Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21283

2026-03-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.7129 en NL26.7130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.7129 en NL26.7130
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Kroatië, herhaald en ingelast, zorgvuldigheid, belang van het kind, uitspraak Afdeling horen minderjarigen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dv.

Citeert (6)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (12.514 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.7129 (beroep) en NL26.7130 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

mede namens haar minderjarige kinderen


[minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer 2]


[minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer 3]
hierna tezamen: eisers.
(gemachtigde: mr. M. Erik)



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met het bestreden besluit van
9 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eisers op 5 maart 2026 op zitting behandeld.
Eiseres en de gemachtigde van eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ermek.




1.2

Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.7130) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1982, [geboortedatum 2] 2015 en [geboortedatum 3] 2018. Eisers hebben de Turkse nationaliteit. Op 26 augustus 2025 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Kroatië asiel hebben aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.



Wat vinden eisers in beroep?


2. Verweerder heeft de herhaalde asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling genomen. Allereerst verwijzen eisers naar de zienswijze met het verzoek hetgeen daarin naar voren is gebracht te beschouwen als herhaald en ingelast. Eisers stellen zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft de beschikking in dit kader ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. De individuele ervaringen van eisers zijn niet betrokken in de beoordeling. Ook vinden er in Kroatië pushbacks plaats. Subsidiair beroepen eisers zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers beroepen zich in dit kader op een aantal individuele ervaringen en omstandigheden die tot de conclusie hadden moeten leiden dat toepassing moet worden gegeven aan de discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in voornoemd artikel. Tot slot beroepen eisers zich op een uitspraak van de Afdeling van
20 augustus 2025 waaruit de verplichting voor verweerder volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure te horen. In deze procedure is niet conform deze uitspraak gehandeld, waardoor de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

4. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Herhaald en ingelast


5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eisers eerder in de zienswijze naar voren hebben gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.



Zorgvuldigheid en belang van het kind


6. Ten aanzien van het beroep op de omstandigheid dat de minderjarige kinderen van eisers ten onrechte niet zijn gehoord, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de kinderen geboren zijn op [geboortedatum 2] 2015 en [geboortedatum 3] 2018 en dus 10 en 7 jaar oud zijn. Uit de Afdelingsuitspraak van 20 augustus 2025 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat binnen de Dublinprocedure begeleide minderjarige vreemdelingen tussen de 12 en 15 jaar oud in de gelegenheid gesteld moeten worden om te worden gehoord. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de kinderen niet de mogelijkheid te bieden hun mening vrijelijk te uiten ten aanzien van onderhavige procedure, nu zij niet onder voornoemde leeftijdscategorie vallen. Daarbij kan de rechtbank verweerder volgen in de stelling ter zitting dat in de omstandigheid dat één van de kinderen inmiddels bijna 11 jaar oud is ook geen aanleiding kan worden gezien om haar alsnog te horen, nu er een belang bestaat bij het handhaven van een vaste leeftijdsgrens. De verwijzing van eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie van 22 december 2010 maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat de Afdeling hieromtrent niets in haar uitspraak heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt dus niet.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


7. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.


7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken nog bevestigd dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In die uitspraken is de Afdeling ook ingegaan op de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks en zijn ook de notities van het CPS betrokken. Over de eigen ervaringen van eisers in Kroatië heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende aanknopingspunten bieden om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft de stellingen dat zij discriminatoir is behandeld in Kroatië, dat ze op straat heeft moeten slapen met haar kinderen, dat medische hulp ontbrak, dat zij geen toegang had tot een tolk en informatievoorzieningen niet (met stukken) onderbouwd. Verweerder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiseres omtrent haar persoonlijke ervaringen. Het bestreden besluit is daarmee voldoende gemotiveerd. Indien eisers zich na overdracht aan Kroatië alsnog geconfronteerd zouden zien met problemen, geldt dat zij zich hierover dienen te beklagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Kroatische autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Kroatië onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.



Artikel 17 van de Dublinverordening

8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.




8.1.
Eisers voeren aan dat zij slecht behandeld zijn door de Kroatische autoriteiten. Daarnaast kan eiseres niet rekenen op bescherming in Kroatië nu zij in Turkije te vrezen heeft voor vervolging. Eiseres is als alleenstaande moeder onvoldoende zelfredzaam en heeft last van trauma’s. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De stellingen van eisers zijn onvoldoende (met stukken) onderbouwd en reeds betrokken bij de vraag of ten aanzien van Kroatië nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.




Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


ECLI:NL:RVS:2025:3900.


ECLI:EU:C:2010:828.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 oktober 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4037, die van 10 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:5076 en die van 21 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5635.


Zie uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.