Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:224
2020-01-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201906891/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2020:224 → ECLI:NL:RBROT:2019:7140 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (1)
Geciteerd door (16)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17674 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10585 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27173 Rechtbank Den Haag 15-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18150 Rechtbank Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18867 Rechtbank Den Haag 10-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7943 Rechtbank Den Haag 28-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1409 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:767 Rechtbank Den Haag 23-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:765 Rechtbank Den Haag 23-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13777 Rechtbank Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13681 Rechtbank Den Haag 27-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1766 Rechtbank Den Haag 09-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1435 Rechtbank Den Haag 05-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3323 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3324 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2021:550 Rechtbank Den Haag 27-01-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (3.104 tekens)
201906891/1/V3.
Datum uitspraak: 23 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op het uit arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, voortvloeiende motiveringsvereiste, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet met toepassing van een lichter middel kon volstaan. Daarover betoogt de staatssecretaris dat de vreemdeling zelf ook niet heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn familie in Frankrijk een omstandigheid is waardoor van bewaring in Nederland zou moeten worden afgezien.
2. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet kenbaar in de maatregel heeft betrokken dat de vreemdeling familie heeft in Frankrijk en daarom de motivering in de maatregel van bewaring niet voldoet aan de vereisten die het Hof daaraan in het arrest Mahdi heeft gesteld. De vreemdeling heeft tijdens het gehoor van 23 augustus 2019 namelijk alleen verklaard dat zijn kinderen en ex-vrouw in Frankrijk wonen, dat hij via WhatsApp contact heeft met zijn kinderen en dat hij maandelijks bij hen langsgaat. Hij heeft niet aangegeven op welke wijze de inbewaringstelling hem zal belemmeren in het contact met hen.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Steendijk w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020
47-888.
Datum uitspraak: 23 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op het uit arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, voortvloeiende motiveringsvereiste, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet met toepassing van een lichter middel kon volstaan. Daarover betoogt de staatssecretaris dat de vreemdeling zelf ook niet heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn familie in Frankrijk een omstandigheid is waardoor van bewaring in Nederland zou moeten worden afgezien.
2. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet kenbaar in de maatregel heeft betrokken dat de vreemdeling familie heeft in Frankrijk en daarom de motivering in de maatregel van bewaring niet voldoet aan de vereisten die het Hof daaraan in het arrest Mahdi heeft gesteld. De vreemdeling heeft tijdens het gehoor van 23 augustus 2019 namelijk alleen verklaard dat zijn kinderen en ex-vrouw in Frankrijk wonen, dat hij via WhatsApp contact heeft met zijn kinderen en dat hij maandelijks bij hen langsgaat. Hij heeft niet aangegeven op welke wijze de inbewaringstelling hem zal belemmeren in het contact met hen.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Steendijk w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020
47-888.