Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8752
2026-09-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/433977 / HA ZA 25-192 en C/02/433979 HA ZA 25-193 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voeging van zaken, nakoming van geldleningsovereenkomst.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1981:AG4158 Hoge Raad 13-03-1981
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (59.051 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummers: C/02/433977 / HA ZA 25-192 en C/02/433979 HA ZA 25-193
Vonnis in gevoegde zaken van 9 september 2026
in de zaak met zaaknummer C/02/433977 / HA ZA 25-192 van
[B.V. 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars,
tegen
[B.V. 2]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [B.V. 2] ,
advocaat: mr. J. van Boekel,
en in de zaak met zaaknummer C/02/433979 HA ZA 25-193 van
[B.V. 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars,
tegen
[B.V. 3]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: [B.V. 3] ,
advocaat: mr. J. van Boekel.
1De zaken in het kort
1.1.
Aanleiding voor de geschillen is de overname van het bedrijf van [vader] door zijn [zoon] . Beide zijn bestuurder van hun eigen bv, [vader] van [B.V. 1] en [zoon] van [B.V. 3] . In 2023 heeft [B.V. 1] 95% van haar aandelen in [B.V. 2] verkocht aan [B.V. 3] . Omdat [B.V. 3] de koopprijs niet kon betalen heeft [B.V. 1] een lening verstrekt aan [B.V. 3] . Tot zekerheid van de terugbetaling van de lening is in de geldleningsovereenkomst opgenomen dat [B.V. 1] pandrechten verkrijgt. [B.V. 1] vordert nakoming van de geldleningsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja welke pandrechten [B.V. 1] heeft verkregen. Ook zijn er nog andere geschillen tussen partijen ontstaan.
1.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van [B.V. 1] tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] grotendeels toe. [B.V. 2] moet de schuld uit de rekening-courantverhouding aan [B.V. 1] betalen en [B.V. 3] de schuld uit de geldleningsovereenkomst. Ook zijn zij gehouden tot het vestigen van de overeengekomen pandrechten. Bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst mocht [B.V. 1] er namelijk van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] handelde. De rechtbank baseert dit oordeel op de tekst van de geldleningsovereenkomst, de opmaak van de laatste pagina van de geldlening en de bedoeling van partijen. Het oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ uitgelegd. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis, is de beoordeling van de vorderingen per onderwerp gerangschikt.
2De procedure
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van [B.V. 1] met producties 1 t/m 7,
de akte van [B.V. 1] met producties 8 en 9,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering(en) en (eis in reconventie van [B.V. 3] ) met producties 1 t/m 3,
de conclusie van antwoord in incident en reactie op het verweer van [B.V. 2] in de hoofdzaak en tevens conclusie van aanpassing eis van [B.V. 1] , met producties 10 en 11,
het vonnis in het voegingsincident van 24 september 2025, waarin is beslist dat de zaken met nummers 433977 en 433979 worden gevoegd,
het vonnis van 22 oktober 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte inbrenging nadere producties en verandering/aanpassing van eis van [B.V. 1] met producties 11 t/m 13,
de akte van [B.V. 2] met producties 4 t/m 7,
de akte van [B.V. 1] met productie 14,
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [B.V. 1] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
2.3.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 6,
de akte van [B.V. 1] met producties 7 en 8 waarin tevens een eiswijziging staat vermeld,
de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering(en) en eis in reconventie van [B.V. 3] met producties 1 t/m 3,
de conclusie van antwoord in incident en van antwoord op de eis in reconventie in de hoofdzaak, met producties 9 t/m 11,
het vonnis van 24 september 2025,
het vonnis van 22 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte inbrengen producties van [B.V. 3] , met producties 4 tot en met 7,
de akte van [B.V. 1] met productie 14,
de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt,
de spreekaantekeningen van [B.V. 1] .
2.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
in de zaken 433977 en 433979
3.1.
De heer [vader] (hierna: [vader] ) is aandeelhouder van [B.V. 1] . [B.V. 1] is aandeelhouder van [B.V. 2] . [B.V. 2] is bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 4] (hierna: [B.V. 4] ).
3.2.
Tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] bestaat een rekening-courant verhouding op grond waarvan het financieel verkeer tussen deze partijen plaatsvindt.
3.3.
[B.V. 3] is de onderneming van de heer [zoon] (hierna: [zoon] ). [zoon] is de zoon van [vader] . [zoon] is enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 3] .
3.4.
[B.V. 1] heeft op 25 mei 2023 95% van haar aandelen in [B.V. 2] verkocht aan [B.V. 3] . De aandelen zijn op 12 juni 2023 geleverd. [B.V. 3] is enig bestuurder van [B.V. 2] .
3.5.
Omdat [B.V. 3] de koopprijs niet kon betalen heeft [B.V. 1] op 12 juni 2023 een lening van € 1.989.000,00 verstrekt aan [B.V. 3] . In de geldleningsovereenkomst staat een aflosschema per maand opgenomen. De rente bedraagt 3% per jaar.
3.6.
Tot zekerheid van de terugbetaling van de lening zijn [B.V. 1] en [B.V. 3] overeengekomen dat [B.V. 1] pandrechten verkrijgt. In de geldleningsovereenkomst hebben [B.V. 1] (crediteur) en [B.V. 3] (debiteur) hierover het volgende opgenomen:
‘(…) 6. Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen de debiteur de crediteur schuldig mocht zijn, geeft de debiteur bij deze aan crediteur in pand de aandelen welke door debiteur worden gehouden in [B.V. 2] en de aandelen in [B.V. 4] .
Tevens tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen de debiteur van crediteur schuldig mocht zijn, geeft de debiteur bij deze aan crediteur in pand. De verpanding geldt, zowel voor de activa van debiteur zelfstandig alsmede van haar dochtermaatschappijen [B.V. 2]
en [B.V. 4]
a. de vorderingen op handelsdebiteuren, welke nu en in de toekomst tot de onderneming van debiteur zullen gaan behoren; op eerste verzoek van crediteur zal debiteur pandlijsten verstrekken;
5 de gehele handelsvoorraad, welk nu en in de toekomst tot de totale voorraad van de onderneming van debiteur zullen gaan behoren, waaronder het onderhanden werk.
c, de gehele bedrijfsinventaris, waaronder begrepen machines, computerapparatuur, motorvoertuigen en alle inventarisgoederen welke nu en in de toekomst tot de totale bedrijfsinventaris van de onderneming van debiteur zullen gaan behoren
De debiteur zal zolang de in de aanhef genoemde overeenkomsten van geldlening niet geheel zijn afgelost elk jaar per aanvang van een kwartaal, te weten op respectievelijk 1 januari, 1 april, 1juli en 1 oktober, bij crediteur een pandlijst van de debiteuren van [B.V. 4] en [B.V. 4] indienen.
Persoonlijke borgtocht van € 100.000
[B.V. 2] B V en [B.V. 4] en [B.V. 4] vanwege deze bepaling de overeenkomst mede ondertekenen. (…)’
3.7.
Artikel 10 bepaalt dat het door [B.V. 3] verschuldigde terstond opeisbaar is als [B.V. 3] haar verplichtingen niet nakomt. Op de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst hebben hebben [B.V. 3] als de debiteur en [B.V. 2] als de crediteur hun handtekening gezet. Op deze pagina staat:
‘(…) Aldus overeengekomen en in viervoud opgemaakt en getekend te [plaats] op 12-6 2023,
1. Debiteur 2. Crediteur
[B.V. 3] [B.V. 1]
Voor haar: Voor haar:
(…) (…)
[zoon] [vader]
Mede ondertekening in verband met de te stellen zekerheden (art 6)
[B.V. 2] ,
[zoon]
[B.V. 4] en [B.V. 4]
[zoon] ’
3.8.
[B.V. 3] is haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet nagekomen.
3.9.
Achteraf is gebleken dat de pandrechten op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] en de pandrechten op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] niet bij notariële akte zijn gevestigd.
3.10.
Per e-mail van 5 december 2024 heeft de voormalig advocaat van [B.V. 1] namens [B.V. 1] [B.V. 3] en [B.V. 2] verzocht om binnen een week de schulden aan [B.V. 1] te voldoen, zijnde in hoofdsom de schuld van [B.V. 3] aan [B.V. 1] , met rente en boete, en de rekening-courant schuld van [B.V. 2] aan [B.V. 1] , vermeerderd met rente. Ook is gesommeerd om de pandrechten te vestigen binnen drie dagen.
3.11.
Na verleend verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [B.V. 1] ten laste van [B.V. 2] op 19 december 2024 conservatoir beslag laten leggen op de aandelen in [B.V. 4] en op de roerende zaken van [B.V. 2] . [B.V. 1] heeft ten laste van [B.V. 3] conservatoir derdenbeslag laten leggen en conservatoir beslag op de aandelen in [B.V. 2] .
4Het geschil
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
4.1.
[B.V. 1] vordert – samengevat – na vermeerdering en wijziging van haar eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [B.V. 2] veroordeelt aan [B.V. 1] te betalen de rekening-courantvordering per 31 december 2024 van in hoofdsom van € 566.393,00, te vermeerderen met de rente van 4% per jaar tot de datum van volledige voldoening;
II. [B.V. 2] veroordeelt aan [B.V. 1] te betalen een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat,
III. [B.V. 2] veroordeelt tot het betalen van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
IV. [B.V. 2] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten,
V. bepaalt dat [B.V. 2] gehouden is de pandrechten te doen vestigen middels een notariële akte op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] , zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 2] dat nalaat,
VI. voor recht verklaart dat het pandrecht op de roerende zaken werd gevestigd, en voor zover dat niet zo is dat [B.V. 2] gehouden is dat te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van €10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
VII. [B.V. 2] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[B.V. 2] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
in conventie
4.4.
[B.V. 1] vordert – samengevat – na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[B.V. 3] veroordeelt om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 1.724.261,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2025 tot datum voldoening, althans de contractuele rente, waarbij geldt dat als [B.V. 2] het gevorderde betaalt [B.V. 3] in deze gekweten zal zijn,
[B.V. 3] veroordeelt tot het betalen van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
[B.V. 3] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten,
bepaalt dat [B.V. 3] gehouden is de pandrechten te doen vestigen middels een notariële akte op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] , en van [B.V. 2] in de [B.V. 4] , zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
voor recht verklaart dat het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] (welke zaken zich feitelijk bevinden in de vestiging van de [B.V. 4] ) werd gevestigd, en voor zover dat niet zo is dat [B.V. 3] gehouden is dat te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
[B.V. 3] veroordeelt in de proceskosten.
4.5.
[B.V. 3] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.7.
[B.V. 3] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis:
primair voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen [B.V. 3] en [B.V. 1] buiten toepassing moet blijven, dan wel moet worden aangepast,
subsidiair de overeenkomst aanpast,
[B.V. 1] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
4.8.
[B.V. 1] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 3] , met veroordeling van [B.V. 3] in de kosten van deze procedure.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in de zaken 433977 en 433979
Leeswijzer
5.1.
De beoordeling van de geschillen tussen [B.V. 1] tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] is onderverdeeld in vijf delen. Bij deze bespreking zijn de vorderingen van [B.V. 1] tegen [B.V. 2] weergegeven in de romeinse cijfers I. t/m VII. De vorderingen tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] zijn weergegeven in de getallen 1. t/m 6. De indeling is als volgt:
de verweren van [B.V. 2] en [B.V. 3] ,
de rekening-courantverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] ,
de geldleningsovereenkomst,
de reconventionele vorderingen van [B.V. 3] ,
de overige vorderingen.
De verweren van [B.V. 2] en [B.V. 3]
5.2.
[B.V. 1] eist, kort samengevat, van [B.V. 2] betaling van het saldo uit de rekening-courantverhouding en van [B.V. 3] terugbetaling van de geldleningsovereenkomst. [B.V. 2] voert tegen deze vorderingen meerdere verweren. Het gaat om de volgende verweren:
[vader] heeft namens [B.V. 1] de toezegging gedaan dat hij altijd zal helpen,
De vorderingen zijn achtergesteld,
[B.V. 3] heeft gedwaald bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst,
Er is sprake van misbruik van recht/bevoegdheid,
Het handelen van [B.V. 1] is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
5.3.
