Art. 81 lid 1 RO. Cassatieberoep tegen kantonrechtersvonnis; art. 80 lid 1 RO. Feitelijke grondslag? Onbegrijpelijk oordeel?
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 332 Rv
Genoemd in 365 uitspraken · Officiële wettekst
365 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 12 · live
arbeidsrecht, pensioenrecht, ontvankelijkheid in hoger beroep? verplichte deelneming bedrijfstakregelingen Metaal en Techniek? rechtsverwerking, geen onrechtmatig handelen door subsidie-aanvragen af te wijzen.
Procesrecht. Erfrecht.
Artikel 332 lid 1 Rv. Verklaring voor recht, proceskosten ex artikel 1019h Rv en appelgrens.
Appelgrens niet-ontvankelijk
Procesrecht. Gedaagde voldoet de hoofdsom na het uitbrengen van de dagvaarding maar voor het aanbrengen. Procedure wordt door eiser voorgezet zonder vermindering van eis en zonder overleg met gedaagde. Gevolgen voor de proceskostenbeslissing.
Verzet, aanvang verzettermijn, daad van bekendheid
Afwijzing van door bewindvoerder ingediend verzoek tot tussentijdse beëindiging schuldsanering, art. 350 lid 3 onder c Fw, ontslag bewindvoerder en benoeming nieuwe bewindvoerder. Geen recht om hoger beroep in te stellen na verlies hoedanigheid van bewindvoerder; in art. 351 lid
niet-ontvankelijk, vordering onder de appelgrens, deelvonnis.
Betalingsperikelen rond afdracht van pensioenpremie. Bewijslast i.v.m. beroep op verrekening met beweerdelijk teveel betaalde door rechtsvoorganger.
(Appel)procesrecht. Recht op pleidooi in incident; art. 134, 208 en 353 Rv. Appelverbod van art. 337 lid 2 Rv; toepasselijkheid ‘doorbrekingsjurisprudentie’; gronden voor doorbreking wettelijk appelverbod. Art. 10 EVRM.
Herroeping. Uitleg art. 388 lid 2 Rv. Reikwijdte. Mogelijkheid van doorbreking appelverbod op in rechtspraak erkende gronden? Aard van de beslissing. Mogelijkheid van cassatieberoep; art. 398 Rv. Omvang toetsing in cassatie; art. 80 lid 1 RO.
Ontvankelijkheid in cassatie, hoedanigheid procespartij. Tussenarrest, art. 401a Rv. Belang bij vordering en verweer, art. 3:302 en 303 BW. Ontvankelijkheid in hoger beroep, verlies van hoedanigheid tijdens instantie.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Art. 6 en 7 Verordening (EG) Nr. 261/2004, compensatie bij langdurige vertraging. HvJEU 19 november 2009 (Sturgeon), LJN BK4714, NJ 2010/137, nog geldend recht? Hoge Raad houdt uitspraak aan in afwachting van nieuwe uitspraak HvJEU.
Artikel 332 Rv. Partij in de hoofdzaak (door middellijke vertegenwoordiging) is niet-ontvankelijk in incidentele vordering tot voeging/tussenkomst.
Incassozaak met vordering onder de appelgrens. Met welke bedragen moet rekening worden gehouden bij de cumulatieregels. De appelgrens van 332 lid 1 Rv geldt ook ingeval van een 140 lid 2 Rv vonnis (meerdere gedaagden waarvan één of meer niet verschenen)
Verenigingsrecht. Gebondenheid verenigingslid aan door vereniging met derde gesloten overeenkomst? Oordeel kantonrechter dat vereniging krachtens statuten bevoegd was haar leden te binden, onbegrijpelijk. Bedoelde statutaire bepaling ziet uitsluitend op vertegenwoordiging van de
Bankbrieven. Eerste en latere verkrijgers van ontvreemde bankbrieven niet te goeder trouw in de zin van art. 3:86 BW.
Beroep op verrekening met achterstallige huurpenningen. Onvoldoende gesteld m.b.t. nalatigheid verhuurder gebreken in de zin van art. 7:206 BW te verhelpen. Evenmin voldoende gesteld aangaande verplichtingen verhuurder in verband met door huurder zelf aangeschafte geiser.
Art. 81 RO. Onrechtmatige daad. Cassatie tegen kantonrechtersvonnis; art. 398 Rv., art. 78, 80 RO.