Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9127
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/438746 HA ZA 25-458 en C/02/442800/HA ZA 25-667 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoofdzaak en vrijwaring. Eiser in de hoofdzaak vordert verwijdering van overbouw (schutting en carport). Vordering wordt afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. In reconventie toewijzing vordering op grond van artikel 5:54, overdracht of erfdienstbaarheid naar keuze van eiser. Schadeloosstelling € 3.000, te betalen door gedaagde in vrijwaring op basis van gemaakte afspraken. Vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.494 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 16 september 2026
Zaaknummer: C/02/438746 / HA ZA 25-458 (hoofdzaak)
in de zaak van
[persoon 1]
,
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1],
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput,
tegen
[persoon 2]
,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. K.W. Janssen,
en
1
[verkoper 1],
te [plaats],2. [verkoper 2],
te [plaats],
gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2],
hierna samen te noemen: [verkopers],
advocaat: mr. N. Weel.
en in zaaknummer: C/02/442800 / HA ZA 25-667 (vrijwaring)
in de zaak van
[persoon 2]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. K.W. Janssen,
tegen
1. [verkoper 1],
te [plaats],2. [verkoper 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [verkopers],
advocaat: mr. N. Weel.
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon 1] en [persoon 2] zijn buren van elkaar. [persoon 2] heeft haar woning gekocht van [verkopers] Het geschil gaat over een door [verkopers] geplaatste schutting en carport met dakgoot. De schutting en carport staan gedeeltelijk over de erfgrens. [persoon 1] vordert verwijdering van de schutting en carport van zijn grond. [persoon 2] en [verkopers] vinden dat de vordering moet worden afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. [persoon 2] vordert in reconventie medewerking van [persoon 1] aan overdracht van het stukje grond of het vestigen van een erfdienstbaarheid tegen een schadeloosstelling van € 0,00. Volgens [persoon 1] moet deze vordering worden afgewezen, omdat niet voldaan wordt aan de vereisten van artikel 5:54 BW. [persoon 2] vordert in vrijwaring veroordeling van [verkopers] om uit te voeren en te betalen waartoe zij in hoofdzaak zou worden veroordeeld. Volgens [verkopers] bestaat hier geen grond voor op basis van de tussen hen gemaakte afspraken, zodat de vordering in vrijwaring moet worden afgewezen.
1.2.
De rechtbank wijst de vordering van [persoon 1] tot verwijdering van de schutting en carport af op grond van misbruik van bevoegdheid. De reconventionele vordering van [persoon 2] wordt toegewezen, waarbij de schadeloosstelling wordt bepaald op € 3.000,00. [verkopers] zijn ten opzichte van [persoon 2] gehouden om dit bedrag te betalen. Dit vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.3.
Dit oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.
2De procedure
in de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord, en voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 20,
de incidentele conclusie tot voeging ex art. 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met producties 1 tot en met 4,
de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring van [persoon 1],
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [persoon 1],
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [persoon 2],
het vonnis in incident van 5 november 2025, waarin de oproeping in vrijwaring en de voeging zijn toegestaan,
de conclusie van antwoord in hoofdzaak van [verkopers],
de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens aanvulling grondslag eis in conventie met productie 11,
de brief van 2 april 2026 van de advocaat van [verkopers], met als bijlage 7 foto’s,
de spreekaantekeningen van de advocaat van [verkopers] en van de advocaat van [persoon 2], zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen.
in de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringzaak blijkt uit:
de dagvaarding in vrijwaring met producties 1 tot en met 11,
de conclusie van antwoord in vrijwaring met producties 1 tot en met 5,
de spreekaantekeningen van de advocaat van [verkopers] en van de advocaat van [persoon 2], zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen.
in beide zaken
2.3.
De rechter en griffier hebben de situatie ter plaatse op 8 april 2026 in aanwezigheid van partijen bekeken. Aansluitend heeft de mondelinge behandeling van zowel de hoofdzaak als de zaak in vrijwaring plaatsgevonden op de rechtbank. Het proces-verbaal van de descente en de mondelinge behandeling behoort tot de processtukken in beide zaken.
2.4.
Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling gevraagd om een aanhouding om te bekijken of zij alsnog onderling tot een oplossing konden komen. Dit is niet gelukt, waarna de rechtbank heeft bepaald dat er vonnis zou worden gewezen.
3De feiten
3.1.
[persoon 1] is sinds 1997 eigenaar van de woning aan [adres 1].
3.2.
[verkopers] hebben de woning aan [adres 1] in 2018 gekocht. [verkopers] hebben de woning in 2022 verkocht aan [persoon 2]. [persoon 2] is sinds 3 juni 2022 eigenaar van de woning.
3.3.
[verkopers] hebben in 2018 de bestaande schutting vervangen door een nieuwe schutting. Ook hebben zij een carport geplaatst. De carport heeft een dakgoot.
3.4.
[persoon 1] heeft [verkopers] begin 2022 gevraagd om de schutting en de carport met dakgoot te verwijderen dan wel te verplaatsen, omdat deze volgens [persoon 1] over de erfgrens waren geplaatst.
3.5.
[verkopers] hebben het kadaster gevraagd om een grensreconstructie uit te voeren. Dit is gebeurd op 9 februari 2022.
3.6.
De schutting en de carport staan over een lengte van 16 meter voor 10 cm op het perceel van [persoon 1] (waar hierna wordt verwezen naar ‘de strook’ wordt gedoeld op dit deel van het perceel van [persoon 1]). De carport heeft een dakgoot die verder dan deze 10 cm overhangt boven het perceel van [persoon 1]. De dakgoot is lek en veroorzaakt wateroverlast op het erf van [persoon 1].
3.7.
[verkopers] en (de advocaat van) [persoon 1] hebben in april en mei 2022 gecorrespondeerd over de kwestie, maar zijn niet tot een oplossing gekomen.
3.8.
[persoon 1] heeft een kort geding aanhangig gemaakt dat zou worden behandeld op 8 juni 2022. Het kort geding is ingetrokken toen bleek dat de woning op 3 juni 2022 was geleverd aan [persoon 2].
3.9.
In de koopovereenkomst van 19 januari 2022 tussen [persoon 2] en [verkopers] ter zake de woning is in artikel 22 bepaald:
“Vóór de eigendomsoverdracht zal de grens tussen [adres 1] en [adres 2] door het kadaster ingemeten worden. Indien er afwijkingen geconstateerd worden en aanpassingen nodig blijken te zijn, is dit voor rekening van verkoper.”
3.10.
Op 18 mei 2022 hebben [persoon 2] en [verkopers] een aanvullende overeenkomst bij de koopovereenkomst gesloten waarin is bepaald:
“Zoals omschreven in artikel 22 van de op 19 januari 2022 getekende koopovereenkomst, zal de verkoper de eventuele noodzakelijke aanpassingen naar aanleiding van de reeds uitgevoerde
kadastrale inmeting voor zijn rekening nemen.
Inmiddels heeft de kadastrale inmeting plaatsgevonden, maar zal er vermoedelijk voor de overdracht
welke gepland staat op 03 juni 2022 nog geen definitieve uitkomst zijn.
Naar aanleiding van een reeds opgestarte gerechtelijke procedure zal er meer duidelijkheid komen
over de te ondernemen acties door partijen. Hiervoor blijft de verkoper verantwoordelijk, voor het
geval hij actie(s) dient te ondernemen, ook wanneer de overdracht van de woning heeft
plaatsgevonden.”
3.11.
[persoon 1] heeft [persoon 2] na de overdracht van de woning aan haar gevraagd om zorg te dragen voor het verplaatsen van de schutting en de carport.
3.12.
[bedrijf] (‘[bedrijf]’) heeft op 8 juli 2023 een offerte uitgebracht aan [persoon 2] voor het vermaken van de carport en het verplaatsen van de schutting. [bedrijf] heeft voor deze werkzaamheden een bedrag van € 8.356,26 inclusief btw geoffreerd.
3.13.
[persoon 1] heeft in oktober 2023 leibomen geplant op zijn perceel. De bomen zijn in een rij geplaatst langs de erfafscheiding, ter hoogte van de schutting.
3.14.
De gemachtigde van [persoon 2] heeft [verkopers] bij brief van 8 november 2023 gesommeerd om de schutting en de carport binnen vier weken op hun kosten te laten verplaatsen naar het perceel van [persoon 2].
3.15.
[verkopers] hebben op 16 november 2023 per e-mail laten weten dat de kwestie voor hen is afgesloten. Volgens [verkopers] zou conform de op 18 mei 2022 gemaakte afspraken alleen sprake kunnen zijn van een verplichting tot herstel voor hen in geval van een procedure. Het betreffende kort geding dat plaats zou vinden is echter ingetrokken door [persoon 1].
