Raad van State
ECLI:NL:RVS:2017:1927
2017-07-19
Bestuursrecht
201701759/1/A1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2017:1927 → ECLI:NL:RBROT:2017:270 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college het verzoek van [appellante] en [verzoeker] om handhavend op te treden tegen geluidoverlast veroorzaakt door het gebruik van een voetbalkooi aan de Jupiterstraat / Jeroen Boschlaan te Zwijndrecht afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541 Raad van State 28-02-2007
Geciteerd door (40)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6703 Rechtbank Amsterdam 03-07-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:6830 Rechtbank Amsterdam 09-09-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:539 Rechtbank Noord-Nederland 03-02-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:62 Rechtbank Midden-Nederland 14-01-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2024:5090 Rechtbank Noord-Nederland 20-12-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:5071 Rechtbank Noord-Nederland 12-12-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:4793 Rechtbank Noord-Nederland 03-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19692 Rechtbank Den Haag 28-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4617 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7876 Rechtbank Amsterdam 08-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-06-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:3683 Rechtbank Limburg 22-06-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2900 Rechtbank Limburg 03-05-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:2492 Rechtbank Amsterdam 17-04-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1527 Rechtbank Noord-Nederland 13-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:3206 Raad van State 09-11-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3727 Rechtbank Noord-Nederland 29-09-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:4590 Rechtbank Amsterdam 20-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-05-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1113 Rechtbank Noord-Nederland 07-04-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1113 Rechtbank Noord-Nederland 07-04-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:2134 Rechtbank Limburg 21-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2359 Rechtbank Den Haag 22-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:143 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2021:9048 Rechtbank Limburg 02-12-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:227 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-08-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3105 Rechtbank Noord-Nederland 09-07-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2255 Rechtbank Midden-Nederland 20-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:615 Raad van State 24-03-2021
- ECLI:NL:RVS:2020:3158 Raad van State 06-11-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5401 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1246 Raad van State 20-05-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:739 Raad van State 11-03-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:739 Raad van State 11-03-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:3749 Raad van State 06-11-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:3581 Raad van State 23-10-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:3377 Rechtbank Rotterdam 29-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:593 Raad van State 27-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:497 Raad van State 20-02-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:1977 Rechtbank Amsterdam 29-03-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (5.910 tekens)
201701759/1/A1.
Datum uitspraak: 19 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017 in zaak nr. 15/6765 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college het verzoek van [appellante] en [verzoeker] om handhavend op te treden tegen geluidoverlast veroorzaakt door het gebruik van een voetbalkooi aan de Jupiterstraat / Jeroen Boschlaan te Zwijndrecht afgewezen.
Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college het door [appellante] en [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit hebben [appellante] en [verzoeker] beroep bij de rechtbank ingesteld.
Bij uitspraak van 12 januari 2017 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard, het besluit van 22 september 2015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [verzoeker]. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van [appellante] richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep.
De Afdeling verstaat de uitspraak van de rechtbank aldus dat het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard omdat zij in september 2016 is verhuisd en derhalve geen belang meer heeft bij het doen van een uitspraak op haar beroep (procesbelang).
2. [appellante] betoogt dat zij schade heeft geleden van het niet-handhavend optreden tegen de voetbalkooi. Zij stelt dat zij van de voetbalkooi veel overlast heeft ondervonden en zich, gezien ook de gezondheid van haar zoon, genoodzaakt zag om te verhuizen. Voor deze verhuizing is een medische urgentie verleend. Zij zou graag terugkeren naar haar oude woning, die op dit moment weer leeg staat. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat de verhuizing veel geld heeft gekost en grote gevolgen heeft gehad voor haar en haar gezin.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541), kan procesbelang bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
[appellante] heeft in beroep, net als in hoger beroep, betoogd dat zij schade heeft geleden doordat het college niet heeft opgetreden tegen de overlast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat er een nauw verband tussen de overlast en de verhuizing bestaat en dat zij kosten heeft gemaakt. Nu de rechtbank haar bij de vraag of zij procesbelang heeft, de verhuizing ten onrechte heeft tegengeworpen, verschilt haar processuele positie niet van die van [verzoeker] en heeft de rechtbank haar beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard.
Aangezien [appellante] op dezelfde gronden als [verzoeker] beroep tegen het besluit van 22 september 2015 heeft ingesteld en de rechtbank het beroep van [verzoeker] gegrond heeft verklaard, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellante] alsnog gegrond verklaren.
4. Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen en het verzoek om handhaving wederom afgewezen. Tegen dat besluit heeft [verzoeker] beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 22 september 2015 heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege betrekking op het besluit van 21 februari 2017. Met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, verwijst de Afdeling dit beroep van rechtswege naar de rechtbank.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017 in zaak nr. 15/6765, voor zover het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard;
III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. verwijst het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht van 21 februari 2017 naar de rechtbank Rotterdam;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 335,00 (zegge: driehonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017
190-845.
Datum uitspraak: 19 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017 in zaak nr. 15/6765 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college het verzoek van [appellante] en [verzoeker] om handhavend op te treden tegen geluidoverlast veroorzaakt door het gebruik van een voetbalkooi aan de Jupiterstraat / Jeroen Boschlaan te Zwijndrecht afgewezen.
Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college het door [appellante] en [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit hebben [appellante] en [verzoeker] beroep bij de rechtbank ingesteld.
Bij uitspraak van 12 januari 2017 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard, het besluit van 22 september 2015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [verzoeker]. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van [appellante] richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep.
De Afdeling verstaat de uitspraak van de rechtbank aldus dat het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard omdat zij in september 2016 is verhuisd en derhalve geen belang meer heeft bij het doen van een uitspraak op haar beroep (procesbelang).
2. [appellante] betoogt dat zij schade heeft geleden van het niet-handhavend optreden tegen de voetbalkooi. Zij stelt dat zij van de voetbalkooi veel overlast heeft ondervonden en zich, gezien ook de gezondheid van haar zoon, genoodzaakt zag om te verhuizen. Voor deze verhuizing is een medische urgentie verleend. Zij zou graag terugkeren naar haar oude woning, die op dit moment weer leeg staat. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat de verhuizing veel geld heeft gekost en grote gevolgen heeft gehad voor haar en haar gezin.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541), kan procesbelang bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
[appellante] heeft in beroep, net als in hoger beroep, betoogd dat zij schade heeft geleden doordat het college niet heeft opgetreden tegen de overlast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat er een nauw verband tussen de overlast en de verhuizing bestaat en dat zij kosten heeft gemaakt. Nu de rechtbank haar bij de vraag of zij procesbelang heeft, de verhuizing ten onrechte heeft tegengeworpen, verschilt haar processuele positie niet van die van [verzoeker] en heeft de rechtbank haar beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard.
Aangezien [appellante] op dezelfde gronden als [verzoeker] beroep tegen het besluit van 22 september 2015 heeft ingesteld en de rechtbank het beroep van [verzoeker] gegrond heeft verklaard, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellante] alsnog gegrond verklaren.
4. Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen en het verzoek om handhaving wederom afgewezen. Tegen dat besluit heeft [verzoeker] beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 22 september 2015 heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege betrekking op het besluit van 21 februari 2017. Met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, verwijst de Afdeling dit beroep van rechtswege naar de rechtbank.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017 in zaak nr. 15/6765, voor zover het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard;
III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. verwijst het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht van 21 februari 2017 naar de rechtbank Rotterdam;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 335,00 (zegge: driehonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017
190-845.