Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7899
2026-08-05
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/427212 / HA ZA 24-558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tweede tussenvonnis in procedure waarin naast ex-samenwoners ook hun persoonlijke holdings als procespartijen zijn betrokken. Onderlinge draagplicht voor schulden, anders dan de hypotheekschuld; vergoedingsrecht op grond van artikel 3:172 BW. Verdeling van overige gestelde eenvoudige gemeenschappen, waaronder een woning in Portugal (IPR), inboedelgoederen en voertuigen. Vereffening van de gezamenlijke vennootschap onder firma en afwikkeling van de besloten vennootschap waarvan de persoonlijke holdings aandeelhouder zijn.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (162.750 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/427212 / HA ZA 24-558
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
1 [de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 1]
gevestigd te [plaats 1] ,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat: voorheen: mr. A.J.C. Nuijten, gevestigd te Bergen op Zoom (onttrokken), thans mr. L. van Hevele, gevestigd te Oostburg,
tegen
1 [de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. N.M. van Leeuwen, gevestigd te Den Haag,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 2]
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. C. van Meines, gevestigd te Gouda.
Partijen zullen hierna achtereenvolgens de vrouw, [B.V. 1] , de man en [B.V. 2] worden genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het vonnis van 11 maart 2026 en de daarin genoemde stukken, waarbij het verzoek om verbetering dan wel aanvulling van het op 17 december 2025 tussen partijen gewezen (tussen)vonnis is afgewezen;
- het B2 formulier van 23 maart 2026 van mr. Nuijten waarin zij de rechtbank informeert dat zij niet langer als advocaat voor de vrouw en [B.V. 1] optreedt;
- de brief van 17 april 2026 van mr. Van Leeuwen;
- het e-mail bericht van 8 mei 2026 van de rechtbank aan mr. Van Leeuwen en de vrouw;
- de akte (van de man) houdende in het geding brengen van stukken tevens houdende reactie op deskundigenbericht tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering eis, met producties 137 t/m 142;
- de brief van 20 mei 2026, met bijlage, (namens de man in privé en [B.V. 2] ) van mr. Broekhoven, kantoorgenoot van mr. Van Meines;
- het B2 formulier van mr. Van Hevele, ingediend op 27 mei 2026, waarin hij zich als advocaat stelt voor de vrouw;
- het per e-mail van 2 juni 2026 ontvangen uitstelverzoek van mr. Van Hevele; - het B11 formulier van 3 juni 2026 van mr. Van Leeuwen waarin zij namens de man bezwaar maakt tegen het uitstelverzoek van de vrouw;
- het e-mailbericht (rolbeslissing) van 5 juni 2026 van de rechtbank aan mr. Van Leeuwen en mr. Van Hevele;
- de akte (van de vrouw) houdende uitlating deskundigenbericht tevens akte overlegging producties 168 t/m 181.
1.2.
De rechtbank heeft naast de hiervoor genoemde stukken ook rechtstreeks correspondentie van de vrouw en de man ontvangen. Deze correspondentie laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat partijen zich in deze procedure uitsluitend door een advocaat kunnen laten vertegenwoordigen en daarom niet zelfstandig stukken kunnen indienen of kunnen reageren op door de wederpartij overgelegde stukken en berichten. De rechtbank heeft partijen hierover geïnformeerd.
1.3.
Over de hiervoor genoemde brief van mr. Broekhoven van 20 mei 2026 merkt de rechtbank op dat deze alleen in de beoordeling is betrokken voor zover deze mededelingen bevat die van belang waren voor de verdere procesgang.
2De overige vorderingen van partijen
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 december 2025 beslist dat de onroerende zaak in [plaats 1] , onder voorwaarden, aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank heeft de beslissingen op de overige vorderingen van partijen aangehouden. Vanwege de grote hoeveelheid aan vorderingen zijn in het tussenvonnis alleen de vorderingen opgenomen van de man en de vrouw die betrekking hebben op de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] . Hieronder staan de overige vorderingen opgenomen die partijen ter beslissing aan de rechtbank hebben voorgelegd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de man bij akte van 20 mei 2026, op basis van het hierna te bespreken oordeel van de deskundige, zijn vorderingen onder IX, XIII en XIV heeft gewijzigd en/of vermeerderd. Tevens heeft hij zijn eerder ingestelde vorderingen aangevuld met twee nieuwe vorderingen. De rechtbank zal bij de bespreking van de betreffende vorderingen ingaan op deze wijzigingen, vermeerderingen en aanvullingen.
In conventie
2.2.
Na wijziging (aanvulling) van eis vorderen de vrouw en/of [B.V. 1] om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. De verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen vast te
stellen en daarbij
te bepalen dat aan de vrouw toekomt:
(…)
• de Volkswagen met [kenteken 1] voor een bedrag van € 10.000,00;
• de aan de vrouw toegescheiden inboedelgoederen, conform productie 19;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaal- en
spaarrekening bij de ING Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 1] , ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 2] , ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Bank Caixadirecta, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 3] , ten tijde van de opheffing van de rekening, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling van de rekening op naam van de man;
te bepalen dat aan de man toekomt:
• het pand te Portugal voor een bedrag van € 795.200,00;
• de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening rustende op het pand te Portugal voor een bedrag van € 506.381,00;
• [V.O.F. 1] voor een door de door uw Rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans;
• de Landrover met [kenteken 2] voor een bedrag van € 8.000,00;
• de Ford Transit met [kenteken 3] voor een bedrag van € 1.500,00;
• de Citroen [kenteken 4] voor een bedrag van € 750,00;
• de aanhangwagen voor een bedrag van € 400,00;
• de aan de man toegescheiden inboedelgoederen, conform productie 19;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 1] , ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 2] , ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Bank Caixadirecta geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 3] , ten tijde van de opheffing van de rekening, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling van de rekening op naam van de man;
te bepalen dat aan [B.V. 2] toekomt:
• de aandelen van [B.V. 3] voor een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans.
