Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26220
2026-09-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.18818
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Somalië; artikel 16 Procedurerichtlijn; geloofwaardigheid asielrelaas; niveau van willekeurig geweld in Mogadishu en persoonlijke omstandigheden
Citeert (10)
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:NL:RVS:2026:1181 Raad van State 04-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 Rechtbank Den Haag 25-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16613 Rechtbank Den Haag 08-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:182 Raad van State 19-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:1820 Raad van State 17-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13494 Rechtbank Den Haag 22-05-2026
- ECLI:EU:C:2023:843
- ECLI:NL:RVS:2026:4217 Raad van State 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3303 Raad van State 09-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.890 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18818
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Omdat de minister pas tijdens de zitting het besluit voldoende heeft gemotiveerd, is het beroep gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij afkomstig is uit Somalië, de Somalische nationaliteit bezit en dat hij behoort tot de Eyli bevolkingsgroep. Sinds 2005 ervaart eiser in Somalië problemen vanwege discriminatie. Deze discriminatie is begonnen op school omdat niemand naast eiser wilde zitten. Ook werd eiser door docenten gediscrimineerd, achtergesteld en uitgescholden vanwege zijn stam/clan. Deze problemen heeft eiser ondervonden tot het moment dat hij (in 2016) naar China vertrok om te studeren. Na eisers terugkeer naar Somalië – in 2023 – begonnen zijn problemen met Al-Shabaab. Al-Shabaab was op de hoogte van eisers IT-opleiding en wilde hem rekruteren. Eiser is door Al-Shabaab ontvoerd. Hij heeft meerdere malen geweigerd om zich bij Al-Shabaab aan te sluiten, maar voelde zich uiteindelijk gedwongen om toe te zeggen. Hij kreeg nog wel de gelegenheid van Al-Shabaab om afscheid te nemen van zijn familie. Tijdens dat afscheid zag eiser de kans schoon om te vluchten naar zijn oom in Mogadishu. Toen Al-Shabaab hiervan op de hoogte raakte, hebben zij aan eiser de doodstraf opgelegd. Al-Shabaab heeft eiser in Mogadishu gezocht. Al-Shabaab heeft zich echter vergist en zijn buurman is in plaats van eiser vermoord. De familie van de buurman verwijt eiser dat hun zoon is vermoord en meent dat eiser voor die dood verantwoordelijk is. Eiser is daarom met hulp van zijn oom uit Mogadishu gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser dat hij door Al-Shabaab en door de familie van zijn buurman wordt vermoord. Daarnaast hebben eisers familieleden sinds zijn vertrek ernstige problemen ondervonden. Zo is eisers vader ontvoerd, zijn oom ontvoerd en vermoord en zijn moeder mishandeld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam;
- problemen met Al-Shabaab;
- problemen met de buren.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst en discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam (clan) geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab en problemen met de buren worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn problemen met Al-Shabaab en zijn problemen met de buren. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Uit eisers verklaringen blijkt volgens de minister niet dat hij moet worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De door eiser ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam, is namelijk niet zodanig dat de minister aan eiser een verblijfsvergunning verleent op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser kon zich ondanks de discriminatie staande houden, omdat het voor hem niet onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser uit Somalië komt maakt evenmin dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn persoonlijke situatie, enkel door zijn aanwezigheid in Mogadishu, slachtoffer zal worden van willekeurig geweld.
4.2.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Arrest Ebilum
5. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest Ebilum van het Hof van Justitie, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld, maar zal het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid vol toetsen.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
6. Eiser betoogt dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld over WI 2024/6. De WI legt, volgens eiser, te veel nadruk op documenten en miskent dat verklaringen ook als bewijs kunnen gelden. Ook wordt in de WI ten onrechte nagelaten om een algehele integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Eiser stelt in dat kader dat de minister heeft nagelaten om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten en daarbij gemotiveerd aan te geven op welke wijze geloofwaardig bevonden aspecten in de algehele beoordeling doorwerken. Dat is in strijd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 maart 2026.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel.
6.2.
De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026 gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die uitspraak was sprake van deels geloofwaardige en deels ongeloofwaardige nauw samenhangende (feitelijke) elementen waarbij onduidelijk was hoe de geloofwaardig bevonden elementen doorwerkten in de geloofwaardigheidsbeoordeling als geheel. Die situatie doet zich in deze zaak echter niet voor. In onderhavige zaak zijn de (samenhangende) problemen met Al-Shabaab en problemen met de buren door de minister beide ongeloofwaardig bevonden. Weliswaar heeft de minister de (vroegere) discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsclan geloofwaardig bevonden, maar dit staat los van de andere problemen. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat de minister het asielrelaas onvoldoende integraal heeft beoordeeld.
Is artikel 16 van de Procedurerichtlijn geschonden?