Volgens [B.V. 2] en [B.V. 3] is als gevolg van deze verweren geen sprake van opeisbaarheid van de vorderingen. De rechtbank oordeelt dat deze verweren niet slagen. Dit oordeel wordt per verweer hieronder toegelicht.
1) De toezegging van [B.V. 1]
5.4.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen zich op het standpunt dat [vader] namens [B.V. 1] de toezegging heeft gedaan dat hij altijd zou helpen om [B.V. 4] te laten voortbestaan. Het was de bedoeling van partijen om [B.V. 3] in staat te stellen de onderneming over te nemen, te kunnen voortzetten en te exploiteren. De betalingsverplichtingen waren daaraan ondergeschikt.
5.5.
[B.V. 1] betwist dat zij een toezegging heeft gedaan en dat zij te allen tijde zou financieren. [B.V. 1] was wel bereid om eventueel uitstel van betaling te geven en heeft dit ook gedaan. Ook zijn de stellingen van [B.V. 2] en [B.V. 3] niet concreet gemaakt.
5.6.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat [vader] namens [B.V. 1] heeft verklaard. Of [B.V. 1] een toezegging heeft gedaan en met welke inhoud, is afhankelijk van wat [B.V. 1] en [B.V. 2] en [B.V. 3] over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Als de rechtbank [B.V. 2] en [B.V. 3] goed begrijpt stellen zij dat [vader] heeft verklaard dat hij altijd zal helpen en dat dit betekent dat [B.V. 1] niet zal overgaan tot het eisen van betaling van de geldleningsovereenkomst of de rekening-courantverhouding.
5.7.
De rechtbank oordeelt dat [B.V. 2] en [B.V. 3] slechts in algemene bewoordingen weergeven wat [B.V. 1] zou hebben gezegd. Dat is niet voldoende en deze stelling wordt daarom al gepasseerd. Aan een bewijsaanbod komt de rechtbank niet meer toe.
Ook als het klopt dat [vader] namens [B.V. 1] heeft gezegd dat hij altijd zal helpen, mochten [B.V. 2] en [B.V. 3] deze verklaring niet zo begrijpen dat [B.V. 1] nooit nakoming van de betalingsverplichtingen door [B.V. 2] en [B.V. 3] zal verlangen. Deze uitleg ligt namelijk niet voor de hand, ook al is sprake van een vader-zoonrelatie. De uitleg is immers zeer nadelig voor [B.V. 1] . Het komt erop neer dat [B.V. 1] niet hoeft te worden betaald. Er kunnen andere manieren zijn waarop [B.V. 1] kan helpen die voor haar minder ingrijpend zijn en meer voor de hand liggen. Zo heeft [B.V. 1] ter zitting verklaard dat zij heeft aangegeven bereid te zijn om bijvoorbeeld uitstel van betaling te verlenen. Dat is wat anders dan afzien van betaling. [B.V. 3] heeft ter zitting verklaard dat [B.V. 1] ook uitstel van de aflossing van de geldlening heeft verleend in 2024. [zoon] had in het belang van het bedrijf wellicht gehoopt op een meer welwillende houding van zijn [vader] , maar [B.V. 2] en [B.V. 3] voeren te weinig concrete feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat zij erop mochten vertrouwen dat [B.V. 1] niet tot invordering zou overgaan. De rechtbank acht het ook niet logisch dat [B.V. 1] met deze woorden bedoelde dat hij nooit betaling zou eisen. Partijen hebben immers de geldleningsovereenkomst ondertekend waarin het bedrag van de maandelijkse aflossing is vastgesteld. De stelling van [B.V. 3] en [B.V. 2] dat de vorderingen niet opeisbaar zijn vanwege de gestelde toezegging wordt daarom verworpen.
5.8.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen ook dat sprake is van een leemte in de overeenkomst omdat de toezegging hierin niet is opgenomen. Deze leemte moet worden opgevuld.
5.9.
De rechtbank begrijpt deze stelling zo dat met de ‘overeenkomst’ de geldleningsovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] wordt bedoeld. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen toezegging van [B.V. 1] is, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om in de geldleningsovereenkomst alsnog deze toezegging op te nemen.
2) De vorderingen van [B.V. 1] zijn achtergesteld
5.10.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen verder dat de vorderingen die [B.V. 1] op hen heeft zijn achtergesteld en daarom niet opeisbaar zijn. [B.V. 1] betwist deze stelling. Dit blijkt niet uit de documenten, zoals de jaarstukken, die bij partijen bekend zijn.
5.11.
Ook deze stelling wordt verworpen. [B.V. 2] en [B.V. 3] laten na deugdelijk te motiveren wat zij hieronder verstaan en uit welke feiten en omstandigheden dit blijkt. Ook op zitting is hierover geen duidelijkheid gegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.
3) [B.V. 3] heeft gedwaald bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst
5.12.
[B.V. 3] stelt dat er sprake is van dwaling bij het aangaan van de overeenkomst omdat [B.V. 3] onjuiste informatie heeft gekregen. [B.V. 3] maakt haar beroep op dwaling niet concreet, zodat dit verweer ook geen kans van slagen heeft.
4) [B.V. 1] handelt in strijd met artikel 3:13 BW
5.13.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen dat de vorderingen op hen niet opeisbaar zijn omdat [B.V. 1] haar recht om betaling te vorderen misbruikt in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben op zitting toegelicht dat [B.V. 1] haar recht misbruikt vanwege de gestelde toezegging van [vader] . Dit verweer slaagt niet gelet op wat de rechtbank al eerder over de gestelde toezegging heeft geoordeeld.
5) [B.V. 1] handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid
5.14.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen dat [B.V. 1] in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Zij tracht gelden te innen van achtergestelde vorderingen terwijl uit de stukken van de accountant blijkt dat deze aan de winst zijn gekoppeld. Ook is van strijd met de redelijkheid en billijkheid sprake gelet op de wijze van beslaglegging, het tijdstip waarop dit is gedaan, de hoogte van de vorderingen, het instellen van twee procedures terwijl [zoon] revaliderend is van het verkeersongeval in september 2024, het vertrek van de bedrijfsleider waarvoor [B.V. 1] verantwoordelijk is, en het uitdoen van offertes met te hoge prijzen toen [zoon] wegens revalidatie afwezig was.
5.15.
De rechtbank begrijpt dat [B.V. 2] en [B.V. 3] een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:248 lid 2 BW. Deze werking houdt in dat een afspraak tussen partijen of wettelijke regel niet geldt als die in de concrete situatie onaanvaardbare gevolgen zou hebben. De term onaanvaardbaar maakt duidelijk dat de rechter een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet snel mag accepteren.
5.16.
Het staat tussen partijen vast dat [B.V. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst en de rekening-courantverhouding gelden is verschuldigd aan [B.V. 1] . Deze vorderingen zijn niet achtergesteld. [B.V. 3] komt vanaf december 2023 al haar betalingsverplichtingen niet na. De betalingen zijn daarmee al lange tijd uitgesteld. De dagvaardingen waarmee de procedures zijn gestart zijn van 15 januari 2025. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft na een verkregen uitstel uiteindelijk op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Hiermee kan niet gezegd worden dat [B.V. 1] [B.V. 2] en [B.V. 3] onvoldoende tijd heeft gegeven om aan de betalingsverplichtingen te voldoen of dat het onredelijk was om conservatoir beslag te leggen. [B.V. 2] en [B.V. 1] nemen veel algemene stellingen in, maar het is de rechtbank niet duidelijk waaruit de juistheid van deze stellingen blijkt. Zo worden de stellingen dat [vader] verantwoordelijk is voor het vertrek van de bedrijfsleider en voor het uitdoen van offertes met te hoge prijzen, niet onderbouwd met bijvoorbeeld schriftelijke stukken waaruit dit blijkt. Dit verweer slaagt daarom niet.
5.17.
Nu de verweren die [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben aangevoerd niet slagen, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
De rekening-courantverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2]
De vordering (sub I.) van € 566.393,00 wordt toegewezen
5.18.
[B.V. 1] stelt dat [B.V. 2] een schuld heeft aan haar op basis van de rekening-courantverhouding. [B.V. 1] wil betaling van dit bedrag. De omvang hiervan blijkt volgens haar uit de jaarstukken. [B.V. 1] heeft bij brief van 3 december 2024 [B.V. 2] gesommeerd om tot betaling over te gaan. [B.V. 2] heeft hier niet aan voldaan. Over de openstaande rekening-courant werd voor de overname een rentepercentage aangehouden van 4%, en dat percentage is daarna ongewijzigd gehandhaafd. In de jaarrekeningen voor en na de overname werden de standen en rente vermeld, waarmee (zo begrijpt de rechtbank) namens [B.V. 2] werd ingestemd, aldus [B.V. 1] .
5.19.
De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 2] is gehouden tot betaling van het saldo uit de rekening-courantverhouding die tussen hen bestaat. Onder verwijzing naar productie 12 stelt [B.V. 1] dat het saldo door de accountant is opgemaakt en dat [B.V. 2] de hoogte van dit saldo niet heeft betwist. Ut productie 12 van [B.V. 1] blijkt dat het saldo per 31 december 2024 € 544.609,00 bedraagt, verhoogd met 4% rente ad € 21.784,36, zodat de stand per 31 december 2024 het door [B.V. 1] genoemde bedrag van (afgerond) € 566.393,00 bedraagt. De rechtbank gaat, nu [B.V. 2] deze bedragen niet heeft betwist, daarom uit van de juistheid daarvan. Ook is het saldo opeisbaar. Een rekening-courantsaldo is volgens de wet op ieder tijdstip verschuldigd (artikel 6:140 lid 1 BW). Het is de rechtbank niet gebleken dat [B.V. 1] en [B.V. 2] afspraken hebben gemaakt over de rekening-courantverhouding en de betaling van het saldo. Dat betekent dat in dit geval het saldo dus (in beginsel) direct opeisbaar is. Het voorgaande leidt ertoe dat vordering onder I. van € 566.393,00 wordt toegewezen.
5.20.
[B.V. 1] vordert betaling van rente van 4% per jaar. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat rente over het saldo per 1 januari 2025 wordt gevorderd, nu in dit saldo per 31 december 2024 (€ 566.393,00) al 4% rente is opgenomen. [B.V. 2] betwist dat rente verschuldigd is en stelt dat de vordering niet zou oprenten. [B.V. 2] motiveert niet waaruit blijkt dat de vordering niet mag oprenten. Nu [B.V. 2] niet heeft betwist dat tussen partijen voor en na de overname telkens het rentepercentage van 4% werd gehanteerd, zal de rechtbank uitgaan van een (stilzwijgende) afspraak tussen partijen van 4% contractuele rente over de rekening-courantvordering. De gevorderde rente zal dus worden toegewezen.
De geldleningsovereenkomst
Aflossing van de geldleningsovereenkomst
5.21.
[B.V. 1] eist onder vordering 1. dat [B.V. 3] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.724.261,00. Dit bedrag bestaat uit € 1.622.334,00 aan hoofdsom en € 101.927,00 aan rente.
5.22.
Het staat tussen partijen vast dat [B.V. 3] zich niet heeft gehouden aan haar contractuele verplichtingen om maandelijks af te lossen en rente te betalen. [B.V. 3] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. Ook is de vordering opeisbaar op grond van artikel 10 van de geldleningsovereenkomst. Bovendien heeft [B.V. 1] [B.V. 3] meerdere keren verzocht om de geldleningsovereenkomst na te komen en zij heeft hier geen gehoor aan gegeven. [B.V. 1] heeft dus recht op betaling van het door [B.V. 3] verschuldigde bedrag. [B.V. 3] heeft de hoogte van het verschuldigde bedrag van € 1.724.261,00 niet betwist. De vordering tot betaling van dit bedrag wordt daarom toegewezen.
