Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8248

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12062937 \ CV EXPL 26-402 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12062937 \ CV EXPL 26-402 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging overeenkomst van aanneming van werk en afrekening naar de stand van het werk op dat moment. Beoordeling wat oorspronkelijk is overeengekomen en wat gewenste toevoegingen of veranderingen zijn, artikel 7:755 BW. Stelplicht en bewijslast, artikel 150 Rv.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.440 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummer: 12062937 \ CV EXPL 26-402




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





[aannemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [aannemer] ,
gemachtigde: mr. M. Groenewoud,



tegen





1 [opdrachtgever 1] ,

te [plaats 2] ,2. [opdrachtgever 2],
te Dongen,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] ,
gemachtigde: mr. O.P.N.M. Tennebroek.






1De zaak in het kort


Eiser heeft werkzaamheden verricht in de woning van opdrachtgevers. Uiteindelijk besluiten beide partijen dat de overeenkomst wordt beëindigd, hoewel het werk nog niet klaar is. In deze zaak moet de kantonrechter in conventie beoordelen of de door de aannemer gevorderde kosten voor geleverde arbeid en materiaal door opdrachtgevers betaald moeten worden. De conclusie is dat opdrachtgevers nog een groot deel van de gefactureerde bedragen moeten betalen. In reconventie moet de kantonrechter beoordelen of de aannemer aansprakelijk is voor schade van opdrachtgevers. Dat blijkt niet, zodat de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de nadere producties van [aannemer]- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte vermeerdering van eis van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2]
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:


- Partijen hebben afgesproken dat [aannemer] werkzaamheden zou verrichten in de woning van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] . De afspraken zijn vastgelegd in een door [aannemer] opgestelde en door [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] geaccepteerde offerte van 6 november 2024 met [offertenummer] Daarop staat onder andere het volgende opgenomen:










Omschrijving




Bedrag ex. btw




Btw




Totaal excl. btw





Vier kamers muren en plafonds stucen en schilderen
30x60 cm muur doorbreken


€ 7.500,00


0%


€ 7.500,00




Geen plafond werk













Badkamer renovatie met elektra en verwarmingssysteem


€ 6.500,00


0%


€ 6.500,00




Nieuw plafond met gipsplaat













Vervanging van 5 deuren, inclusief nieuwe deuren


€ 4.000,00


0%


€ 4.000,00




Container en al het afval


€ 1.500,00


0%


€ 1.500,00




Nieuwe vloer met laminaat en plinten, inclusief materiaal


€ 3.000,00


0%


€ 3.000,00




Vloerverwarming


€ 4.000,00


0%


€ 4.000,00







Subtotaal





€ 26.500,00







Totaal incl. btw





€ 26.500,00






- [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben op 12 november 2024 een bedrag van € 8.000,00 betaald.

- [aannemer] is op 13 november 2024 gestart met de werkzaamheden, waarna zij facturen heeft gestuurd op 1 januari 2025 (kenmerk [factuur 1] ) en op 10 februari 2025 (kenmerk [factuur 2] ).

- Omdat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet alle gefactureerde bedragen volledig betaalden, heeft [aannemer] via een gemachtigde op 19 juni 2025, 16 juli 2025 en 23 juli 2025 een aanmaning gestuurd. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben naar aanleiding daarvan niet betaald.






4Het geschil



in conventie




4.1.

[aannemer] vordert - samengevat - veroordeling van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] tot betaling van:


een bedrag aan hoofdsom van € 15.907,50, vermeerderd met wettelijke rente,


een bedrag aan incassokosten van € 929,00, vermeerderd met wettelijke rente,


de proceskosten.





