Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6703

2026-07-03 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AMS 25/672
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/672
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang. Schade niet aannemelijk gemaakt. Proceskosten geeft geen zelfstandig procesbelang.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.816 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/672


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , woonplaats onbekend, eiser
(gemachtigde: mr. B. Mous),


en




het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser is het niet eens met de beslissing van het college dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk is en heeft daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 27 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht voorlopig vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en [persoon 1] , [functie] . Eiser en zijn gemachtigde zijn (met bericht) niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep op 27 januari 2025 mede is ingesteld namens [persoon 2] . Het bestreden besluit ziet echter uitsluitend op het bezwaar van eiser. Het college heeft toegelicht dat met een afzonderlijk besluit, op 7 februari 2025, op het bezwaar van [persoon 2] is beslist. Gemachtigde heeft vervolgens desgevraagd verklaard geen afzonderlijk beroep in te willen stellen tegen het besluit van 7 februari 2025. De rechtbank stelt daarom vast dat het beroep uitsluitend namens eiser is ingesteld.
Vrijstelling van het griffierecht

4. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. Dit verzoek was voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.



Procesbelang



5. Eisers beroep richt zich tegen de schriftelijke aankondiging van toepassing bestuursdwang die op 28 oktober 2024 is aangebracht op de illegale verblijven in en rond het adres [adres] te Amsterdam. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting aan eiser gevraagd wat zijn procesbelang is in deze zaak. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij ten onrechte is ontruimd en dat het college daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. Het gestelde onrechtmatige handelen zou aldus moeten resulteren in een aansprakelijkheid van het college. Om daarmee te beginnen in de vergoeding van de gemaakte proceskosten.

6. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. De rechtbank constateert allereerst dat de feitelijke uitruiming reeds heeft plaatsgevonden en om die reden niet meer kan worden teruggedraaid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat procesbelang ook kan bestaan als de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. Eiser heeft in zijn beroep en in zijn reactie over het procesbelang echter uitsluitend in algemene bewoordingen gesteld dat het college aansprakelijk is voor de gevolgen van de ontruiming, zonder concreet te benoemen waaruit de gestelde schade bestaat. Daarnaast hebben eiser en zijn gemachtigde zich afgemeld voor de zitting waardoor ook daar geen nadere toelichting op het procesbelang naar voren is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de enkele stelling van onzorgvuldig handelen en aansprakelijkheid van het college geen procesbelang kan worden afgeleid.

7. Voor zover eiser stelt dat de schade in ieder geval bestaat uit de vergoeding van de gemaakte proceskosten, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024 waarbij de lijn is verlaten dat het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar een zelfstandig procesbelang in beroep oplevert. Dat betekent dat ook hieruit geen procesbelang kan worden afgeleid.



Conclusie en gevolgen


8. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing




De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1927 en 28 februari 2007 ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541.


ECLI:NL:RVS:2024:2508.