Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:466
2019-02-27
Bestuursrecht
201801114/1/A1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2019:466 → ECLI:NL:RBZWB:2017:8584 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen van in totaal € 35.700,00.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:1968 Raad van State 13-06-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:1152 Raad van State 04-04-2018
Geciteerd door (263)
- ECLI:NL:RVS:2026:5815 Raad van State 30-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5485 Raad van State 16-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5019 Raad van State 26-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7003 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4409 Raad van State 29-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3934 Raad van State 15-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5648 Rechtbank Gelderland 15-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5428 Rechtbank Gelderland 09-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3867 Rechtbank Midden-Nederland 02-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4914 Rechtbank Gelderland 23-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:6914 Rechtbank Rotterdam 17-06-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5597 Rechtbank Limburg 10-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:11223 Rechtbank Noord-Holland 03-06-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:3621 Rechtbank Oost-Brabant 28-05-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:6046 Rechtbank Noord-Holland 13-05-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:6046 Rechtbank Noord-Holland 13-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1831 Rechtbank Midden-Nederland 24-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3035 Rechtbank Gelderland 21-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1796 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1941 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:1964 Rechtbank Oost-Brabant 30-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6659 Rechtbank Den Haag 27-03-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:1852 Rechtbank Oost-Brabant 25-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8829 Rechtbank Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8829 Rechtbank Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6616 Rechtbank Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:1848 Rechtbank Oost-Brabant 24-03-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:2374 Rechtbank Limburg 12-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1225 Raad van State 04-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:911 Raad van State 18-02-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:668 Rechtbank Overijssel 12-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:788 Rechtbank Gelderland 04-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:644 Raad van State 04-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:788 Rechtbank Gelderland 04-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:788 Rechtbank Gelderland 04-02-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:534 Rechtbank Oost-Brabant 30-01-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:534 Rechtbank Oost-Brabant 30-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3710 Rechtbank Den Haag 16-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:236 Raad van State 14-01-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10753 Rechtbank Gelderland 11-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7280 Rechtbank Midden-Nederland 11-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5871 Raad van State 03-12-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6690 Rechtbank Overijssel 18-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9156 Rechtbank Gelderland 31-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5187 Raad van State 29-10-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:6867 Rechtbank Oost-Brabant 24-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:5621 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:5621 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18021 Rechtbank Den Haag 26-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4553 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:475 College van Beroep voor het bedrijfsleven 16-09-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:454 College van Beroep voor het bedrijfsleven 09-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:10372 Rechtbank Rotterdam 29-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4632 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4061 Rechtbank Midden-Nederland 17-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3125 Raad van State 09-07-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:302 College van Beroep voor het bedrijfsleven 13-05-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:2594 Rechtbank Overijssel 28-04-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:2594 Rechtbank Overijssel 28-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1844 Raad van State 23-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (7.142 tekens)
201801114/1/A1.
Datum uitspraak: 27 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Sint Philipsland, gemeente Tholen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2017 in zaak nr. 17/1379 in het geding tussen onder meer:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tholen.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen van in totaal € 35.700,00.
Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.P. Martens, advocaat te Breda, en A.N. Steijn, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 9 april 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellante] een aantal bouwwerken zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning heeft gebouwd en in stand gelaten. Het college heeft [appellante] daarom onder oplegging van dwangsommen gelast de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 1 september 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [appellante] geen beroep ingesteld.