5.23.
Ook de gevorderde wettelijke handelsrente over het verschuldigde bedrag wordt toegewezen. Er is tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente moet worden onderscheiden van de contractuele rente die vanaf het begin van de geldleningsovereenkomst loopt. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim. [B.V. 1] vordert de rente vanaf 1 januari 2025. De rechtbank stelt vast dat [B.V. 3] op dat moment in verzuim verkeerde, gelet op de sommatie die [B.V. 1] 5 december 2024 heeft gestuurd. De gevorderde rente vanaf deze datum is daarom toewijsbaar.
5.24.
Ook staat in de vordering onder 1. vermeld dat als [B.V. 2] het gevorderde betaalt [B.V. 3] in deze gekweten zal zijn. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af. Een grondslag hiervoor ontbreekt.
Pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4]
De standpunten van [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3]
5.25.
[B.V. 1] vordert onder V. dat de rechtbank bepaalt dat [B.V. 2] gehouden is tot het vestigen van de pandrechten op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . [B.V. 1] vordert daarnaast onder 4. dat [B.V. 3] daartoe eveneens gehouden is. [B.V. 1] stelt dat zij en [B.V. 2] (als aandeelhouder in [B.V. 4] ) zijn overeengekomen dat [B.V. 2] een pandrecht verleent op deze aandelen ten behoeve van [B.V. 1] . Deze afspraak is gemaakt als zekerheid voor de terugbetaling van de door haar aan [B.V. 3] verstrekte geldlening. Deze afspraak volgt uit artikel 6 van de geldleningsovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] . [B.V. 3] bond niet alleen zichzelf aan de verplichting tot het vestigen van pandrechten, maar ook haar dochtermaatschappijen [B.V. 2] en [B.V. 4] . Door onwetendheid van partijen zijn [B.V. 1] en [B.V. 3] na het sluiten van de geldleningsovereenkomst niet meer overgegaan tot het vastleggen van deze afspraak in een notariële akte. Het vestigen van de pandrechten was wel de bedoeling van partijen. [B.V. 1] heeft [B.V. 3] en met haar [B.V. 2] verzocht en gesommeerd om de pandrechten in een notariële akte te vestigen, maar [B.V. 3] en [B.V. 2] weigerden dat.
5.26.
[B.V. 2] betwist dat deze afspraak is gemaakt. [B.V. 2] heeft de geldleningsovereenkomst ook niet ondertekend. Ook is volgens haar de vordering om mee te werken aan notariële vastlegging te onbepaald om te kunnen toewijzen. Verder is niet voldaan aan het vereiste van verzuim. [B.V. 3] betwist dat er een contractuele grondslag bestaat om de pandrechten te vestigen, betwist dat sprake is van verzuim aan haar kant, en voert daarnaast aan dat zij geen pandrecht kan vestigen op aandelen die zij niet houdt.
Het oordeel: het pandrecht is overeengekomen
5.27.
[B.V. 2] is enig aandeelhouder in [B.V. 4] . De rechtbank moet allereerst beoordelen of [B.V. 1] met [B.V. 2] heeft afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . [B.V. 1] meent van wel, [B.V. 2] betwist dat.
5.28.
Omdat partijen het oneens zijn over de inhoud van de geldleningsovereenkomst moet de inhoud door uitleg worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft bepaald welke maatstaf hiervoor moet worden gebruikt (de zogenaamde Haviltex-maatstaf). Deze maatstaf houdt in dat het erom gaat wat [B.V. 1] en [B.V. 2] in de concrete omstandigheden van dit geval uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden. Niet alleen de letterlijke tekst van de overeenkomst is relevant, maar ook andere omstandigheden.
5.29.
De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen die [B.V. 2] houdt in [B.V. 4] . [zoon] is bevoegd om [B.V. 2] te vertegenwoordigen. Bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst mocht [B.V. 1] er redelijkerwijs van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] handelde. De rechtbank hecht namelijk veel waarde aan de omstandigheid dat de tekst van artikel 6 zelf duidelijk is. In de eerste alinea van artikel 6 staat dat de debiteur, [B.V. 3] , aan de crediteur, [B.V. 1] , meerdere zekerheden verstrekt. Het gaat om een pandrecht op de aandelen die door [B.V. 3] worden gehouden in [B.V. 2] , én de aandelen in [B.V. 4] . [vader] en [zoon] weten beide dat [B.V. 2] (en niet [B.V. 3] ) aandelen houdt in [B.V. 4] . [zoon] heeft deze tekst ‘en de aandelen in [B.V. 4] ’ niet doorgestreept of weggehaald, maar zo laten staan toen hij de overeenkomst ondertekende.
Met de toevoeging van de woorden ‘en de aandelen in [B.V. 4] ’ was ook de bedoeling van [vader] en [zoon] duidelijk. [B.V. 3] had geld geleend en [B.V. 1] wilde meerdere zekerheden hebben om terugbetaling van de door haar verstrekte lening veilig te stellen. Dat [zoon] de bedoeling had om niet alleen zekerheden namens [B.V. 3] te verstrekken maar ook namens [B.V. 2] volgt ook uit de overige tekst van artikel 6. Daarin staat dat de verpanding van activa zowel geldt voor [B.V. 3] en ook voor haar dochtermaatschappijen [B.V. 2] en [B.V. 4] .
Bovendien biedt de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst geen steun aan de uitleg van [B.V. 2] , maar wel aan de uitleg van [B.V. 1] . [B.V. 2] stelt dat zij niet gebonden is aan artikel 6 uit de geldleningsovereenkomst omdat zij de overeenkomst niet heeft ondertekend. De rechtbank volgt [B.V. 2] niet in deze redenering. Uit de opmaak van de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.7 van de feiten, blijkt niet dat [zoon] drie keer (voor al drie de partijen) zijn handtekening diende te plaatsen. Er is ruimte vrij gemaakt voor de handtekening van de debiteur onder 1. en de crediteur onder 2. Daaronder staat de zin dat sprake is van mede ondertekening door [B.V. 2] en [B.V. 4] . Er is geen extra ruimte vrijgemaakt voor het plaatsen van handtekeningen. Met het plaatsen van één handtekening tekende [zoon] dus namens alle drie de partijen, althans zo mocht [B.V. 1] dat begrijpen.
5.30.
De conclusie van het voorgaande is dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] .
5.31.
De vordering zelf verwijst naar het vestigen van ‘de pandrechten’. Gelet op het voorgaande oordeel begrijpt de rechtbank dat het gaat om het vestigen van een pandrecht op aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . Het pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] is niet gevestigd bij notariële akte, terwijl op [B.V. 2] deze verplichting wel rust. [B.V. 1] heeft immers volgens de gemaakte afspraak recht op een pandrecht op deze aandelen en voor de eigendomsverkrijging van dit pandrecht is vastlegging in een notariële akte wettelijk vereist. Omdat [B.V. 1] nakoming vordert van deze verplichting, is verzuim niet vereist.
5.32.
De vordering onder 4. jegens [B.V. 3] , waarin gevorderd wordt dat ook [B.V. 3] gehouden is de pandrechten op de aandelen in [B.V. 4] te vestigen wordt afgewezen, omdat [B.V. 3] , zoals zij terecht heeft betoogd, geen pandrecht kan vestigen op aandelen die zij niet houdt.
De vordering is niet onbepaald
5.33.
Anders dan [B.V. 2] stelt, acht de rechtbank deze vordering niet te onbepaald. De afspraak is gemaakt. Als er bij het opstellen van de notariële akte nog ondergeschikte aspecten zijn waarover [B.V. 1] en [B.V. 2] geen overeenstemming hebben, dan moet dat alsnog gebeuren. [B.V. 2] heeft niet gesteld welke aspecten dit zijn. Dergelijke openstaande punten zijn van ondergeschikt belang en hebben geen invloed op de afspraak dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt. [B.V. 2] is daarom verplicht om mee te werken aan de totstandkoming van de notariële akte.
De dwangsom wordt gematigd
5.34.
[B.V. 1] eist verder betaling van een dwangsom voor elke dag dat [B.V. 2] na het vonnis niet meewerkt aan het vestigen van het hierboven genoemde pandrecht. [B.V. 2] maakt bezwaar tegen de gevorderde dwangsom van € 10.000,00.
5.35.
De rechtbank acht het opleggen van een dwangsom als prikkel om deze verplichting na te komen aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot € 2.500,00 per dag en met een maximum van € 25.000,00. De rechtbank zal bepalen na welke termijn de dwangsom gaat lopen. Hiervoor is het volgende van belang. Voor het verlenen van het pandrecht is de inschakeling van een notaris nodig. Dat betekent dus dat [B.V. 2] een notaris zal moeten inschakelen met het verzoek om een notariële akte op te stellen voor het vestigen van een pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] ten behoeve van [B.V. 1] . [B.V. 2] moet de noodzakelijke medewerking verlenen en tot ondertekening van de akte overgaan. De rechtbank acht een termijn van twee weken voor geven van de opdracht aan de notaris tot het opstellen van de notariële akte redelijk, en voorts een termijn van twee weken nadat de definitieve akte is opgemaakt voor het ondertekenen daarvan. De dwangsommen zijn daarom verschuldigd vanaf het moment dat [B.V. 2] nalaat om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een notaris opdracht te geven tot het opstellen van de notariële akte, en voorts indien [B.V. 2] binnen twee weken na ontvangst van de definitieve notariële akte niet overgaat tot ondertekening daarvan. De vordering onder V. wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
Pandrecht op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2]
De vordering van [B.V. 1] tegen [B.V. 3]
5.36.
Onder vordering 4. (in conventie) eist [B.V. 1] ook van [B.V. 3] dat zij is gehouden om de pandrechten op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] te doen vestigen middels een notariële akte. [B.V. 1] beroept zich op nakoming van artikel 6 van de geldleningsovereenkomst.
De beslissing: het pandrecht is overeengekomen
5.37.
[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn het erover eens dat [B.V. 3] zich ten behoeve van [B.V. 1] heeft verplicht om een pandrecht te doen vestigen op haar aandelen in [B.V. 2] . Ook staat vast dat dit nog niet is gebeurd. Zoals hierboven al is geoordeeld, is deze vordering niet onbepaald en verzuim is niet vereist. De vordering tegen [B.V. 3] onder 4. (in conventie) wordt ten aanzien van dit deel van de vordering daarom toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. De dwangsom zal op eenzelfde wijze worden beperkt en gemaximeerd.
Pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2]
De standpunten van partijen
5.38.
[B.V. 1] vordert jegens [B.V. 2] onder VI. een verklaring voor recht dat het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] werd gevestigd. Voor zover dat niet zo is eist [B.V. 1] dat [B.V. 2] gehouden is het pandrecht te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag.
5.39.
[B.V. 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij een pandrecht heeft verkregen op de roerende zaken van [B.V. 2] . Het gaat dan om de machines, computerapparatuur, motorvoertuigen, en alle inventarisgoederen in [B.V. 4] etc. Dit volgt volgens haar uit de geldleningsovereenkomst. Het is recent gebleken dat ook het vestigen van een pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] niet goed is gegaan. De akte (de lening) was niet geregistreerd. [B.V. 1] heeft dit alsnog gedaan eind 2024.
5.40.
[B.V. 2] betwist dat [B.V. 1] een pandrecht heeft verkregen op de roerende zaken van [B.V. 2] . [B.V. 2] heeft hier niet voor getekend. Ook betwist zij dat de registratie heeft plaatsgevonden. Verder stelt zij dat de vordering onbepaald is omdat het niet duidelijk is wat onder de roerende zaken moet worden verstaan.
De beslissing: het pandrecht is overeengekomen
5.41.