Woning [plaats 1]
B. (…)
C. (…)
Pand Portugal
D. de man te veroordelen om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan de levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak te Portugal aan het [adres 1] , aan de man met ontslag van de vrouw uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening, aangegaan bij de Caixadirecta bank en geregistreerd ondernummer [rekeningnummer 3] , en wel door (mede)ondertekening van de te passeren leveringsakte ten overstaan van één van de advocaten van het kantoor [naam 1] , gevestigd te Portugal (productie 17), dan wel een door de man in te schakelen advocaat, met bepaling dat de kosten van de levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak te Portugal aan de man voor rekening van de man komen; en
E. indien en voor zover de man de vrouw niet binnen voornoemde termijn van zes maanden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de sub D genoemde hypothecaire geldlening kan laten ontslaan, de man te veroordelen tot medewerking aan de verkoop aan een derde van het onder sub D genoemde pand in Portugal en wel door binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in redelijk en billijkheid te bepalen termijn, over te gaan tot het verstrekken van de overeenkomst van opdracht tot verkoop van het pand aan de heer [makelaar] , makelaar bij [makelaarskantoor] , dan wel één van de aan voornoemd kantoor verbonden makelaars, gevestigd te [adres 2] , waarbij beide partijen de adviezen van de heer [makelaar] , dan wel de verkopende makelaar, dienen op te volgen ten aanzien van de vraag- en laatprijs en onder de gebruikelijke voorwaarden; en
F. de man te voordelen tot medewerking van de verkoop van de onder sub D genoemde
onroerende zaak aan een derde voor de door de makelaar geadviseerde laatprijs en wel door binnen twee dagen na het toezenden van de koopovereenkomst door de makelaar aan partijen, dan wel binnen een door de rechtbank in redelijkheid en billijkheid te bepalen termijn, over te gaan tot ondertekening van de desbetreffende koopovereenkomst; en
G. de man te veroordelen tot medewerking aan de levering van de sub D genoemde onroerende zaak aan een derde, indien door een derde een koopprijs wordt geboden waarvan de makelaar adviseert om dit de laatprijs te zijn per de kortst mogelijke termijn, en wel door (mede)ondertekening van de desbetreffende akte van levering, waarbij aan beide partijen ieder de helft van de overwaarde toekomt, berekend als volgt: verkoopopbrengst minus de op de onroerende zaak rustende hypothecaire geldlening minus verkoopkosten; en
H. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor sub D, E, F, en G genoemde veroordelingen te voldoen, dit vonnis in plaats treedt van de handtekening van de man onder de overeenkomst van opdracht aan de makelaar en/of in de plaats treedt van de koopovereenkomst en/of in de plaats treedt van de leveringsakte of het deel van de leveringsakte, waaraan de man moet meewerken c.q. dat deel van de akte dat de man dient te ondertekenen; en
Gemeenschappelijke betaalrekeningen
I. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan opheffing van de gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank met nummer [rekeningnummer 1] , waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing bij helften over partijen zal worden verdeeld; en
J. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel aan opheffing van de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 2] , waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing bij helften over partijen zal worden verdeeld; en
K. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor sub I en J genoemde
veroordelingen te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man onder het formulier van opheffing/wijziging tenaamstelling c.q. dat deel van het formulier dat de man dient te ondertekenen ex artikel 3:300 BW en artikel 3:301 BW; en
L. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan opheffing van de gemeenschappelijke rekening te Portugal bij Caixadirecta met rekeningnummer [rekeningnummer 3] , dan wel wijziging tenaamstelling op naam van de man, waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling, bij helften dient te worden verdeeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man weigert zijn medewerking hieraan te verlenen tot een maximum van € 50.000,00; en
Voertuigen
M. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling van de Volkswagen met [kenteken 1] op naam van de vrouw, alsmede tot het ter hand stellen van de twee sets sleutels van de camper aan de vrouw, waarbij de camper goed functionerend en APK gekeurd dient te zijn ten tijde van het in bezit nemen van de camper door de vrouw, dan wel onder de voorwaarden die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man weigert zijn medewerking hieraan te verlenen tot een maximum van € 50.000,00; en
N. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan overbedeling aan de vrouw,
door de rechtbank in goede justitie vast te stellen; en
Aandelen [B.V. 3]
O. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 2]
te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan de levering van de aandelen van [B.V. 1] Holding B.V. in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 3] aan [B.V. 2] tegen een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans, en wel door ondertekening van de akte van verdeling en levering ten overstaan van een door [B.V. 2] op haar kosten in te schakelen notaris; en
P. te bepalen dat indien [B.V. 2] in gebreke blijft aan de hierover
sub O genoemde veroordeling te voldoen, [B.V. 1] het recht heeft om de aandelen van [B.V. 2] in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 3] over te nemen tegen een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans; en
Verrekenpost pand Portugal
Q. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.267,00, dan wel een bedrag welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen vanaf 1 mei 2025, dan wel van een datum door de rechtbank te bepalen, met een bedrag van € 211,00 per maand, dan wel een bedrag welke de rechtbank redelijk en billijk acht, voor iedere maand of gedeelte van de maand dat de man in gebreke blijft het rekeningnummer terzake de afschrijving van de verschuldigde hypotheekrente en -aflossingen aan de bank te Portugal inzake het pand te Portugal te wijzigen naar de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen, aangegaan bij Caixadirecta onder rekeningnummer [rekeningnummer 3] , dan wel totdat het pand te Portugal aan de man is geleverd; en
Spaarrekening kinderen
R. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 4.536,73 inzake het onterecht opgenomen spaargeld van [zoon] , dan wel een bedrag welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen, dan wel subsidiair de man te veroordelen om een bedrag van
€ 15.245,26, dan wel een bedrag welke de rechtbank redelijk en billijk acht, te storten op een ten name van [zoon] te openen spaarrekening; en
S. de man en [B.V. 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal hebben bevrijd, te
veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
2.3.
De man en de holding van de man voeren verweer en verzoeken de vrouw en de holding van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, waar nodig, uitgebreider ingegaan.
In reconventie
:
2.4.