3.16.
Nader overleg tussen [persoon 2] en [verkopers] heeft er in februari 2024 toe geleid dat [verkopers] aan [persoon 2] hebben toegezegd dat zij bereid zijn om de schutting en de carport te verplaatsen op hun kosten.
3.17.
De kosten voor het vermaken van de carport en het verplaatsen van de schutting waren inmiddels verhoogd. Uit de offerte van [bedrijf] van 31 januari 2024 volgt dat de werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 19.611,68 inclusief btw konden worden uitgevoerd. De kostenverhoging werd veroorzaakt door de noodzaak om keerwanden te plaatsen, vanwege het feit dat [persoon 1] de grond verder had afgegraven aan zijn kant van de perceelsgrens bij het plaatsen van de bomen. De grond is gelijkgemaakt met de oprit van [persoon 1].
3.18.
Nader overleg met [bedrijf] heeft ertoe geleid dat de aanvullende kosten die het gevolg waren van de werkzaamheden van [persoon 1] op een bedrag van € 7.000,00 zouden worden gehouden. [persoon 1] toonde zich aanvankelijk bereid om voor de helft bij te dragen in deze kosten, maar trok deze bereidheid later in. [persoon 2] heeft vervolgens aangegeven het volledige bedrag van € 7.000,00 (voorlopig) voor haar rekening te nemen om de discussie te kunnen sluiten.
3.19.
[bedrijf] zou op 21 oktober 2024 starten met de werkzaamheden, die vervolgens medio november 2024 zouden zijn afgerond.
3.20.
[bedrijf] is op 21 oktober 2024 ter plaatse geweest om met zijn werkzaamheden te beginnen. [bedrijf] heeft aangegeven de werkzaamheden niet voor de geoffreerde prijs te kunnen uitvoeren, omdat hem ter plaatse bleek dat er inmiddels door [persoon 1] een grote carport was geplaatst tot dicht op de erfafscheiding. Dit maakte het volgens [bedrijf] onmogelijk om werkzaamheden uit te voeren vanaf het perceel van [persoon 1], waarop de offerte wel was gebaseerd. Ook werd door de geplaatste carport noodzakelijk dat de betonnen keerwanden in plaats van met een kleine kraan met een zeer grote kraan moesten worden geplaatst. [bedrijf] heeft aangegeven dat de meerprijs voor de extrawerkzaamheden, materieel en arbeid naar schatting zullen uitkomen op een bedrag van € 1.965,00 inclusief btw.
3.21.
Bij brief van 23 januari 2025 heeft [persoon 2] aan [persoon 1] laten weten dat geen van partijen bereid is gevonden om de meerprijs te dragen en dat [bedrijf] zich inmiddels volledig heeft teruggetrokken en niet langer bereid is om het werk uit te voeren.
3.22.
De advocaat van [persoon 1] heeft per e-mail van 17 februari 2025 aan de gemachtigde van [persoon 2] laten weten bezig te zijn met het voorbereiden van een kort geding. Op 16 juni 2025 volgt het bericht dat [persoon 1] gekozen had voor een bodemprocedure. De dagvaarding is uiteindelijk op 15 juli 2025 aan [persoon 2] betekend.
4Het geschil
in de hoofdzaak
de vorderingen van [persoon 1] en het verweer daartegen (conventie)
4.1.
[persoon 1] vordert – samengevat – dat de rechtbank:
I. [persoon 2] veroordeelt om de schutting en de carport met goot binnen 14 dagen na het vonnis te verwijderen van zijn grond, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00,
II. [persoon 1] toestaat de onder I genoemde werkzaamheden zelf uit te (laten) voeren op kosten van [persoon 2] indien de werkzaamheden niet binnen vier weken na het vonnis zijn uitgevoerd,
III. [persoon 2] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[persoon 1] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [persoon 1] het vonnis ook direct ten uitvoer wil kunnen leggen indien [persoon 2] in hoger beroep gaat.
4.3.
[persoon 2] en [verkopers] (als gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2]) voeren verweer. [persoon 2] en [verkopers] vinden samengevat dat [persoon 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten.
de voorwaardelijke tegenvordering van [persoon 2] en het verweer daartegen (voorwaardelijke reconventie)
4.4.
[persoon 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank, indien in conventie komt vast te staan dat sprake is van onrechtmatige overbouw, [persoon 1] bij vonnis veroordeelt om medewerking te verlenen aan het legaliseren van de situatie door overdracht van de grond of vestiging van een erfdienstbaarheid ten behoeve van [persoon 2] tegen een schadeloosstelling van € 0,00, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 15.000,00. [persoon 2] vordert ook een veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten. [verkopers] (als gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2]) ondersteunen het standpunt van [persoon 2] in reconventie.
4.5.
[persoon 2] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
4.6.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [persoon 2] in de proceskosten.
in de vrijwaringszaak
4.7.
[persoon 2] vordert – samengevat – dat rechtbank [verkopers] veroordeelt om uit te (laten) voeren en te voldoen datgene, waartoe [persoon 2] in de hoofdzaak jegens [persoon 1] mocht worden veroordeeld, inclusief een kostenveroordeling. [persoon 2] vordert dat de rechtbank [verkopers] veroordeelt van de kosten van de procedure in vrijwaring, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.8.
[verkopers] voeren verweer. [verkopers] vinden dat [persoon 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat haar vorderingen moeten worden afgewezen. Indien de vordering in de hoofdzaak van [persoon 1] wordt toegewezen en de rechtbank in de vrijwaring voorbijgaat aan de verweren van [verkopers], vorderen [verkopers] strikte begrenzing van de vrijwaring tot de uitvoering/kosten zoals opgenomen in de offerte van [bedrijf] van 8 juli 2023, zonder dwangsom. [verkopers] concluderen tot veroordeling van [persoon 2] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4.9.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling van de hoofdzaak en de vrijwaringzaak in op de relevante stellingen die partijen in het kader van hun vorderingen en het verweer daartegen naar voren hebben gebracht.
5De beoordeling
in de hoofdzaak
conventie
5.1.
Vaststaat dat de door [verkopers] geplaatste schutting en de carport over een lengte van 16 meter voor 10 cm over de erfgrens en dus op het perceel van [persoon 1] zijn geplaatst. De aan de carport bevestigde dakgoot helt nog verder over boven het perceel van [persoon 1]. Partijen zijn het daarover eens. Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat iemand op een zaak kan hebben. Door de schutting en de carport voor een deel op het perceel van [persoon 1] te plaatsen, hebben [verkopers] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [persoon 1]. Dit is onrechtmatig. [persoon 1] kan dan ook in beginsel aanspraak maken op verwijdering van het deel van de schutting en de carport dat de erfgrens overschrijdt.
5.2.
Dit is anders als het beroep van [persoon 2] en [verkopers] op misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit aan de orde is, zodat de vordering van [persoon 1] wordt afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
Er is sprake van misbruik van bevoegdheid
5.3.
Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Van misbruik is volgens lid 2 van het artikel sprake als een bevoegdheid wordt uitgeoefend:
met geen ander doel dan een ander te schaden;
met een ander doel dan waarvoor zij is verleend; of
als men in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, gelet op het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad.
5.4.
[persoon 2] en [verkopers] beroepen zich gemotiveerd op de eerste en de derde genoemde categorie van misbruik. [persoon 1] voert verweer.
5.5.
Anders dan [persoon 2] en [verkopers], ziet de rechtbank niet dat [persoon 1] geen ander doel voor ogen heeft dan het schaden van [persoon 2] dan wel [verkopers] De eerste categorie is niet van toepassing. De rechtbank is wel van oordeel dat er een onevenredigheid in belangen bestaat, zodanig dat [persoon 1] in redelijkheid niet kan afdwingen dat [persoon 2] de schutting en carport verwijdert van zijn grond.
5.6.
De discussie over de overbouw van de schutting en de carport wordt in ieder geval sinds 2022 tussen partijen gevoerd. In 2024 komt er uiteindelijk een toezegging van [persoon 2] dat de schutting en carport zodanig worden aangepast/verplaatst dat deze niet langer op het perceel van [persoon 1] zullen staan. Dat het zolang heeft geduurd om tot dat punt te komen, is niet aan één partij te wijten. Alle partijen hebben een aandeel in het gebrek aan spoedige voortgang in de discussie, zo blijkt wat de rechtbank betreft uit de in het geding gebrachte correspondentie.
5.7.