[B.V. 1] en [B.V. 2] twisten over de vraag of zij hebben afgesproken dat [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] een pandrecht op haar roerende zaken moet vestigen. Deze vraag moet door middel van uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden beantwoord. Zoals hierboven ook al is geoordeeld mocht [B.V. 1] bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst er redelijkerwijs van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] (en [B.V. 4] ) handelde. Dit oordeel is gebaseerd op de tekst en opmaak van de geldleningsovereenkomst en de bedoeling die partijen hadden (het verstrekken van meerdere zekerheden door verschillende partijen). De rechtbank is daarom van oordeel dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de roerende zaken van [B.V. 2] .
5.42.
[B.V. 1] stelt dat dit pandrecht al is gevestigd omdat zij de akte heeft geregistreerd. Omdat [B.V. 2] deze stelling heeft betwist en omdat [B.V. 1] ook geen schriftelijk bewijs hiervan heeft overgelegd, wordt deze stelling wegens onvoldoende onderbouwing verworpen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
5.43.
Subsidiair eist [B.V. 1] dat de rechtbank [B.V. 2] veroordeelt om het pandrecht op de roerende zaken alsnog te doen vestigen.
5.44.
De subsidiaire vordering onder VI. wordt wel toegewezen. Het verweer van [B.V. 2] dat niet duidelijk is wat onder deze ‘roerende zaken’ moeten worden verstaan, wordt verworpen. [B.V. 1] legt dit uit in haar processtuk en verwijst hiervoor naar artikel 6 onder b en c van de geldleningsovereenkomst. Het gaat dan om de gehele handelsvoorraad van [B.V. 2] (zie artikel 6b) en om de gehele bedrijfsinventaris van [B.V. 2] (zie artikel 6c). De rechtbank zal [B.V. 2] veroordelen om ook dit pandrecht bij notariële akte te vestigen, onder dezelfde voorwaarden als hiervoor is overwogenen. Omdat [B.V. 1] nakoming van een contractuele verplichting eist, is verzuim van [B.V. 2] niet vereist. De gevorderde dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
5.45.
[B.V. 1] heeft in de zaak tegen [B.V. 3] onder 5. een vergelijkbare vordering ingesteld. Deze vordering wordt in zijn geheel afgewezen. [B.V. 3] kan geen pandrecht verlenen op roerende zaken die van [B.V. 2] en niet van haar zijn. Een verklaring voor recht hierover uitspreken jegens [B.V. 3] is dan ook niet mogelijk.
De vordering tot betaling van schadevergoeding door [B.V. 2]
De standpunten van [B.V. 1] en [B.V. 2]
5.46.
[B.V. 1] eist, na wijziging van haar eis, onder II., betaling van schadevergoeding van [B.V. 2] , nader op te maken bij staat. [B.V. 1] voert aan dat [B.V. 2] wanprestatie heeft gepleegd door na te laten om de overeengekomen pandrechten in een notariële akte te laten vastleggen. Hierdoor heeft [B.V. 1] geen zekerheden voor verhaal. Het is nog niet duidelijk wat de omvang van de schade is. De pandrechten moeten nog worden gevestigd en daarna vindt eventueel executie plaats ter verhaal van de vordering. Het is niet duidelijk of er andere schuldeisers zijn die voor gaan.
5.47.
[B.V. 2] betwist schadeplichtig te zijn en betwist dat sprake is van schade.
De beslissing: geen verwijzing naar de schadestaat
5.48.
De rechtbank is van oordeel dat op [B.V. 2] wegens wanprestatie een schadevergoedingsplicht rust. Zoals hierboven al is overwogen was [B.V. 2] op grond van de geldleningsovereenkomst gehouden om aan [B.V. 1] een pandrecht op haar roerende zaken en een pandrecht op haar aandelen in [B.V. 4] te verlenen. Dit heeft zij nagelaten. Ook aan het vereiste van verzuim is voldaan. Zoals [B.V. 1] stelt heeft zij [B.V. 2] bij e-mail van 5 december 2024 gesommeerd om de pandrechten alsnog te vestigen. [B.V. 2] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
5.49.
Ook moet worden beoordeeld of de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure op grond van 612 van het Wetboek van Burgerljke Rechtsvordering (hierna: Rv) toewijsbaar is. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een verwijzing voldoende dat de mogelijkheid van schade door de tekortkoming van [B.V. 2] aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 1] de mogelijkheid van schade van [B.V. 1] niet aannemelijk heeft gemaakt. Het gaat hier om een vertraging in de nakoming van de verplichting om de pandrechten te vestigen. [B.V. 1] maakt niet concreet dat zij als gevolg van deze vertraging mogelijk schade heeft geleden. Deze vordering onder II. wordt dus afgewezen.
De reconventionele vorderingen van [B.V. 3]
5.50.
In de zaak tegen [B.V. 1] heeft [B.V. 3] twee tegenvorderingen ingesteld. Zij eist primair een verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst buiten toepassing blijft. [B.V. 2] voert in dit verband aan dat de koopsom van de aandelen door [B.V. 1] is bepaald en dat deze koopsom achteraf niet bleek te kloppen. Ook de prognoses van het bedrijf bleken niet realistisch te zijn. [B.V. 1] moet dit hebben geweten maar heeft toch de onderneming voor deze prijs verkocht aan het bedrijf van zijn zoon. De geldleningsovereenkomst leidt tot het onaanvaardbare resultaat dat [zoon] zijn broodwinning kwijtraakt en dat het familiebedrijf failliet gaat.
Als de primaire vordering niet slaagt, vordert [B.V. 3] subsidiair dat de rechtbank de geldleningsovereenkomst aanpast. Na het sluiten hebben zich onvoorziene omstandigheden voorgedaan die aanpassing van de overeenkomst vergen. Het gaat om krapte op de arbeidsmarkt, de oorlog in Oekraïne, het aantreden van Trump en de importheffingen.
5.51.
De rechtbank wijst de primaire vordering af. De hoofdregel van het contractenrecht is dat partijen zich bij de uitvoering van een overeenkomst over en weer aan die overeenkomst hebben te houden. De redelijkheid en billijkheid kunnen het beroep van [B.V. 1] op een regel uit de overeenkomst ontnemen, maar dan moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden (artikel 6:248 lid 2 BW). [B.V. 3] onderbouwt haar stellingen niet. [B.V. 3] heeft ook geen bijzondere omstandigheden gesteld die een uitzondering op de hoofdregel in dit geval rechtvaardigen.
5.52.
Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering. De rechtbank kan op verzoek van partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen. Dat mag alleen in zeer bijzondere omstandigheden en die bijzondere omstandigheden moeten niet voor rekening komen van de partij die zich hierop beroept (artikel 6:258 BW). De niet-onderbouwde stellingen van [B.V. 3] zijn algemeen en onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW. Ook het beroep op dwaling faalt om die reden.
De overige vorderingen
[B.V. 2] en [B.V. 3] moeten buitengerechtelijke kosten betalen
5.53.
[B.V. 1] vordert van [B.V. 2] (onder III.) en van [B.V. 3] (onder 2.) € 3.387,50 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In totaal komt dat neer op een bedrag van € 6.775,00. De vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [B.V. 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [B.V. 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [B.V. 1] vordert in totaal vanwege de hoogte van de vorderingen het maximale bedrag (€ 6.775,00). [B.V. 1] heeft per procedure de helft van dit bedrag gevorderd omdat voor deze procedures dezelfde werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Dat betekent dat de vorderingen van € 3.387,50 tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] worden toegewezen. Bezwaar tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt afgewezen
5.54.
[B.V. 1] verzoekt de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat het mogelijk is om de uitspraak meteen uit te voeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. [B.V. 2] en [B.V. 3] wijzen op de vader-zoonrelatie en de dreiging van deconfiture bij executie van het vonnis. Ook wordt aangevoerd dat [zoon] zijn enige bron van inkomsten zal verliezen. Tot slot stellen [B.V. 2] en [B.V. 3] dat [B.V. 1] het doel heeft om het bedrijf terug te kopen.
5.55.
Om te bepalen of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen en beslissen wiens belang zwaarder weegt. Het uitgangspunt is dat [B.V. 1] bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. Daartegenover staat het belang van [B.V. 2] en [B.V. 3] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist.
5.56.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis wordt toegewezen. Het belang van [B.V. 1] om gelijk betaling te kunnen krijgen weegt zwaarder dan het belang van [B.V. 2] en [B.V. 3] . Het gaat onder andere om twee aanzienlijke schulden die al enige tijd onbetaald zijn gelaten. De rechtbank acht de omstandigheid dat het gevorderde grote gevolgen voor de bedrijven en voor [zoon] kan hebben op zichzelf onvoldoende om aan de beslissing een uitvoerbaar bij voorraadklaring af te wijzen. Daar komt bij dat toewijzing van het vonnis niet tot faillissement van [B.V. 4] hoeft te leiden. De rechtbank passeert dan ook dit verweer.
De proceskosten
De proceskosten worden gecompenseerd
5.57.
Omdat achter de geschillen tussen partijen een familierechtelijke relatie schuilt, worden de proceskosten (inclusief nakosten) in deze zaken (in conventie in reconventie) gecompenseerd. Dat betekent dat ieder van de partijen de eigen proceskosten draagt.
De beslagkosten moeten worden betaald
5.58.
[B.V. 1] heeft ten laste van [B.V. 2] en [B.V. 3] conservatoir beslag gelegd voor haar vorderingen en zij stelt dat de gemaakte kosten door [B.V. 2] en [B.V. 3] moeten worden vergoed.
5.59.
De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten bestaan uit een deel griffierecht, de kosten van de exploten per gedaagde en het salaris van de advocaat voor het opstellen van het beslagrekest (1 punt). Omdat het beslagrekest betrekking had op beide gedaagden geldt voor elke gedaagde de helft van dit bedrag. Omdat de zaken zijn gevoegd, wordt het griffierecht maar 1x in rekening gebracht en ook dit bedrag wordt gesplitst. Samen komt dit neer op € 2.522,50 per gedaagde (€ 688,00 + € 4.357,00/2). De explootkosten worden apart berekend en bedragen voor [B.V. 2] € 375,72 (€ 80,64 + € 147,54 + € 147,54). De explootkosten voor [B.V. 3] bedragen € 635,64.
5.60.
Dat betekent dat de beslagkosten voor [B.V. 2] worden begroot op in totaal € 2.898,22 (€ 2.522,50 + € 375,72) en voor [B.V. 3] op € 3.158,14 (€ 2.522,50 + € 635,64).
6De beslissing
De rechtbank
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
6.1.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen de rekening-courantvordering per 31 december 2024 van € 566.393,00, te vermeerderen met de rente van 4% per jaar vanaf 1 januari 2025 tot de datum van volledige voldoening,
6.2.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [B.V. 2] :
om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
om binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte, deze te ondertekenen,
6.4.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 2] niet aan de in 6.3. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.5.
veroordeelt [B.V. 2] :
om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] (zijnde de handelsvoorraad en de bedrijfsinventaris) ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
om binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte, deze te ondertekenen,
6.6.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 2] niet aan de in 6.5. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.7.
veroordeelt [B.V. 2] in de beslagkosten van € 2.898,22,
6.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
in conventie
6.11.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 1.724.261,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 1 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.12.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
6.13.
veroordeelt [B.V. 3] om:
binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte deze te ondertekenen,
6.14.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 3] niet aan de in 6.10. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.15.
veroordeelt [B.V. 3] in de beslagkosten van € 3.158,14,
6.16.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.17.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.18.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.19.
wijst de vorderingen af,
6.20.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
Zie pagina 15 van de conclusie van antwoord in incident en reactie op het verweer van [B.V. 2] in de hoofdzaak en tevens conclusie van aanpassing eis van [B.V. 1] .
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummers: C/02/433977 / HA ZA 25-192 en C/02/433979 HA ZA 25-193
Vonnis in gevoegde zaken van 9 september 2026
in de zaak met zaaknummer C/02/433977 / HA ZA 25-192 van
[B.V. 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars,
tegen
[B.V. 2]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [B.V. 2] ,
advocaat: mr. J. van Boekel,
en in de zaak met zaaknummer C/02/433979 HA ZA 25-193 van
[B.V. 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars,
tegen
[B.V. 3]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: [B.V. 3] ,
advocaat: mr. J. van Boekel.