4.2.
Daarbij voert [aannemer] aan dat zij werkzaamheden heeft uitgevoerd en materialen heeft ingekocht zoals zij dat met [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] is overeengekomen in de offerte van 6 november 2024 en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Volgens [aannemer] heeft zij alle op de offerte en facturen aangegeven werkzaamheden uitgevoerd, behalve het leggen van het laminaat en de vloerverwarming. Daarbij heeft zij toegelicht dat zij radiatoren heeft geleverd als alternatief voor de overeengekomen vloerverwarming, al heeft zij de radiatoren niet meer geïnstalleerd. Op 28 januari 2025 is [aannemer] gestopt met de werkzaamheden. Voor de geleverde arbeid en materialen moeten [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] betalen, maar dat hebben zij volgens [aannemer] niet volledig gedaan. [aannemer] wil dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hun betalingsverplichting nakomen en beroept zich daarbij op artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek (BW).



4.3.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [aannemer] , met veroordeling van [aannemer] in de kosten van deze procedure. Zij voeren daarbij aan dat [aannemer] bijna niets van de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Daarnaast zijn [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] van mening dat wat [aannemer] wel heeft uitgevoerd, zij dat niet goed heeft gedaan en dat [aannemer] schade heeft veroorzaakt. Tot slot betwisten [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] dat zij opdracht hebben gegeven voor meer werkzaamheden en materialen dan die er op de offerte van 6 november 2024 staan opgenomen. Zij wilden niet dat [aannemer] vanaf 28 januari 2025 nog werkzaamheden zou uitvoeren.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





4.5.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] vorderen - samengevat - veroordeling van [aannemer] tot betaling van een schadevergoeding voor niet, althans niet goed uitgevoerd werk, nader op te maken bij staat en een schadevergoeding voor (gevolg-)schade voor een bedrag van in totaal € 3.172,00.



4.6.

[aannemer] betwist de schade en dat zij daarvoor aansprakelijk is. Ze concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] .



4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



in conventie





Wat zijn partijen overeengekomen en wat is uitgevoerd




5.1.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (artikel 7:750 BW). [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten hun betalingsverplichting op grond van deze overeenkomst nakomen.



5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is door beide partijen verklaard dat zij op 28 januari 2025 hebben besloten niet meer met elkaar verder te willen en de overeenkomst op dat moment hebben beëindigd. Het werk was toen nog niet af. Daarom moet worden afgerekend naar de stand van het werk op dat moment. Dat betekent dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] de door [aannemer] tot dan geleverde werkzaamheden en materialen zoals zij waren overeengekomen moeten betalen.



5.3.
De kantonrechter zal daarom allereerst beoordelen wat partijen zijn overeengekomen en wat [aannemer] daarvan heeft uitgevoerd.


Daarbij is van belang artikel 7:755 BW. Dat artikel bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk, de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.



Verder is uitgangspunt dat [aannemer] de partij is die zich beroept op het rechtsgevolg van haar stelling dat zij werkzaamheden en materialen heeft geleverd die zijn overeengekomen en [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] daarom moeten betalen. Dat betekent dat zij op dat punt de stelplicht heeft en bij betwisting haar stelling nader moet onderbouwen of zo nodig bewijzen. Dat volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).




5.4.
De kantonrechter overweegt per op de facturen aangegeven post als volgt:




[factuur 3]




1. inspectie naar de schade veroorzaakt door het vocht en de schimmel op het plafond, de muren en de laminaatvloer € 500,00


Niet blijkt dat deze werkzaamheden zijn overeengekomen in de offerte van 6 november 2024. Uit diverse door [aannemer] overgelegde Whatsappberichten uit 2024 blijkt echter dat zij deze werkzaamheden wel heeft verricht en dat zij hierover ook contact heeft gehad met [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] . In deze Whatsappberichten heeft [aannemer] aangegeven dat zij voor de verzekeringsmaatschappij een specifieke offerte, gedateerd op 5 november 2024 met het [nummer] (verder: offerte [nummer] ) heeft gemaakt, een aanvraagbrief voor de verzekeringsmaatschappij en een schaderapport. De documenten zelf staan ook in deze Whatsappberichten. In een door [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] gestuurd Whatsappbericht hebben zij een bericht opgenomen waarin hun verzoek tot vergoeding van schade op grond van hun verzekering wordt afgewezen en waarin de verzekeraar ingaat op de informatie van [aannemer] . Daaruit blijkt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] de documenten ook daadwerkelijk hebben gebruikt.




