Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:5076
2024-12-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202407318/1/V3 en 202407318/2/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26222 Rechtbank Den Haag 07-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17070 Rechtbank Den Haag 22-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16635 Rechtbank Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16635 Rechtbank Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14847 Rechtbank Den Haag 03-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14743 Rechtbank Den Haag 01-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13245 Rechtbank Den Haag 22-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12972 Rechtbank Den Haag 20-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10465 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9625 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7377 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20052 Rechtbank Den Haag 26-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6565 Rechtbank Den Haag 23-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21283 Rechtbank Den Haag 18-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4744 Rechtbank Den Haag 06-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4416 Rechtbank Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:616 Rechtbank Den Haag 15-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24080 Rechtbank Den Haag 16-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27674 Rechtbank Den Haag 02-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22510 Rechtbank Den Haag 26-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22513 Rechtbank Den Haag 26-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21475 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20369 Rechtbank Den Haag 30-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19710 Rechtbank Den Haag 24-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16976 Rechtbank Den Haag 15-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16058 Rechtbank Den Haag 28-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11277 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10244 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10247 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8581 Rechtbank Den Haag 11-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5179 Rechtbank Den Haag 27-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4747 Rechtbank Den Haag 07-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2081 Rechtbank Den Haag 12-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1923 Rechtbank Den Haag 12-02-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.420 tekens)
202407318/1/V3 en 202407318/2/V3.
Datum uitspraak: 10 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2024 in zaak nr. NL24.39408 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 29 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 tot en met 8.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024
347-1020
Datum uitspraak: 10 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2024 in zaak nr. NL24.39408 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 29 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 tot en met 8.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024
347-1020