1De zaken in het kort
1.1.
Aanleiding voor de geschillen is de overname van het bedrijf van [vader] door zijn [zoon] . Beide zijn bestuurder van hun eigen bv, [vader] van [B.V. 1] en [zoon] van [B.V. 3] . In 2023 heeft [B.V. 1] 95% van haar aandelen in [B.V. 2] verkocht aan [B.V. 3] . Omdat [B.V. 3] de koopprijs niet kon betalen heeft [B.V. 1] een lening verstrekt aan [B.V. 3] . Tot zekerheid van de terugbetaling van de lening is in de geldleningsovereenkomst opgenomen dat [B.V. 1] pandrechten verkrijgt. [B.V. 1] vordert nakoming van de geldleningsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja welke pandrechten [B.V. 1] heeft verkregen. Ook zijn er nog andere geschillen tussen partijen ontstaan.
1.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van [B.V. 1] tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] grotendeels toe. [B.V. 2] moet de schuld uit de rekening-courantverhouding aan [B.V. 1] betalen en [B.V. 3] de schuld uit de geldleningsovereenkomst. Ook zijn zij gehouden tot het vestigen van de overeengekomen pandrechten. Bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst mocht [B.V. 1] er namelijk van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] handelde. De rechtbank baseert dit oordeel op de tekst van de geldleningsovereenkomst, de opmaak van de laatste pagina van de geldlening en de bedoeling van partijen. Het oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ uitgelegd. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis, is de beoordeling van de vorderingen per onderwerp gerangschikt.
2De procedure
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van [B.V. 1] met producties 1 t/m 7,
de akte van [B.V. 1] met producties 8 en 9,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering(en) en (eis in reconventie van [B.V. 3] ) met producties 1 t/m 3,
de conclusie van antwoord in incident en reactie op het verweer van [B.V. 2] in de hoofdzaak en tevens conclusie van aanpassing eis van [B.V. 1] , met producties 10 en 11,
het vonnis in het voegingsincident van 24 september 2025, waarin is beslist dat de zaken met nummers 433977 en 433979 worden gevoegd,
het vonnis van 22 oktober 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte inbrenging nadere producties en verandering/aanpassing van eis van [B.V. 1] met producties 11 t/m 13,
de akte van [B.V. 2] met producties 4 t/m 7,
de akte van [B.V. 1] met productie 14,
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [B.V. 1] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
2.3.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 6,
de akte van [B.V. 1] met producties 7 en 8 waarin tevens een eiswijziging staat vermeld,
de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering(en) en eis in reconventie van [B.V. 3] met producties 1 t/m 3,
de conclusie van antwoord in incident en van antwoord op de eis in reconventie in de hoofdzaak, met producties 9 t/m 11,
het vonnis van 24 september 2025,
het vonnis van 22 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte inbrengen producties van [B.V. 3] , met producties 4 tot en met 7,
de akte van [B.V. 1] met productie 14,
de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt,
de spreekaantekeningen van [B.V. 1] .
2.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
in de zaken 433977 en 433979
3.1.
De heer [vader] (hierna: [vader] ) is aandeelhouder van [B.V. 1] . [B.V. 1] is aandeelhouder van [B.V. 2] . [B.V. 2] is bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 4] (hierna: [B.V. 4] ).
3.2.
Tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] bestaat een rekening-courant verhouding op grond waarvan het financieel verkeer tussen deze partijen plaatsvindt.
3.3.
[B.V. 3] is de onderneming van de heer [zoon] (hierna: [zoon] ). [zoon] is de zoon van [vader] . [zoon] is enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 3] .
3.4.
[B.V. 1] heeft op 25 mei 2023 95% van haar aandelen in [B.V. 2] verkocht aan [B.V. 3] . De aandelen zijn op 12 juni 2023 geleverd. [B.V. 3] is enig bestuurder van [B.V. 2] .
3.5.
Omdat [B.V. 3] de koopprijs niet kon betalen heeft [B.V. 1] op 12 juni 2023 een lening van € 1.989.000,00 verstrekt aan [B.V. 3] . In de geldleningsovereenkomst staat een aflosschema per maand opgenomen. De rente bedraagt 3% per jaar.
3.6.
Tot zekerheid van de terugbetaling van de lening zijn [B.V. 1] en [B.V. 3] overeengekomen dat [B.V. 1] pandrechten verkrijgt. In de geldleningsovereenkomst hebben [B.V. 1] (crediteur) en [B.V. 3] (debiteur) hierover het volgende opgenomen:
‘(…) 6. Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen de debiteur de crediteur schuldig mocht zijn, geeft de debiteur bij deze aan crediteur in pand de aandelen welke door debiteur worden gehouden in [B.V. 2] en de aandelen in [B.V. 4] .
Tevens tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen de debiteur van crediteur schuldig mocht zijn, geeft de debiteur bij deze aan crediteur in pand. De verpanding geldt, zowel voor de activa van debiteur zelfstandig alsmede van haar dochtermaatschappijen [B.V. 2]
en [B.V. 4]
a. de vorderingen op handelsdebiteuren, welke nu en in de toekomst tot de onderneming van debiteur zullen gaan behoren; op eerste verzoek van crediteur zal debiteur pandlijsten verstrekken;
5 de gehele handelsvoorraad, welk nu en in de toekomst tot de totale voorraad van de onderneming van debiteur zullen gaan behoren, waaronder het onderhanden werk.
c, de gehele bedrijfsinventaris, waaronder begrepen machines, computerapparatuur, motorvoertuigen en alle inventarisgoederen welke nu en in de toekomst tot de totale bedrijfsinventaris van de onderneming van debiteur zullen gaan behoren
De debiteur zal zolang de in de aanhef genoemde overeenkomsten van geldlening niet geheel zijn afgelost elk jaar per aanvang van een kwartaal, te weten op respectievelijk 1 januari, 1 april, 1juli en 1 oktober, bij crediteur een pandlijst van de debiteuren van [B.V. 4] en [B.V. 4] indienen.
Persoonlijke borgtocht van € 100.000
[B.V. 2] B V en [B.V. 4] en [B.V. 4] vanwege deze bepaling de overeenkomst mede ondertekenen. (…)’
3.7.
Artikel 10 bepaalt dat het door [B.V. 3] verschuldigde terstond opeisbaar is als [B.V. 3] haar verplichtingen niet nakomt. Op de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst hebben hebben [B.V. 3] als de debiteur en [B.V. 2] als de crediteur hun handtekening gezet. Op deze pagina staat:
‘(…) Aldus overeengekomen en in viervoud opgemaakt en getekend te [plaats] op 12-6 2023,
1. Debiteur 2. Crediteur
[B.V. 3] [B.V. 1]
Voor haar: Voor haar:
(…) (…)
[zoon] [vader]
Mede ondertekening in verband met de te stellen zekerheden (art 6)
[B.V. 2] ,
[zoon]
[B.V. 4] en [B.V. 4]
[zoon] ’
3.8.
[B.V. 3] is haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet nagekomen.
3.9.
Achteraf is gebleken dat de pandrechten op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] en de pandrechten op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] niet bij notariële akte zijn gevestigd.
3.10.
Per e-mail van 5 december 2024 heeft de voormalig advocaat van [B.V. 1] namens [B.V. 1] [B.V. 3] en [B.V. 2] verzocht om binnen een week de schulden aan [B.V. 1] te voldoen, zijnde in hoofdsom de schuld van [B.V. 3] aan [B.V. 1] , met rente en boete, en de rekening-courant schuld van [B.V. 2] aan [B.V. 1] , vermeerderd met rente. Ook is gesommeerd om de pandrechten te vestigen binnen drie dagen.
3.11.
Na verleend verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [B.V. 1] ten laste van [B.V. 2] op 19 december 2024 conservatoir beslag laten leggen op de aandelen in [B.V. 4] en op de roerende zaken van [B.V. 2] . [B.V. 1] heeft ten laste van [B.V. 3] conservatoir derdenbeslag laten leggen en conservatoir beslag op de aandelen in [B.V. 2] .
4Het geschil
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
4.1.
[B.V. 1] vordert – samengevat – na vermeerdering en wijziging van haar eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [B.V. 2] veroordeelt aan [B.V. 1] te betalen de rekening-courantvordering per 31 december 2024 van in hoofdsom van € 566.393,00, te vermeerderen met de rente van 4% per jaar tot de datum van volledige voldoening;
II. [B.V. 2] veroordeelt aan [B.V. 1] te betalen een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat,
III. [B.V. 2] veroordeelt tot het betalen van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
IV. [B.V. 2] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten,
V. bepaalt dat [B.V. 2] gehouden is de pandrechten te doen vestigen middels een notariële akte op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] , zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 2] dat nalaat,
VI. voor recht verklaart dat het pandrecht op de roerende zaken werd gevestigd, en voor zover dat niet zo is dat [B.V. 2] gehouden is dat te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van €10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
VII. [B.V. 2] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[B.V. 2] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
in conventie
4.4.
[B.V. 1] vordert – samengevat – na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[B.V. 3] veroordeelt om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 1.724.261,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2025 tot datum voldoening, althans de contractuele rente, waarbij geldt dat als [B.V. 2] het gevorderde betaalt [B.V. 3] in deze gekweten zal zijn,
[B.V. 3] veroordeelt tot het betalen van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
[B.V. 3] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten,
bepaalt dat [B.V. 3] gehouden is de pandrechten te doen vestigen middels een notariële akte op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] , en van [B.V. 2] in de [B.V. 4] , zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
voor recht verklaart dat het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] (welke zaken zich feitelijk bevinden in de vestiging van de [B.V. 4] ) werd gevestigd, en voor zover dat niet zo is dat [B.V. 3] gehouden is dat te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag dat [B.V. 3] dat nalaat,
[B.V. 3] veroordeelt in de proceskosten.
4.5.
[B.V. 3] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.7.
[B.V. 3] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis:
primair voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen [B.V. 3] en [B.V. 1] buiten toepassing moet blijven, dan wel moet worden aangepast,
subsidiair de overeenkomst aanpast,
[B.V. 1] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
4.8.
[B.V. 1] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 3] , met veroordeling van [B.V. 3] in de kosten van deze procedure.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in de zaken 433977 en 433979
Leeswijzer
5.1.
De beoordeling van de geschillen tussen [B.V. 1] tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] is onderverdeeld in vijf delen. Bij deze bespreking zijn de vorderingen van [B.V. 1] tegen [B.V. 2] weergegeven in de romeinse cijfers I. t/m VII. De vorderingen tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] zijn weergegeven in de getallen 1. t/m 6. De indeling is als volgt:
de verweren van [B.V. 2] en [B.V. 3] ,
de rekening-courantverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] ,
de geldleningsovereenkomst,
de reconventionele vorderingen van [B.V. 3] ,
de overige vorderingen.
De verweren van [B.V. 2] en [B.V. 3]
5.2.
[B.V. 1] eist, kort samengevat, van [B.V. 2] betaling van het saldo uit de rekening-courantverhouding en van [B.V. 3] terugbetaling van de geldleningsovereenkomst. [B.V. 2] voert tegen deze vorderingen meerdere verweren. Het gaat om de volgende verweren:
[vader] heeft namens [B.V. 1] de toezegging gedaan dat hij altijd zal helpen,
De vorderingen zijn achtergesteld,
[B.V. 3] heeft gedwaald bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst,
Er is sprake van misbruik van recht/bevoegdheid,
Het handelen van [B.V. 1] is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
5.3.
Volgens [B.V. 2] en [B.V. 3] is als gevolg van deze verweren geen sprake van opeisbaarheid van de vorderingen. De rechtbank oordeelt dat deze verweren niet slagen. Dit oordeel wordt per verweer hieronder toegelicht.