Uiteindelijk komt het dus in 2024 tot het punt dat tegemoet zal worden gekomen aan de eis van [persoon 1]. [bedrijf] komt op 21 oktober 2024 ter plaatse om de werkzaamheden uit te voeren. De kosten van de werkzaamheden zijn op dat moment al toegenomen met een bedrag van € 7.000,00 ten opzichte van de eerste offerte van [bedrijf]. Deze prijsstijging is veroorzaakt doordat [persoon 1] leibomen langs de erfafscheiding heeft geplant en daarbij de grond heeft afgegraven, hetgeen de plaatsing van keerwanden noodzakelijk maakt. Tijdens de plaatsopneming en mondelinge behandeling heeft [persoon 1] aangegeven dat de grond eerst schuin afliep vanaf het perceel van [persoon 2] richting [persoon 1] en dat er zo’n 80 cm is afgegraven. [persoon 2] toont zich bereid om de extra kosten te dragen (en deze vervolgens mee te nemen in de discussie met [verkopers] over de draagplicht voor de kosten).
5.8.
Dat het vervolgens toch niet tot uitvoering van de werkzaamheden komt in oktober/november 2024, komt doordat [persoon 1] inmiddels een carport heeft gerealiseerd. De rechtbank heeft tijdens de plaatsopneming geconstateerd dat het om een grote carport gaat die dicht op de erfgrens is gebouwd. [bedrijf] kan daardoor op 21 oktober 2024 niet aan de slag, omdat de carport maakt dat hij de werkzaamheden niet langer kan uitvoeren op de manier zoals dat wel zonder de carport kon. Het komt niet tot een nieuwe opdracht aan [bedrijf], omdat niemand de prijsstijging die gemoeid is met de gewijzigde situatie wil dragen.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] door de carport te plaatsen voordat de geplande werkzaamheden aan de schutting en carport van [persoon 2] waren afgerond (en hij zou krijgen wat hij wilde), een situatie heeft laten ontstaan waarin de belangenafweging in zodanige mate richting [persoon 2] uitslaat dat van misbruik van bevoegdheid sprake is door alsnog verwijdering af te willen dwingen.
5.10.
Het uitvoeren van de werkzaamheden is verder bemoeilijkt: er moet inmiddels een grote kraan aan te pas komen. De werkzaamheden hebben dan ook de nodige voeten in de aarde voor [persoon 2]. Er hangt een nog groter prijskaartje voor [persoon 2] aan verwijdering van de schutting en de carport. Het bedrag dat inmiddels gemoeid is met de werkzaamheden is meer dan verdubbeld en staat niet meer in verhouding tot de strook grond waar het over gaat. Deze strook is relatief klein (1,6 m²), zeker in verhouding tot het totale perceeloppervlak van [persoon 1] (545 m²). Ook het gebruik dat van de strook grond gemaakt kan worden is door het plaatsen van de carport en eerder al het plaatsen van de leibomen te verwaarlozen. De loze ruimte die zich nu bevindt tussen de carport en leibomen enerzijds en de schutting en carport van [persoon 2] anderzijds zou enkel toenemen met een strook van 10 cm breed. De leibomen en carport van [persoon 1] zullen niet worden verplaatst. [persoon 1] heeft aangevoerd dat herstel van de grens tot minder overlast zou leiden, omdat nu het regenwater dat op het dak van de carport valt wordt afgevoerd via het perceel van [persoon 1]. Dit geeft extra zand en water op het perceel van [persoon 1]. De afwatering is echter een probleem dat sowieso door [persoon 2] moet worden opgelost, los van de plaats van de schutting en carport. Ook heeft [persoon 1] genoemd dat niet gezorgd is voor een mooie afwerking van de schutting en carport aan de zichtzijde van [persoon 1]. Ook dit staat los van de plaats van de schutting en carport en zijn daarmee geen rechtens te respecteren belangen in het kader van de belangenafweging van artikel 3:13 BW. [persoon 1] heeft aan het slot van de mondelinge behandeling gesteld dat zijn belang behoud van zijn eigendom is. Anders dan [persoon 2] en [verkopers] stellen is dit wel een belang dat meeweegt aan de kant van [persoon 1], maar is het in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.
5.11.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [persoon 1] tot verwijdering van de schutting en carport wordt afgewezen.
5.12.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat [persoon 2] op de kortst mogelijke termijn uit eigen beweging overgaat tot aanpassing of herstel van de dakgoot, zodanig dat de afwatering plaatsvindt op haar eigen perceel, waarbij de dakgoot zich niet of zo min mogelijk boven het perceel van [persoon 1] bevindt. Deze verplichting heeft zij op grond van artikel 5:52 BW.
voorwaardelijke reconventie
5.13.
[persoon 2] heeft in voorwaardelijke reconventie een beroep gedaan op artikel 5:54 BW. Zij heeft haar vordering tot (kort gezegd) legalisatie van de bestaande situatie ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie vaststelt dat sprake is van een onrechtmatige overbouwsituatie.
Het beroep op artikel 5:54 BW slaagt
5.14.
Op grond van artikel 5:54 lid 1 BW kan in dit geval [persoon 2] tegen betaling van een schadevergoeding het volgende vorderen van in dit geval [persoon 1]: (i) overdracht van het betrokken perceelgedeelte of (ii) de vestiging van een erfdienstbaarheid tot behoud van de bestaande toestand. Artikel 5:54 lid 1 en 3 BW stellen als voorwaarden voor een geslaagd beroep (a) dat [persoon 2] door wegneming van de overbouw onevenredig veel zwaarder benadeeld wordt dan [persoon 1] door handhaving daarvan en (b) dat [persoon 2] geen kwade trouw en/of grove schuld ter zake de verkrijging kan worden verweten.
5.15.
Voor wat betreft de voorwaarde onder (a) verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in conventie in rechtsoverweging 5.10. Met dezelfde motivering komt de rechtbank in reconventie tot het oordeel dat [persoon 2] onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld door verwijdering van de schutting en carport dan [persoon 1] door handhaving van de bestaande situatie. Aan deze eerste voorwaarde wordt dus voldaan.
5.16.
[persoon 1] heeft betoogd dat [persoon 2] bij aankoop van de woning in 2022 wist dat er een geschil bestond over de perceelgrens en wist dat de bouwwerken op het perceel van [persoon 1] stonden. Daarmee treft [persoon 2] in elk geval grove schuld ter zake haar verkrijging, aldus [persoon 1]. [persoon 1] heeft ook aangevoerd dat [verkopers] er door hem op gewezen zijn dat de schutting en carport over de erfgrens geplaatst waren. [verkopers] hebben volgens [persoon 1] bewust over de erfgrens gebouwd zodat er meer ruimte ontstond voor de bestelbus. [verkopers] kunnen kwade trouw althans grove schuld verweten worden: zij wisten bij de bouw of hadden redelijkerwijs moeten weten dat zij op andermans grond bouwden, aldus [persoon 1]. [persoon 2] en [verkopers] betwisten dat er sprake is van kwade trouw en/of grove schuld.
5.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tussen [verkopers] en [persoon 2] gesloten koopovereenkomst van 19 januari 2022 (zie 3.9) en de aanvullende overeenkomst van 22 mei 2022 (zie 3.10) blijkt dat [persoon 2] op de hoogte was van een discussie over de erfgrens. Uit de conclusie van antwoord van [persoon 2] volgt dat deze afspraken zijn gemaakt met het oog op de plaats waar de schutting en de carport waren gebouwd, zodat zij ook daarmee bekend was. Vaststaat echter niet dat [persoon 2] op dat moment op de hoogte was van het feit dat de schutting en de carport inderdaad gedeeltelijk op het perceel van [persoon 1] waren gebouwd. Het relaas van bevindingen van het kadaster dateert van 9 februari 2022 (productie 3 bij dagvaarding). Daarin is opgenomen dat de landmeter van het kadaster op 21 februari 2022 op aanvullend verzoek het hoekpunt in het terrein heeft uitgezet en heeft aangewezen aan [persoon 1] en [verkopers] In de aanvullende overeenkomst is opgenomen dat er een kadastrale in meting heeft plaatsgevonden, maar dat er vermoedelijk voor de overdracht van de woning nog geen definitieve uitkomst zou zijn. Ook wordt vermeld dat er naar aanleiding van de reeds opgestarte gerechtelijke procedure (het geplande kort geding) meer duidelijkheid zal komen over de te ondernemen acties door partijen. De door [persoon 1] gestelde wetenschap bij [persoon 2] kan dan ook niet worden vastgesteld. Bovendien geldt dat zelfs al zou [persoon 2] deze wetenschap van overbouw wel hebben gehad ten tijde van de verkrijging van de woning, dan geldt dat haar geen kwade trouw of grove schuld verweten kan worden als zij meende of mocht menen dat [verkopers] een geslaagd beroep op artikel 5:54 BW toekwam. [persoon 1] heeft de stelling van [persoon 2] dat dit opgaat niet weersproken. De rechtbank concludeert dat [persoon 2] geen kwade trouw of grove schuld van haar verkrijging kan worden verweten, zodat aan alle vereisten voor toepassing van artikel 5:54 BW wordt voldaan.