7. Eiser betoogt dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn een duidelijke verplichting volgt voor de minister om een vreemdeling in de gelegenheid te stellen volledig en uitgebreid te verklaren en – nog tijdens het persoonlijk onderhoud – indien nodig uitleg te geven over ontbrekende elementen en/of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De minister heeft dit in de motivering van het bestreden besluit miskend. Eiser is niet met alle tegenwerpingen geconfronteerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, anders dan eiser stelt, niet gehandeld in strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn. In artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), dat strekt tot implementatie van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, staat – voor zover hier van belang – dat de vreemdeling tijdens een nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de elementen aan te voeren die nodig zijn voor de onderbouwing van zijn aanvraag. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat de minister in de besluitvorming enkel tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waar de vreemdeling tijdens het gehoor mee is geconfronteerd. Daarnaast geeft het nader gehoor er blijk van dat de minister eiser tijdens het gehoor meerdere malen, naar aanleiding van de afgelegde verklaringen, om uitleg of een toelichting heeft gevraagd. Ook heeft de minister meermaals doorgevraagd indien verklaringen onduidelijk waren. In de omstandigheid dat eiser tijdens het gehoor niet op alle tegenwerpingen van de minister of inconsistenties, vaagheden of ongerijmdheden heeft kunnen reageren, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de besluitvorming in strijd is met artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Eiser heeft via de correcties en aanvullingen onjuistheden in de gehoren kunnen aankaarten en heeft dat ook gedaan. Ook heeft eiser met het indienen van een zienswijze de mogelijkheid gehad om te reageren op de tegenwerpingen in het voornemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Acht de minister de problemen met Al-Shabaab en met de buren terecht ongeloofwaardig?
8. Niet in geschil is dat eiser zijn asielmotieven niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die deze asielmotieven volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister conform WI 2024/6 beoordeeld of de asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Ontvoering en rekrutering door Al-Shabaab
9. Eiser betoogt dat de minister de ontvoering door Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig acht. Al-Shabaab heeft de macht in zijn ouderlijk dorp en eiser weet ook aan de hand van de uiterlijkheden van de ontvoerders dat ze behoorden tot Al-Shabaab. Eiser heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat hij is ontvoerd door Al-Shabaab. De minister acht het verder ten onrechte vreemd dat eiser, nadat hij had aangegeven zich aan te sluiten bij Al-Shabaab, afscheid mocht nemen van zijn ouders. Er is namelijk niet gebleken dat Al-Shabaab gerekruteerde mannen opsluit, zodat niet onaannemelijk is dat eiser afscheid mocht nemen van zijn ouders.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eisers problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Om te beginnen is het ongerijmd dat volgens de verklaring van eiser Al-Shabaab alles in het werk stelt om hem te rekruteren – door hem te ontvoeren, meerdere dagen op te sluiten, te mishandelen, te dreigen met onthoofding – en nadat eiser overstag gaat Al-Shabaab hem vervolgens naar huis laat gaan om afscheid te nemen van zijn familie. De rechtbank is het met de minister eens dat dit ongerijmd is, zeker gezien het feit dat eiser zich volgens zijn eigen verklaring dagenlang heeft verzet tegen aansluiting bij Al-Shabaab. Als hij dan eindelijk toezegt, valt niet in te zien dat Al-Shabaab hem onder die omstandigheden vrijwel direct vrijwillig en alleen laat vertrekken om afscheid te nemen van zijn familie. Verder is van belang dat eiser volgens zijn verklaring geblinddoekt is ontvoerd door Al-Shabaab, maar nadat hij aangeeft zich bij hen te zullen aansluiten kennelijk zelf kan terugreizen naar zijn ouderlijke woning voor het afscheid van zijn ouders. Niet valt in te zien dat eiser wist waar hij was en hoe hij vanaf die locatie naar huis kon komen. Evenmin wordt gevolgd dat Al-Shabaab hun locatie prijsgaf door eiser zonder blinddoek te laten vertrekken. Weliswaar stelt eiser in de zienswijze en in beroep dat hij (ook) geblinddoekt door Al-Shabaab terug naar huis werd gebracht, maar dit is strijdig met zijn verklaring in het nader gehoor. Eiser is gevraagd waarom Al-Shabaab hem alleen naar zijn ouders liet gaan. Eiser beantwoordt de vraag bevestigend door te verklaren dat de leider van Al-Shabaab hem vertrouwde. Deze verklaring heeft eiser in de correcties en aanvullingen niet gecorrigeerd. Deze (nieuwe) tegenstrijdigheid bevestigt de ongeloofwaardigheid van het asielmotief. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met de buren
10. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij problemen heeft met zijn buren vanwege de vergismoord op de buurjongen. De minister werpt hem ten onrechte tegen dat hij niet consistent heeft verklaard, omdat de hem bekende informatie afkomstig is van derden. Het is eiser onduidelijk wat hij over de vergismoord nog meer zou moeten vertellen anders dan wat hij te horen heeft gekregen via derden. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2021 waaruit zou volgen dat ook verklaringen van derden, waaronder de-auditu verklaringen, bewijswaarde kunnen hebben. Verder stelt eiser dat hij wel degelijk consistent en dus niet ongerijmd heeft verklaard dat de buren hem van de vergismoord verdenken vanwege het feit dat hij eerder vastzat vanwege de verdenking bij Al Shabaab aangesloten te zijn. In dat licht is het geen vreemde gedachte van de buren dat eiser achter de aanslag zou zitten. Dat eiser sinds 2023 niets meer van de buren heeft vernomen, betekent niet dat hij niet door hen gezocht wordt. Hij heeft geen persoonlijk contact met de buren meer gehad, maar wel via anderen gehoord dat hij wordt gezocht.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat niet geloofwaardig is dat eiser het doelwit was van Al-Shabaab en dat zijn buurjongen bij vergissing is vermoord door Al-Shabaab. Dat sprake was van een vergismoord en dat eiser het eigenlijke doel was, zijn vooral aannames en gebaseerd op verhalen van derden. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser dat Al-Shabaab zich heeft vergist en dat ze het op eiser hadden gemunt, maar verderop in het gehoor verklaart eiser dat hij niet weet hoe Al-Shabaab er vervolgens achter is gekomen dat ze de verkeerde persoon (de buurjongen van eiser) hebben vermoord. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2021 slaagt niet omdat in die zaak sprake was van overgelegde getuigenverklaringen, waarvan bovendien duidelijk was waar de getuigen hun waarnemingen op baseerden. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Onduidelijk is namelijk waar de derden uit afleiden dat eiser het doelwit was. De enkele, niet verder onderbouwde, stelling dat zijn tante nadien gezegd zou hebben dat hij nog steeds gezocht wordt door Al-Shabaab heeft de minister dan ook onvoldoende mogen achten. Verder stelt de minister terecht dat het ongerijmd is dat eiser enerzijds stelt de buren persoonlijk niet te kennen, maar zij kennelijk wel bij elkaar in en uit te lopen om dingen te lenen. Daarbij komt dat eiser ook jarenlang naast die buren heeft gewoond. Verder is het onduidelijk waarom de buren eiser zouden verdenken van de moord op de buurjongen. Eiser kende die jongen kennelijk nauwelijks. Ook is niet gebleken van een vete of iets dergelijks, dus onduidelijk is waarom de buren juist eiser zouden verdenken van die moord. Dat de buren hadden gehoord dat eiser kort is vastgehouden vanwege mogelijke betrokkenheid bij Al-Shabaab, biedt, wat daar verder ook van zij, geen afdoende verklaring voor het gegeven dat de buren eiser vervolgens verdenken van de dood op de buurjongen. Dat er tussen die omstandigheden een link zit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat sprake zou zijn van een actuele of gerichte dreiging vanuit deze buren is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat zijn oom zou zijn ontvoerd en vermoord door Al-Shabaab – waar de actuele dreiging uit zou moeten blijken – heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt. Dat Al-Shabaab hier achter zou zitten heeft hij enkel van horen zeggen en dat klemt temeer daar dit heeft plaatsgevonden twee jaar na zijn vertrek uit Somalië waardoor het verband (nog) minder voor de hand ligt. De problemen met de buren en daarmee de gestelde dreiging vanuit die buren is door de minister terecht ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de terugkeer naar Mogadishu ten onrechte niet als apart asielmotief beoordeeld?
11. Eiser betoogt dat de minister de terugkeer naar Mogadishu zonder netwerk ten onrechte niet als asielmotief heeft geïdentificeerd en beoordeeld. De beoordeling reikt verder dan enkel de beoordeling van vluchtelingschap en willekeurig geweld.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit onder het kopje ‘willekeurig geweld’ een beoordeling heeft gegeven die niet alleen gaat over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, maar ook over de situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft daarmee een beoordeling gemaakt van de gestelde risico’s bij terugkeer. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet. Of deze motivering in het bestreden besluit inhoudelijk afdoende is, beoordeelt de rechtbank hierna onder 14 en verder.
Is sprake van vluchtelingschap?
12. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van vluchtelingschap. De minister miskent dat eiser als kind – vanwege de ondervonden discriminatie – al slachtoffer was van vervolging. De minister moet daarom motiveren waarom eiser niet nogmaals slachtoffer zal worden van vervolging. Het is aannemelijk dat eiser bij terugkeer wederom slachtoffer wordt van vervolging vanwege het behoren tot een minderheid. Los hiervan vreest eiser bij terugkeer te worden vervolgd door Al Shabaab vanwege een toegedichte oppositionele politieke overtuiging.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege het behoren tot een minderheidsclan een risico loopt op discriminatie die aangemerkt moet worden als vervolging. Er is pas sprake van vervolging als eiser door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Niet is gebleken dat eiser – ook niet toen hij kind was – door discriminatie dusdanig in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt dat hij zich niet staande kon houden en op maatschappelijk en sociaal vlak niet kon functioneren. Eiser is in Somalië naar school geweest en niet is gebleken dat hij door discriminatie sociaal is uitgesloten. Ook kon eiser naar de apotheek, had hij een dak boven zijn hoofd en werkte hij bij zijn oom in diens winkel waar hij levensmiddelen verkocht. Dat eiser voor het eerst in de gronden van beroep, zonder verdere onderbouwing of toelichting, naar voren brengt dat hij vanwege een oppositionele politieke overtuiging vreest voor Al-Shabaab maakt dit niet anders. Tijdens het nader gehoor heeft eiser hier niet over verklaard. Eiser heeft juist verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
13. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn omdat hij geen huis of netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheid en eerder al discriminatie heeft ervaren. Ook heeft hij lang in het buitenland gewoond waardoor hij gewoonten en gebruiken is ontwend. Er bestaat een reëel risico dat eiser bij terugkeer onder onmenselijke omstandigheden in een ontheemdenkamp terechtkomt. Ook hanteert de minister volgens eiser een te lage gradatie van het willekeurige geweld in Mogadishu. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de Country Guidance Somalië van de EUAA van oktober 2025 (EUAA-rapport). Uit deze bron volgt ook dat individuele omstandigheden risico verhogend kunnen werken in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst daarbij op de hiervoor genoemde individuele omstandigheden.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eerst tijdens de zitting voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade en overweegt daartoe als volgt.
Niveau van willekeurig geweld in Mogadishu
14. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser bij terugkeer naar Somalië zal terugkeren naar Mogadishu. De minister neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In het EUAA-rapport van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld. De EUAA motiveert dat als volgt: “Given the number of security incidents and fatalities, the persistent presence of Al Shabaab in the region and the nature of the attacks (e.g. attacks in public spaces), it can be concluded that indiscriminate violence is taking place in Benadir/Mogadishu at a high level”.