[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voldoende blijk dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] voor deze werkzaamheden opdracht hebben gegeven aan [aannemer] en dat zij de opdracht heeft uitgevoerd. Dit betreft een opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW. Op grond van artikel 7:405 BW is een opdrachtgever in dat geval een redelijk loon verschuldigd aan de opdrachtnemer. De kantonrechter acht het bedrag van € 500,00 dat [aannemer] voor deze werkzaamheden op offerte [nummer] heeft opgenomen en heeft gefactureerd redelijk, zodat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] deze post moeten betalen.


2. Verwijderen van de gipsplaten aan het plafond in vier kamers en de gang € 1.850,00


In de offerte van 6 november 2024 (verder: de offerte) staat onder de werkzaamheden in de vier kamers aangegeven ‘geen plafondwerk’. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben daarbij ook uitdrukkelijk aangevoerd dat volgens hen deze post weliswaar op offerte [nummer] is opgenomen, maar dat deze werkzaamheden uiteindelijk niet zijn overeengekomen. Daaruit volgt dat het verwijderen van de gipsplaten aan het plafond op dat moment expliciet niet is afgesproken en daarmee dus geen onderdeel uitmaakt van de overeengekomen prijs.




[aannemer] heeft weliswaar aangevoerd en met foto’s onderbouwd dat zij deze werkzaamheden wel heeft uitgevoerd, maar niet blijkt dat hier sprake is van meerwerk waarvoor [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten betalen. [aannemer] heeft namelijk niet, althans onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] alsnog opdracht hebben gegeven om deze werkzaamheden uit te voeren of dat [aannemer] [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] erop heeft gewezen dat hier sprake was van meerwerk waarvoor zij moesten betalen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] het bedrag voor deze post niet hoeven te betalen.


3. Aanbrengen nieuw plafondsyteem na verwijdering gipsplaten, herstel van schade aan muren en plafond, uitvoeren van pleisterwerk € 8.300,00



[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben in het kader van hun verweer tegen deze post aangevoerd dat op offerte [nummer] voor het stuken en schilderen van plafonds € 7.500,00 is opgenomen en dat zij dat reeds hebben betaald. [aannemer] heeft niet betwist dat een bedrag van € 8.000,= is aanbetaald. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] betwisten echter wel dat een nieuw plafondsysteem is overeengekomen en dat zij daarvoor moeten betalen.



Het aanbrengen van een nieuw plafondsysteem staat niet op de offerte. [aannemer] heeft ook niet onderbouwd waaruit blijkt dat dit wel is overeengekomen, zodat niet blijkt dat sprake is van meerwerk waarvoor [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten betalen. Het resterende bedrag á € 800,00 (€ 8.300,00 - € 7.500,00=) hoeft derhalve niet betaald te worden.


4. Leggen nieuwe laminaatvloer € 2.000,00


Op de offerte is opgenomen dat een nieuwe vloer met laminaat en plinten zou worden gelegd voor € 3.000,00. Niet staat ter discussie dat het laminaat niet is gelegd. Wel staat ter discussie of de ondervloer is gelegd en of het laminaat al was geleverd. [aannemer] is van mening dat dat wel het geval is en heeft ter onderbouwing verwezen naar de door haar overgelegde Whatsappberichten. Uit deze berichten volgt echter niet dat het laminaat is besteld. Welke voorbereidende werkzaamheden [aannemer] heeft uitgevoerd, heeft zij niet gesteld en blijkt ook niet uit de overgelegde foto’s. Daarom hoeven [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] deze post voor een bedrag van € 2.000,00 niet te betalen.