1) De toezegging van [B.V. 1]
5.4.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen zich op het standpunt dat [vader] namens [B.V. 1] de toezegging heeft gedaan dat hij altijd zou helpen om [B.V. 4] te laten voortbestaan. Het was de bedoeling van partijen om [B.V. 3] in staat te stellen de onderneming over te nemen, te kunnen voortzetten en te exploiteren. De betalingsverplichtingen waren daaraan ondergeschikt.
5.5.
[B.V. 1] betwist dat zij een toezegging heeft gedaan en dat zij te allen tijde zou financieren. [B.V. 1] was wel bereid om eventueel uitstel van betaling te geven en heeft dit ook gedaan. Ook zijn de stellingen van [B.V. 2] en [B.V. 3] niet concreet gemaakt.
5.6.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat [vader] namens [B.V. 1] heeft verklaard. Of [B.V. 1] een toezegging heeft gedaan en met welke inhoud, is afhankelijk van wat [B.V. 1] en [B.V. 2] en [B.V. 3] over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Als de rechtbank [B.V. 2] en [B.V. 3] goed begrijpt stellen zij dat [vader] heeft verklaard dat hij altijd zal helpen en dat dit betekent dat [B.V. 1] niet zal overgaan tot het eisen van betaling van de geldleningsovereenkomst of de rekening-courantverhouding.
5.7.
De rechtbank oordeelt dat [B.V. 2] en [B.V. 3] slechts in algemene bewoordingen weergeven wat [B.V. 1] zou hebben gezegd. Dat is niet voldoende en deze stelling wordt daarom al gepasseerd. Aan een bewijsaanbod komt de rechtbank niet meer toe.
Ook als het klopt dat [vader] namens [B.V. 1] heeft gezegd dat hij altijd zal helpen, mochten [B.V. 2] en [B.V. 3] deze verklaring niet zo begrijpen dat [B.V. 1] nooit nakoming van de betalingsverplichtingen door [B.V. 2] en [B.V. 3] zal verlangen. Deze uitleg ligt namelijk niet voor de hand, ook al is sprake van een vader-zoonrelatie. De uitleg is immers zeer nadelig voor [B.V. 1] . Het komt erop neer dat [B.V. 1] niet hoeft te worden betaald. Er kunnen andere manieren zijn waarop [B.V. 1] kan helpen die voor haar minder ingrijpend zijn en meer voor de hand liggen. Zo heeft [B.V. 1] ter zitting verklaard dat zij heeft aangegeven bereid te zijn om bijvoorbeeld uitstel van betaling te verlenen. Dat is wat anders dan afzien van betaling. [B.V. 3] heeft ter zitting verklaard dat [B.V. 1] ook uitstel van de aflossing van de geldlening heeft verleend in 2024. [zoon] had in het belang van het bedrijf wellicht gehoopt op een meer welwillende houding van zijn [vader] , maar [B.V. 2] en [B.V. 3] voeren te weinig concrete feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat zij erop mochten vertrouwen dat [B.V. 1] niet tot invordering zou overgaan. De rechtbank acht het ook niet logisch dat [B.V. 1] met deze woorden bedoelde dat hij nooit betaling zou eisen. Partijen hebben immers de geldleningsovereenkomst ondertekend waarin het bedrag van de maandelijkse aflossing is vastgesteld. De stelling van [B.V. 3] en [B.V. 2] dat de vorderingen niet opeisbaar zijn vanwege de gestelde toezegging wordt daarom verworpen.
5.8.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen ook dat sprake is van een leemte in de overeenkomst omdat de toezegging hierin niet is opgenomen. Deze leemte moet worden opgevuld.
5.9.
De rechtbank begrijpt deze stelling zo dat met de ‘overeenkomst’ de geldleningsovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] wordt bedoeld. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen toezegging van [B.V. 1] is, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om in de geldleningsovereenkomst alsnog deze toezegging op te nemen.
2) De vorderingen van [B.V. 1] zijn achtergesteld
5.10.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen verder dat de vorderingen die [B.V. 1] op hen heeft zijn achtergesteld en daarom niet opeisbaar zijn. [B.V. 1] betwist deze stelling. Dit blijkt niet uit de documenten, zoals de jaarstukken, die bij partijen bekend zijn.
5.11.
Ook deze stelling wordt verworpen. [B.V. 2] en [B.V. 3] laten na deugdelijk te motiveren wat zij hieronder verstaan en uit welke feiten en omstandigheden dit blijkt. Ook op zitting is hierover geen duidelijkheid gegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.
3) [B.V. 3] heeft gedwaald bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst
5.12.
[B.V. 3] stelt dat er sprake is van dwaling bij het aangaan van de overeenkomst omdat [B.V. 3] onjuiste informatie heeft gekregen. [B.V. 3] maakt haar beroep op dwaling niet concreet, zodat dit verweer ook geen kans van slagen heeft.
4) [B.V. 1] handelt in strijd met artikel 3:13 BW
5.13.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen dat de vorderingen op hen niet opeisbaar zijn omdat [B.V. 1] haar recht om betaling te vorderen misbruikt in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben op zitting toegelicht dat [B.V. 1] haar recht misbruikt vanwege de gestelde toezegging van [vader] . Dit verweer slaagt niet gelet op wat de rechtbank al eerder over de gestelde toezegging heeft geoordeeld.
5) [B.V. 1] handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid
5.14.
[B.V. 2] en [B.V. 3] stellen dat [B.V. 1] in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Zij tracht gelden te innen van achtergestelde vorderingen terwijl uit de stukken van de accountant blijkt dat deze aan de winst zijn gekoppeld. Ook is van strijd met de redelijkheid en billijkheid sprake gelet op de wijze van beslaglegging, het tijdstip waarop dit is gedaan, de hoogte van de vorderingen, het instellen van twee procedures terwijl [zoon] revaliderend is van het verkeersongeval in september 2024, het vertrek van de bedrijfsleider waarvoor [B.V. 1] verantwoordelijk is, en het uitdoen van offertes met te hoge prijzen toen [zoon] wegens revalidatie afwezig was.
5.15.
De rechtbank begrijpt dat [B.V. 2] en [B.V. 3] een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:248 lid 2 BW. Deze werking houdt in dat een afspraak tussen partijen of wettelijke regel niet geldt als die in de concrete situatie onaanvaardbare gevolgen zou hebben. De term onaanvaardbaar maakt duidelijk dat de rechter een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet snel mag accepteren.
5.16.
Het staat tussen partijen vast dat [B.V. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst en de rekening-courantverhouding gelden is verschuldigd aan [B.V. 1] . Deze vorderingen zijn niet achtergesteld. [B.V. 3] komt vanaf december 2023 al haar betalingsverplichtingen niet na. De betalingen zijn daarmee al lange tijd uitgesteld. De dagvaardingen waarmee de procedures zijn gestart zijn van 15 januari 2025. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft na een verkregen uitstel uiteindelijk op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Hiermee kan niet gezegd worden dat [B.V. 1] [B.V. 2] en [B.V. 3] onvoldoende tijd heeft gegeven om aan de betalingsverplichtingen te voldoen of dat het onredelijk was om conservatoir beslag te leggen. [B.V. 2] en [B.V. 1] nemen veel algemene stellingen in, maar het is de rechtbank niet duidelijk waaruit de juistheid van deze stellingen blijkt. Zo worden de stellingen dat [vader] verantwoordelijk is voor het vertrek van de bedrijfsleider en voor het uitdoen van offertes met te hoge prijzen, niet onderbouwd met bijvoorbeeld schriftelijke stukken waaruit dit blijkt. Dit verweer slaagt daarom niet.
5.17.
Nu de verweren die [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben aangevoerd niet slagen, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
De rekening-courantverhouding tussen [B.V. 1] en [B.V. 2]
De vordering (sub I.) van € 566.393,00 wordt toegewezen
5.18.
[B.V. 1] stelt dat [B.V. 2] een schuld heeft aan haar op basis van de rekening-courantverhouding. [B.V. 1] wil betaling van dit bedrag. De omvang hiervan blijkt volgens haar uit de jaarstukken. [B.V. 1] heeft bij brief van 3 december 2024 [B.V. 2] gesommeerd om tot betaling over te gaan. [B.V. 2] heeft hier niet aan voldaan. Over de openstaande rekening-courant werd voor de overname een rentepercentage aangehouden van 4%, en dat percentage is daarna ongewijzigd gehandhaafd. In de jaarrekeningen voor en na de overname werden de standen en rente vermeld, waarmee (zo begrijpt de rechtbank) namens [B.V. 2] werd ingestemd, aldus [B.V. 1] .
5.19.
De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 2] is gehouden tot betaling van het saldo uit de rekening-courantverhouding die tussen hen bestaat. Onder verwijzing naar productie 12 stelt [B.V. 1] dat het saldo door de accountant is opgemaakt en dat [B.V. 2] de hoogte van dit saldo niet heeft betwist. Ut productie 12 van [B.V. 1] blijkt dat het saldo per 31 december 2024 € 544.609,00 bedraagt, verhoogd met 4% rente ad € 21.784,36, zodat de stand per 31 december 2024 het door [B.V. 1] genoemde bedrag van (afgerond) € 566.393,00 bedraagt. De rechtbank gaat, nu [B.V. 2] deze bedragen niet heeft betwist, daarom uit van de juistheid daarvan. Ook is het saldo opeisbaar. Een rekening-courantsaldo is volgens de wet op ieder tijdstip verschuldigd (artikel 6:140 lid 1 BW). Het is de rechtbank niet gebleken dat [B.V. 1] en [B.V. 2] afspraken hebben gemaakt over de rekening-courantverhouding en de betaling van het saldo. Dat betekent dat in dit geval het saldo dus (in beginsel) direct opeisbaar is. Het voorgaande leidt ertoe dat vordering onder I. van € 566.393,00 wordt toegewezen.
5.20.
[B.V. 1] vordert betaling van rente van 4% per jaar. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat rente over het saldo per 1 januari 2025 wordt gevorderd, nu in dit saldo per 31 december 2024 (€ 566.393,00) al 4% rente is opgenomen. [B.V. 2] betwist dat rente verschuldigd is en stelt dat de vordering niet zou oprenten. [B.V. 2] motiveert niet waaruit blijkt dat de vordering niet mag oprenten. Nu [B.V. 2] niet heeft betwist dat tussen partijen voor en na de overname telkens het rentepercentage van 4% werd gehanteerd, zal de rechtbank uitgaan van een (stilzwijgende) afspraak tussen partijen van 4% contractuele rente over de rekening-courantvordering. De gevorderde rente zal dus worden toegewezen.
De geldleningsovereenkomst
Aflossing van de geldleningsovereenkomst
5.21.
[B.V. 1] eist onder vordering 1. dat [B.V. 3] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.724.261,00. Dit bedrag bestaat uit € 1.622.334,00 aan hoofdsom en € 101.927,00 aan rente.
5.22.
Het staat tussen partijen vast dat [B.V. 3] zich niet heeft gehouden aan haar contractuele verplichtingen om maandelijks af te lossen en rente te betalen. [B.V. 3] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. Ook is de vordering opeisbaar op grond van artikel 10 van de geldleningsovereenkomst. Bovendien heeft [B.V. 1] [B.V. 3] meerdere keren verzocht om de geldleningsovereenkomst na te komen en zij heeft hier geen gehoor aan gegeven. [B.V. 1] heeft dus recht op betaling van het door [B.V. 3] verschuldigde bedrag. [B.V. 3] heeft de hoogte van het verschuldigde bedrag van € 1.724.261,00 niet betwist. De vordering tot betaling van dit bedrag wordt daarom toegewezen.
5.23.
Ook de gevorderde wettelijke handelsrente over het verschuldigde bedrag wordt toegewezen. Er is tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente moet worden onderscheiden van de contractuele rente die vanaf het begin van de geldleningsovereenkomst loopt. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim. [B.V. 1] vordert de rente vanaf 1 januari 2025. De rechtbank stelt vast dat [B.V. 3] op dat moment in verzuim verkeerde, gelet op de sommatie die [B.V. 1] 5 december 2024 heeft gestuurd. De gevorderde rente vanaf deze datum is daarom toewijsbaar.
