Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20155

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35939
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35939
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid Vw 2000, voldoende gronden om de maatregel te dragen, geen vrees voor refoulement

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.149 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.35939


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank





Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.




3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.



3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.



De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.




4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.




4.2.
De minister heeft op de zitting de p-grond laten vallen.



4.3.
Eiseres betoogt dat de minister de q-grond niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan de maatregel.



4.4.

De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de gronden a en k feitelijk juist zijn en de maatregel al kunnen dragen. Weliswaar betwist eiseres dat zij meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat.

Risico op refoulement

5. Eiseres voert aan dat zij bij overdracht aan Zwitserland een reëel en voorzienbaar risico loopt op uitzetting naar Pakistan en daarom een risico loopt op (indirect) refoulement. Volgens eiseres kon zij haar asielaanvraag onvoldoende onderbouwen omdat haar asielrelaas afhankelijk is van het asielrelaas van haar man, die een asielprocedure in Nederland doorloopt. Daarom hebben de Zwitserse autoriteiten haar asielaanvraag niet kunnen beoordelen. De procedure in Zwitserland is volgens eiseres daarom gedoemd te mislukken.




5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening (voorheen de Dublinverordening) het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onder meer in de uitspraken van 24 januari 2025 en 10 oktober 2025 bevestigd dat de minister ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.



5.2.
Eiseres heeft haar stellingen niet onderbouwd en er zijn verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dat Zwitserland zich jegens haar niet aan zijn internationale verplichtingen zal houden en haar vrees voor refoulement niet zorgvuldig zal beoordelen. Er mag er dus van worden uitgegaan dat de Zwitserse autoriteiten het verzoek van eiseres om internationale bescherming (opnieuw) in behandeling nemen. Dit hebben de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord ook gegarandeerd. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres zich over haar bedenkingen niet zou kunnen beklagen bij de Zwitserse (hogere) autoriteiten dan wel de geëigende instanties. De beroepsgrond slaagt niet.




Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.


Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.


Zie ECLI:NL:RVS:2025:265 en ECLI:NL:RVS:2025:4864.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.