclusiviteit tot uitdrukking: wanneer iemand een goed houdt voor zichzelf, sluit dat uit dat hij een ander als rechthebbende op dat goed erkent. Wie een erfdienstbaarheid bezit of zich zo gedraagt, ontkent daarmee echter niet dat een ander rechthebbende op de zaak zelf is, namelijk als eigenaar. Voor het aannemen van bezit van een erfdienstbaarheid is beslissend is of iemand zich feitelijk gedraagt als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid door de aan een erfdienstbaarheid verbonden bevoegdheden voor zichzelf uit te oefenen.



3.54
Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dat voor zichzelf doet, wordt beoordeeld naar de verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die in artikel 3:109 e.v. BW worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Het gaat om een objectieve maatstaf: het komt primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de bestemming van het goed waarom het gaat en de wijze waarop de bijzondere betrekking tot het goed is ontstaan, kunnen bij de beoordeling van belang zijn. Het onder het oude recht voor verkrijgende verjaring geldende vereiste dat het bezit ondubbelzinnig moest zijn, wordt onder het huidig recht geacht in het begrip verjaring besloten te liggen. Daarom geldt nog steeds dat voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring het bezit zodanig moet zijn dat de werkelijk rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, ten koste van het recht van de werkelijke rechthebbende, zodat laatstgenoemde maatregelen kan treffen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.



3.55
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [appellant] de stelplicht en bewijslast van zijn standpunt dat hij langs de weg van artikel 3:105 BW een erfdienstbaarheid heeft verkregen.



a. de oranje ingekleurde strook met kruisjes –gebruik van de toegangsweg





3.56
In hoger beroep komt [appellant] (met grief II) op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet door verjaring een erfdienstbaarheid in ontstaan. [appellant] stelt dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om van zijn eigendom te komen en te gaan over de toegangsweg naar de openbare weg en omgekeerd.


 feitelijke machtsuitoefening op de toegangsweg




3.57
Vaststaat dat de gebruikers van de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] vanaf maart 1998 (en dus meer dan twintig jaar vóór de brief van Expo van 6 april 2023) de op het perceel van Expo gelegen toegangsweg dagelijks hebben gebruikt om met auto’s van en naar de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] te gaan, tot Expo in juli 2023 het hekwerk plaatste. Verder staat vast dat de huurders van de woningen van [appellant] op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] hun parkeerplaatsen bij hun woningen vanaf de openbare weg alleen hebben kunnen bereiken via de toegangsweg. Dit betekent dat deze huurders vanaf maart 1998 voor alles waarvoor zij hun auto gebruikten over het toegangspad hebben gereden.



3.58
Op basis van deze feiten stelt het hof vast dat vanaf het moment dat [appellant] de eigendom had van de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] , huurders van [appellant] en hun bezoekers niet bij wijze van uitzondering maar als regel gebruikt hebben gemaakt van de toegangsweg om met hun auto’s vanaf de openbare weg naar de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] te gaan en omgekeerd. Zij hebben dit gedaan bij opeenvolgende eigenaren van perceel 109 / [perceelnummer4] ; eerst [naam] en toen Expo.


 bezit van een erfdienstbaarheid




3.59

Expo heeft aangevoerd dat dit geen bezitsdaden zijn omdat de toegangsweg op grond van het bepaalde in artikel 5:22 BW voor eenieder toegankelijk is. Het is volgens Expo daarom niet zo dat zij en haar rechtsvoorganger uit het gebruik van het toegangspad door de huurders van [appellant] en hun bezoekers niets anders konden afleiden dan dat [appellant] pretendeerde rechthebbende te zijn van een erfdienstbaarheid ten koste van de eigenaar van perceel 109 / [perceelnummer4] . Het bepaalde in artikel 5:22 BW staat in beginsel niet in de weg aan bezit van (een beperkt recht op) een erf. Bovendien is met de stelling van Expo in tegenspraak dat Expo ook stelt dat in 1995 aan de ingang van de toegangsweg een wit bordje is geplaatst, dat er sindsdien onafgebroken heeft gestaan, met de tekst:
“Deze in- en uitrit enkel te gebruiken door eigenaren en bezoekers van


[naam] NR. 109


Bungalow NR. 110”
Het hof volgt Expo daarom niet in haar zienswijze.




