Raad van State
ECLI:NL:RVS:2023:3003
2023-08-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202303193/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2023:3003 → ECLI:NL:RBDHA:2023:6969 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2012:BX0750 Raad van State 03-07-2012
Geciteerd door (54)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26434 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20565 Rechtbank Den Haag 22-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16560 Rechtbank Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14991 Rechtbank Den Haag 01-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15546 Rechtbank Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11873 Rechtbank Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9810 Rechtbank Den Haag 23-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8223 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5713 Rechtbank Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5300 Rechtbank Den Haag 13-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1515 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:639 Rechtbank Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:456 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22541 Rechtbank Den Haag 28-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18687 Rechtbank Den Haag 10-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16491 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14470 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9755 Rechtbank Den Haag 03-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6800 Rechtbank Den Haag 23-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8529 Rechtbank Den Haag 26-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3425 Rechtbank Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2951 Rechtbank Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2912 Rechtbank Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1742 Rechtbank Den Haag 10-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1106 Rechtbank Den Haag 30-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22144 Rechtbank Den Haag 27-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20810 Rechtbank Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18691 Rechtbank Den Haag 13-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18685 Rechtbank Den Haag 13-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16873 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16870 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16513 Rechtbank Den Haag 10-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14880 Rechtbank Den Haag 19-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14865 Rechtbank Den Haag 19-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14378 Rechtbank Den Haag 09-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14013 Rechtbank Den Haag 03-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13669 Rechtbank Den Haag 27-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11559 Rechtbank Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10215 Rechtbank Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8734 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8071 Rechtbank Den Haag 28-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7938 Rechtbank Den Haag 24-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3929 Rechtbank Den Haag 21-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3923 Rechtbank Den Haag 21-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3945 Rechtbank Den Haag 18-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1612 Rechtbank Den Haag 13-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1419 Rechtbank Den Haag 08-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1301 Rechtbank Den Haag 30-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1082 Rechtbank Den Haag 26-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4758 Rechtbank Den Haag 23-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19569 Rechtbank Den Haag 11-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18049 Rechtbank Den Haag 23-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16490 Rechtbank Den Haag 30-10-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (4.180 tekens)
202303193/1/V3.
Datum uitspraak: 4 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2023 in zaak nr. NL23.12975 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.P.E. van Tulden, advocaat te Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank over de taal waarin het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft plaatsgevonden en de afwezigheid van een tolk bij dat gehoor. De vreemdeling heeft daar in beroep niet over geklaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 6.1, volgt dat de ambtshalve toets van de rechter zich niet uitstrekt tot handelingen van de staatssecretaris voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0750, onder 2.3.5, volgt dat gebreken in dat soort handelingen niet direct leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring maar tot een belangenafweging. De eis dat het gehoor moet plaatsvinden in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal of met een tolk valt onder dat soort handelingen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte ambtshalve geoordeeld over de taal van het gehoor en de afwezigheid van een tolk. Alleen al daarom slaagt de grief.
2. Het hoger beroep is gegrond. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven, beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
3. De beroepsgrond waarin de vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris twee zware gronden ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, slaagt niet. De staatssecretaris heeft namelijk nog twee andere zware gronden en vier lichte gronden aan de maatregel ten grondslag gelegd die de vreemdeling niet heeft bestreden.
4. De beroepsgrond waarin de vreemdeling heeft betoogd dat zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt, slaagt niet. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris erop gewezen dat hij op 18 april 2023 een laissez-passeraanvraag heeft ingediend bij de Gambiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken en ook niet dat zij op andere wijze geen medewerking verlenen aan gedwongen vertrek.
5. De Afdeling ziet ambtshalve toetsend geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2023 in zaak nr. NL23.12975;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2023
873
Datum uitspraak: 4 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2023 in zaak nr. NL23.12975 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.P.E. van Tulden, advocaat te Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank over de taal waarin het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft plaatsgevonden en de afwezigheid van een tolk bij dat gehoor. De vreemdeling heeft daar in beroep niet over geklaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 6.1, volgt dat de ambtshalve toets van de rechter zich niet uitstrekt tot handelingen van de staatssecretaris voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0750, onder 2.3.5, volgt dat gebreken in dat soort handelingen niet direct leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring maar tot een belangenafweging. De eis dat het gehoor moet plaatsvinden in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal of met een tolk valt onder dat soort handelingen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte ambtshalve geoordeeld over de taal van het gehoor en de afwezigheid van een tolk. Alleen al daarom slaagt de grief.
2. Het hoger beroep is gegrond. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven, beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
3. De beroepsgrond waarin de vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris twee zware gronden ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, slaagt niet. De staatssecretaris heeft namelijk nog twee andere zware gronden en vier lichte gronden aan de maatregel ten grondslag gelegd die de vreemdeling niet heeft bestreden.
4. De beroepsgrond waarin de vreemdeling heeft betoogd dat zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt, slaagt niet. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris erop gewezen dat hij op 18 april 2023 een laissez-passeraanvraag heeft ingediend bij de Gambiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken en ook niet dat zij op andere wijze geen medewerking verlenen aan gedwongen vertrek.
5. De Afdeling ziet ambtshalve toetsend geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2023 in zaak nr. NL23.12975;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2023
873