14.1.
De rechtbank stelt vast – zoals de minister tijdens de zitting ook heeft bevestigd – dat de minister het EUAA-rapport niet heeft betrokken bij de besluitvorming. Dat had de minister echter wel moeten doen. Niet alleen heeft eiser in de zienswijze al gewezen op dit rapport, maar dit volgt ook, zoals eiser terecht aanvoert, uit overweging 10 van de preambule van de Procedurerichtlijn. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting hierna uitleggen waarom zij in dit geval aanleiding ziet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, namelijk de afwijzing van eisers asielaanvraag, in stand te laten.
14.2.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het EUAA-rapport van oktober 2025 niet maakt dat voor Mogadishu niet (langer) kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, heeft de minister tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 mei 2026. In deze uitspraak is geoordeeld dat de minister – kort gezegd – ondanks het EUAA-rapport van oktober 2025 mag uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu. De rechtbank neemt dit oordeel – zie met name r.o. 7.3 van voornoemde uitspraak – over. Dat betekent dat de minister tijdens de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat voor Mogadishu mag worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ter ondersteuning van deze conclusie overweegt de rechtbank aanvullend nog het volgende. In mei 2026 heeft EUAA een nieuw rapport uitgebracht over de veiligheidssituatie in Somalië. Uit dit rapport volgt dat:
“Al-Shabaab attacks within Mogadishu have reportedly declined since 2023, evolving from recurring bomb attacks to less frequent high profile attacks aiming at undermining government authority. Similarly, a UN report noted that between July and December 2025, Al-Shabaab attacks focused on military targets and were largely directed at security installations and government officials.”
“All this notwithstanding, the overall security situation in Mogadishu (Benadir) experienced a further decline in the overall number of security events and resulting fatalities - 354 and 225 respectively - in line with late periods. Reportedly, within Mogadishu, Al-Shabaab focused more on military targets than on mass civilian casualties.”
Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat de aandacht van Al-Shabaab voor Mogadishu zelf lijkt te zijn afgenomen en dat Al-Shabaab de focus meer op militaire doelen heeft gelegd. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eerder sprake is van gericht geweld dan willekeurig geweld. EUAA rapporteert verder met betrekking tot de veiligheidssituatie in Mogadishu dat sprake is van een daling van het aantal incidenten en slachtoffers.
Individuele situatie en persoonlijke omstandigheden
15. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in het licht van de lagere gradatie van willekeurig geweld in Mogadishu, een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
15.1.
De minister heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden overwogen dat niet wordt ingezien waarom een verblijf in het buitenland, het behoren tot een minderheidsgroep of het al dan niet hebben van een netwerk in Mogadishu zou leiden tot een extra risico op willekeurig geweld. Verder stelt de minister dat eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste en niet heeft onderbouwd dat hij persoonlijk, enkel door zijn aanwezigheid in Mogadishu, een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan ieder ander. De rechtbank oordeelt dat de minister met deze motivering miskent dat bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de vreemdeling kunnen bijdragen aan het reële risico op ernstige schade. De door eiser genoemde omstandigheden kunnen risico verhogende factoren zijn die maken dat juist hij risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft eiser in de zienswijze een toelichting gegeven waarom deze omstandigheden maken dat juist hij het reële risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat betekent dat de minister had moeten beoordelen of deze omstandigheden, omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade door willekeurig geweld. Dat heeft de minister miskent. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek kent en ook hierom voor vernietiging in aanmerking komt. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank ook hier beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.
15.2.
Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Mogadishu over een netwerk beschikt, omdat zijn oom daar nog woont. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt. Zoals de rechtbank onder 10.1 heeft geoordeeld heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn oom zou zijn ontvoerd en vermoord. Dat betekent dat eiser over een netwerk beschikt in Mogadishu en bij terugkeer in ieder geval bij zijn oom kan verblijven, zoals hij voorheen ook jarenlang heeft gedaan. Dat betekent ook dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser, zoals hij stelt, bij terugkeer in een ontheemdenkamp terecht zal komen. Ten aanzien van de overige omstandigheden – ook in onderlinge samenhang bezien – heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt op ernstige schade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ook tijdens zijn eerdere jarenlange verblijf in Mogadishu al behoorde tot een minderheidsclan en uitingen van discriminatie heeft ervaren, maar zich wel staande wist te houden. Ook het enkele feit dat eiser na een lang verblijf in het buitenland terugkeert naar Somalië, is onvoldoende om een verhoogd risico aan te nemen. Uit het algemeen ambtsbericht Somalië uit 2025 volgt namelijk dat de mate waarin terugkeerders risico lopen in Somalië sterk samenhangt met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser bij terugkeer in Mogadishu een sociaal netwerk. Verder is van belang dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab en de buren door de minister terecht ongeloofwaardig zijn bevonden.
15.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister alsnog voldoende gemotiveerd dat in Mogadishu sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden geen verhoogd risico loopt op willekeurig geweld bij terugkeer naar Somalië (Mogadishu).
Conclusie
16. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om gelet op wat is overwogen onder 14.2 en 15.2 te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
16.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
ECLI:NL:RVS:2026:1181.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182.
Nader gehoor, p. 10.
ECLI:NL:RVS:2021:1820.
Nader gehoor, p. 10.
Nader gehoor, p. 14.
Nader gehoor, p. 5.
Paragraaf C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
EUAA Guidelines oktober 2025, p. 88.
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
ECLI:NL:RBDHA:2026:13494.
EUAA, Somalia: Security Situation, mei 2026.