5.18.
[verkopers] kunnen naar het oordeel van de rechtbank overigens geen kwade trouw of grove schuld ter zake de bouw van de schutting en de carport verweten worden. De schutting en de carport zijn in 2018 geplaatst. Om te beoordelen of [verkopers] kwade trouw of grove schuld ter zake de bouw verweten kunnen worden, is dus relevant hoe de situatie op dat moment was.
5.19.
[persoon 1] stelt dat [verkopers] bewust over de erfgrens hebben gebouwd om meer ruimte te creëren voor de bestelbus. [verkopers] hebben dit betwist. [persoon 1] heeft dit argument op geen enkele manier nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het is dan ook onvoldoende om kwade trouw of grove schuld te onderbouwen. [persoon 1] heeft verder gesteld dat [verkopers] wisten dat zij over de erfgrens hadden gebouwd. In dat kader verwijst [persoon 1] naar de verkoopbrochure van de woning, de in de koopovereenkomst met [persoon 2] opgenomen bepaling en de grens reconstructie door het kadaster van februari 2022. Dit zijn echter allemaal omstandigheden die zich meerdere jaren na de bouw hebben voorgedaan. Er is niet gebleken dat [verkopers] ten tijde van de bouw bewust waren van de erfgrens en daar bewust overheen hebben gebouwd. Uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt dat de erfgrens niet klip en klaar was. Dat blijkt ook uit het feit dat het kadaster er in 2022 aan te pas moest komen, en volgens [persoon 1] is het kadaster op zijn verzoek ook al eerder langs gekomen (hij meent in 2020). Vaststaat dat [persoon 1] toen [verkopers] de schutting gingen plaatsen heeft gezegd om op het eigen perceel te blijven, maar niet staat vast dat [verkopers] dit bewust niet hebben gedaan.
Schadeloosstelling
5.20.
[persoon 2] vordert de schadeloosstelling te bepalen op € 0,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is een schadeloosstelling van € 3.000,00 redelijk, gelet op enerzijds de beperkte omvang en gebruiksmogelijkheden van de strook grond waar het over gaat, maar anderzijds het feit dat [persoon 1] de (onbelaste) eigendom van de strook verliest. De keuze voor overdracht van de strook grond of het vestigen van een erfdienstbaarheid is aan [persoon 1], zoals in de beslissing bepaald. De kosten die daarmee gemoeid zijn komen voor rekening van [persoon 2] (waaronder de kosten van de notaris en voor de inschrijving in de openbare registers).
5.21.
De rechtbank zal aan de veroordeling tot medewerking van [persoon 1] zoals gevorderd een dwangsom verbinden, maar deze beperken tot een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. Gelet op het hierna bepaalde over het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde dwangsom af te wijzen.
Geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis
5.22.
[persoon 1] heeft rechtbank verzocht de uitspraak bij toewijzing van de reconventionele vordering van [persoon 2] niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank gaat hierin mee. De uitvoering van de veroordelingen zoals opgenomen in het vonnis kunnen niet zonder de nodige kosten teruggedraaid worden en bovendien is niet gebleken van de noodzaak om de veroordelingen op korte termijn uit te voeren. [persoon 2] heeft zich ook niet verzet tegen het verzoek van [persoon 1].
Proceskosten
5.23.
Beide partijen zijn op onderdelen in het ongelijk gesteld: [persoon 1] voor wat betreft de vordering tot verwijdering van de overbouw, [persoon 2] en [verkopers] voor wat betreft de schadeloosstelling. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de vrijwaringszaak
5.24.
[persoon 2] legt aan haar vordering in vrijwaring ten grondslag dat [verkopers] contractueel jegens haar verplicht zijn om de veroordeling van [persoon 2] in de hoofdzaak volledig voor hun rekening te nemen. De gemaakte afspraken zijn volgens [persoon 2] duidelijk: expliciet is afgesproken dat [verkopers] verantwoordelijk zijn en blijven voor eventuele noodzakelijke wijzigingen wat betreft de overbouw. Dat betekent datgene uit (laten) voeren en te vergoeden waartoe [persoon 2] in de hoofdzaak eventueel zou worden veroordeeld.
5.25.
Volgens [verkopers] leest [persoon 2] de gemaakte afspraken in de koopovereenkomst en het addendum ten onrechte als een volledige regres garantie. De contractuele bepaling ziet op noodzakelijke aanpassingen, niet op iedere denkbare variant waartoe [persoon 2] later als eigenaar in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden. Partijen hebben een regeling getroffen voor een concrete, toen nog uit te kristalliseren grenskwestie. Dat die kwestie nadien verder is geëscaleerd en feitelijk is veranderd, betekent niet dat de contractuele verplichting van [verkopers] automatisch mee-expandeert. De contractuele afspraak zegt niets over proceskosten van de hoofdzaak, een eventuele schadeloosstelling in verband met legalisering, en niet over dwangsommen of executiekosten die voortvloeien uit de positie van [persoon 2] als huidige eigenaar.
5.26.
De rechtbank is van oordeel dat zowel de bepaling in de koopovereenkomst als die in het addendum duidelijk maken dat [verkopers] verantwoordelijk zijn en ook na overdracht van de woning blijven voor aanpassingen en acties die volgen uit de later vastgestelde overbouw van de schutting en de carport. Juist omdat op het moment van het maken van de afspraken nog niet geheel duidelijk was of en in welke mate er sprake was van overbouw en zo ja, hoe die situatie zich zou moeten oplossen, brengt een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken conform de welbekende Haviltex maatstaf met zich mee dat [verkopers] ten opzichte van [persoon 2] gehouden zijn om de gevolgen van de overbouw voor hun rekening te nemen. Dat houdt ook in de financiële gevolgen van de overbouw. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank zowel uit de tekst van de bepalingen als uit de bedoeling daarachter.
5.27.
Inmiddels is met dit vonnis duidelijk wat de veroordeling in de hoofdzaak inhoudt. [persoon 2] is in de hoofdzaak niet veroordeeld om iets uit te (laten) voeren, maar om te betalen. [persoon 2] is gehouden een schadeloosstelling van € 3.000,00 te betalen en de kosten te dragen die gemoeid zijn met ofwel de overdracht van de strook grond ofwel het vestigen van een erfdienstbaarheid. [verkopers] zijn gehouden deze bedragen aan [persoon 2] te vergoeden. De rechtbank wijst de vordering van [persoon 2] in vrijwaring die op deze situatie ziet toe.
Proceskosten
5.28.
[verkopers] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De kosten worden aan de kant van [persoon 2] begroot op:
dagvaarding € 147,41
salaris advocaat € 1.108,00 (2 punten x tarief € 554,00)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.444,41
5.29.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
5.30.
De rechtbank verklaart dit vonnis in vrijwaring voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De veroordeling om te voldoen dat wat [persoon 2] jegens [persoon 1] verschuldigd wordt, wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de hoofdzaak wordt op dit punt ook geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring uitgesproken.
6De beslissing
in de hoofdzaak
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen af,
in voorwaardelijke reconventie
6.2.
veroordeelt [persoon 1] om op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00 op kosten van [persoon 2] zijn medewerking te verlenen aan:(a) de verkoop (overdracht eigendom) van de strook aan [persoon 2], of(b) de vestiging van een recht van erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel van [persoon 2] (artikel 5:54 BW), waarbij wordt bepaald dat [persoon 2] de geplaatste schutting en carport mag handhaven op de strook,
6.3.
bepaalt dat [persoon 1] binnen drie maanden na dit vonnis zijn keuze moet maken (verkoop of erfdienstbaarheid), bij gebreke waarvan hij wordt geacht te hebben gekozen voor een erfdienstbaarheid,
6.4.
veroordeelt [persoon 2] € 3.000,00 te betalen aan [persoon 1] als schadeloosstelling in de zin van artikel 5:54 BW,
in conventie en voorwaardelijke reconventie
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de vrijwaringszaak
6.7.
veroordeelt [verkopers] om aan [persoon 2] te voldoen al datgene waartoe zij in de hoofdzaak jegens [persoon 1] is veroordeeld,
6.8.
veroordeelt [verkopers] in de proceskosten van € 1.444,41, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verkopers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
veroordeelt [verkopers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.10.
wijst af het meer of anders gevorderde,
6.11.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de daarin opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 16 september 2026
Zaaknummer: C/02/438746 / HA ZA 25-458 (hoofdzaak)
in de zaak van
[persoon 1]
,
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1],
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput,
tegen
[persoon 2]
,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. K.W. Janssen,
en
1
[verkoper 1],
te [plaats],2. [verkoper 2],
te [plaats],
gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2],
hierna samen te noemen: [verkopers],
advocaat: mr. N. Weel.
en in zaaknummer: C/02/442800 / HA ZA 25-667 (vrijwaring)
in de zaak van
[persoon 2]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. K.W. Janssen,
tegen
1. [verkoper 1],
te [plaats],2. [verkoper 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [verkopers],
advocaat: mr. N. Weel.