3.60
Verder heeft Expo aangevoerd dat het gebruik van de toegangsweg plaatsvond op basis van (stilzwijgende) toestemming of gedogen. Het is naar het oordeel van het hof aan Expo om aan te tonen dat er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door [appellant] als die van een persoonlijk gerechtigde gebruiker aan te merken. Expo heeft die feiten niet gesteld. Daarvoor is het volgende redengevend.



3.61
Expo verwijst ten eerste naar de gemaakte huurafspraken. Ook hier geldt dat de feitelijke machtsuitoefening van [appellant] ten aanzien van het toegangspad vanaf maart 1998 en dus vóór het sluiten van de eerste huurovereenkomst in 2002 is aangevangen. [appellant] is dat bezit niet door het aangaan van de verschillende huurovereenkomsten verloren. [appellant] is de feitelijke macht als voorheen blijven uitoefenen.



3.62
Voor haar stelling dat het gebruik van de toegangsweg plaatsvond op basis van (stilzwijgende) toestemming of gedogen, verwijst Expo ten tweede naar de door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaringen van [naam3] , [naam4] en [naam5] . Anders dan de rechtbank, kent het hof geen doorslaggevende betekenis toe aan de die verklaringen. Dat heeft de volgende redenen.



3.63

[naam3] heeft verklaard dat de rechtsvoorganger van [naam] destijds het gebruik van de toegangsweg accepteerde. Dit betreft de situatie van vóór 1981 - [naam] is immers sinds 1981 eigenaar van perceel 109 / [perceelnummer4] – en zegt niets over de situatie vanaf maart 1998.



3.64

[naam4] , aan wie [appellant] het restaurant van 2007 tot 2010 heeft verhuurd, heeft (nader) verklaard dat hij met [naam] heeft afgesproken “dat auto’s van personeel en gasten van het restaurant langs het pad naar de achtergelegen bedrijfsruimte geparkeerd mochten worden aan de zijkanten.” [appellant] betwist dat dit parkeren betrekking heeft op de parkeerplaatsen van de huurders van de woningen van [appellant] op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] . [appellant] heeft toegelicht dat die afspraak zag op het parkeren door restaurantgasten op de inrit van perceel 109 / [perceelnummer4] . Expo heeft dit onvoldoende betwist, zodat ook op deze verklaring niet kan worden gebaseerd dat sprake was van (stilzwijgende) toestemming of gedogen van het gebruik van de toegangsweg.



3.65

[naam5] , die begin 1998 samen met [appellant] perceel 106 / [perceelnummer1] heeft gekocht, heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat het gebruik van de toegangsweg was toegestaan zolang de vrachtauto’s van [naam] er maar door konden. Hieruit blijkt niet dat [appellant] een persoonlijk recht had voor het gebruik van de toegangsweg. Uit deze verklaring kan net zo goed worden afgeleid dat het voor de rechtsvoorganger van Expo vanzelfsprekend was dat de huurders van de woningen van [appellant] op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] recht hadden tot toegang tot hun parkeerplaatsen. De vanzelfsprekendheid van het gebruik van de toegangsweg door [appellant] , zijn huurder en hun bezoekers volgt mede daaruit dat [naam] midden jaren 2000 weliswaar een slagboom op zijn perceel geplaatst, maar zodanig schuin dat de huurders van [appellant] hun parkeerplaatsen nog via de toegangsweg konden bereiken. In lijn met die vanzelfsprekendheid van het bestaan van een recht tot gebruik van het toegangspad is verder, dat [appellant] op enig moment de betonplaat, deels op perceel 109 / [perceelnummer4] , en de stenenrij, geheel op perceel 109 / [perceelnummer4] heeft geplaatst.