Idem, p. 57.
Idem, p. 18.
HvJ EU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, onder 64 en 67. Zie ook paragraaf C3/3.3.3.3. van de Vc 2000.
Vgl. ABRvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4217 en ABRvS 9 juni 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:3303.
Algemeen ambtsbericht Somalië, maart 2025, p. 117.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18818
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Omdat de minister pas tijdens de zitting het besluit voldoende heeft gemotiveerd, is het beroep gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij afkomstig is uit Somalië, de Somalische nationaliteit bezit en dat hij behoort tot de Eyli bevolkingsgroep. Sinds 2005 ervaart eiser in Somalië problemen vanwege discriminatie. Deze discriminatie is begonnen op school omdat niemand naast eiser wilde zitten. Ook werd eiser door docenten gediscrimineerd, achtergesteld en uitgescholden vanwege zijn stam/clan. Deze problemen heeft eiser ondervonden tot het moment dat hij (in 2016) naar China vertrok om te studeren. Na eisers terugkeer naar Somalië – in 2023 – begonnen zijn problemen met Al-Shabaab. Al-Shabaab was op de hoogte van eisers IT-opleiding en wilde hem rekruteren. Eiser is door Al-Shabaab ontvoerd. Hij heeft meerdere malen geweigerd om zich bij Al-Shabaab aan te sluiten, maar voelde zich uiteindelijk gedwongen om toe te zeggen. Hij kreeg nog wel de gelegenheid van Al-Shabaab om afscheid te nemen van zijn familie. Tijdens dat afscheid zag eiser de kans schoon om te vluchten naar zijn oom in Mogadishu. Toen Al-Shabaab hiervan op de hoogte raakte, hebben zij aan eiser de doodstraf opgelegd. Al-Shabaab heeft eiser in Mogadishu gezocht. Al-Shabaab heeft zich echter vergist en zijn buurman is in plaats van eiser vermoord. De familie van de buurman verwijt eiser dat hun zoon is vermoord en meent dat eiser voor die dood verantwoordelijk is. Eiser is daarom met hulp van zijn oom uit Mogadishu gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser dat hij door Al-Shabaab en door de familie van zijn buurman wordt vermoord. Daarnaast hebben eisers familieleden sinds zijn vertrek ernstige problemen ondervonden. Zo is eisers vader ontvoerd, zijn oom ontvoerd en vermoord en zijn moeder mishandeld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam;
- problemen met Al-Shabaab;
- problemen met de buren.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst en discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam (clan) geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab en problemen met de buren worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn problemen met Al-Shabaab en zijn problemen met de buren. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Uit eisers verklaringen blijkt volgens de minister niet dat hij moet worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De door eiser ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam, is namelijk niet zodanig dat de minister aan eiser een verblijfsvergunning verleent op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser kon zich ondanks de discriminatie staande houden, omdat het voor hem niet onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser uit Somalië komt maakt evenmin dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn persoonlijke situatie, enkel door zijn aanwezigheid in Mogadishu, slachtoffer zal worden van willekeurig geweld.
4.2.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Arrest Ebilum
5. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest Ebilum van het Hof van Justitie, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld, maar zal het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid vol toetsen.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
6. Eiser betoogt dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld over WI 2024/6. De WI legt, volgens eiser, te veel nadruk op documenten en miskent dat verklaringen ook als bewijs kunnen gelden. Ook wordt in de WI ten onrechte nagelaten om een algehele integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Eiser stelt in dat kader dat de minister heeft nagelaten om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten en daarbij gemotiveerd aan te geven op welke wijze geloofwaardig bevonden aspecten in de algehele beoordeling doorwerken. Dat is in strijd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 maart 2026.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel.
6.2.
De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026 gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die uitspraak was sprake van deels geloofwaardige en deels ongeloofwaardige nauw samenhangende (feitelijke) elementen waarbij onduidelijk was hoe de geloofwaardig bevonden elementen doorwerkten in de geloofwaardigheidsbeoordeling als geheel. Die situatie doet zich in deze zaak echter niet voor. In onderhavige zaak zijn de (samenhangende) problemen met Al-Shabaab en problemen met de buren door de minister beide ongeloofwaardig bevonden. Weliswaar heeft de minister de (vroegere) discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsclan geloofwaardig bevonden, maar dit staat los van de andere problemen. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat de minister het asielrelaas onvoldoende integraal heeft beoordeeld.
Is artikel 16 van de Procedurerichtlijn geschonden?
7. Eiser betoogt dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn een duidelijke verplichting volgt voor de minister om een vreemdeling in de gelegenheid te stellen volledig en uitgebreid te verklaren en – nog tijdens het persoonlijk onderhoud – indien nodig uitleg te geven over ontbrekende elementen en/of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De minister heeft dit in de motivering van het bestreden besluit miskend. Eiser is niet met alle tegenwerpingen geconfronteerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, anders dan eiser stelt, niet gehandeld in strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn. In artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), dat strekt tot implementatie van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, staat – voor zover hier van belang – dat de vreemdeling tijdens een nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de elementen aan te voeren die nodig zijn voor de onderbouwing van zijn aanvraag. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat de minister in de besluitvorming enkel tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waar de vreemdeling tijdens het gehoor mee is geconfronteerd. Daarnaast geeft het nader gehoor er blijk van dat de minister eiser tijdens het gehoor meerdere malen, naar aanleiding van de afgelegde verklaringen, om uitleg of een toelichting heeft gevraagd. Ook heeft de minister meermaals doorgevraagd indien verklaringen onduidelijk waren. In de omstandigheid dat eiser tijdens het gehoor niet op alle tegenwerpingen van de minister of inconsistenties, vaagheden of ongerijmdheden heeft kunnen reageren, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de besluitvorming in strijd is met artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Eiser heeft via de correcties en aanvullingen onjuistheden in de gehoren kunnen aankaarten en heeft dat ook gedaan. Ook heeft eiser met het indienen van een zienswijze de mogelijkheid gehad om te reageren op de tegenwerpingen in het voornemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Acht de minister de problemen met Al-Shabaab en met de buren terecht ongeloofwaardig?