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon 1] en [persoon 2] zijn buren van elkaar. [persoon 2] heeft haar woning gekocht van [verkopers] Het geschil gaat over een door [verkopers] geplaatste schutting en carport met dakgoot. De schutting en carport staan gedeeltelijk over de erfgrens. [persoon 1] vordert verwijdering van de schutting en carport van zijn grond. [persoon 2] en [verkopers] vinden dat de vordering moet worden afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. [persoon 2] vordert in reconventie medewerking van [persoon 1] aan overdracht van het stukje grond of het vestigen van een erfdienstbaarheid tegen een schadeloosstelling van € 0,00. Volgens [persoon 1] moet deze vordering worden afgewezen, omdat niet voldaan wordt aan de vereisten van artikel 5:54 BW. [persoon 2] vordert in vrijwaring veroordeling van [verkopers] om uit te voeren en te betalen waartoe zij in hoofdzaak zou worden veroordeeld. Volgens [verkopers] bestaat hier geen grond voor op basis van de tussen hen gemaakte afspraken, zodat de vordering in vrijwaring moet worden afgewezen.
1.2.
De rechtbank wijst de vordering van [persoon 1] tot verwijdering van de schutting en carport af op grond van misbruik van bevoegdheid. De reconventionele vordering van [persoon 2] wordt toegewezen, waarbij de schadeloosstelling wordt bepaald op € 3.000,00. [verkopers] zijn ten opzichte van [persoon 2] gehouden om dit bedrag te betalen. Dit vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.3.
Dit oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.
2De procedure
in de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord, en voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 20,
de incidentele conclusie tot voeging ex art. 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met producties 1 tot en met 4,
de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring van [persoon 1],
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [persoon 1],
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [persoon 2],
het vonnis in incident van 5 november 2025, waarin de oproeping in vrijwaring en de voeging zijn toegestaan,
de conclusie van antwoord in hoofdzaak van [verkopers],
de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens aanvulling grondslag eis in conventie met productie 11,
de brief van 2 april 2026 van de advocaat van [verkopers], met als bijlage 7 foto’s,
de spreekaantekeningen van de advocaat van [verkopers] en van de advocaat van [persoon 2], zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen.
in de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringzaak blijkt uit:
de dagvaarding in vrijwaring met producties 1 tot en met 11,
de conclusie van antwoord in vrijwaring met producties 1 tot en met 5,
de spreekaantekeningen van de advocaat van [verkopers] en van de advocaat van [persoon 2], zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen.
in beide zaken
2.3.
De rechter en griffier hebben de situatie ter plaatse op 8 april 2026 in aanwezigheid van partijen bekeken. Aansluitend heeft de mondelinge behandeling van zowel de hoofdzaak als de zaak in vrijwaring plaatsgevonden op de rechtbank. Het proces-verbaal van de descente en de mondelinge behandeling behoort tot de processtukken in beide zaken.
2.4.
Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling gevraagd om een aanhouding om te bekijken of zij alsnog onderling tot een oplossing konden komen. Dit is niet gelukt, waarna de rechtbank heeft bepaald dat er vonnis zou worden gewezen.
3De feiten
3.1.
[persoon 1] is sinds 1997 eigenaar van de woning aan [adres 1].
3.2.
[verkopers] hebben de woning aan [adres 1] in 2018 gekocht. [verkopers] hebben de woning in 2022 verkocht aan [persoon 2]. [persoon 2] is sinds 3 juni 2022 eigenaar van de woning.
3.3.
[verkopers] hebben in 2018 de bestaande schutting vervangen door een nieuwe schutting. Ook hebben zij een carport geplaatst. De carport heeft een dakgoot.
3.4.
[persoon 1] heeft [verkopers] begin 2022 gevraagd om de schutting en de carport met dakgoot te verwijderen dan wel te verplaatsen, omdat deze volgens [persoon 1] over de erfgrens waren geplaatst.
3.5.
[verkopers] hebben het kadaster gevraagd om een grensreconstructie uit te voeren. Dit is gebeurd op 9 februari 2022.
3.6.
De schutting en de carport staan over een lengte van 16 meter voor 10 cm op het perceel van [persoon 1] (waar hierna wordt verwezen naar ‘de strook’ wordt gedoeld op dit deel van het perceel van [persoon 1]). De carport heeft een dakgoot die verder dan deze 10 cm overhangt boven het perceel van [persoon 1]. De dakgoot is lek en veroorzaakt wateroverlast op het erf van [persoon 1].
3.7.
[verkopers] en (de advocaat van) [persoon 1] hebben in april en mei 2022 gecorrespondeerd over de kwestie, maar zijn niet tot een oplossing gekomen.
3.8.
[persoon 1] heeft een kort geding aanhangig gemaakt dat zou worden behandeld op 8 juni 2022. Het kort geding is ingetrokken toen bleek dat de woning op 3 juni 2022 was geleverd aan [persoon 2].
3.9.
In de koopovereenkomst van 19 januari 2022 tussen [persoon 2] en [verkopers] ter zake de woning is in artikel 22 bepaald:
“Vóór de eigendomsoverdracht zal de grens tussen [adres 1] en [adres 2] door het kadaster ingemeten worden. Indien er afwijkingen geconstateerd worden en aanpassingen nodig blijken te zijn, is dit voor rekening van verkoper.”
3.10.
Op 18 mei 2022 hebben [persoon 2] en [verkopers] een aanvullende overeenkomst bij de koopovereenkomst gesloten waarin is bepaald:
“Zoals omschreven in artikel 22 van de op 19 januari 2022 getekende koopovereenkomst, zal de verkoper de eventuele noodzakelijke aanpassingen naar aanleiding van de reeds uitgevoerde
kadastrale inmeting voor zijn rekening nemen.
Inmiddels heeft de kadastrale inmeting plaatsgevonden, maar zal er vermoedelijk voor de overdracht
welke gepland staat op 03 juni 2022 nog geen definitieve uitkomst zijn.
Naar aanleiding van een reeds opgestarte gerechtelijke procedure zal er meer duidelijkheid komen
over de te ondernemen acties door partijen. Hiervoor blijft de verkoper verantwoordelijk, voor het
geval hij actie(s) dient te ondernemen, ook wanneer de overdracht van de woning heeft
plaatsgevonden.”
3.11.
[persoon 1] heeft [persoon 2] na de overdracht van de woning aan haar gevraagd om zorg te dragen voor het verplaatsen van de schutting en de carport.
3.12.
[bedrijf] (‘[bedrijf]’) heeft op 8 juli 2023 een offerte uitgebracht aan [persoon 2] voor het vermaken van de carport en het verplaatsen van de schutting. [bedrijf] heeft voor deze werkzaamheden een bedrag van € 8.356,26 inclusief btw geoffreerd.
3.13.
[persoon 1] heeft in oktober 2023 leibomen geplant op zijn perceel. De bomen zijn in een rij geplaatst langs de erfafscheiding, ter hoogte van de schutting.
3.14.
De gemachtigde van [persoon 2] heeft [verkopers] bij brief van 8 november 2023 gesommeerd om de schutting en de carport binnen vier weken op hun kosten te laten verplaatsen naar het perceel van [persoon 2].
3.15.
[verkopers] hebben op 16 november 2023 per e-mail laten weten dat de kwestie voor hen is afgesloten. Volgens [verkopers] zou conform de op 18 mei 2022 gemaakte afspraken alleen sprake kunnen zijn van een verplichting tot herstel voor hen in geval van een procedure. Het betreffende kort geding dat plaats zou vinden is echter ingetrokken door [persoon 1].
3.16.