Na wijziging (vermeerdering en aanvulling) van eis vorderen de man en/of [B.V. 2] om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Onroerend goed [plaats 1] (Nederland)
(…)
Onroerend goed [plaats 3] (Portugal)
Toedeling onroerend goed aan de man
XI. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit het onroerend goed te
[plaats 3] (Portugal) ingevolge art. 3:185 BW vast te stellen c.q. te gelasten, waarbij:
1. het onroerend goed te Portugal aan de [adres 3]
, primair voor de marktwaarde op 29 maart 2024 van € 637.500,00 aan de man wordt toegedeeld, waarbij de man zijn vergoedingsvordering voor de verbouwingskosten van het onroerend goed intrekt danwel subsidiair voor de actuele marktwaarde van € 680.000,00 waarbij de man zijn vergoedingsvordering in stand laat,
althans voor een zodanige waarde als de rechtbank juist acht;
2. de notariële levering van het onroerend goed te Portugal uiterlijk binnen 8 maanden ná afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank aan de man plaatsvindt;
3. te bepalen dat indien de vrouw niet meewerkt aan het notariële transport van het
onroerend goed te Portugal aan de man binnen de gestelde termijn van 8 maanden ná afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank, de vrouw een dwangsom verschuldigd is van
€ 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking aan het notariële transport te verlenen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft;
4. de man de hypotheekschuld bij de Caixadirecta Bank als eigen schuld zal voldoen
en de schuld ad € 32.000,00 aan [moeder van de man] ter gelegenheid van het notariële transport namens partijen aflost;
5. de man ervoor dient te zorgen dat de vrouw gelijktijdig met de toedeling van het onroerend goed te Portugal aan hem, zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke
aansprakelijkheid met betrekking tot de onder 4 genoemde tweetal (hypothecaire) schulden;
6. de man een nader door hem aan te wijzen notaris in Portugal de opdracht zal geven de akte van verdeling en levering op te stellen, waarbij de notariële kosten voor rekening van de man komen;
7. het door de vrouw te ontvangen overbedelingsbedrag als volgt wordt berekend:
primair:
[de waarde van het onroerend goed te Portugal ad € 637.500,00 -/- de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank op de dag van het notariële transport -/- de schuld aan [moeder van de man] ad € 32.000,00 -/- het bedrag bestaande uit de door de man per 1 mei 2025 betaalde vaste lasten ad € 3.000,00 per maand tot aan de datum van het notariële transport dan wel de datum dat de vrouw voor 50% bijdraagt] = de resterende overwaarde, waarvan de vrouw recht heeft op de helft;
subsidiair:
[de waarde van het onroerend goed te Portugal ad € 680.000,00 -/- de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank op de dag van het notariële transport -/- de schuld aan [moeder van de man] ad € 32.000,00 -/- het bedrag bestaande uit de door de man per 1 mei 2025 betaalde vaste lasten ad € 3.000,00 per maand tot aan de datum van het notariële transport dan wel de datum dat de vrouw voor 50% bijdraagt -/- het
vergoedingsrecht van de man voor de kosten van de verbouwing ad € 14.536,39] = de resterende overwaarde, waarvan de vrouw recht heeft op de helft;
althans een zodanige verdeling van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal) vast te stellen dan wel te gelasten als de rechtbank juist acht;
Hypotheekschuld Caixadirecta
XII. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld aangegaan bij de Caixadirecta Bank en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal);
Schuld aan [moeder van de man]
primair: te bepalen dat de vrouw de tussen partijen gemaakte afspraak d.d. 12 oktober 2022 dient na te komen en de vrouw te veroordelen om binnen 8 dagen na dit vonnis de door de man klaargezette betaling ter aflossing van de schuld aan [moeder van de man] van € 32.000,00 op de (gezamenlijke) [B.V. 3] rekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 4] te accorderen, althans de vrouw te veroordelen om binnen deze termijn
€ 16.000,00 aan [moeder van de man] te voldoen, bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor iedere dag dat de vrouw weigert de betaling tijdig te accorderen dan wel tijdig aan [moeder van de man] betaalt;
subsidiair: te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 32.000,00 aangegaan bij [moeder van de man] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal).
Vergoedingsrecht man; vaste lasten
XIII. te bepalen dat de vrouw gehouden is om met ingang van 1 mei 2025 voor de helft bij te dragen in de totale vaste lasten van € 3.000,00 per maand van het onroerend goed te Portugal, althans voor een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
en
de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 6.000,00 (zijnde de helft van de door de man betaalde vaste lasten over de periode 1 mei tot en met 1 augustus 2025), althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, te vermeerderen vanaf 1 augustus 2025, met een bedrag van € 1.500,00 per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, voor iedere maand of gedeelte van de maand dat de vrouw in gebreke blijft de helft van de vaste lasten te voldoen, waarbij het totaal door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag wordt voldaan ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] ;
alsmede
de vrouw te veroordelen om na afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank de door de man klaargezette betalingen op de [B.V. 3] rekening bij de ABN AMRO Bank, met [rekeningnummer 4] , aan de privébankrekening van de man in Portugal, van € 3.000,00 per maand iedere eerste van de maand te accorderen tot het moment waarop het notariële transport van het onroerend goed aan de man plaatsvindt en te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van
€ 3.000,00 voor iedere maand dat zij de betaling niet tijdig accordeert;
althans een zodanige constructie te bepalen als Uw rechtbank juist acht waarbij de vrouw met ingang van 1 mei 2025 gehouden is om de helft van de vaste lasten ad € 3.000,00 per maand, althans een zodanig bedrag als Uw rechtbank juist acht, te voldoen;
Vergoedingsrecht man; verbouwing
XIV. voor zover Uw rechtbank oordeelt dat er van de actuele marktwaarde moet worden uitgegaan:
te bepalen dat de vrouw gehouden is om voor de helft bij te dragen in de kosten van het noodzakelijk onderhoud alsmede in de verbouwingskosten van het onroerend goed te Portugal en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van
€ 14.538,39, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, zulks te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal).
Bankrekeningen
Betaalrekening bij de ABN AMRO Bank
XV. de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, met rekeningnummer [rekeningnummer 2] , en wel zodanig dat de betaalrekening uitsluitend op naam van de man komt te staan, zulks onder verdeling van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling aanwezige saldo bij helfte tussen partijen;
XVI. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XV genoemde
veroordeling te voldoen, dit vonnis ex art. 3:300 BW in de plaats treedt van de vereiste handtekening van de vrouw voor de wijziging van de tenaamstelling.
Betaalrekening bij Caixadirecta
XVII. de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening bij Caixadirecta, met rekeningnummer [rekeningnummer 3] en wel zodanig dat de betaalrekening uitsluitend op naam van de man komt te staan, zulks onder verdeling van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling aanwezige saldo bij helfte tussen partijen;
XVIII. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XVII genoemde
veroordeling te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00.
Inboedelgoederen
XIX. te bepalen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde goederen krijgt toegedeeld,
zonder nadere verrekening;
en
de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, de spiegel van de overleden zus van de man alsmede het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren en Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren aan de man af te geven;
alsmede
de vrouw te veroordelen om de goederen, zoals opgenomen in productie 17 van de
man zijnde de ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd TV ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven, in het onroerend goed te [plaats 1] achter te laten;
XX. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XIX genoemde
veroordeling te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00.
