Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:265
2025-01-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202500388/1/V3 en 202500388/2/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29173 Rechtbank Den Haag 02-10-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25081 Rechtbank Den Haag 31-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26719 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20231 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20155 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17810 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16158 Rechtbank Den Haag 15-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17547 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14689 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14679 Rechtbank Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12900 Rechtbank Den Haag 21-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12270 Rechtbank Den Haag 18-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12223 Rechtbank Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10240 Rechtbank Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9306 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8423 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7618 Rechtbank Den Haag 02-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4788 Rechtbank Den Haag 05-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5571 Rechtbank Den Haag 26-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3650 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5077 Rechtbank Den Haag 09-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1958 Rechtbank Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24767 Rechtbank Den Haag 22-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23741 Rechtbank Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21811 Rechtbank Den Haag 17-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21492 Rechtbank Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20066 Rechtbank Den Haag 30-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16664 Rechtbank Den Haag 08-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12996 Rechtbank Den Haag 17-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11420 Rechtbank Den Haag 19-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9098 Rechtbank Den Haag 21-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9042 Rechtbank Den Haag 20-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9050 Rechtbank Den Haag 20-05-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.432 tekens)
202500388/1/V3 en 202500388/2/V3.
Datum uitspraak: 24 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 januari 2025 in zaak nr. NL24.38650 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Alkir, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 9 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2025
644-1111
Datum uitspraak: 24 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 januari 2025 in zaak nr. NL24.38650 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Alkir, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 9 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2025
644-1111