Nader overleg tussen [persoon 2] en [verkopers] heeft er in februari 2024 toe geleid dat [verkopers] aan [persoon 2] hebben toegezegd dat zij bereid zijn om de schutting en de carport te verplaatsen op hun kosten.
3.17.
De kosten voor het vermaken van de carport en het verplaatsen van de schutting waren inmiddels verhoogd. Uit de offerte van [bedrijf] van 31 januari 2024 volgt dat de werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 19.611,68 inclusief btw konden worden uitgevoerd. De kostenverhoging werd veroorzaakt door de noodzaak om keerwanden te plaatsen, vanwege het feit dat [persoon 1] de grond verder had afgegraven aan zijn kant van de perceelsgrens bij het plaatsen van de bomen. De grond is gelijkgemaakt met de oprit van [persoon 1].
3.18.
Nader overleg met [bedrijf] heeft ertoe geleid dat de aanvullende kosten die het gevolg waren van de werkzaamheden van [persoon 1] op een bedrag van € 7.000,00 zouden worden gehouden. [persoon 1] toonde zich aanvankelijk bereid om voor de helft bij te dragen in deze kosten, maar trok deze bereidheid later in. [persoon 2] heeft vervolgens aangegeven het volledige bedrag van € 7.000,00 (voorlopig) voor haar rekening te nemen om de discussie te kunnen sluiten.
3.19.
[bedrijf] zou op 21 oktober 2024 starten met de werkzaamheden, die vervolgens medio november 2024 zouden zijn afgerond.
3.20.
[bedrijf] is op 21 oktober 2024 ter plaatse geweest om met zijn werkzaamheden te beginnen. [bedrijf] heeft aangegeven de werkzaamheden niet voor de geoffreerde prijs te kunnen uitvoeren, omdat hem ter plaatse bleek dat er inmiddels door [persoon 1] een grote carport was geplaatst tot dicht op de erfafscheiding. Dit maakte het volgens [bedrijf] onmogelijk om werkzaamheden uit te voeren vanaf het perceel van [persoon 1], waarop de offerte wel was gebaseerd. Ook werd door de geplaatste carport noodzakelijk dat de betonnen keerwanden in plaats van met een kleine kraan met een zeer grote kraan moesten worden geplaatst. [bedrijf] heeft aangegeven dat de meerprijs voor de extrawerkzaamheden, materieel en arbeid naar schatting zullen uitkomen op een bedrag van € 1.965,00 inclusief btw.
3.21.
Bij brief van 23 januari 2025 heeft [persoon 2] aan [persoon 1] laten weten dat geen van partijen bereid is gevonden om de meerprijs te dragen en dat [bedrijf] zich inmiddels volledig heeft teruggetrokken en niet langer bereid is om het werk uit te voeren.
3.22.
De advocaat van [persoon 1] heeft per e-mail van 17 februari 2025 aan de gemachtigde van [persoon 2] laten weten bezig te zijn met het voorbereiden van een kort geding. Op 16 juni 2025 volgt het bericht dat [persoon 1] gekozen had voor een bodemprocedure. De dagvaarding is uiteindelijk op 15 juli 2025 aan [persoon 2] betekend.
4Het geschil
in de hoofdzaak
de vorderingen van [persoon 1] en het verweer daartegen (conventie)
4.1.
[persoon 1] vordert – samengevat – dat de rechtbank:
I. [persoon 2] veroordeelt om de schutting en de carport met goot binnen 14 dagen na het vonnis te verwijderen van zijn grond, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00,
II. [persoon 1] toestaat de onder I genoemde werkzaamheden zelf uit te (laten) voeren op kosten van [persoon 2] indien de werkzaamheden niet binnen vier weken na het vonnis zijn uitgevoerd,
III. [persoon 2] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[persoon 1] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [persoon 1] het vonnis ook direct ten uitvoer wil kunnen leggen indien [persoon 2] in hoger beroep gaat.
4.3.
[persoon 2] en [verkopers] (als gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2]) voeren verweer. [persoon 2] en [verkopers] vinden samengevat dat [persoon 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten.
de voorwaardelijke tegenvordering van [persoon 2] en het verweer daartegen (voorwaardelijke reconventie)
4.4.
[persoon 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank, indien in conventie komt vast te staan dat sprake is van onrechtmatige overbouw, [persoon 1] bij vonnis veroordeelt om medewerking te verlenen aan het legaliseren van de situatie door overdracht van de grond of vestiging van een erfdienstbaarheid ten behoeve van [persoon 2] tegen een schadeloosstelling van € 0,00, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 15.000,00. [persoon 2] vordert ook een veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten. [verkopers] (als gevoegde partijen aan de zijde van [persoon 2]) ondersteunen het standpunt van [persoon 2] in reconventie.
4.5.
[persoon 2] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
4.6.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [persoon 2] in de proceskosten.
in de vrijwaringszaak
4.7.
[persoon 2] vordert – samengevat – dat rechtbank [verkopers] veroordeelt om uit te (laten) voeren en te voldoen datgene, waartoe [persoon 2] in de hoofdzaak jegens [persoon 1] mocht worden veroordeeld, inclusief een kostenveroordeling. [persoon 2] vordert dat de rechtbank [verkopers] veroordeelt van de kosten van de procedure in vrijwaring, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.8.
[verkopers] voeren verweer. [verkopers] vinden dat [persoon 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat haar vorderingen moeten worden afgewezen. Indien de vordering in de hoofdzaak van [persoon 1] wordt toegewezen en de rechtbank in de vrijwaring voorbijgaat aan de verweren van [verkopers], vorderen [verkopers] strikte begrenzing van de vrijwaring tot de uitvoering/kosten zoals opgenomen in de offerte van [bedrijf] van 8 juli 2023, zonder dwangsom. [verkopers] concluderen tot veroordeling van [persoon 2] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4.9.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling van de hoofdzaak en de vrijwaringzaak in op de relevante stellingen die partijen in het kader van hun vorderingen en het verweer daartegen naar voren hebben gebracht.
5De beoordeling
in de hoofdzaak
conventie
5.1.
Vaststaat dat de door [verkopers] geplaatste schutting en de carport over een lengte van 16 meter voor 10 cm over de erfgrens en dus op het perceel van [persoon 1] zijn geplaatst. De aan de carport bevestigde dakgoot helt nog verder over boven het perceel van [persoon 1]. Partijen zijn het daarover eens. Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat iemand op een zaak kan hebben. Door de schutting en de carport voor een deel op het perceel van [persoon 1] te plaatsen, hebben [verkopers] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [persoon 1]. Dit is onrechtmatig. [persoon 1] kan dan ook in beginsel aanspraak maken op verwijdering van het deel van de schutting en de carport dat de erfgrens overschrijdt.
5.2.
Dit is anders als het beroep van [persoon 2] en [verkopers] op misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit aan de orde is, zodat de vordering van [persoon 1] wordt afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
Er is sprake van misbruik van bevoegdheid
5.3.
Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Van misbruik is volgens lid 2 van het artikel sprake als een bevoegdheid wordt uitgeoefend:
met geen ander doel dan een ander te schaden;
met een ander doel dan waarvoor zij is verleend; of
als men in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, gelet op het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad.
5.4.
[persoon 2] en [verkopers] beroepen zich gemotiveerd op de eerste en de derde genoemde categorie van misbruik. [persoon 1] voert verweer.
5.5.
Anders dan [persoon 2] en [verkopers], ziet de rechtbank niet dat [persoon 1] geen ander doel voor ogen heeft dan het schaden van [persoon 2] dan wel [verkopers] De eerste categorie is niet van toepassing. De rechtbank is wel van oordeel dat er een onevenredigheid in belangen bestaat, zodanig dat [persoon 1] in redelijkheid niet kan afdwingen dat [persoon 2] de schutting en carport verwijdert van zijn grond.
5.6.
De discussie over de overbouw van de schutting en de carport wordt in ieder geval sinds 2022 tussen partijen gevoerd. In 2024 komt er uiteindelijk een toezegging van [persoon 2] dat de schutting en carport zodanig worden aangepast/verplaatst dat deze niet langer op het perceel van [persoon 1] zullen staan. Dat het zolang heeft geduurd om tot dat punt te komen, is niet aan één partij te wijten. Alle partijen hebben een aandeel in het gebrek aan spoedige voortgang in de discussie, zo blijkt wat de rechtbank betreft uit de in het geding gebrachte correspondentie.
5.7.