8. Niet in geschil is dat eiser zijn asielmotieven niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die deze asielmotieven volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister conform WI 2024/6 beoordeeld of de asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Ontvoering en rekrutering door Al-Shabaab
9. Eiser betoogt dat de minister de ontvoering door Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig acht. Al-Shabaab heeft de macht in zijn ouderlijk dorp en eiser weet ook aan de hand van de uiterlijkheden van de ontvoerders dat ze behoorden tot Al-Shabaab. Eiser heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat hij is ontvoerd door Al-Shabaab. De minister acht het verder ten onrechte vreemd dat eiser, nadat hij had aangegeven zich aan te sluiten bij Al-Shabaab, afscheid mocht nemen van zijn ouders. Er is namelijk niet gebleken dat Al-Shabaab gerekruteerde mannen opsluit, zodat niet onaannemelijk is dat eiser afscheid mocht nemen van zijn ouders.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eisers problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Om te beginnen is het ongerijmd dat volgens de verklaring van eiser Al-Shabaab alles in het werk stelt om hem te rekruteren – door hem te ontvoeren, meerdere dagen op te sluiten, te mishandelen, te dreigen met onthoofding – en nadat eiser overstag gaat Al-Shabaab hem vervolgens naar huis laat gaan om afscheid te nemen van zijn familie. De rechtbank is het met de minister eens dat dit ongerijmd is, zeker gezien het feit dat eiser zich volgens zijn eigen verklaring dagenlang heeft verzet tegen aansluiting bij Al-Shabaab. Als hij dan eindelijk toezegt, valt niet in te zien dat Al-Shabaab hem onder die omstandigheden vrijwel direct vrijwillig en alleen laat vertrekken om afscheid te nemen van zijn familie. Verder is van belang dat eiser volgens zijn verklaring geblinddoekt is ontvoerd door Al-Shabaab, maar nadat hij aangeeft zich bij hen te zullen aansluiten kennelijk zelf kan terugreizen naar zijn ouderlijke woning voor het afscheid van zijn ouders. Niet valt in te zien dat eiser wist waar hij was en hoe hij vanaf die locatie naar huis kon komen. Evenmin wordt gevolgd dat Al-Shabaab hun locatie prijsgaf door eiser zonder blinddoek te laten vertrekken. Weliswaar stelt eiser in de zienswijze en in beroep dat hij (ook) geblinddoekt door Al-Shabaab terug naar huis werd gebracht, maar dit is strijdig met zijn verklaring in het nader gehoor. Eiser is gevraagd waarom Al-Shabaab hem alleen naar zijn ouders liet gaan. Eiser beantwoordt de vraag bevestigend door te verklaren dat de leider van Al-Shabaab hem vertrouwde. Deze verklaring heeft eiser in de correcties en aanvullingen niet gecorrigeerd. Deze (nieuwe) tegenstrijdigheid bevestigt de ongeloofwaardigheid van het asielmotief. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met de buren
10. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij problemen heeft met zijn buren vanwege de vergismoord op de buurjongen. De minister werpt hem ten onrechte tegen dat hij niet consistent heeft verklaard, omdat de hem bekende informatie afkomstig is van derden. Het is eiser onduidelijk wat hij over de vergismoord nog meer zou moeten vertellen anders dan wat hij te horen heeft gekregen via derden. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2021 waaruit zou volgen dat ook verklaringen van derden, waaronder de-auditu verklaringen, bewijswaarde kunnen hebben. Verder stelt eiser dat hij wel degelijk consistent en dus niet ongerijmd heeft verklaard dat de buren hem van de vergismoord verdenken vanwege het feit dat hij eerder vastzat vanwege de verdenking bij Al Shabaab aangesloten te zijn. In dat licht is het geen vreemde gedachte van de buren dat eiser achter de aanslag zou zitten. Dat eiser sinds 2023 niets meer van de buren heeft vernomen, betekent niet dat hij niet door hen gezocht wordt. Hij heeft geen persoonlijk contact met de buren meer gehad, maar wel via anderen gehoord dat hij wordt gezocht.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat niet geloofwaardig is dat eiser het doelwit was van Al-Shabaab en dat zijn buurjongen bij vergissing is vermoord door Al-Shabaab. Dat sprake was van een vergismoord en dat eiser het eigenlijke doel was, zijn vooral aannames en gebaseerd op verhalen van derden. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser dat Al-Shabaab zich heeft vergist en dat ze het op eiser hadden gemunt, maar verderop in het gehoor verklaart eiser dat hij niet weet hoe Al-Shabaab er vervolgens achter is gekomen dat ze de verkeerde persoon (de buurjongen van eiser) hebben vermoord. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2021 slaagt niet omdat in die zaak sprake was van overgelegde getuigenverklaringen, waarvan bovendien duidelijk was waar de getuigen hun waarnemingen op baseerden. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Onduidelijk is namelijk waar de derden uit afleiden dat eiser het doelwit was. De enkele, niet verder onderbouwde, stelling dat zijn tante nadien gezegd zou hebben dat hij nog steeds gezocht wordt door Al-Shabaab heeft de minister dan ook onvoldoende mogen achten. Verder stelt de minister terecht dat het ongerijmd is dat eiser enerzijds stelt de buren persoonlijk niet te kennen, maar zij kennelijk wel bij elkaar in en uit te lopen om dingen te lenen. Daarbij komt dat eiser ook jarenlang naast die buren heeft gewoond. Verder is het onduidelijk waarom de buren eiser zouden verdenken van de moord op de buurjongen. Eiser kende die jongen kennelijk nauwelijks. Ook is niet gebleken van een vete of iets dergelijks, dus onduidelijk is waarom de buren juist eiser zouden verdenken van die moord. Dat de buren hadden gehoord dat eiser kort is vastgehouden