5.24.
Ook staat in de vordering onder 1. vermeld dat als [B.V. 2] het gevorderde betaalt [B.V. 3] in deze gekweten zal zijn. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af. Een grondslag hiervoor ontbreekt.
Pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4]
De standpunten van [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3]
5.25.
[B.V. 1] vordert onder V. dat de rechtbank bepaalt dat [B.V. 2] gehouden is tot het vestigen van de pandrechten op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . [B.V. 1] vordert daarnaast onder 4. dat [B.V. 3] daartoe eveneens gehouden is. [B.V. 1] stelt dat zij en [B.V. 2] (als aandeelhouder in [B.V. 4] ) zijn overeengekomen dat [B.V. 2] een pandrecht verleent op deze aandelen ten behoeve van [B.V. 1] . Deze afspraak is gemaakt als zekerheid voor de terugbetaling van de door haar aan [B.V. 3] verstrekte geldlening. Deze afspraak volgt uit artikel 6 van de geldleningsovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 3] . [B.V. 3] bond niet alleen zichzelf aan de verplichting tot het vestigen van pandrechten, maar ook haar dochtermaatschappijen [B.V. 2] en [B.V. 4] . Door onwetendheid van partijen zijn [B.V. 1] en [B.V. 3] na het sluiten van de geldleningsovereenkomst niet meer overgegaan tot het vastleggen van deze afspraak in een notariële akte. Het vestigen van de pandrechten was wel de bedoeling van partijen. [B.V. 1] heeft [B.V. 3] en met haar [B.V. 2] verzocht en gesommeerd om de pandrechten in een notariële akte te vestigen, maar [B.V. 3] en [B.V. 2] weigerden dat.
5.26.
[B.V. 2] betwist dat deze afspraak is gemaakt. [B.V. 2] heeft de geldleningsovereenkomst ook niet ondertekend. Ook is volgens haar de vordering om mee te werken aan notariële vastlegging te onbepaald om te kunnen toewijzen. Verder is niet voldaan aan het vereiste van verzuim. [B.V. 3] betwist dat er een contractuele grondslag bestaat om de pandrechten te vestigen, betwist dat sprake is van verzuim aan haar kant, en voert daarnaast aan dat zij geen pandrecht kan vestigen op aandelen die zij niet houdt.
Het oordeel: het pandrecht is overeengekomen
5.27.
[B.V. 2] is enig aandeelhouder in [B.V. 4] . De rechtbank moet allereerst beoordelen of [B.V. 1] met [B.V. 2] heeft afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . [B.V. 1] meent van wel, [B.V. 2] betwist dat.
5.28.
Omdat partijen het oneens zijn over de inhoud van de geldleningsovereenkomst moet de inhoud door uitleg worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft bepaald welke maatstaf hiervoor moet worden gebruikt (de zogenaamde Haviltex-maatstaf). Deze maatstaf houdt in dat het erom gaat wat [B.V. 1] en [B.V. 2] in de concrete omstandigheden van dit geval uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden. Niet alleen de letterlijke tekst van de overeenkomst is relevant, maar ook andere omstandigheden.
5.29.
De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen die [B.V. 2] houdt in [B.V. 4] . [zoon] is bevoegd om [B.V. 2] te vertegenwoordigen. Bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst mocht [B.V. 1] er redelijkerwijs van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] handelde. De rechtbank hecht namelijk veel waarde aan de omstandigheid dat de tekst van artikel 6 zelf duidelijk is. In de eerste alinea van artikel 6 staat dat de debiteur, [B.V. 3] , aan de crediteur, [B.V. 1] , meerdere zekerheden verstrekt. Het gaat om een pandrecht op de aandelen die door [B.V. 3] worden gehouden in [B.V. 2] , én de aandelen in [B.V. 4] . [vader] en [zoon] weten beide dat [B.V. 2] (en niet [B.V. 3] ) aandelen houdt in [B.V. 4] . [zoon] heeft deze tekst ‘en de aandelen in [B.V. 4] ’ niet doorgestreept of weggehaald, maar zo laten staan toen hij de overeenkomst ondertekende.
Met de toevoeging van de woorden ‘en de aandelen in [B.V. 4] ’ was ook de bedoeling van [vader] en [zoon] duidelijk. [B.V. 3] had geld geleend en [B.V. 1] wilde meerdere zekerheden hebben om terugbetaling van de door haar verstrekte lening veilig te stellen. Dat [zoon] de bedoeling had om niet alleen zekerheden namens [B.V. 3] te verstrekken maar ook namens [B.V. 2] volgt ook uit de overige tekst van artikel 6. Daarin staat dat de verpanding van activa zowel geldt voor [B.V. 3] en ook voor haar dochtermaatschappijen [B.V. 2] en [B.V. 4] .
Bovendien biedt de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst geen steun aan de uitleg van [B.V. 2] , maar wel aan de uitleg van [B.V. 1] . [B.V. 2] stelt dat zij niet gebonden is aan artikel 6 uit de geldleningsovereenkomst omdat zij de overeenkomst niet heeft ondertekend. De rechtbank volgt [B.V. 2] niet in deze redenering. Uit de opmaak van de laatste pagina van de geldleningsovereenkomst, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.7 van de feiten, blijkt niet dat [zoon] drie keer (voor al drie de partijen) zijn handtekening diende te plaatsen. Er is ruimte vrij gemaakt voor de handtekening van de debiteur onder 1. en de crediteur onder 2. Daaronder staat de zin dat sprake is van mede ondertekening door [B.V. 2] en [B.V. 4] . Er is geen extra ruimte vrijgemaakt voor het plaatsen van handtekeningen. Met het plaatsen van één handtekening tekende [zoon] dus namens alle drie de partijen, althans zo mocht [B.V. 1] dat begrijpen.
5.30.
De conclusie van het voorgaande is dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] .
5.31.
De vordering zelf verwijst naar het vestigen van ‘de pandrechten’. Gelet op het voorgaande oordeel begrijpt de rechtbank dat het gaat om het vestigen van een pandrecht op aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] . Het pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] is niet gevestigd bij notariële akte, terwijl op [B.V. 2] deze verplichting wel rust. [B.V. 1] heeft immers volgens de gemaakte afspraak recht op een pandrecht op deze aandelen en voor de eigendomsverkrijging van dit pandrecht is vastlegging in een notariële akte wettelijk vereist. Omdat [B.V. 1] nakoming vordert van deze verplichting, is verzuim niet vereist.
5.32.
De vordering onder 4. jegens [B.V. 3] , waarin gevorderd wordt dat ook [B.V. 3] gehouden is de pandrechten op de aandelen in [B.V. 4] te vestigen wordt afgewezen, omdat [B.V. 3] , zoals zij terecht heeft betoogd, geen pandrecht kan vestigen op aandelen die zij niet houdt.
De vordering is niet onbepaald
5.33.
Anders dan [B.V. 2] stelt, acht de rechtbank deze vordering niet te onbepaald. De afspraak is gemaakt. Als er bij het opstellen van de notariële akte nog ondergeschikte aspecten zijn waarover [B.V. 1] en [B.V. 2] geen overeenstemming hebben, dan moet dat alsnog gebeuren. [B.V. 2] heeft niet gesteld welke aspecten dit zijn. Dergelijke openstaande punten zijn van ondergeschikt belang en hebben geen invloed op de afspraak dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt. [B.V. 2] is daarom verplicht om mee te werken aan de totstandkoming van de notariële akte.
De dwangsom wordt gematigd
5.34.
[B.V. 1] eist verder betaling van een dwangsom voor elke dag dat [B.V. 2] na het vonnis niet meewerkt aan het vestigen van het hierboven genoemde pandrecht. [B.V. 2] maakt bezwaar tegen de gevorderde dwangsom van € 10.000,00.
5.35.
De rechtbank acht het opleggen van een dwangsom als prikkel om deze verplichting na te komen aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot € 2.500,00 per dag en met een maximum van € 25.000,00. De rechtbank zal bepalen na welke termijn de dwangsom gaat lopen. Hiervoor is het volgende van belang. Voor het verlenen van het pandrecht is de inschakeling van een notaris nodig. Dat betekent dus dat [B.V. 2] een notaris zal moeten inschakelen met het verzoek om een notariële akte op te stellen voor het vestigen van een pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] ten behoeve van [B.V. 1] . [B.V. 2] moet de noodzakelijke medewerking verlenen en tot ondertekening van de akte overgaan. De rechtbank acht een termijn van twee weken voor geven van de opdracht aan de notaris tot het opstellen van de notariële akte redelijk, en voorts een termijn van twee weken nadat de definitieve akte is opgemaakt voor het ondertekenen daarvan. De dwangsommen zijn daarom verschuldigd vanaf het moment dat [B.V. 2] nalaat om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een notaris opdracht te geven tot het opstellen van de notariële akte, en voorts indien [B.V. 2] binnen twee weken na ontvangst van de definitieve notariële akte niet overgaat tot ondertekening daarvan. De vordering onder V. wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
Pandrecht op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2]
De vordering van [B.V. 1] tegen [B.V. 3]
5.36.
Onder vordering 4. (in conventie) eist [B.V. 1] ook van [B.V. 3] dat zij is gehouden om de pandrechten op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] te doen vestigen middels een notariële akte. [B.V. 1] beroept zich op nakoming van artikel 6 van de geldleningsovereenkomst.
De beslissing: het pandrecht is overeengekomen
5.37.
[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn het erover eens dat [B.V. 3] zich ten behoeve van [B.V. 1] heeft verplicht om een pandrecht te doen vestigen op haar aandelen in [B.V. 2] . Ook staat vast dat dit nog niet is gebeurd. Zoals hierboven al is geoordeeld, is deze vordering niet onbepaald en verzuim is niet vereist. De vordering tegen [B.V. 3] onder 4. (in conventie) wordt ten aanzien van dit deel van de vordering daarom toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. De dwangsom zal op eenzelfde wijze worden beperkt en gemaximeerd.
Pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2]
De standpunten van partijen
5.38.
[B.V. 1] vordert jegens [B.V. 2] onder VI. een verklaring voor recht dat het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] werd gevestigd. Voor zover dat niet zo is eist [B.V. 1] dat [B.V. 2] gehouden is het pandrecht te doen vestigen zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [B.V. 1] van € 10.000,00 per dag.
5.39.
[B.V. 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij een pandrecht heeft verkregen op de roerende zaken van [B.V. 2] . Het gaat dan om de machines, computerapparatuur, motorvoertuigen, en alle inventarisgoederen in [B.V. 4] etc. Dit volgt volgens haar uit de geldleningsovereenkomst. Het is recent gebleken dat ook het vestigen van een pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] niet goed is gegaan. De akte (de lening) was niet geregistreerd. [B.V. 1] heeft dit alsnog gedaan eind 2024.
5.40.
[B.V. 2] betwist dat [B.V. 1] een pandrecht heeft verkregen op de roerende zaken van [B.V. 2] . [B.V. 2] heeft hier niet voor getekend. Ook betwist zij dat de registratie heeft plaatsgevonden. Verder stelt zij dat de vordering onbepaald is omdat het niet duidelijk is wat onder de roerende zaken moet worden verstaan.
De beslissing: het pandrecht is overeengekomen
5.41.
[B.V. 1] en [B.V. 2] twisten over de vraag of zij hebben afgesproken dat [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] een pandrecht op haar roerende zaken moet vestigen. Deze vraag moet door middel van uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden beantwoord. Zoals hierboven ook al is geoordeeld mocht [B.V. 1] bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst er redelijkerwijs van uitgaan dat [zoon] niet alleen [B.V. 3] vertegenwoordigde, maar dat hij voor zover dat nodig was ook namens [B.V. 2] (en [B.V. 4] ) handelde. Dit oordeel is gebaseerd op de tekst en opmaak van de geldleningsovereenkomst en de bedoeling die partijen hadden (het verstrekken van meerdere zekerheden door verschillende partijen). De rechtbank is daarom van oordeel dat [B.V. 1] en [B.V. 2] hebben afgesproken dat [B.V. 1] een pandrecht verkrijgt op de roerende zaken van [B.V. 2] .