Voertuigen
XXI. voor recht te verklaren dat de Volkswagen LT Westfalia, met [kenteken 1] en de Ford Transit, met [kenteken 3] , aan de man in privé toebehoren en niet voor verdeling in aanmerking komen;
XXII. voor recht te verklaren dat de Citroën Cl, met [kenteken 4] aan [moeder van de man] in privé toebehoort en niet voor verdeling in aanmerking komt;
XXIII. de Land Rover, met [kenteken 2] , aan de man toe te delen voor een bedrag van € 2.825,00, althans € 4.250,00,
alsmede
te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 8.500,00 aangegaan bij [moeder van de man] voor de aanschaf van de Land Rover en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt;
alsmede
in het kader van deze toedeling, de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 250,00 [(€ 8.000,00 -/- € 8.500,00) / 2], zulks te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de vrouw niet binnen de gestelde termijn het bedrag voldoet.
XXIV. voor zover Uw rechtbank onverhoopt oordeelt dat de Volkswagen LT Westfalia in privé aan de vrouw toebehoort, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 12.000,00 voor de door de man betaalde kosten voor het vervangen van de motor van de Volkswagen, zulks te voldoen binnen een week na dit vonnis
alsmede
te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering, welke rente gerekend wordt een week na de datum van het (tussen)vonnis tot het moment van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als de rechtbank juist acht.
Spaarrekeningen kinderen
primair:
XXV. de vrouw te veroordelen om de door haar opgenomen bedragen van de
bankrekeningen van de kinderen van respectievelijk € 6.171,79, € 475,31 en € 506,76 binnen twee weken na dit (tussen)vonnis, op een door de man aan te geven bankrekening te storten en daarbij te bepalen dat de man het beheer heeft over deze spaargelden tot de achttiende verjaardag van ieder kind;
subsidiair:
XXVI. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis, het geldbedrag van
€ 6.171,79 van haar privébankrekening op de bankrekening van [dochter 1] , met [rekeningnummer 5] , terug te storten alsmede
€ 475,31 op de nieuw door de man geopende bankrekening voor [dochter 2] , met [rekeningnummer 6] en € 506,76 op de nieuw door de man geopende bankrekening voor [dochter 1] , met [rekeningnummer 7] ,
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.
[V.O.F. 1]
XXVII.
primair:
1.1.
voor recht te verklaren dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 1 januari 2024 is opgezegd door de vrouw en met ingang van 1 januari 2024 is ontbonden;
1.2.
de [V.O.F. 1] te vereffenen en de peildatum te bepalen op 31 december 2023;
1.3.
de vrouw en [B.V. 1] hoofdelijk ieder voor het geheel te veroordelen, des te een heeft betaald, de ander is gekweten, om in het kader van deze vereffening een bedrag van
€ 33.458,00 aan de man te betalen, zulks binnen 14 dagen na het vonnis, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
1.4.
met veroordeling van betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans een datum als de rechtbank redelijk acht.
subsidiair:
1.5.
voor recht te verklaren dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 20 maart 2025 is opgezegd door de man en met ingang van 20 maart 2025 is ontbonden;
1.6.
de [V.O.F. 1] te vereffenen en de peildatum te bepalen op 20 maart 2025;
1.7.
de vrouw en [B.V. 1] hoofdelijk ieder voor het geheel te veroordelen, des te een heeft betaald, de ander is gekweten, om in het kader van deze vereffening een bedrag van
€ 33.458,00 aan de man te betalen, zulks binnen 14 dagen na het vonnis, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
1.8.
met veroordeling van betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans een datum als de rechtbank redelijk acht.
[B.V. 3]
XXVIII. te verklaren voor recht:
1. dat de handtekeningen van de man op de inbrengbeschrijvingen van 23 juni en 29 juni 2022 niet authentiek zijn;
2. dat de vrouw onrechtmatig jegens de man en/of [B.V. 2] heeft gehandeld door de handtekeningen van de man op de inbrengbeschrijvingen van 23 en 29 juni 2022 zonder zijn medeweten te plakken op deze inbrengbeschrijvingen;
3. dat de vrouw (in haar hoedanigheid van bestuurder van [B.V. 4] en/of in haar hoedanigheid van werknemer van [B.V. 4] ) onrechtmatig jegens [B.V. 2] en/of [B.V. 3] en/of de man heeft gehandeld door zonder medeweten van de man het addendum d.d. 1 januari 2023 (productie 70) te ondertekenen;
4. dat de man en/of [B.V. 2] als gevolg van het onrechtmatige handelen genoemd door de vrouw, vermeld hiervoor onder 1), en/of 2), en/of 3) schade hebben geleden;
5. dat mevrouw [moeder van de man] leningen heeft verstrekt, waarvan een bedrag van
€ 41.563,55 resteert, welk bedrag [B.V. 3] aan mw. [moeder van de man] verschuldigd is en binnen 14 dagen na het vonnis of een datum als de rechtbank redelijk acht, moet terugbetalen.
XXIX.
primair:
de waarde van de aandelen van [B.V. 3] te laten bepalen door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige waarna [B.V. 3] wordt geliquideerd. Bij de waardebepaling verzoekt [B.V. 2] uw rechtbank aan de te benoemen deskundige opdracht te geven om rekening te houden met de volgende aftrekken ten laste van [B.V. 1] :
A een bedrag van € 76.800,00, zijnde een vordering van [B.V. 5] op [B.V. 3] . Dit bedrag moet in mindering worden gebracht op de waarde van de aandelen (van [B.V. 1] in [B.V. 3] ), dan wel een ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht;
B. de helft van de eigen inbreng van de man, namelijk € 70.145,00 in mindering te brengen op de waarde van de aandelen (van [B.V. 1] in [B.V. 3] ), dan wel een ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht;
C. voor zover na toepassing van de onder A en B genoemde aftrekken een negatieve waarde van de (door [B.V. 1] in [B.V. 3] gehouden) aandelen resteert, verzoekt [B.V. 2] de rechtbank om de vrouw te veroordelen tot betaling van het bedrag van deze negatieve waarde aan [B.V. 2] , ter zake van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van haar zijde;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen in [B.V. 3] te bepalen dat:
D. de bus met [kenteken 5] buiten de waardering van de aandelen van [B.V. 3] te laten, dan wel de waarde van de bus op een bedrag van € 13.021,00 te stellen, dan wel een bedrag als de rechtbank redelijk acht;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen in [B.V. 3] te bepalen rekening te houden met:
E. de correctie terzake de eigen inbreng van de man ad € 140.290,00 ten gunste van de man en de helft van dit bedrag, derhalve € 70.145,00 af te trekken van de te bepalen waarde van de aandelen van [B.V. 1] in [B.V. 3] , althans onder aftrek van een zodanig bedrag als de te benoemen deskundige en/of de rechtbank redelijk acht;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen van [B.V. 3] te bepalen dat:
F. [B.V. 3] een bedrag van € 41.563,55 aan mw. [moeder van de man] verschuldigd is;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen van [B.V. 3] :
