Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:994
2022-04-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202004882/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2022:994 → ECLI:NL:RBROT:2020:7026 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:665 Raad van State 07-03-2022
- ECLI:EU:C:2015:377
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20173 Rechtbank Den Haag 03-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3391 Rechtbank Den Haag 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3718 Raad van State 05-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3333 Raad van State 31-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14341 Rechtbank Den Haag 30-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5163 Rechtbank Den Haag 08-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2402 Rechtbank Den Haag 24-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2406 Rechtbank Den Haag 24-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:314 Raad van State 25-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:105 Rechtbank Den Haag 06-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14655 Rechtbank Den Haag 23-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14204 Rechtbank Den Haag 22-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13707 Rechtbank Den Haag 12-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9997 Rechtbank Den Haag 06-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9998 Rechtbank Den Haag 06-09-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (4.353 tekens)
202004882/1/V2.
Datum uitspraak: 6 april 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 augustus 2020 in zaak nr. 19/8179 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2019 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 26 september 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling is ongewenst verklaard op grond van nationaal recht ter bescherming van de openbare orde voordat de Terugkeerrichtlijn daarin was geïmplementeerd. Niet in geschil is dat die ongewenstverklaring nu moet worden aangemerkt als een inreisverbod voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:665, betekent dit in het kader van een opheffingsverzoek dat de staatssecretaris aan de hand van het zogenoemde Unierechtelijke openbare-ordecriterium uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377, Z.Zh. en I.O., moet beoordelen of en hoe lang hij de ongewenstverklaring als inreisverbod mag handhaven. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris die beoordeling hoe dan ook moet maken, ook als hij de ongewenstverklaring vijf jaar of korter wil handhaven, en dat de staatssecretaris het verzoek om opheffing moet inwilligen als hij zich op het standpunt stelt dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het arrest Z.Zh. en I.O. In deze zaak heeft de staatssecretaris zich expliciet op dit standpunt gesteld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, had de staatssecretaris het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring dus moeten inwilligen. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 26 september 2019 wordt vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2019 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en de ongewenstverklaring op te heffen met ingang van 8 maart 2019, de datum van het verzoek om opheffing. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 augustus 2020 in zaak nr. 19/8179;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 26 september 2019, V-[…];
V. verklaart het bezwaar gegrond;
VI. herroept het besluit van 16 april 2019, V-[…];
VII. bepaalt dat de tegen de vreemdeling uitgevaardigde ongewenstverklaring wordt opgeheven met ingang van 8 maart 2019 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 september 2019;
VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.036,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Renting
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2022
894.
Datum uitspraak: 6 april 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 augustus 2020 in zaak nr. 19/8179 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2019 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 26 september 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling is ongewenst verklaard op grond van nationaal recht ter bescherming van de openbare orde voordat de Terugkeerrichtlijn daarin was geïmplementeerd. Niet in geschil is dat die ongewenstverklaring nu moet worden aangemerkt als een inreisverbod voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:665, betekent dit in het kader van een opheffingsverzoek dat de staatssecretaris aan de hand van het zogenoemde Unierechtelijke openbare-ordecriterium uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377, Z.Zh. en I.O., moet beoordelen of en hoe lang hij de ongewenstverklaring als inreisverbod mag handhaven. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris die beoordeling hoe dan ook moet maken, ook als hij de ongewenstverklaring vijf jaar of korter wil handhaven, en dat de staatssecretaris het verzoek om opheffing moet inwilligen als hij zich op het standpunt stelt dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het arrest Z.Zh. en I.O. In deze zaak heeft de staatssecretaris zich expliciet op dit standpunt gesteld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, had de staatssecretaris het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring dus moeten inwilligen. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 26 september 2019 wordt vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2019 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en de ongewenstverklaring op te heffen met ingang van 8 maart 2019, de datum van het verzoek om opheffing. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 augustus 2020 in zaak nr. 19/8179;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 26 september 2019, V-[…];
V. verklaart het bezwaar gegrond;
VI. herroept het besluit van 16 april 2019, V-[…];
VII. bepaalt dat de tegen de vreemdeling uitgevaardigde ongewenstverklaring wordt opgeheven met ingang van 8 maart 2019 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 september 2019;
VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.036,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Renting
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2022
894.