5. Plaatsen container en afvoeren met afval € 1.150,00



[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben erkend dat de container is geleverd en volgegooid. Dat betekent dat zij deze post moeten betalen.


6. Vervanging van radiatoren € 3.350,00


Op de offerte is opgenomen dat [aannemer] vloerverwarming zou aanleggen. Tijdens het werk is vastgesteld dat vloerverwarming niet mogelijk was, althans niet op de manier zoals [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] dat wilden. [aannemer] heeft toegelicht dat als alternatief is afgesproken dat zij de bestaande radiatoren dan zou vervangen door nieuwe radiatoren. Daarbij heeft zij verwezen naar Whatsappberichten waarin zij aangeeft dat de radiatoren zijn geleverd en dat al voorbereidende werkzaamheden zijn uitgevoerd. Ook is een foto gestuurd van een radiator.



Hoewel [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben betwist dat zij opdracht hebben gegeven voor het leveren en installeren van radiatoren, blijkt uit de Whatsappberichten voldoende dat partijen hierover contact hebben gehad. Niet blijkt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] bezwaar hebben gemaakt tegen het plaatsen van radiatoren, terwijl niet is betwist dat vloerverwarming niet mogelijk bleek te zijn en daarvoor een alternatief benodigd was. De kantonrechter is op grond hiervan van oordeel dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij opdracht hebben gegeven voor het leveren en installeren van radiatoren, zodat zij voor de aangeschafte radiatoren moeten betalen. Dit betreft een bedrag van (4*€ 750,00=) € 3.000,00 van deze post. Omdat [aannemer] heeft erkend dat zij de radiatoren nog niet had gemonteerd en verder niet, althans gezien de betwisting van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld welke arbeid zij wel heeft verricht, hoeven [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] het hiervoor opgenomen bedrag van € 350,00 niet te betalen.




Factuur 202501-006



7. Levering van vier deuren € 2.800,00 exclusief btw


Op de offerte is opgenomen dat vijf deuren zouden worden geleverd. Partijen verschillen niet van mening dat [aannemer] vier deuren heeft geleverd en in rekening heeft gebracht. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] voeren wel aan dat [aannemer] de deuren niet heeft opgehangen. Uit de factuur blijkt echter niet dat [aannemer] kosten in rekening heeft gebracht voor het ophangen van de deuren. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben dit ook niet gesteld. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het gefactureerde bedrag alleen te maken heeft met de deuren zelf, zodat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] deze post moeten betalen.


8. Badkamerrenovatie € 3.600,00 exclusief btw


Op de offerte is opgenomen dat de badkamer gerenoveerd zou worden, inclusief elektra, verwarmingssysteem en nieuw plafond. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben niet betwist dat de badkamer is gerenoveerd. Op de factuur is voor deze post een bedrag van € 3.600,00 in rekening gebracht, terwijl een bedrag van € 6.500,00 was overeengekomen. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben niet gesteld dat het gefactureerde bedrag niet klopt met de uitgevoerde werkzaamheden. Daarom moeten zij dit bedrag betalen.




5.5.
Op grond van deze overwegingen bestaat er voor [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] geen betalingsverplichting voor de volgende posten:








2. verwijderen van de gipsplaten aan het plafond in vier kamers en de gang


€ 1.850,00




3. aanbrengen nieuw plafondsyteem


€ 800,00




4. leggen nieuwe laminaatvloer


€ 2.000,00




6. arbeid radiatoren


€ 350,00




totaal


€ 5.000,00








Niet blijkt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] méér dan € 8.000,00 hebben betaald





5.6.

[aannemer] heeft op [factuur 3] aangegeven dat een bedrag van € 8.000,- in mindering is gebracht, omdat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] dit bedrag al hadden aanbetaald. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben gesteld dat zij daarnaast nog een bedrag van € 10.000,00 hebben betaald, zodat ook dat bedrag volgens hen in mindering op de factuurbedragen moet komen. Op dit punt dragen [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] de stelplicht. De kantonrechter is van oordeel dat zij daaraan onvoldoende hebben voldaan en overweegt het volgende.