G. de rekeningcourant posities van [B.V. 3] op basis van alle aanwezige beschikbare administraties vast te stellen.
subsidiair:
1.1.
[B.V. 2] vordert subsidiair, voor zover de rechtbank meent dat de bedragen
genoemd hiervoor onder XXIX, onder A en B niet (ten laste) van de waarde van de aandelen van [B.V. 1] in [B.V. 3] moeten worden afgetrokken, om de vrouw te veroordelen om aan [B.V. 2] ten titel van schadevergoeding als gevolg van haar onrechtmatige handelen een bedrag van € 76.800,00 te betalen;
1.2.
voor zover de rechtbank van oordeel is dat de eigen inbreng van de man vermeld hiervoor onder sub XXIX onder E ad € 140.290,00 niet moet worden verdisconteerd in de waarde van de aandelen van [B.V. 3] , verzoekt de man en/of [B.V. 2] de vrouw en/of [B.V. 1] te veroordelen primair ten titel van schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatige handelen van de vrouw, subsidiair ten titel van overbedeling, meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking om aan hem en/of [B.V. 2] een bedrag van € 70.145,00 te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
1.3.
de man vordert, in geval de vordering onder XXIX onder F niet wordt toegewezen, te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de man (in privé) en de vrouw (in privé) ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de (resterende) schuld ad € 41.563,55,00 aan mw. [moeder van de man] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw aan de man te voldoen.
XXX. [B.V. 1] te veroordelen, bij toewijzing van de vordering genoemd onder XXVIII,
sub 5, mee te werken aan terugbetaling door [B.V. 3] van de geldlening verstrekt door mw. [moeder van de man] , binnen veertien dagen na dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [B.V. 1] in gebreke blijft om aan deze vordering te voldoen.
In conventie en in reconventie:
Proceskostenveroordeling
XXXI. met veroordeling van de vrouw en [B.V. 1] in de kosten van deze procedure, een salaris voor gemachtigde daaronder begrepen.
2.5.
De vrouw en de holding van de vrouw voeren verweer en verzoeken de man en de holding van de man niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen, met veroordeling van de man en de holding van de man in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De verdere beoordeling
3.1.
In het (tussen)vonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank alleen een beslissing gegeven over de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] (hierna ook: de woning). Alle verdere beslissingen over de verdeling van de overige door partijen naar voren gebrachte eenvoudige gemeenschappen, de draagplicht voor andere schulden dan de hypotheekschuld in verband met de woning [plaats 1] , de spaarrekeningen van de kinderen en de verdeling van de aandelen van [B.V. 3] heeft de rechtbank aangehouden.
3.2.
Waar in de overwegingen 3.3 tot en met 3.93 wordt gesproken over partijen, worden bedoeld de vrouw en de man.
A. Onroerende zaak [plaats 1] (vervolg)
Draagplicht voor andere schulden dan de hypotheekschuld
3.3.
In het tussenvonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] alleen de hypothecaire geldlening meegenomen. Andere door de man in dit verband gestelde leningen heeft zij in dat vonnis onbesproken gelaten, omdat, zo is in het vonnis overwogen, het niet gaat om hypothecaire leningen waarvan de terugbetaling is gezekerd via de woning, maar om persoonlijke schulden of verplichtingen van partijen. Op de vraag of, en in welke mate, de vrouw (mede) aansprakelijk is voor eventuele andere aan de woning gerelateerde schulden en verplichtingen zal de rechtbank hieronder ingaan.
3.4.
Volgens de man zijn partijen voor de aankoop van de onroerende zaak in [plaats 1] niet alleen een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank aangegaan. Zij hebben om de aankoop mogelijk te maken op 29 maart 2019 ook een bedrag van € 150.000,00 geleend van de vader van de man, de heer [vader van de man] (hierna te noemen: [vader van de man] ). Daarnaast hebben zij, aldus de man, voor de verbouwing van de onroerende zaak een bedrag van € 60.175,00 geleend van de moeder van de man, mevrouw [moeder van de man] (hierna te noemen: [moeder van de man] ).
3.5.
Aanvankelijk vorderde de man deze schulden aan hem toe te delen. De vrouw heeft daartegen het verweer gevoerd - en daarin volhard - dat schulden niet verdeeld kunnen worden en dat de vorderingen ten aanzien van de ouders van de man daarom moeten worden afgewezen. Op zich is het juist dat schulden niet verdeeld kunnen worden. De vrouw gaat er echter aan voorbij dat de man - bij akte houdende eisvermeerdering - de vorderingen ten aanzien van zijn ouders heeft gewijzigd en nu vordert te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden. De rechtbank kan wel bepalen hoe de draagplicht voor een schuld intern tussen de partijen moet worden verdeeld. Aan dit verweer van de vrouw gaat de rechtbank daarom voorbij.
Schuld aan [vader van de man]
3.6.
De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen geld hebben geleend van zijn vader de tussen partijen en [vader van de man] opgestelde geldleningsovereenkomst overgelegd (productie 6). Daaruit blijkt dat partijen op 29 maart 2019 een geldlening ter hoogte van € 150.000,00 zijn aangegaan met [vader van de man] , voor de terugbetaling waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, en dat de lening een looptijd had van 12 maanden.
3.7.