vanwege mogelijke betrokkenheid bij Al-Shabaab, biedt, wat daar verder ook van zij, geen afdoende verklaring voor het gegeven dat de buren eiser vervolgens verdenken van de dood op de buurjongen. Dat er tussen die omstandigheden een link zit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat sprake zou zijn van een actuele of gerichte dreiging vanuit deze buren is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat zijn oom zou zijn ontvoerd en vermoord door Al-Shabaab – waar de actuele dreiging uit zou moeten blijken – heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt. Dat Al-Shabaab hier achter zou zitten heeft hij enkel van horen zeggen en dat klemt temeer daar dit heeft plaatsgevonden twee jaar na zijn vertrek uit Somalië waardoor het verband (nog) minder voor de hand ligt. De problemen met de buren en daarmee de gestelde dreiging vanuit die buren is door de minister terecht ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de terugkeer naar Mogadishu ten onrechte niet als apart asielmotief beoordeeld?
11. Eiser betoogt dat de minister de terugkeer naar Mogadishu zonder netwerk ten onrechte niet als asielmotief heeft geïdentificeerd en beoordeeld. De beoordeling reikt verder dan enkel de beoordeling van vluchtelingschap en willekeurig geweld.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit onder het kopje ‘willekeurig geweld’ een beoordeling heeft gegeven die niet alleen gaat over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, maar ook over de situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft daarmee een beoordeling gemaakt van de gestelde risico’s bij terugkeer. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet. Of deze motivering in het bestreden besluit inhoudelijk afdoende is, beoordeelt de rechtbank hierna onder 14 en verder.
Is sprake van vluchtelingschap?
12. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van vluchtelingschap. De minister miskent dat eiser als kind – vanwege de ondervonden discriminatie – al slachtoffer was van vervolging. De minister moet daarom motiveren waarom eiser niet nogmaals slachtoffer zal worden van vervolging. Het is aannemelijk dat eiser bij terugkeer wederom slachtoffer wordt van vervolging vanwege het behoren tot een minderheid. Los hiervan vreest eiser bij terugkeer te worden vervolgd door Al Shabaab vanwege een toegedichte oppositionele politieke overtuiging.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege het behoren tot een minderheidsclan een risico loopt op discriminatie die aangemerkt moet worden als vervolging. Er is pas sprake van vervolging als eiser door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Niet is gebleken dat eiser – ook niet toen hij kind was – door discriminatie dusdanig in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt dat hij zich niet staande kon houden en op maatschappelijk en sociaal vlak niet kon functioneren. Eiser is in Somalië naar school geweest en niet is gebleken dat hij door discriminatie sociaal is uitgesloten. Ook kon eiser naar de apotheek, had hij een dak boven zijn hoofd en werkte hij bij zijn oom in diens winkel waar hij levensmiddelen verkocht. Dat eiser voor het eerst in de gronden van beroep, zonder verdere onderbouwing of toelichting, naar voren brengt dat hij vanwege een oppositionele politieke overtuiging vreest voor Al-Shabaab maakt dit niet anders. Tijdens het nader gehoor heeft eiser hier niet over verklaard. Eiser heeft juist verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
13. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn omdat hij geen huis of netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheid en eerder al discriminatie heeft ervaren. Ook heeft hij lang in het buitenland gewoond waardoor hij gewoonten en gebruiken is ontwend. Er bestaat een reëel risico dat eiser bij terugkeer onder onmenselijke omstandigheden in een ontheemdenkamp terechtkomt. Ook hanteert de minister volgens eiser een te lage gradatie van het willekeurige geweld in Mogadishu. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de Country Guidance Somalië van de EUAA van oktober 2025 (EUAA-rapport). Uit deze bron volgt ook dat individuele omstandigheden risico verhogend kunnen werken in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst daarbij op de hiervoor genoemde individuele omstandigheden.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eerst tijdens de zitting voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade en overweegt daartoe als volgt.
Niveau van willekeurig geweld in Mogadishu
14. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser bij terugkeer naar Somalië zal terugkeren naar Mogadishu. De minister neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In het EUAA-rapport van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld. De EUAA motiveert dat als volgt: “Given the number of security incidents and fatalities, the persistent presence of Al Shabaab in the region and the nature of the attacks (e.g. attacks in public spaces), it can be concluded that indiscriminate violence is taking place in Benadir/Mogadishu at a high level”.
14.1.
De rechtbank stelt vast – zoals de minister tijdens de zitting ook heeft bevestigd – dat de minister het EUAA-rapport niet heeft betrokken bij de besluitvorming. Dat had de minister echter wel moeten doen. Niet alleen heeft eiser in de zienswijze al gewezen op dit rapport, maar dit volgt ook, zoals eiser terecht aanvoert, uit overweging 10 van de preambule van de Procedurerichtlijn. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting hierna uitleggen waarom zij in dit geval aanleiding ziet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, namelijk de afwijzing van eisers asielaanvraag, in stand te laten.