[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben gesteld dat zij contant een bedrag van € 10.000,00 hebben betaald aan [persoon] . Deze persoon verrichte af en toe werkzaamheden in opdracht van [aannemer] en werd ook ingeschakeld als contactpersoon, omdat hij Koerdisch spreekt. Bij de betaling was volgens hen een vriendin aanwezig.




[aannemer] heeft betwist dat zij een bedrag van € 10.000,00 heeft ontvangen van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] . Ook heeft zij betwist dat [persoon] dit bedrag heeft ontvangen. [persoon] kon dit volgens haar ook niet namens haar in ontvangst nemen, omdat [persoon] daarvoor niet bevoegd was. [aannemer] heeft daarbij een verklaring overgelegd van [persoon] waarin hij betwist dat hij een bedrag van € 10.000,00 van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] heeft ontvangen.




5.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] naar aanleiding van dit verweer hun stelling nader hadden moeten onderbouwen. Dat hebben zij niet, of in ieder geval onvoldoende gedaan. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben weliswaar aangevoerd dat [aannemer] in haar Whatsappbericht van 28 januari 2025 12:19:37 uur heeft geschreven “ [persoon] komt vandaag om de betaling op te halen”, maar daaruit blijkt niet dat [persoon] vóór die datum ook bevoegd was om een bedrag namens [aannemer] in ontvangst te nemen. Daarbij heeft [aannemer] toegelicht dat zij [persoon] alleen op dat moment had gevraagd om het geld te halen, omdat partijen toen al afscheid van elkaar hadden genomen en niet meer on speaking terms waren. Bovendien blijkt daaruit niet dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] € 10.000,00 aan [persoon] hebben betaald. Dat volgt ook niet uit het enkele feit dat [aannemer] in haar Whatsappberichten van 28 januari 2025 en daarna enkele keren verzocht om een aanzienlijk lager bedrag dan het nu gevorderde bedrag. [aannemer] heeft in verband daarmee toegelicht dat zij een lager bedrag vroeg dan nog openstond, omdat zij geld nodig had en snel van de zaak af wilde.


Doordat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, wordt ook niet toegekomen aan bewijslevering en gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.




Niet blijkt dat rekening moet worden gehouden met ondeugdelijk uitgevoerd werk





5.8.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben tot slot aangevoerd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [aannemer] , omdat zij de wel uitgevoerde werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Daarom zijn zij van mening dat [aannemer] de schade die zij hierdoor hebben geleden moet betalen.


Los van de vraag of [aannemer] werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd waardoor [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] schade hebben geleden, leidt een dergelijk feit er niet zonder meer toe dat de vordering van [aannemer] (gedeeltelijk) moet worden afgewezen. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben daarvoor onvoldoende gesteld, zodat de kantonrechter ook dit verweer niet verder betrekt in de beoordeling.





[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten aan hoofdsom een bedrag van € 12.819,50 betalen





5.9.
Het totaalbedrag van de facturen is (€ 7.744,00 + € 10.075,50=) € 17.819,50. Daarvan hoeven [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] zoals hiervoor onder overweging 5.5 geoordeeld een bedrag van € 5.000,00 niet te betalen, zodat een bedrag overblijft van (€ 17.819,50 - € 5.000,00=) € 12.819,50. [aannemer] vordert een hoofdsom van € 15.907,56. Dat betekent dat van deze hoofdsom een bedrag van € 12.819,50 wordt toegewezen en het overige, een bedrag van € 3.088,06, wordt afgewezen.




[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten incassokosten betalen





5.10.

[aannemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat daaraan is voldaan.


