Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20231
2026-07-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.28714
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Zwitserland; artikel 17 van de Dublinverordening; ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:4864 Raad van State 10-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:265 Raad van State 24-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.809 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28714
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om overname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?
4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt. Volgens eiser heeft hij door zijn verblijf in Zwitserland psychische klachten ontwikkeld en is hij daarvoor inmiddels onder behandeling van een arts. Verder heeft hij ook lichamelijke klachten, zoals maag- en rugklachten. Eiser voert aan dat hij in Zwitserland onvoldoende hulp heeft gekregen van de autoriteiten, waardoor hij zich onveilig en geïsoleerd heeft gevoeld. Ook heeft hij taalproblemen ervaren, omdat de Zwitserse autoriteiten geen gebruik hebben gemaakt van een tolk. Volgens eiser zal hij bij terugkeer naar Zwitserland opnieuw met deze problemen worden geconfronteerd en zal zijn medische situatie daardoor verslechteren.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Zwitserland zou leiden tot onevenredige hardheid dan wel een reëel risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. De minister stelt zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarin niet is geslaagd. Hoewel uit het overgelegde medische dossier blijkt dat eiser medische klachten heeft, volgt daaruit niet dat hij specialistische zorg (nodig) heeft die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. De minister wijst in dit kader dan ook terecht op het feit dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Zwitserland. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Dit betekent dat de medische voorzieningen in Zwitserland vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Verder heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat uit het medisch dossier zoals gevoegd bij de zienswijze niet blijkt dat sprake is van bijzonder ernstige gezondheidsproblemen en/of dat deze door overdracht ernstig en onomkeerbaar achteruitgaan. Dit blijkt evenmin uit de in beroep overgelegde medische informatie. Hieruit blijkt enkel dat eiser inmiddels voor zijn psychische klachten onder behandeling staat van de praktijkondersteuner van de huisarts (de POH-GGZ) en dat hij medicatie krijgt. Daarnaast heeft eiser zijn gestelde problemen met de ondersteuning en communicatie met de Zwitserse autoriteiten niet onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser zich in Zwitserland niet tot de autoriteiten kan wenden bij eventuele problemen. Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat artikel 17 van de Dublinverordening niet toegepast hoefde te worden
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Die stond in de Dublinverordening. Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie ABRvS 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864 en ABRvS 24 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28714
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om overname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?
4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt. Volgens eiser heeft hij door zijn verblijf in Zwitserland psychische klachten ontwikkeld en is hij daarvoor inmiddels onder behandeling van een arts. Verder heeft hij ook lichamelijke klachten, zoals maag- en rugklachten. Eiser voert aan dat hij in Zwitserland onvoldoende hulp heeft gekregen van de autoriteiten, waardoor hij zich onveilig en geïsoleerd heeft gevoeld. Ook heeft hij taalproblemen ervaren, omdat de Zwitserse autoriteiten geen gebruik hebben gemaakt van een tolk. Volgens eiser zal hij bij terugkeer naar Zwitserland opnieuw met deze problemen worden geconfronteerd en zal zijn medische situatie daardoor verslechteren.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Zwitserland zou leiden tot onevenredige hardheid dan wel een reëel risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. De minister stelt zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarin niet is geslaagd. Hoewel uit het overgelegde medische dossier blijkt dat eiser medische klachten heeft, volgt daaruit niet dat hij specialistische zorg (nodig) heeft die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. De minister wijst in dit kader dan ook terecht op het feit dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Zwitserland. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Dit betekent dat de medische voorzieningen in Zwitserland vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Verder heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat uit het medisch dossier zoals gevoegd bij de zienswijze niet blijkt dat sprake is van bijzonder ernstige gezondheidsproblemen en/of dat deze door overdracht ernstig en onomkeerbaar achteruitgaan. Dit blijkt evenmin uit de in beroep overgelegde medische informatie. Hieruit blijkt enkel dat eiser inmiddels voor zijn psychische klachten onder behandeling staat van de praktijkondersteuner van de huisarts (de POH-GGZ) en dat hij medicatie krijgt. Daarnaast heeft eiser zijn gestelde problemen met de ondersteuning en communicatie met de Zwitserse autoriteiten niet onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser zich in Zwitserland niet tot de autoriteiten kan wenden bij eventuele problemen. Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat artikel 17 van de Dublinverordening niet toegepast hoefde te worden
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Die stond in de Dublinverordening. Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie ABRvS 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864 en ABRvS 24 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265.