De vrouw heeft ter zitting erkend dat sprake is van een door [vader van de man] aan partijen verstrekte opeisbare geldlening van € 150.000,-- ten behoeve van de aankoop van de onroerende zaak in [plaats 1] . Ook heeft zij verklaard dat zij, indien de woning aan haar wordt toegedeeld, de helft van deze lening onverwijld aan [vader van de man] zal voldoen. Omdat de vrouw de lening aan [vader van de man] niet (langer) betwist en heeft erkend dat zij voor de helft hiervan draagplichtig is, zal de rechtbank de vordering van de man onder VII (zoals opgenomen onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) toewijzen. Dit betekent dat zij zal bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. Daarnaast heeft de man gevorderd om te bepalen dat, indien hij meer betaalt dan zijn aandeel in de schuld, hij een vordering op de vrouw krijgt voor het meerdere. De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering af, nu de vrouw ter zitting heeft toegezegd haar volledige aandeel (de helft) in de schuld terug te betalen, terwijl hetgeen de man vordert reeds volgt uit artikel 6:10 Burgerlijk Wetboek (BW).
Schuld aan [moeder van de man]
3.8.
De man stelt dat partijen voor de verbouwing van het onroerend goed een bedrag van in totaal € 60.175,00 hebben geleend van zijn moeder, mevrouw [moeder van de man] . Op dit bedrag is in 2024 een bedrag van € 4.930,00 afgelost. Voor de resterende schuld van
€ 55.245,00 zijn partijen, aldus de man, ieder voor de helft draagplichtig. De man vraagt de rechtbank dit vast te stellen.
3.9.
De vrouw betwist dat de moeder van de man gelden ten behoeve van de verbouwing aan partijen heeft verstrekt. Voor zover al zou komen vast te staan dat [moeder van de man] bedragen aan partijen heeft uitgegeven, betwist de vrouw dat sprake is van een geldlening.
3.10.
De rechtbank overweegt dat anders dan bij de lening van [vader van de man] een op papier gestelde geldleningsovereenkomst met [moeder van de man] ontbreekt. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van een geldlening een door hem opgestelde Excelstaat (productie 8 van de man) in het geding gebracht waarin uitgaven voor de verbouwing van de woning in de periode tussen 2017 en medio 2021 worden opgesomd. Deze uitgaven tellen samen op tot een bedrag van € 60.175,30. De rechtbank begrijpt dat de man met de brief van de belastingadviseur van zijn moeder (ook productie 8 van de man) heeft willen onderbouwen dat de in de Excelstaat opgenomen uitgaven zijn gefinancierd met aan partijen geleende gelden. De belastingadviseur vermeldt echter zelf dat de uitgaven weliswaar overeenkomen met de afname van het vermogen van [moeder van de man] , maar dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat de opgesomde uitgaven ook daadwerkelijk aan de verbouwing van de woning zijn besteed. Bovendien volgt hieruit niet dat deze uitgaven zijn gedaan uit hoofde van een geldleningsovereenkomst met [moeder van de man] . Een mogelijke financiële bijdrage is niet automatisch een lening; het kan ook een schenking zijn.
De man verwijst, voor zijn stelling dat er sprake is van een lening, voorts naar (terug)betalingen die aan [moeder van de man] zouden zijn gedaan, in totaal € 4.930,00 (pagina 1 van de als productie 9 van de man overgelegde grootboekrekening). De rechtbank constateert dat deze betalingen pas in 2024 zijn verricht, dus ruim na het beëindigen van de relatie tussen partijen. Niet gebleken is dat daarvoor ook al betalingen aan [moeder van de man] zijn gedaan. Bovendien kan de rechtbank de betalingen onvoldoende koppelen aan de gestelde lening, mede omdat de boekhouder niet specificeert op welke lening de betalingen betrekking hebben, maar enkel aangeeft dat er in 2024 afbetalingen werden gedaan op een lening. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een geldlening verder nog gewezen op de aangiften IB/PVV van zijn moeder. De rechtbank stelt vast dat in de aangifte IB/PVV 2023 van [moeder van de man] een vordering op partijen (als bestanddeel van box 3) is opgenomen, maar of dit de gestelde lening is en of die ook in eerdere aangiften als zodanig is verantwoord, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Wat wel vast staat is dat geen vorderingen in box 3 zijn opgenomen in de aangifte IB/PVV 2019 van [moeder van de man] . Nu de man stelt dat de lening is aangewend voor verbouwingswerkzaamheden die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 2017 en medio 2021, had het voor de hand gelegen dat een reeds bestaande vordering ook in de aangifte over 2019 tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dat dit niet het geval is, maakt dat de rechtbank van de gestelde leningsovereenkomst niet overtuigd is.De man verwijst ook nog naar een door hem overgelegde e-mail van de vrouw (productie 61d van de man) waarin de vrouw volgens hem de lening bevestigt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit deze e-mail niet blijkt dat deze betrekking heeft op de door de man gestelde lening ten behoeve van de verbouwing van de woning.
Conclusie van dit alles is dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat [moeder van de man] geld aan partijen ter beschikking heeft gesteld met een terugbetalingsverplichting; op grond van het enkele feit dat bedragen zijn uitgegeven of later terugbetaald kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst. Daarom zal de rechtbank de vordering van de man onder VIII (vermeld onder randnummer 3.4 van het vonnis van 17 december 2025) om te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de schuld aan [moeder van de man] afwijzen.
Vergoedingsrecht man (verschil in verhuuradministratie)
3.11.
Partijen verhuren een gedeelte van de onroerende zaak in [plaats 1] . In de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie heeft de man uiteengezet dat de huurpenningen worden gestort op de gezamenlijke betaalrekening van partijen bij de ABN AMRO Bank met [rekeningnummer 2] , waarvan vervolgens de hypotheeklasten van de onroerende zaak in [plaats 1] worden afgeschreven.
3.12.
De man stelt dat hem is gebleken dat de vrouw in 2023 en 2024 (maar ook daarvoor) bedragen aan de gezamenlijke betaalrekening (verhuuradministratie) heeft onttrokken voor privédoeleinden, althans privé-uitgaven ten laste van deze rekening heeft laten komen. Als gevolg van deze onttrekkingen zijn tekorten ontstaan op de gezamenlijke rekening, waardoor bepaalde verplichtingen niet meer uit de beschikbare huurinkomsten konden worden betaald. Om betalingsachterstanden en verdere financiële problemen te voorkomen, heeft de man deze tekorten telkens met privégelden aangevuld. De man heeft zijn op bovenstaande gebaseerde vergoedingsvordering (vordering IX opgenomen onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) lopende de procedure meerdere malen gewijzigd. Laatstelijk deed hij dat bij zijn akte van 20 mei 2026; hij baseerde die wijziging op het hierna nog te bespreken oordeel van de deskundige. De vrouw heeft tegen die eiswijziging geen bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 130, eerste lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij is voorts bij haar laatste akte in de gelegenheid geweest om inhoudelijk op de gewijzigde eis te reageren. De rechtbank zal dan ook van de gewijzigde eis uitgaan. De man vordert vergoeding door de vrouw van een bedrag van € 31.291,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf september 2022 tot 25 maart 2026, zijnde een bedrag van € 5.684,00, en met de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 36.975,69 vanaf 25 maart 2026 tot het moment van algehele voldoening.