Uiteindelijk komt het dus in 2024 tot het punt dat tegemoet zal worden gekomen aan de eis van [persoon 1]. [bedrijf] komt op 21 oktober 2024 ter plaatse om de werkzaamheden uit te voeren. De kosten van de werkzaamheden zijn op dat moment al toegenomen met een bedrag van € 7.000,00 ten opzichte van de eerste offerte van [bedrijf]. Deze prijsstijging is veroorzaakt doordat [persoon 1] leibomen langs de erfafscheiding heeft geplant en daarbij de grond heeft afgegraven, hetgeen de plaatsing van keerwanden noodzakelijk maakt. Tijdens de plaatsopneming en mondelinge behandeling heeft [persoon 1] aangegeven dat de grond eerst schuin afliep vanaf het perceel van [persoon 2] richting [persoon 1] en dat er zo’n 80 cm is afgegraven. [persoon 2] toont zich bereid om de extra kosten te dragen (en deze vervolgens mee te nemen in de discussie met [verkopers] over de draagplicht voor de kosten).
5.8.
Dat het vervolgens toch niet tot uitvoering van de werkzaamheden komt in oktober/november 2024, komt doordat [persoon 1] inmiddels een carport heeft gerealiseerd. De rechtbank heeft tijdens de plaatsopneming geconstateerd dat het om een grote carport gaat die dicht op de erfgrens is gebouwd. [bedrijf] kan daardoor op 21 oktober 2024 niet aan de slag, omdat de carport maakt dat hij de werkzaamheden niet langer kan uitvoeren op de manier zoals dat wel zonder de carport kon. Het komt niet tot een nieuwe opdracht aan [bedrijf], omdat niemand de prijsstijging die gemoeid is met de gewijzigde situatie wil dragen.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] door de carport te plaatsen voordat de geplande werkzaamheden aan de schutting en carport van [persoon 2] waren afgerond (en hij zou krijgen wat hij wilde), een situatie heeft laten ontstaan waarin de belangenafweging in zodanige mate richting [persoon 2] uitslaat dat van misbruik van bevoegdheid sprake is door alsnog verwijdering af te willen dwingen.
5.10.
Het uitvoeren van de werkzaamheden is verder bemoeilijkt: er moet inmiddels een grote kraan aan te pas komen. De werkzaamheden hebben dan ook de nodige voeten in de aarde voor [persoon 2]. Er hangt een nog groter prijskaartje voor [persoon 2] aan verwijdering van de schutting en de carport. Het bedrag dat inmiddels gemoeid is met de werkzaamheden is meer dan verdubbeld en staat niet meer in verhouding tot de strook grond waar het over gaat. Deze strook is relatief klein (1,6 m²), zeker in verhouding tot het totale perceeloppervlak van [persoon 1] (545 m²). Ook het gebruik dat van de strook grond gemaakt kan worden is door het plaatsen van de carport en eerder al het plaatsen van de leibomen te verwaarlozen. De loze ruimte die zich nu bevindt tussen de carport en leibomen enerzijds en de schutting en carport van [persoon 2] anderzijds zou enkel toenemen met een strook van 10 cm breed. De leibomen en carport van [persoon 1] zullen niet worden verplaatst. [persoon 1] heeft aangevoerd dat herstel van de grens tot minder overlast zou leiden, omdat nu het regenwater dat op het dak van de carport valt wordt afgevoerd via het perceel van [persoon 1]. Dit geeft extra zand en water op het perceel van [persoon 1]. De afwatering is echter een probleem dat sowieso door [persoon 2] moet worden opgelost, los van de plaats van de schutting en carport. Ook heeft [persoon 1] genoemd dat niet gezorgd is voor een mooie afwerking van de schutting en carport aan de zichtzijde van [persoon 1]. Ook dit staat los van de plaats van de schutting en carport en zijn daarmee geen rechtens te respecteren belangen in het kader van de belangenafweging van artikel 3:13 BW. [persoon 1] heeft aan het slot van de mondelinge behandeling gesteld dat zijn belang behoud van zijn eigendom is. Anders dan [persoon 2] en [verkopers] stellen is dit wel een belang dat meeweegt aan de kant van [persoon 1], maar is het in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.
5.11.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [persoon 1] tot verwijdering van de schutting en carport wordt afgewezen.
5.12.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat [persoon 2] op de kortst mogelijke termijn uit eigen beweging overgaat tot aanpassing of herstel van de dakgoot, zodanig dat de afwatering plaatsvindt op haar eigen perceel, waarbij de dakgoot zich niet of zo min mogelijk boven het perceel van [persoon 1] bevindt. Deze verplichting heeft zij op grond van artikel 5:52 BW.
voorwaardelijke reconventie
5.13.
[persoon 2] heeft in voorwaardelijke reconventie een beroep gedaan op artikel 5:54 BW. Zij heeft haar vordering tot (kort gezegd) legalisatie van de bestaande situatie ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie vaststelt dat sprake is van een onrechtmatige overbouwsituatie.
Het beroep op artikel 5:54 BW slaagt
5.14.
Op grond van artikel 5:54 lid 1 BW kan in dit geval [persoon 2] tegen betaling van een schadevergoeding het volgende vorderen van in dit geval [persoon 1]: (i) overdracht van het betrokken perceelgedeelte of (ii) de vestiging van een erfdienstbaarheid tot behoud van de bestaande toestand. Artikel 5:54 lid 1 en 3 BW stellen als voorwaarden voor een geslaagd beroep (a) dat [persoon 2] door wegneming van de overbouw onevenredig veel zwaarder benadeeld wordt dan [persoon 1] door handhaving daarvan en (b) dat [persoon 2] geen kwade trouw en/of grove schuld ter zake de verkrijging kan worden verweten.
5.15.
Voor wat betreft de voorwaarde onder (a) verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in conventie in rechtsoverweging 5.10. Met dezelfde motivering komt de rechtbank in reconventie tot het oordeel dat [persoon 2] onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld door verwijdering van de schutting en carport dan [persoon 1] door handhaving van de bestaande situatie. Aan deze eerste voorwaarde wordt dus voldaan.
5.16.
[persoon 1] heeft betoogd dat [persoon 2] bij aankoop van de woning in 2022 wist dat er een geschil bestond over de perceelgrens en wist dat de bouwwerken op het perceel van [persoon 1] stonden. Daarmee treft [persoon 2] in elk geval grove schuld ter zake haar verkrijging, aldus [persoon 1]. [persoon 1] heeft ook aangevoerd dat [verkopers] er door hem op gewezen zijn dat de schutting en carport over de erfgrens geplaatst waren. [verkopers] hebben volgens [persoon 1] bewust over de erfgrens gebouwd zodat er meer ruimte ontstond voor de bestelbus. [verkopers] kunnen kwade trouw althans grove schuld verweten worden: zij wisten bij de bouw of hadden redelijkerwijs moeten weten dat zij op andermans grond bouwden, aldus [persoon 1]. [persoon 2] en [verkopers] betwisten dat er sprake is van kwade trouw en/of grove schuld.
5.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tussen [verkopers] en [persoon 2] gesloten koopovereenkomst van 19 januari 2022 (zie 3.9) en de aanvullende overeenkomst van 22 mei 2022 (zie 3.10) blijkt dat [persoon 2] op de hoogte was van een discussie over de erfgrens. Uit de conclusie van antwoord van [persoon 2] volgt dat deze afspraken zijn gemaakt met het oog op de plaats waar de schutting en de carport waren gebouwd, zodat zij ook daarmee bekend was. Vaststaat echter niet dat [persoon 2] op dat moment op de hoogte was van het feit dat de schutting en de carport inderdaad gedeeltelijk op het perceel van [persoon 1] waren gebouwd. Het relaas van bevindingen van het kadaster dateert van 9 februari 2022 (productie 3 bij dagvaarding). Daarin is opgenomen dat de landmeter van het kadaster op 21 februari 2022 op aanvullend verzoek het hoekpunt in het terrein heeft uitgezet en heeft aangewezen aan [persoon 1] en [verkopers] In de aanvullende overeenkomst is opgenomen dat er een kadastrale in meting heeft plaatsgevonden, maar dat er vermoedelijk voor de overdracht van de woning nog geen definitieve uitkomst zou zijn. Ook wordt vermeld dat er naar aanleiding van de reeds opgestarte gerechtelijke procedure (het geplande kort geding) meer duidelijkheid zal komen over de te ondernemen acties door partijen. De door [persoon 1] gestelde wetenschap bij [persoon 2] kan dan ook niet worden vastgesteld. Bovendien geldt dat zelfs al zou [persoon 2] deze wetenschap van overbouw wel hebben gehad ten tijde van de verkrijging van de woning, dan geldt dat haar geen kwade trouw of grove schuld verweten kan worden als zij meende of mocht menen dat [verkopers] een geslaagd beroep op artikel 5:54 BW toekwam. [persoon 1] heeft de stelling van [persoon 2] dat dit opgaat niet weersproken. De rechtbank concludeert dat [persoon 2] geen kwade trouw of grove schuld van haar verkrijging kan worden verweten, zodat aan alle vereisten voor toepassing van artikel 5:54 BW wordt voldaan.
