Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:182
2024-01-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202206072/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (23)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26220 Rechtbank Den Haag 08-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16877 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17685 Rechtbank Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13498 Rechtbank Den Haag 22-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11497 Rechtbank Den Haag 11-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11497 Rechtbank Den Haag 11-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11073 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9302 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11640 Rechtbank Den Haag 26-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11376 Rechtbank Den Haag 16-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5902 Rechtbank Den Haag 04-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3690 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24870 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26378 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24874 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25712 Rechtbank Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21472 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4487 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:816 Rechtbank Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23780 Rechtbank Den Haag 30-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22524 Rechtbank Den Haag 01-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12268 Rechtbank Den Haag 18-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4108 Rechtbank Den Haag 25-03-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.614 tekens)
202206072/1/V3.
Datum uitspraak: 22 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 september 2022 in zaak nr. NL21.19421 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee hij tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. De staatssecretaris heeft de vreemdeling in dit geval tijdens het nader gehoor met meerdere tegenstrijdigheden geconfronteerd. De vreemdeling heeft daarnaast met zijn zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op de tegenstrijdigheden die hem in het voornemen zijn tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024
872-1020
Datum uitspraak: 22 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 september 2022 in zaak nr. NL21.19421 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee hij tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. De staatssecretaris heeft de vreemdeling in dit geval tijdens het nader gehoor met meerdere tegenstrijdigheden geconfronteerd. De vreemdeling heeft daarnaast met zijn zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op de tegenstrijdigheden die hem in het voornemen zijn tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024
872-1020