Wel wordt een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom afgewezen. Daarom vindt de kantonrechter het niet redelijk en billijk (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag, zijnde een bedrag van € 903,20.





[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten wettelijk rente betalen





5.11.
Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Het verzuim treedt in zodra de betaaltermijn of vervaldatum is verstreken zonder dat is betaald.



5.12.

[aannemer] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldata van de facturen. Beide facturen kennen een andere vervaldatum. Voor [factuur 3] geldt als vervaldatum 2 maart 2025 en voor [factuur 1] geldt 31 januari 2025. [aannemer] heeft niet toegelicht of zij op één of beide facturen een bedrag uit coulance in mindering heeft gebracht, zodat niet duidelijk is voor welk deel van de toe te wijzen hoofdsom welke vervaldatum geldt. De kantonrechter is van oordeel dat daarom ervan moet worden uitgegaan dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] in ieder geval na de laatste vervaldatum in verzuim waren. De wettelijke rente over de hele hoofdsom wordt op grond daarvan toegewezen vanaf 3 maart 2025.


De wettelijke rente over de incassokosten wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding zoals gevorderd.





[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] moeten de proceskosten betalen





5.13.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [aannemer] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


122,16







- griffierecht


€


1.461,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.591,16











5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



5.15.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.



in reconventie





5.16.
In reconventie hebben [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] betaling van een schadevergoeding van [aannemer] gevorderd. Ten eerste is volgens hen sprake van schade, omdat zij al lange tijd geen verwarming op de bovenverdieping hebben en omdat zij drie maanden geen gebruik konden maken van de douche. Ten tweede hebben zij kosten moeten maken om de niet uitgevoerde werkzaamheden alsnog uit te laten voeren. Bij vermeerdering van eis hebben [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] daaraan toegevoegd dat zij vergoeding willen van lekkageschade als gevolg van de uitgevoerde werkzaamheden in de badkamer en schade aan de trap, de buitenkraan en tegels in de wc die volgens hen door [aannemer] is veroorzaakt.



[aannemer] heeft betwist dat zij schade heeft veroorzaakt, althans daarvoor aansprakelijk is. Volgens haar was er geen opleverdatum afgesproken. [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben haar ook niet laten weten dat er gebreken waren met het verzoek om die te herstellen.




5.17.
Voor de beoordeling van deze vorderingen is uitgangspunt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] zich beroepen op het rechtsgevolg dat [aannemer] moet betalen, omdat zij aansprakelijk is voor schade die [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] lijden. Daarom rust de stelplicht hier op [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] .


1. Schade als gevolg van niet of niet goed uitgevoerde werkzaamheden




5.18.
Artikel 6:74 BW bepaalt dat een schuldenaar voor iedere tekortkoming in de nakoming verplicht is de schade te vergoeden die de schuldeiser daardoor lijdt, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, is verzuim vereist.



5.19.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben niet onderbouwd waaruit blijkt dat zij een bepaalde opleverdatum hebben afgesproken en dat [aannemer] deze datum niet heeft gehaald. Ook blijkt niet dat is afgesproken dat [aannemer] na het beëindigen van de overeenkomst op 28 januari 2025 nog werkzaamheden aan de verwarming zou uitvoeren. Dat betekent dat geen sprake is van een tekortkoming van [aannemer] op dat punt. De schade die [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben geleden doordat de werkzaamheden meerdere maanden hebben geduurd of de verwarming tot nu toe nog niet is gerealiseerd, blijft daarom voor hun eigen rekening en risico.