5.18.
[verkopers] kunnen naar het oordeel van de rechtbank overigens geen kwade trouw of grove schuld ter zake de bouw van de schutting en de carport verweten worden. De schutting en de carport zijn in 2018 geplaatst. Om te beoordelen of [verkopers] kwade trouw of grove schuld ter zake de bouw verweten kunnen worden, is dus relevant hoe de situatie op dat moment was.
5.19.
[persoon 1] stelt dat [verkopers] bewust over de erfgrens hebben gebouwd om meer ruimte te creëren voor de bestelbus. [verkopers] hebben dit betwist. [persoon 1] heeft dit argument op geen enkele manier nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het is dan ook onvoldoende om kwade trouw of grove schuld te onderbouwen. [persoon 1] heeft verder gesteld dat [verkopers] wisten dat zij over de erfgrens hadden gebouwd. In dat kader verwijst [persoon 1] naar de verkoopbrochure van de woning, de in de koopovereenkomst met [persoon 2] opgenomen bepaling en de grens reconstructie door het kadaster van februari 2022. Dit zijn echter allemaal omstandigheden die zich meerdere jaren na de bouw hebben voorgedaan. Er is niet gebleken dat [verkopers] ten tijde van de bouw bewust waren van de erfgrens en daar bewust overheen hebben gebouwd. Uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt dat de erfgrens niet klip en klaar was. Dat blijkt ook uit het feit dat het kadaster er in 2022 aan te pas moest komen, en volgens [persoon 1] is het kadaster op zijn verzoek ook al eerder langs gekomen (hij meent in 2020). Vaststaat dat [persoon 1] toen [verkopers] de schutting gingen plaatsen heeft gezegd om op het eigen perceel te blijven, maar niet staat vast dat [verkopers] dit bewust niet hebben gedaan.
Schadeloosstelling
5.20.
[persoon 2] vordert de schadeloosstelling te bepalen op € 0,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is een schadeloosstelling van € 3.000,00 redelijk, gelet op enerzijds de beperkte omvang en gebruiksmogelijkheden van de strook grond waar het over gaat, maar anderzijds het feit dat [persoon 1] de (onbelaste) eigendom van de strook verliest. De keuze voor overdracht van de strook grond of het vestigen van een erfdienstbaarheid is aan [persoon 1], zoals in de beslissing bepaald. De kosten die daarmee gemoeid zijn komen voor rekening van [persoon 2] (waaronder de kosten van de notaris en voor de inschrijving in de openbare registers).
5.21.
De rechtbank zal aan de veroordeling tot medewerking van [persoon 1] zoals gevorderd een dwangsom verbinden, maar deze beperken tot een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. Gelet op het hierna bepaalde over het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde dwangsom af te wijzen.
Geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis
5.22.
[persoon 1] heeft rechtbank verzocht de uitspraak bij toewijzing van de reconventionele vordering van [persoon 2] niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank gaat hierin mee. De uitvoering van de veroordelingen zoals opgenomen in het vonnis kunnen niet zonder de nodige kosten teruggedraaid worden en bovendien is niet gebleken van de noodzaak om de veroordelingen op korte termijn uit te voeren. [persoon 2] heeft zich ook niet verzet tegen het verzoek van [persoon 1].
Proceskosten
5.23.
Beide partijen zijn op onderdelen in het ongelijk gesteld: [persoon 1] voor wat betreft de vordering tot verwijdering van de overbouw, [persoon 2] en [verkopers] voor wat betreft de schadeloosstelling. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de vrijwaringszaak
5.24.
[persoon 2] legt aan haar vordering in vrijwaring ten grondslag dat [verkopers] contractueel jegens haar verplicht zijn om de veroordeling van [persoon 2] in de hoofdzaak volledig voor hun rekening te nemen. De gemaakte afspraken zijn volgens [persoon 2] duidelijk: expliciet is afgesproken dat [verkopers] verantwoordelijk zijn en blijven voor eventuele noodzakelijke wijzigingen wat betreft de overbouw. Dat betekent datgene uit (laten) voeren en te vergoeden waartoe [persoon 2] in de hoofdzaak eventueel zou worden veroordeeld.
5.25.
Volgens [verkopers] leest [persoon 2] de gemaakte afspraken in de koopovereenkomst en het addendum ten onrechte als een volledige regres garantie. De contractuele bepaling ziet op noodzakelijke aanpassingen, niet op iedere denkbare variant waartoe [persoon 2] later als eigenaar in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden. Partijen hebben een regeling getroffen voor een concrete, toen nog uit te kristalliseren grenskwestie. Dat die kwestie nadien verder is geëscaleerd en feitelijk is veranderd, betekent niet dat de contractuele verplichting van [verkopers] automatisch mee-expandeert. De contractuele afspraak zegt niets over proceskosten van de hoofdzaak, een eventuele schadeloosstelling in verband met legalisering, en niet over dwangsommen of executiekosten die voortvloeien uit de positie van [persoon 2] als huidige eigenaar.
5.26.
De rechtbank is van oordeel dat zowel de bepaling in de koopovereenkomst als die in het addendum duidelijk maken dat [verkopers] verantwoordelijk zijn en ook na overdracht van de woning blijven voor aanpassingen en acties die volgen uit de later vastgestelde overbouw van de schutting en de carport. Juist omdat op het moment van het maken van de afspraken nog niet geheel duidelijk was of en in welke mate er sprake was van overbouw en zo ja, hoe die situatie zich zou moeten oplossen, brengt een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken conform de welbekende Haviltex maatstaf met zich mee dat [verkopers] ten opzichte van [persoon 2] gehouden zijn om de gevolgen van de overbouw voor hun rekening te nemen. Dat houdt ook in de financiële gevolgen van de overbouw. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank zowel uit de tekst van de bepalingen als uit de bedoeling daarachter.
5.27.
Inmiddels is met dit vonnis duidelijk wat de veroordeling in de hoofdzaak inhoudt. [persoon 2] is in de hoofdzaak niet veroordeeld om iets uit te (laten) voeren, maar om te betalen. [persoon 2] is gehouden een schadeloosstelling van € 3.000,00 te betalen en de kosten te dragen die gemoeid zijn met ofwel de overdracht van de strook grond ofwel het vestigen van een erfdienstbaarheid. [verkopers] zijn gehouden deze bedragen aan [persoon 2] te vergoeden. De rechtbank wijst de vordering van [persoon 2] in vrijwaring die op deze situatie ziet toe.
Proceskosten
5.28.
[verkopers] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De kosten worden aan de kant van [persoon 2] begroot op:
dagvaarding € 147,41
salaris advocaat € 1.108,00 (2 punten x tarief € 554,00)
nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.444,41
5.29.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
5.30.
De rechtbank verklaart dit vonnis in vrijwaring voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De veroordeling om te voldoen dat wat [persoon 2] jegens [persoon 1] verschuldigd wordt, wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de hoofdzaak wordt op dit punt ook geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring uitgesproken.
6De beslissing
in de hoofdzaak
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen af,
in voorwaardelijke reconventie
6.2.
veroordeelt [persoon 1] om op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00 op kosten van [persoon 2] zijn medewerking te verlenen aan:(a) de verkoop (overdracht eigendom) van de strook aan [persoon 2], of(b) de vestiging van een recht van erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel van [persoon 2] (artikel 5:54 BW), waarbij wordt bepaald dat [persoon 2] de geplaatste schutting en carport mag handhaven op de strook,
6.3.
bepaalt dat [persoon 1] binnen drie maanden na dit vonnis zijn keuze moet maken (verkoop of erfdienstbaarheid), bij gebreke waarvan hij wordt geacht te hebben gekozen voor een erfdienstbaarheid,
6.4.
veroordeelt [persoon 2] € 3.000,00 te betalen aan [persoon 1] als schadeloosstelling in de zin van artikel 5:54 BW,
in conventie en voorwaardelijke reconventie
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de vrijwaringszaak
6.7.
veroordeelt [verkopers] om aan [persoon 2] te voldoen al datgene waartoe zij in de hoofdzaak jegens [persoon 1] is veroordeeld,
6.8.
veroordeelt [verkopers] in de proceskosten van € 1.444,41, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verkopers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
veroordeelt [verkopers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.10.
wijst af het meer of anders gevorderde,
6.11.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de daarin opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.