Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:1778
2024-04-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202401368/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2024:1778 → ECLI:NL:RBDHA:2024:3881 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2014:3164 Raad van State 14-08-2014
Geciteerd door (50)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27935 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18655 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16626 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17262 Rechtbank Den Haag 16-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16547 Rechtbank Den Haag 05-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13860 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13113 Rechtbank Den Haag 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11344 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10793 Rechtbank Den Haag 20-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9489 Rechtbank Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5928 Rechtbank Den Haag 09-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2835 Rechtbank Den Haag 20-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2314 Rechtbank Den Haag 06-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1581 Rechtbank Den Haag 29-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:787 Rechtbank Den Haag 08-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21229 Rechtbank Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23228 Rechtbank Den Haag 06-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21568 Rechtbank Den Haag 05-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19776 Rechtbank Den Haag 25-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19756 Rechtbank Den Haag 22-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20968 Rechtbank Den Haag 21-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18414 Rechtbank Den Haag 05-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17822 Rechtbank Den Haag 28-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21011 Rechtbank Den Haag 02-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21018 Rechtbank Den Haag 02-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15215 Rechtbank Den Haag 24-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15210 Rechtbank Den Haag 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13928 Rechtbank Den Haag 28-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15101 Rechtbank Den Haag 07-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22999 Rechtbank Den Haag 29-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11379 Rechtbank Den Haag 12-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10838 Rechtbank Den Haag 12-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10795 Rechtbank Den Haag 11-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10765 Rechtbank Den Haag 11-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10166 Rechtbank Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10950 Rechtbank Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10096 Rechtbank Den Haag 28-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10139 Rechtbank Den Haag 27-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16383 Rechtbank Den Haag 25-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9662 Rechtbank Den Haag 19-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2484 Raad van State 19-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10417 Rechtbank Den Haag 17-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9800 Rechtbank Den Haag 12-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9274 Rechtbank Den Haag 12-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9016 Rechtbank Den Haag 07-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8858 Rechtbank Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9092 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9094 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7688 Rechtbank Den Haag 22-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7565 Rechtbank Den Haag 14-05-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (3.191 tekens)
202401368/1/V3.
Datum uitspraak: 30 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Sinnema, advocaat te Heerenveen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling dat hij door Kroatische autoriteiten is mishandeld en slachtoffer is geworden van een pushback aan de grens, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Verder heeft de vreemdeling zijn verklaringen over wat hem eerder in Kroatië zou zijn overkomen ook niet onderbouwd. Niet in geschil is dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024
918
Datum uitspraak: 30 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Sinnema, advocaat te Heerenveen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling dat hij door Kroatische autoriteiten is mishandeld en slachtoffer is geworden van een pushback aan de grens, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Verder heeft de vreemdeling zijn verklaringen over wat hem eerder in Kroatië zou zijn overkomen ook niet onderbouwd. Niet in geschil is dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024
918