3.66
Op basis van het voortdurend gebruik van de toegangsweg door huurders van de woningen van [appellant] op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] en hun bezoekers vanaf maart 1998 en de vanzelfsprekendheid niet alleen voor [appellant] , maar ook voor de rechtsvoorganger van Expo van het bestaan van een recht van [appellant] om huurders van [appellant] de toegangsweg te laten gebruiken om van hun woningen c.q. hun parkeerplaatsen te komen te gaan over de op perceel 109 / [perceelnummer4] gelegen toegangsweg naar de openbare weg, en omgekeerd, komt het hof tot de slotsom dat de door [appellant] naar voren gebrachte concrete omstandigheden, tezamen genomen, wijzen op een ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid van overpad om over de toegangsweg op perceel 109 / [perceelnummer4] de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] te bereiken.



3.67
Met het sluiten van de huurovereenkomsten in 2002, 2014 en 2018 heeft [appellant] het bezit van de erfdienstbaarheid niet kennelijk prijsgegeven. Evenmin blijkt uit de verklaring van [naam4] dat [appellant] het bezit van de erfdienstbaarheid kennelijk heeft prijsgegeven. De afspraak waarover [naam4] heeft verklaard ziet niet op het gebruik van de toegangsweg.



Door verkrijgende verjaring is een erfdienstbaarheid ontstaan





3.68

Het hof stelt vast dat de verjaringstermijn van twintig jaar voor verkrijgende verjaring is gaan lopen in maart 1998 en is geëindigd in maart 2018. Op dat moment is
ten behoeve van de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] en ten laste van perceel 109 / [perceelnummer4] door verjaring een erfdienstbaarheid ontstaan om vanaf de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] over de toegangsweg op perceel 109 / [perceelnummer4] te komen van en te gaan naar de openbare weg.




3.69

[appellant] stelt geen feiten en/of omstandigheden waarop kan worden gebaseerd dat deze erfdienstbaarheid ook ten laste van perceel 108 / [perceelnummer3] door verjaring is ontstaan. Dat deel van de vordering van [appellant] zal worden afgewezen.



Opheffing van de erfdienstbaarheid





3.70
Met het oordeel van het hof dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, is de voorwaarde vervuld waaronder Expo haar reconventionele vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid heeft ingesteld.



3.71
Op grond van artikel 5:78 aanhef en onder a BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf (Expo) een erfdienstbaarheid opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Expo stelt dat daarvan sprake is. Expo heeft daar naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld. De enkele omstandigheid dat Expo over een onherroepelijke sanerings- en omgevingsvergunning beschikt, betekent nog niet dat geen ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid van [appellant] kan worden gevergd. Zonder toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk wat de gevolgen van het bestaan van de erfdienstbaarheid zijn anders dan dat de plannen van Expo niet geheel volgens plan kunnen worden verwezenlijkt.



3.72
Expo stelt dat op haar een plicht rust om de grond onder de toegangsweg te saneren. Uit niets blijkt dat [appellant] de erfdienstbaarheid tijdens de saneringswerkzaamheden onmogelijk kan uitoefenen, al dan niet tijdelijk via een ander pad dan de toegangsweg, en al helemaal niet dat de toegangsweg na de sanering niet kan terugkomen.



Tussenconclusie erfdienstbaarheid





3.73
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [appellant] in die zin kan worden toegewezen dat voor recht zal worden verklaard dat ten behoeve van de percelen van [appellant] aan de [straatnaam] 106 en 107 (de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] ) en ten laste van het perceel van Expo aan de [straatnaam] 109 (perceel 109 / [perceelnummer4] ) door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om vanaf de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] over de toegangsweg op perceel 109 / [perceelnummer4] te komen van en te gaan naar de openbare weg.