5.42.
[B.V. 1] stelt dat dit pandrecht al is gevestigd omdat zij de akte heeft geregistreerd. Omdat [B.V. 2] deze stelling heeft betwist en omdat [B.V. 1] ook geen schriftelijk bewijs hiervan heeft overgelegd, wordt deze stelling wegens onvoldoende onderbouwing verworpen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
5.43.
Subsidiair eist [B.V. 1] dat de rechtbank [B.V. 2] veroordeelt om het pandrecht op de roerende zaken alsnog te doen vestigen.
5.44.
De subsidiaire vordering onder VI. wordt wel toegewezen. Het verweer van [B.V. 2] dat niet duidelijk is wat onder deze ‘roerende zaken’ moeten worden verstaan, wordt verworpen. [B.V. 1] legt dit uit in haar processtuk en verwijst hiervoor naar artikel 6 onder b en c van de geldleningsovereenkomst. Het gaat dan om de gehele handelsvoorraad van [B.V. 2] (zie artikel 6b) en om de gehele bedrijfsinventaris van [B.V. 2] (zie artikel 6c). De rechtbank zal [B.V. 2] veroordelen om ook dit pandrecht bij notariële akte te vestigen, onder dezelfde voorwaarden als hiervoor is overwogenen. Omdat [B.V. 1] nakoming van een contractuele verplichting eist, is verzuim van [B.V. 2] niet vereist. De gevorderde dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
5.45.
[B.V. 1] heeft in de zaak tegen [B.V. 3] onder 5. een vergelijkbare vordering ingesteld. Deze vordering wordt in zijn geheel afgewezen. [B.V. 3] kan geen pandrecht verlenen op roerende zaken die van [B.V. 2] en niet van haar zijn. Een verklaring voor recht hierover uitspreken jegens [B.V. 3] is dan ook niet mogelijk.
De vordering tot betaling van schadevergoeding door [B.V. 2]
De standpunten van [B.V. 1] en [B.V. 2]
5.46.
[B.V. 1] eist, na wijziging van haar eis, onder II., betaling van schadevergoeding van [B.V. 2] , nader op te maken bij staat. [B.V. 1] voert aan dat [B.V. 2] wanprestatie heeft gepleegd door na te laten om de overeengekomen pandrechten in een notariële akte te laten vastleggen. Hierdoor heeft [B.V. 1] geen zekerheden voor verhaal. Het is nog niet duidelijk wat de omvang van de schade is. De pandrechten moeten nog worden gevestigd en daarna vindt eventueel executie plaats ter verhaal van de vordering. Het is niet duidelijk of er andere schuldeisers zijn die voor gaan.
5.47.
[B.V. 2] betwist schadeplichtig te zijn en betwist dat sprake is van schade.
De beslissing: geen verwijzing naar de schadestaat
5.48.
De rechtbank is van oordeel dat op [B.V. 2] wegens wanprestatie een schadevergoedingsplicht rust. Zoals hierboven al is overwogen was [B.V. 2] op grond van de geldleningsovereenkomst gehouden om aan [B.V. 1] een pandrecht op haar roerende zaken en een pandrecht op haar aandelen in [B.V. 4] te verlenen. Dit heeft zij nagelaten. Ook aan het vereiste van verzuim is voldaan. Zoals [B.V. 1] stelt heeft zij [B.V. 2] bij e-mail van 5 december 2024 gesommeerd om de pandrechten alsnog te vestigen. [B.V. 2] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
5.49.
Ook moet worden beoordeeld of de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure op grond van 612 van het Wetboek van Burgerljke Rechtsvordering (hierna: Rv) toewijsbaar is. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een verwijzing voldoende dat de mogelijkheid van schade door de tekortkoming van [B.V. 2] aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat [B.V. 1] de mogelijkheid van schade van [B.V. 1] niet aannemelijk heeft gemaakt. Het gaat hier om een vertraging in de nakoming van de verplichting om de pandrechten te vestigen. [B.V. 1] maakt niet concreet dat zij als gevolg van deze vertraging mogelijk schade heeft geleden. Deze vordering onder II. wordt dus afgewezen.
De reconventionele vorderingen van [B.V. 3]
5.50.
In de zaak tegen [B.V. 1] heeft [B.V. 3] twee tegenvorderingen ingesteld. Zij eist primair een verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst buiten toepassing blijft. [B.V. 2] voert in dit verband aan dat de koopsom van de aandelen door [B.V. 1] is bepaald en dat deze koopsom achteraf niet bleek te kloppen. Ook de prognoses van het bedrijf bleken niet realistisch te zijn. [B.V. 1] moet dit hebben geweten maar heeft toch de onderneming voor deze prijs verkocht aan het bedrijf van zijn zoon. De geldleningsovereenkomst leidt tot het onaanvaardbare resultaat dat [zoon] zijn broodwinning kwijtraakt en dat het familiebedrijf failliet gaat.
Als de primaire vordering niet slaagt, vordert [B.V. 3] subsidiair dat de rechtbank de geldleningsovereenkomst aanpast. Na het sluiten hebben zich onvoorziene omstandigheden voorgedaan die aanpassing van de overeenkomst vergen. Het gaat om krapte op de arbeidsmarkt, de oorlog in Oekraïne, het aantreden van Trump en de importheffingen.
5.51.
De rechtbank wijst de primaire vordering af. De hoofdregel van het contractenrecht is dat partijen zich bij de uitvoering van een overeenkomst over en weer aan die overeenkomst hebben te houden. De redelijkheid en billijkheid kunnen het beroep van [B.V. 1] op een regel uit de overeenkomst ontnemen, maar dan moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden (artikel 6:248 lid 2 BW). [B.V. 3] onderbouwt haar stellingen niet. [B.V. 3] heeft ook geen bijzondere omstandigheden gesteld die een uitzondering op de hoofdregel in dit geval rechtvaardigen.
5.52.
Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering. De rechtbank kan op verzoek van partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen. Dat mag alleen in zeer bijzondere omstandigheden en die bijzondere omstandigheden moeten niet voor rekening komen van de partij die zich hierop beroept (artikel 6:258 BW). De niet-onderbouwde stellingen van [B.V. 3] zijn algemeen en onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW. Ook het beroep op dwaling faalt om die reden.
De overige vorderingen
[B.V. 2] en [B.V. 3] moeten buitengerechtelijke kosten betalen
5.53.
[B.V. 1] vordert van [B.V. 2] (onder III.) en van [B.V. 3] (onder 2.) € 3.387,50 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In totaal komt dat neer op een bedrag van € 6.775,00. De vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [B.V. 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [B.V. 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [B.V. 1] vordert in totaal vanwege de hoogte van de vorderingen het maximale bedrag (€ 6.775,00). [B.V. 1] heeft per procedure de helft van dit bedrag gevorderd omdat voor deze procedures dezelfde werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Dat betekent dat de vorderingen van € 3.387,50 tegen [B.V. 2] en [B.V. 3] worden toegewezen. Bezwaar tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt afgewezen
5.54.
[B.V. 1] verzoekt de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat het mogelijk is om de uitspraak meteen uit te voeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. [B.V. 2] en [B.V. 3] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. [B.V. 2] en [B.V. 3] wijzen op de vader-zoonrelatie en de dreiging van deconfiture bij executie van het vonnis. Ook wordt aangevoerd dat [zoon] zijn enige bron van inkomsten zal verliezen. Tot slot stellen [B.V. 2] en [B.V. 3] dat [B.V. 1] het doel heeft om het bedrijf terug te kopen.
5.55.
Om te bepalen of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen en beslissen wiens belang zwaarder weegt. Het uitgangspunt is dat [B.V. 1] bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. Daartegenover staat het belang van [B.V. 2] en [B.V. 3] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist.
5.56.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis wordt toegewezen. Het belang van [B.V. 1] om gelijk betaling te kunnen krijgen weegt zwaarder dan het belang van [B.V. 2] en [B.V. 3] . Het gaat onder andere om twee aanzienlijke schulden die al enige tijd onbetaald zijn gelaten. De rechtbank acht de omstandigheid dat het gevorderde grote gevolgen voor de bedrijven en voor [zoon] kan hebben op zichzelf onvoldoende om aan de beslissing een uitvoerbaar bij voorraadklaring af te wijzen. Daar komt bij dat toewijzing van het vonnis niet tot faillissement van [B.V. 4] hoeft te leiden. De rechtbank passeert dan ook dit verweer.
De proceskosten
De proceskosten worden gecompenseerd
5.57.
Omdat achter de geschillen tussen partijen een familierechtelijke relatie schuilt, worden de proceskosten (inclusief nakosten) in deze zaken (in conventie in reconventie) gecompenseerd. Dat betekent dat ieder van de partijen de eigen proceskosten draagt.
De beslagkosten moeten worden betaald
5.58.
[B.V. 1] heeft ten laste van [B.V. 2] en [B.V. 3] conservatoir beslag gelegd voor haar vorderingen en zij stelt dat de gemaakte kosten door [B.V. 2] en [B.V. 3] moeten worden vergoed.
5.59.
De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten bestaan uit een deel griffierecht, de kosten van de exploten per gedaagde en het salaris van de advocaat voor het opstellen van het beslagrekest (1 punt). Omdat het beslagrekest betrekking had op beide gedaagden geldt voor elke gedaagde de helft van dit bedrag. Omdat de zaken zijn gevoegd, wordt het griffierecht maar 1x in rekening gebracht en ook dit bedrag wordt gesplitst. Samen komt dit neer op € 2.522,50 per gedaagde (€ 688,00 + € 4.357,00/2). De explootkosten worden apart berekend en bedragen voor [B.V. 2] € 375,72 (€ 80,64 + € 147,54 + € 147,54). De explootkosten voor [B.V. 3] bedragen € 635,64.
5.60.
Dat betekent dat de beslagkosten voor [B.V. 2] worden begroot op in totaal € 2.898,22 (€ 2.522,50 + € 375,72) en voor [B.V. 3] op € 3.158,14 (€ 2.522,50 + € 635,64).
6De beslissing
De rechtbank
in de zaak 433977 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 2] )
6.1.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen de rekening-courantvordering per 31 december 2024 van € 566.393,00, te vermeerderen met de rente van 4% per jaar vanaf 1 januari 2025 tot de datum van volledige voldoening,
6.2.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [B.V. 2] :
om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de aandelen van [B.V. 2] in [B.V. 4] ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
om binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte, deze te ondertekenen,
6.4.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 2] niet aan de in 6.3. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.5.
veroordeelt [B.V. 2] :
om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de roerende zaken van [B.V. 2] (zijnde de handelsvoorraad en de bedrijfsinventaris) ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
om binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte, deze te ondertekenen,
6.6.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 2] niet aan de in 6.5. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.7.
veroordeelt [B.V. 2] in de beslagkosten van € 2.898,22,
6.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de zaak 433979 ( [B.V. 1] tegen [B.V. 3] )
in conventie
6.11.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 1.724.261,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 1 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.12.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 3.387,50 aan buitengerechtelijke kosten,
6.13.
veroordeelt [B.V. 3] om:
binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan een notaris de opdracht te geven om voor het verlenen van het pandrecht op de aandelen van [B.V. 3] in [B.V. 2] ten behoeve van [B.V. 1] een notariële akte op te stellen en
binnen twee weken na ontvangst van de door de notaris opgestelde definitieve akte deze te ondertekenen,
6.14.
veroordeelt [B.V. 3] om aan [B.V. 1] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat [B.V. 3] niet aan de in 6.10. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.15.
veroordeelt [B.V. 3] in de beslagkosten van € 3.158,14,
6.16.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.17.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.18.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.19.
wijst de vorderingen af,
6.20.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
Zie pagina 15 van de conclusie van antwoord in incident en reactie op het verweer van [B.V. 2] in de hoofdzaak en tevens conclusie van aanpassing eis van [B.V. 1] .