Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:2484
2024-06-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202401647/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1778 Raad van State 30-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3411 Raad van State 13-09-2023
Geciteerd door (50)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27935 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18655 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16626 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20369 Rechtbank Den Haag 30-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19710 Rechtbank Den Haag 24-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21513 Rechtbank Den Haag 16-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17262 Rechtbank Den Haag 16-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16547 Rechtbank Den Haag 05-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13860 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11344 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10793 Rechtbank Den Haag 20-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12233 Rechtbank Den Haag 26-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9399 Rechtbank Den Haag 23-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7744 Rechtbank Den Haag 26-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9354 Rechtbank Den Haag 12-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2835 Rechtbank Den Haag 20-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:44 Raad van State 09-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23229 Rechtbank Den Haag 20-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22244 Rechtbank Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20842 Rechtbank Den Haag 08-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15621 Rechtbank Den Haag 27-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15620 Rechtbank Den Haag 27-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15215 Rechtbank Den Haag 24-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16325 Rechtbank Den Haag 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15210 Rechtbank Den Haag 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15208 Rechtbank Den Haag 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15984 Rechtbank Den Haag 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15626 Rechtbank Den Haag 10-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14290 Rechtbank Den Haag 04-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14293 Rechtbank Den Haag 04-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14111 Rechtbank Den Haag 04-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14296 Rechtbank Den Haag 04-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14993 Rechtbank Den Haag 26-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14971 Rechtbank Den Haag 23-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14354 Rechtbank Den Haag 22-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22048 Rechtbank Den Haag 22-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14609 Rechtbank Den Haag 20-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13232 Rechtbank Den Haag 19-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13055 Rechtbank Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13223 Rechtbank Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12856 Rechtbank Den Haag 14-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13975 Rechtbank Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12267 Rechtbank Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12267 Rechtbank Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22999 Rechtbank Den Haag 29-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11907 Rechtbank Den Haag 22-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12036 Rechtbank Den Haag 18-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11646 Rechtbank Den Haag 16-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10602 Rechtbank Den Haag 05-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23570 Rechtbank Den Haag 04-07-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (5.478 tekens)
202401647/1/V3.
Datum uitspraak: 19 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties moet vragen aan de Kroatische autoriteiten. Niet in geschil is dat de vreemdeling een bipolaire stoornis heeft en dat zij in Turkije is mishandeld en seksueel misbruikt, waarvoor zij onder behandeling staat. De vreemdeling heeft in haar beroepsgronden gewezen op het Asylum Information Database, ‘Country Report: Croatia. Update 2022’ (hierna: AIDA-rapport), waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden in Kroatië tijdelijk heeft gestaakt. Uit het AIDA-rapport volgt niet dat deze organisatie de werkzaamheden heeft hervat. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling met deze informatie aannemelijk gemaakt dat er in haar specifieke situatie bij overdracht aan Kroatië een reëel risico bestaat dat voor haar adequate psychische gezondheidszorg niet beschikbaar is. Op basis van de informatie die ten tijde van de beroepsprocedure beschikbaar was, heeft de rechtbank dit niet ten onrechte geoordeeld.
Niettemin treft het betoog doel. De staatssecretaris heeft in zijn grief namelijk terecht gewezen op de inbreng van AsyLex ten behoeve van het aanstaande rapport van het European Union Agency for Asylum, waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden tot het einde van augustus 2023 heeft gestaakt en daarna weer heeft hervat. De Afdeling overweegt dat uit deze brief moet worden afgeleid dat voor de vreemdeling, die door de rechtbank onbetwist als bijzonder kwetsbaar is aangemerkt, adequate psychische gezondheidszorg op dit moment wel weer beschikbaar is in Kroatië. De staatssecretaris heeft gesteld dat hij de Kroatische autoriteiten bij overdracht zal informeren over de bijzondere behoeften van de vreemdeling en de overdracht zal opschorten als de Kroatische autoriteiten melden dat zij aan die behoeften niet kunnen voldoen. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling zonder aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM.
De grief slaagt.
2. De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over haar ervaringen en de gestelde behandeling op het politiebureau in Kroatië geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778. Verder heeft de vreemdeling haar verklaringen over wat haar eerder in Kroatië zou zijn overkomen niet onderbouwd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, volgt dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024
846-1017
Datum uitspraak: 19 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties moet vragen aan de Kroatische autoriteiten. Niet in geschil is dat de vreemdeling een bipolaire stoornis heeft en dat zij in Turkije is mishandeld en seksueel misbruikt, waarvoor zij onder behandeling staat. De vreemdeling heeft in haar beroepsgronden gewezen op het Asylum Information Database, ‘Country Report: Croatia. Update 2022’ (hierna: AIDA-rapport), waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden in Kroatië tijdelijk heeft gestaakt. Uit het AIDA-rapport volgt niet dat deze organisatie de werkzaamheden heeft hervat. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling met deze informatie aannemelijk gemaakt dat er in haar specifieke situatie bij overdracht aan Kroatië een reëel risico bestaat dat voor haar adequate psychische gezondheidszorg niet beschikbaar is. Op basis van de informatie die ten tijde van de beroepsprocedure beschikbaar was, heeft de rechtbank dit niet ten onrechte geoordeeld.
Niettemin treft het betoog doel. De staatssecretaris heeft in zijn grief namelijk terecht gewezen op de inbreng van AsyLex ten behoeve van het aanstaande rapport van het European Union Agency for Asylum, waaruit volgt dat Médecins du Monde de werkzaamheden tot het einde van augustus 2023 heeft gestaakt en daarna weer heeft hervat. De Afdeling overweegt dat uit deze brief moet worden afgeleid dat voor de vreemdeling, die door de rechtbank onbetwist als bijzonder kwetsbaar is aangemerkt, adequate psychische gezondheidszorg op dit moment wel weer beschikbaar is in Kroatië. De staatssecretaris heeft gesteld dat hij de Kroatische autoriteiten bij overdracht zal informeren over de bijzondere behoeften van de vreemdeling en de overdracht zal opschorten als de Kroatische autoriteiten melden dat zij aan die behoeften niet kunnen voldoen. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling zonder aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM.
De grief slaagt.
2. De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over haar ervaringen en de gestelde behandeling op het politiebureau in Kroatië geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778. Verder heeft de vreemdeling haar verklaringen over wat haar eerder in Kroatië zou zijn overkomen niet onderbouwd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, volgt dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 in zaak nr. NL24.3959;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024
846-1017