14.2.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het EUAA-rapport van oktober 2025 niet maakt dat voor Mogadishu niet (langer) kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, heeft de minister tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 mei 2026. In deze uitspraak is geoordeeld dat de minister – kort gezegd – ondanks het EUAA-rapport van oktober 2025 mag uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu. De rechtbank neemt dit oordeel – zie met name r.o. 7.3 van voornoemde uitspraak – over. Dat betekent dat de minister tijdens de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat voor Mogadishu mag worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ter ondersteuning van deze conclusie overweegt de rechtbank aanvullend nog het volgende. In mei 2026 heeft EUAA een nieuw rapport uitgebracht over de veiligheidssituatie in Somalië. Uit dit rapport volgt dat:
“Al-Shabaab attacks within Mogadishu have reportedly declined since 2023, evolving from recurring bomb attacks to less frequent high profile attacks aiming at undermining government authority. Similarly, a UN report noted that between July and December 2025, Al-Shabaab attacks focused on military targets and were largely directed at security installations and government officials.”
“All this notwithstanding, the overall security situation in Mogadishu (Benadir) experienced a further decline in the overall number of security events and resulting fatalities - 354 and 225 respectively - in line with late periods. Reportedly, within Mogadishu, Al-Shabaab focused more on military targets than on mass civilian casualties.”
Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat de aandacht van Al-Shabaab voor Mogadishu zelf lijkt te zijn afgenomen en dat Al-Shabaab de focus meer op militaire doelen heeft gelegd. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eerder sprake is van gericht geweld dan willekeurig geweld. EUAA rapporteert verder met betrekking tot de veiligheidssituatie in Mogadishu dat sprake is van een daling van het aantal incidenten en slachtoffers.
Individuele situatie en persoonlijke omstandigheden
15. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in het licht van de lagere gradatie van willekeurig geweld in Mogadishu, een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
15.1.
De minister heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden overwogen dat niet wordt ingezien waarom een verblijf in het buitenland, het behoren tot een minderheidsgroep of het al dan niet hebben van een netwerk in Mogadishu zou leiden tot een extra risico op willekeurig geweld. Verder stelt de minister dat eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste en niet heeft onderbouwd dat hij persoonlijk, enkel door zijn aanwezigheid in Mogadishu, een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan ieder ander. De rechtbank oordeelt dat de minister met deze motivering miskent dat bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de vreemdeling kunnen bijdragen aan het reële risico op ernstige schade. De door eiser genoemde omstandigheden kunnen risico verhogende factoren zijn die maken dat juist hij risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft eiser in de zienswijze een toelichting gegeven waarom deze omstandigheden maken dat juist hij het reële risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat betekent dat de minister had moeten beoordelen of deze omstandigheden, omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade door willekeurig geweld. Dat heeft de minister miskent. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek kent en ook hierom voor vernietiging in aanmerking komt. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank ook hier beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.
15.2.
Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Mogadishu over een netwerk beschikt, omdat zijn oom daar nog woont. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt. Zoals de rechtbank onder 10.1 heeft geoordeeld heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn oom zou zijn ontvoerd en vermoord. Dat betekent dat eiser over een netwerk beschikt in Mogadishu en bij terugkeer in ieder geval bij zijn oom kan verblijven, zoals hij voorheen ook jarenlang heeft gedaan. Dat betekent ook dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser, zoals hij stelt, bij terugkeer in een ontheemdenkamp terecht zal komen. Ten aanzien van de overige omstandigheden – ook in onderlinge samenhang bezien – heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt op ernstige schade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ook tijdens zijn eerdere jarenlange verblijf in Mogadishu al behoorde tot een minderheidsclan en uitingen van discriminatie heeft ervaren, maar zich wel staande wist te houden. Ook het enkele feit dat eiser na een lang verblijf in het buitenland terugkeert naar Somalië, is onvoldoende om een verhoogd risico aan te nemen. Uit het algemeen ambtsbericht Somalië uit 2025 volgt namelijk dat de mate waarin terugkeerders risico lopen in Somalië sterk samenhangt met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser bij terugkeer in Mogadishu een sociaal netwerk. Verder is van belang dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab en de buren door de minister terecht ongeloofwaardig zijn bevonden.
15.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister alsnog voldoende gemotiveerd dat in Mogadishu sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden geen verhoogd risico loopt op willekeurig geweld bij terugkeer naar Somalië (Mogadishu).
Conclusie
16. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om gelet op wat is overwogen onder 14.2 en 15.2 te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
16.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
ECLI:NL:RVS:2026:1181.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182.
Nader gehoor, p. 10.
ECLI:NL:RVS:2021:1820.
Nader gehoor, p. 10.
Nader gehoor, p. 14.
Nader gehoor, p. 5.
Paragraaf C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
EUAA Guidelines oktober 2025, p. 88.
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
ECLI:NL:RBDHA:2026:13494.
EUAA, Somalia: Security Situation, mei 2026.
Idem, p. 57.
Idem, p. 18.
HvJ EU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, onder 64 en 67. Zie ook paragraaf C3/3.3.3.3. van de Vc 2000.
Vgl. ABRvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4217 en ABRvS 9 juni 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:3303.
Algemeen ambtsbericht Somalië, maart 2025, p. 117.