3.13.
De vrouw heeft het door de man gestelde verschil in de verhuuradministratie steeds betwist, stellende dat de berekening waarop de man zich beroept, een door hemzelf opgesteld overzicht betreft. De man heeft de vrouw uitgesloten van de administratie, waardoor zij, zonder inzage in de onderliggende stukken, niet kan controleren of het overzicht correct is. De vordering van de man moet daarom, zo stelt de vrouw, worden afgewezen.
3.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:172 BW regelt de verdeling van de vruchten en andere voordelen van een gemeenschappelijk goed en het bijdragen in de uitgaven met betrekking tot dat goed. Het artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat, tenzij een regeling anders bepaalt, de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten (zoals hier het geval is met de huurinkomsten uit een gezamenlijk pand) die het gezamenlijk goed opleveren. Niet gebleken is van een afwijkende regeling, terwijl niet in geschil is dat de aandelen van partijen in de onderhavige onroerende zaak gelijk zijn, zodat zij bij helfte delen in de huuropbrengsten. Dat betekent dat als de vrouw meer van de huurinkomsten heeft opgenomen dan haar deel, de man recht heeft op een vergoeding voor het verschil.
3.15.
Tijdens de mondelinge behandeling op 25 september 2025 is partijen voorgehouden dat de door partijen gestelde geldstromen zodanig door elkaar lopen dat het voor de rechtbank lastig is om zonder nader onderzoek een oordeel te geven over de vraag of een van partijen meer heeft opgenomen van de gezamenlijke betaalrekening dan zijn of haar rechtmatige aandeel en of er in dat geval een recht op vergoeding van het verschil bestaat. Ter zitting zijn partijen - zoals verwoord in het daarvan opgemaakt proces-verbaal - het volgende overeengekomen:
Verhuuradministratie woning [plaats 1] en vaste lasten pand Portugal
Met betrekking tot de gestelde (vermogens)verschillen in de verhuuradministratie en de betaling van de maandelijkse vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal zijn partijen overeengekomen dat zij het oordeel daarover overlaten aan hun gezamenlijke [accountant] . Partijen geven de heer [accountant] opdracht om aan de hand van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen in Nederland én in Portugal vast te stellen welke privéonttrekkingen er door de man en de vrouw in de periode vanaf het uiteengaan van partijen (vanaf september 2022) tot en met heden zijn gedaan. Tevens geven zij de heer [accountant] opdracht om aan de hand van genoemde bankrekeningen vast te stellen welke bedragen zijn betaald voor de vaste lasten van de woning in Portugal en of beide partijen, zoals afgesproken, elk voor de helft daarin hebben bijgedragen. Indien blijkt dat een van partijen meer heeft betaald of onttrokken dan de ander, zal het verschil vergoed worden. Het oordeel van de heer [accountant] is bindend voor beide partijen;
3.16.
Bij brief van 17 april 2026 heeft mr. Van Leeuwen de rechtbank namens de man bericht dat de deskundige dit oordeel inmiddels heeft uitgebracht, maar dat de vrouw niet instemt met toezending daarvan aan de rechtbank, althans dat zij de man heeft laten weten het met de inhoud niet eens te zijn. De man heeft verzocht hem toe te laten de bevindingen van de deskundige toe te zenden aan de rechtbank en dit te betrekken in het oordeel over de vordering van de man ter zake van het verschil in de verhuuradministratie.
3.17.
De rechtbank heeft de man toegelaten het oordeel van de deskundige in het geding te brengen. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij dit heeft gedaan.
3.18.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 25 september 2025 blijkt ondubbelzinnig dat partijen gezamenlijk hebben besloten de heer [accountant] als deskundige aan te wijzen en dat zij zich vooraf hebben verbonden aan de bindende kracht van diens oordeel. De rechtbank stelt vast dat tegen de inhoud van het proces-verbaal door geen van beide partijen bezwaar is gemaakt. Integendeel, de vrouw heeft in haar nadere akte naar aanleiding van de mondelinge behandeling expliciet ingestemd met de in het proces-verbaal vastgelegde opdracht aan de heer [accountant] .
Nu partijen er niet in zijn geslaagd dit geschilpunt onderling af te wikkelen, dient de rechtbank over dit geschilpunt een beslissing te nemen. Daarbij is het noodzakelijk dat zij kennis neemt van het oordeel van de deskundige. Immers, partijen zijn overeengekomen dat bij de beoordeling van dit geschilpunt het oordeel van de deskundige - in beginsel - doorslaggevend moet zijn. Onder de huidige omstandigheden is het dan in overeenstemming met die eerdere afspraken tussen partijen dat dat oordeel aan de rechtbank wordt overgelegd. De rechtbank heeft de man dan ook toestemming gegeven om op de rolzitting van woensdag 13 mei 2026 het oordeel van de deskundige en zijn reactie daarop in te dienen. De vrouw heeft na aan haar toegestaan uitstel gereageerd bij akte van 17 juni 2026.
3.19.
De rechtbank komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschilpunt. Gelet op hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken, is daarbij - zoals hiervoor al overwogen - het oordeel van de deskundige in beginsel doorslaggevend. Alleen wanneer het onaanvaardbaar zou zijn om van dat oordeel uit te gaan, bijvoorbeeld omdat het klaarblijkelijk (in het licht van de gegeven opdracht) onjuist is of is opgemaakt in strijd met de beroepscode van de betreffende deskundige, zal dat oordeel kunnen worden gepasseerd.
3.20.
De vrouw stelt dat het oordeel van de deskundige niet juist is, omdat (a) partijen geen overeenstemming (meer) hadden over de inhoud van de aan de deskundige te geven opdracht, omdat (b) de deskundige van een andere opdracht is uitgegaan dan tussen partijen tijdens de mondelinge behandeling is overeengekomen, en omdat (c) de deskundige enkel acht heeft geslagen op door de man aangeleverde stukken. Zij stelt dan ook dat het oordeel van de deskundige moet worden gepasseerd en dat een nieuw onderzoek moet plaats vinden. De man heeft aangegeven zich in het oordeel van de deskundige te kunnen vinden.