5.20.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hebben aangevoerd dat zij kosten hebben moeten maken voor het afmaken van het werk. Voor zover zij daarmee bedoelen dat [aannemer] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting om werkzaamheden uit te voeren, volgt de kantonrechter hen daarin niet. Partijen hebben over en weer besloten dat de werkzaamheden op 28 januari 2025 werden beëindigd. Omdat hierbij geen specifieke afspraken zijn gemaakt, moet worden afgerekend naar de stand van het werk op dat moment. Dat betekent enerzijds dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet hoeven te betalen voor overeengekomen werkzaamheden die [aannemer] op dat moment nog niet had uitgevoerd. Anderzijds hoeft [aannemer] geen werkzaamheden meer uit te voeren en bestaat er geen grond waarop zij verplicht zou zijn wel de kosten daarvoor aan [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] te betalen.



5.21.
Volgens [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] heeft [aannemer] het tegelwerk aan de vloer in de badkamer niet goed uitgevoerd en is als gevolg daarvan lekkage ontstaan. Ter onderbouwing van de schade hebben zij een foto overgelegd en een factuur van een herstelbedrijf. Hoewel op de foto een lekkageplek te zien is, blijkt niet dat deze lekkage vanuit de tegelvloer van de badkamer is gekomen. Ook blijkt niet dat sprake is van een fout van [aannemer] bij het tegelwerk waardoor lekkage is ontstaan. Dat door een derde werkzaamheden aan de tegelvloer zijn uitgevoerd, maakt dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet anders. Daarom blijkt niet van een tekortkoming van [aannemer] en is zij niet aansprakelijk voor deze schade. Daarbij heeft [aannemer] tijdens de mondelinge behandeling nog toegelicht dat ten tijde van de beëindiging van de werkzaamheden nog enkele afwerkpunten resteerden, waaronder kitwerk in de badkamer. Voor zover sprake was van een lekkage die was veroorzaakt doordat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] de douche hebben gebruikt, terwijl deze nog niet was afgekit, blijft deze schade voor hun eigen rekening en risico.



5.22.
De kantonrechter begrijpt dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] ook een vergoeding vorderen voor kosten die zij hebben moeten maken om door [aannemer] gebrekkig uitgevoerd werk, zoals het stuukwerk, te laten herstellen. Zij hebben echter niet onderbouwd waaruit deze tekortkomingen van [aannemer] blijken. Door de betwisting van [aannemer] hadden zij dat wel moeten doen. Overigens hebben [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] erkend dat zij [aannemer] niet hebben gevraagd om tekortkomingen te herstellen, zodat [aannemer] ook niet in verzuim is geraakt.



5.23.
Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet, althans onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat voor een vergoeding voor schade als gevolg van niet of niet goed uitgevoerde werkzaamheden is voldaan aan de vereisten van artikel 6:74 BW. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.


2. Toegebrachte schade




5.24.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] willen vergoeding van schade die [aannemer] volgens hen heeft toegebracht aan de trap, de buitenkraan en tegels in de wc. Hoewel [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet hebben gesteld op welke grondslag zij deze vordering baseren, moet hierbij getoetst worden aan de vereisten van onrechtmatig handelen zoals opgenomen in artikel 6:162 BW. De kantonrechter is van oordeel dat daaraan niet is voldaan.


Weliswaar blijkt uit de door [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] overgelegde foto’s dat sprake is van schade, maar niet blijkt dat deze schade is veroorzaakt door [aannemer] . Dit causale verband is wel een van de vereisten van artikel 6:162 BW. Doordat [aannemer] heeft betwist dat zij deze schade heeft veroorzaakt, lag het op de weg van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] om op dit punt meer te stellen. Dat hebben zij niet gedaan. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.




5.25.

[opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [aannemer] worden begroot op een bedrag van € 288,00 (1 punt × € 288,00) aan salaris gemachtigde.





6De beslissing


De kantonrechter




in conventie




6.1.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hoofdelijk om aan [aannemer] te betalen een bedrag aan hoofdsom van € 12.819,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hoofdelijk om aan [aannemer] te betalen een bedrag van € 903,20 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.591,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in reconventie





6.4.
wijst de vorderingen van [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] af,



6.5.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] in de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en reconventie





6.6.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] in de kosten van betekening als [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.7.
veroordeelt [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.