Bij het besluit van 19 juli 2016 heeft het college dwangsommen van in totaal € 35.700,00 ingevorderd, omdat [appellante] de in de last onder dwangsom vermelde overtredingen niet heeft beëindigd.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. Daartoe voert zij aan dat zij al ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom niet meer de eigenaar van de percelen en bouwwerken was en het daardoor niet in haar macht had en nog steeds niet heeft om een einde aan de overtredingen te maken. [appellante] stelt in dit verband dat zij in 1994 met een privatieve last als bedoeld in artikel 7:423, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek alle bevoegdheden ten aanzien van de percelen en bouwwerken, behoudens de blote eigendom, heeft overgedragen aan de Orde van Maerloo. Vervolgens zijn alle bouwwerken in 2012 in Duitsland in een Geselschafft Bürgerlichen Rechts ingebracht. Volgens [appellante] heeft zij dit niet in de procedure over de last onder dwangsom aangevoerd, omdat zij het slachtoffer is van criminele activiteiten en daarom uit veiligheidsoverwegingen geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar waarbij de last onder dwangsom is gehandhaafd.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1968), moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
2.2. Mede gelet op de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, genomen in zaak nr. 201605406/2/A1, welke zaak niet tot een uitspraak heeft geleid omdat het hoger beroep in die zaak is ingetrokken, overweegt de Afdeling dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
2.3. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling beoordelen of hier sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 2.2.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de gegevens van het Kadaster. Volgens die gegevens is [appellante] eigenaar van de betrokken percelen en bouwwerken. Uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt niet dat in afwijking van de gegevens van het Kadaster niet zij, maar een ander eigenaar van de percelen en bouwwerken is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de privatieve last, die volgens [appellante] van beslissende betekenis is, gelet op de daarin neergelegde voorwaarden en volmacht niet valt af te leiden dat de eigendom van de percelen en bouwwerken op enig moment rechtsgeldig is overgedragen en evenmin dat [appellante] daarover sinds 1994 geen beschikkingsmacht meer heeft. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat uit de door [appellante] overgelegde stukken geen andere conclusie kan worden getrokken. Dat [appellante] het niet in haar macht had om de overtredingen te beëindigen kan uit de overgelegde stukken evenmin worden afgeleid. Er is dan ook geen sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 2.2. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van invordering had moeten afzien. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de door haar gestelde criminele activiteiten behoeft geen bespreking meer.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.
4. Reeds omdat het hoger beroep ongegrond is, dient het door [appellante] gedane verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Slump w.g. Van Roessel
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019
457.
Datum uitspraak: 27 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Sint Philipsland, gemeente Tholen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2017 in zaak nr. 17/1379 in het geding tussen onder meer:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tholen.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen van in totaal € 35.700,00.
Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.P. Martens, advocaat te Breda, en A.N. Steijn, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 9 april 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellante] een aantal bouwwerken zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning heeft gebouwd en in stand gelaten. Het college heeft [appellante] daarom onder oplegging van dwangsommen gelast de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 1 september 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [appellante] geen beroep ingesteld.
Bij het besluit van 19 juli 2016 heeft het college dwangsommen van in totaal € 35.700,00 ingevorderd, omdat [appellante] de in de last onder dwangsom vermelde overtredingen niet heeft beëindigd.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. Daartoe voert zij aan dat zij al ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom niet meer de eigenaar van de percelen en bouwwerken was en het daardoor niet in haar macht had en nog steeds niet heeft om een einde aan de overtredingen te maken. [appellante] stelt in dit verband dat zij in 1994 met een privatieve last als bedoeld in artikel 7:423, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek alle bevoegdheden ten aanzien van de percelen en bouwwerken, behoudens de blote eigendom, heeft overgedragen aan de Orde van Maerloo. Vervolgens zijn alle bouwwerken in 2012 in Duitsland in een Geselschafft Bürgerlichen Rechts ingebracht. Volgens [appellante] heeft zij dit niet in de procedure over de last onder dwangsom aangevoerd, omdat zij het slachtoffer is van criminele activiteiten en daarom uit veiligheidsoverwegingen geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar waarbij de last onder dwangsom is gehandhaafd.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1968), moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
2.2. Mede gelet op de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, genomen in zaak nr. 201605406/2/A1, welke zaak niet tot een uitspraak heeft geleid omdat het hoger beroep in die zaak is ingetrokken, overweegt de Afdeling dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
2.3. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling beoordelen of hier sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 2.2.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de gegevens van het Kadaster. Volgens die gegevens is [appellante] eigenaar van de betrokken percelen en bouwwerken. Uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt niet dat in afwijking van de gegevens van het Kadaster niet zij, maar een ander eigenaar van de percelen en bouwwerken is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de privatieve last, die volgens [appellante] van beslissende betekenis is, gelet op de daarin neergelegde voorwaarden en volmacht niet valt af te leiden dat de eigendom van de percelen en bouwwerken op enig moment rechtsgeldig is overgedragen en evenmin dat [appellante] daarover sinds 1994 geen beschikkingsmacht meer heeft. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat uit de door [appellante] overgelegde stukken geen andere conclusie kan worden getrokken. Dat [appellante] het niet in haar macht had om de overtredingen te beëindigen kan uit de overgelegde stukken evenmin worden afgeleid. Er is dan ook geen sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 2.2. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van invordering had moeten afzien. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de door haar gestelde criminele activiteiten behoeft geen bespreking meer.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.
4. Reeds omdat het hoger beroep ongegrond is, dient het door [appellante] gedane verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Slump w.g. Van Roessel
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019
457.