Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:2103
2022-07-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202203535/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2022:2103 → ECLI:NL:RBDHA:2022:5474 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2022:178
- ECLI:NL:RVS:2020:2795 Raad van State 25-11-2020
- ECLI:EU:C:1982:335
- ECLI:EU:C:2021:799
Geciteerd door (43)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22825 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25515 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25520 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25517 Rechtbank Den Haag 30-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17088 Rechtbank Den Haag 01-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27527 Rechtbank Den Haag 28-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12605 Rechtbank Den Haag 14-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12611 Rechtbank Den Haag 14-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4192 Rechtbank Den Haag 14-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1960 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15185 Rechtbank Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13693 Rechtbank Den Haag 27-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13546 Rechtbank Den Haag 22-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:24014 Rechtbank Den Haag 09-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7589 Rechtbank Den Haag 15-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7139 Rechtbank Den Haag 03-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:236 Rechtbank Den Haag 09-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:236 Rechtbank Den Haag 09-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20803 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20799 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20799 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20723 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20723 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20803 Rechtbank Den Haag 19-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19892 Rechtbank Den Haag 11-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 Rechtbank Den Haag 06-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16674 Rechtbank Den Haag 01-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15486 Rechtbank Den Haag 10-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14620 Rechtbank Den Haag 22-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14607 Rechtbank Den Haag 22-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2663 Raad van State 12-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8792 Rechtbank Den Haag 13-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8255 Rechtbank Den Haag 01-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7365 Rechtbank Den Haag 17-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7364 Rechtbank Den Haag 17-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7072 Rechtbank Den Haag 11-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6825 Rechtbank Den Haag 11-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6735 Rechtbank Den Haag 04-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4559 Rechtbank Den Haag 27-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15285 Rechtbank Den Haag 21-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2191 Raad van State 28-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2189 Raad van State 28-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2183 Raad van State 28-07-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.635 tekens)
202203535/1/V3.
Datum uitspraak: 21 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.8428 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 10 maart 2022, K., ECLI:EU:C:2022:178, en de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2795, terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het detentiecentrum Rotterdam als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kan worden aangemerkt.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de door de vreemdeling opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022
846
Datum uitspraak: 21 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.8428 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 10 maart 2022, K., ECLI:EU:C:2022:178, en de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2795, terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het detentiecentrum Rotterdam als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kan worden aangemerkt.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de door de vreemdeling opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022
846