Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:2296
2022-08-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202201307/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2022:2296 → ECLI:NL:RBDHA:2022:1580 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:991 Raad van State 07-04-2020
Geciteerd door (23)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24214 Rechtbank Den Haag 26-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24087 Rechtbank Den Haag 25-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19574 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17561 Rechtbank Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2099 Rechtbank Den Haag 28-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18957 Rechtbank Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14493 Rechtbank Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9429 Rechtbank Den Haag 20-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8728 Rechtbank Den Haag 01-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4329 Rechtbank Den Haag 19-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:86 Raad van State 15-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:86 Raad van State 15-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21387 Rechtbank Den Haag 17-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10601 Rechtbank Den Haag 05-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10601 Rechtbank Den Haag 05-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8419 Rechtbank Den Haag 28-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8425 Rechtbank Den Haag 28-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8042 Rechtbank Den Haag 27-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6835 Rechtbank Den Haag 30-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2702 Rechtbank Den Haag 27-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21392 Rechtbank Den Haag 06-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19771 Rechtbank Den Haag 29-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3427 Raad van State 11-09-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.621 tekens)
202201307/1/V3.
Datum uitspraak: 10 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2022 in zaak nr. NL22.1843 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatsecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en hem schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft op 10 februari 2022 aan de staatssecretaris en de vreemdeling bericht dat het beroep van de vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling op 16 februari 2022 om 09:30 uur op zitting met gebruik van telehoren zou worden behandeld. De vreemdeling is daar niet verschenen, omdat hij op dat moment in het busje zat om om 11:00 uur aan de Belgische grens te worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting, zodat de vreemdeling kon worden gehoord.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het recht van de vreemdeling om op zitting te worden gehoord is geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991), is het recht op zitting te worden gehoord, geregeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, een uitwerking van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van het EU Handvest en is dat recht, hoewel niet absoluut, een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Van de staatssecretaris had daarom in dit geval, gelet op het fundamentele karakter van dat recht, mogen worden verwacht in ieder geval te onderzoeken of de overdracht met een uur of enkele uren uitgesteld kon worden zodat de vreemdeling gebruik kon maken van zijn recht om ter zitting door de rechtbank te worden gehoord. Omdat de staatssecretaris dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank al daarom terecht geoordeeld dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting.
2.1. De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022
345-985
Datum uitspraak: 10 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2022 in zaak nr. NL22.1843 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatsecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en hem schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft op 10 februari 2022 aan de staatssecretaris en de vreemdeling bericht dat het beroep van de vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling op 16 februari 2022 om 09:30 uur op zitting met gebruik van telehoren zou worden behandeld. De vreemdeling is daar niet verschenen, omdat hij op dat moment in het busje zat om om 11:00 uur aan de Belgische grens te worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting, zodat de vreemdeling kon worden gehoord.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het recht van de vreemdeling om op zitting te worden gehoord is geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991), is het recht op zitting te worden gehoord, geregeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, een uitwerking van artikel 15, tweede lid, van de Grondwet, artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 6 van het EU Handvest en is dat recht, hoewel niet absoluut, een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Van de staatssecretaris had daarom in dit geval, gelet op het fundamentele karakter van dat recht, mogen worden verwacht in ieder geval te onderzoeken of de overdracht met een uur of enkele uren uitgesteld kon worden zodat de vreemdeling gebruik kon maken van zijn recht om ter zitting door de rechtbank te worden gehoord. Omdat de staatssecretaris dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank al daarom terecht geoordeeld dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om mogelijk te maken dat de overdracht zou plaatsvinden na de telehoorzitting.
2.1. De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022
345-985