3.74
Verder zal het hof Expo veroordelen om mee te werken aan de notariële vastlegging van deze erfdienstbaarheid.



Expo moet het hekwerk verwijderen





3.75

[appellant] stelt dat als gevolg van het door Expo geplaatste hekwerk geen gebruik meer kan worden gemaakt van de parkeerplaatsen naast zijn pand. Expo betwist dat niet. Het hof stelt vast dat de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] vanwege het door Expo geplaatste hek geen onbelemmerde toegang hebben tot de toegangsweg. Daarmee belemmert het door Expo geplaatste hek de uitoefening van de hiervoor omschreven erfdienstbaarheid van [appellant] . De vordering van [appellant] tot verwijdering van dat hekwerk zal worden toegewezen. Het hof zal de gevorderde dwangsom matigen en aan een maximum verbinden. Grief III van [appellant] slaagt in zoverre.



De proceskostenveroordeling van de rechtbank





3.76
De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd omdat beide partijen van de rechtbank gedeeltelijk ongelijk hebben gekregen. Hiertegen komt Expo op met grief II. Expo vindt dat [appellant] in haar werkelijke proceskosten veroordeeld had moeten worden.



3.77
Deze grief mist zelfstandige betekenis. Het vonnis blijft deels in stand. Beide partijen krijgen gedeeltelijk ongelijk. Grief II van Expo slaagt niet.



De conclusie





3.78
Het hoger beroep van [appellant] slaagt deels. Het hof bepaalt dat iedere partij in het hoger beroep van [appellant] zijn eigen kosten moet dragen omdat partijen ieder deels gelijk/ongelijk hebben gekregen.



3.79
Het hoger beroep van Expo slaagt niet. Omdat Expo in hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Expo veroordelen tot betaling van de proceskosten van [appellant] in het hoger beroep van Expo. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.



3.80
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






4De beslissing


Het hof:



4.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 16 oktober 2024;



4.2
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 19 februari 2025, behalve de beslissingen van de rechtbank dat worden afgewezen:


de vordering van [appellant] dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan


het door [appellant] gevorderde aan Expo op te leggen bevel om mee te werken aan de vestiging van die erfdienstbaarheid;


de vordering van [appellant] Expo te veroordelen om het hek te verwijderen;


die hierbij worden vernietigd en beslist:



4.3
verklaart voor recht dat ten behoeve van de percelen van [appellant] , plaatselijk bekend [straatnaam] 106 en 107 te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend nummers [perceelnummer3] en [perceelnummer4] en ten laste van het perceel van Expo, plaatselijk bekend [straatnaam] 109 te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend nummer [perceelnummer4] , door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om vanaf de gebouwen op de percelen 106 / [perceelnummer1] en 107 / [perceelnummer2] over de toegangsweg op perceel 109 / [perceelnummer4] te komen en te gaan van en naar de openbare weg;


4.4
beveelt Expo om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest mee te werken aan het verlijden van een notariële akte ten overstaan van mr. N. van der Griend, notaris te Wesep, waarin de hiervoor onder 4.3. omschreven erfdienstbaarheid wordt gevestigd;



4.5
veroordeelt Expo om het hek, geplaatst tussen de percelen [straatnaam] 106 en 107 enerzijds en [straatnaam] 108 - 109 anderzijds binnen 8 dagen na betekening van dit arrest te verwijderen en verwijderd te houden;



4.6
verbindt aan de veroordeling onder 4.5. een dwangsom van € 1.000, - per dag of gedeelte van een dag dat Expo niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000, -;



4.7
bepaalt in het hoger beroep van [appellant] dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.8

veroordeelt Expo in haar hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 645, - aan salaris van de advocaat van [appellant] (0,5 procespunt x het toepasselijke tarief II);




4.9
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



4.10
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



4.11
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, H. de Hek en M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




Vergelijk onder meer HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 en ook HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.


HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309


Zie (recent) conclusie AG Valk, ECLI:NL:PHR:2026:612.


HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743