3.21.
Zoals hiervoor al vastgesteld heeft geen van partijen zich na ontvangst van het proces-verbaal tegen de formulering van de opdracht in het proces-verbaal verzet. De deskundige mocht dan ook uitgaan van die in het proces-verbaal geformuleerde opdracht. Dat partijen (of één van hen) in een later stadium een ruimer of ander onderzoek wilde(n), maakt dat niet anders. De deskundige heeft overeenkomstig de opdracht de gezamenlijke rekeningen van partijen in Nederland en in Portugal bezien. Hij heeft met name bezien of, en zo ja in welke mate, partijen - door stortingen en onttrekkingen - op ongelijke wijze van deze rekeningen gebruik hebben gemaakt. Dat onderzoek komt overeen met hetgeen - gelet op de achterliggende discussie - met de opdracht aan hem was beoogd.
Wel stelt de rechtbank vast dat de deskundige op een tweetal punten verder is gegaan in zijn onderzoek dan in de opdracht van hem werd gevraagd:
hij heeft ook de door de man gestelde uitgaven voor verbouwingskosten van het pand in Portugal in het onderzoek betrokken. Die kosten heeft de man afzonderlijk gevorderd in zijn vordering XIV; op die vordering heeft de overeenstemming van partijen om het oordeel van deze deskundige bindend te accepteren, geen betrekking. De rechtbank zal dat deel van het oordeel van de deskundige - hier en ook bij de beoordeling van vordering XIV van de man - daarom buiten beschouwing laten.
hij heeft bij zijn oordeel ook betrokken door de man vanaf een privérekening betaalde rente op de (hiervoor onder 3.6 en 3.7 besproken) lening van [vader van de man] Op dergelijke betalingen (niet gestort op of onttrokken aan een gezamenlijke rekening) had het overeengekomen bindend te accepteren oordeel van de deskundige evenmin betrekking. Ook dit deel van het oordeel van de deskundige laat de rechtbank buiten beschouwing. Een vordering op dit punt - naast die besproken onder 3.6 en 3.7 - is niet ingesteld; de rechtbank zal hierover geen nader oordeel geven.
Voor het overige past het oordeel van de deskundige binnen de hiervoor weergegeven bindend overeengekomen opdracht; de rechtbank passeert de bezwaren van de vrouw, zoals hiervoor in 3.20 onder (a) en (b) weergegeven.
3.22.
De vrouw stelt verder (hiervoor in 3.20 onder (c) weergegeven) dat het oordeel van de deskundige zonder (voldoende) hoor en wederhoor, en alleen uitgaand van door de man aangeleverde stukken, tot stand is gekomen. De vrouw stelt geen gelegenheid te hebben gehad om stukken van haar zijde te overleggen De man betwist dat.
De rechtbank stelt aan de hand van de overgelegde stukken vast dat tussen partijen en de deskundige discussie is gevoerd over de reikwijdte van de opdracht. Eerst in februari/maart 2026 is de deskundige aan zijn onderzoek begonnen. Hij heeft begin maart 2026 zijn resultaten in concept aan partijen voorgelegd en gevraagd om een reactie en eventueel nog nadere stukken. De vrouw heeft op 12 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken, de deskundige gevraagd om verdere onderbouwing en overlegging van stukken, en voorts aangegeven ook zelf nog stukken te willen overleggen. Zij heeft die stukken echter niet overgelegd, ook niet na een herhaald verzoek, op 18 maart 2026, van de deskundige. Vervolgens heeft de deskundige zijn oordeel op 1 april 2026 afgerond en aan partijen toegezonden. Gelet op deze gang van zaken, stelt de rechtbank vast dat aan de vrouw voldoende gelegenheid is gegeven om stukken bij de deskundige in te dienen. Dat zij dat niet heeft gedaan, maar in plaats daarvan (eerst) van de deskundige onderliggende stukken van het concept-oordeel te vragen, is haar goed recht, maar dat betekent niet dat nu moet worden gezegd dat onvoldoende wederhoor heeft plaatsgevonden. De vrouw heeft er immers zelf voor gekozen om op het verzoek van de deskundige om stukken aan te leveren niet in te gaan. Dat dient voor haar rekening te blijven. Ook het bezwaar van de vrouw, weergegeven in 3.20, onder (c), wordt verworpen.
Ook verder is de rechtbank niet gebleken dat bij het opstellen van het oordeel de deskundige in strijd zou hebben gehandeld met zijn beroepscode. De rechtbank zal van het oordeel van de deskundige uitgaan.
3.23.
De deskundige heeft onderzoek gedaan naar de stortingen en opnames van de gezamenlijke rekeningen van partijen. Daaraan voorafgaand heeft hij - zo blijkt uit zijn overgelegde oordeel - de administratie bezien en het volgende vastgesteld:
“Op basis van dit onderzoek constateer ik dat sprake is van een sluitende en controleerbare administratie, consistent opgebouwd en voldoende onderbouwd met verifieerbare stukken waardoor de geldstromen herleidbaar zijn en waarbij begin- en eindsaldi van de betreffende bankrekeningen aansluiten bij de door de bank opgestelde financiële (jaar-)overzichten.”
De vrouw heeft ten aanzien van een aantal stortingen en opnames het oordeel van de deskundige inhoudelijk betwist, en daarbij verwezen naar door haar (voor een deel eerst bij haar laatste akte) overgelegde stukken. De rechtbank acht die stukken onvoldoende om het oordeel van de deskundige op de door de vrouw genoemde punten te passeren. De rechtbank doet dat, omdat van de door de vrouw overgelegde stukken onvoldoende kan worden vastgesteld hoe zij in het door de deskundige bekeken geheel van de administratie van partijen passen en omdat zij - mede hierom - de juistheid van de grotendeels door de vrouw zelf opgestelde overzichten en de daaraan verbonden conclusies, zonder nadere toelichting, niet kan beoordelen. Voorts geldt dat, voor zover de deskundige deze stukken niet kende, dat - zoals hiervoor beslist - dit aan de vrouw is toe te rekenen. Onder die omstandigheden gaat de rechtbank met de deskundige ervan uit dat in het onderzoek de juiste en volledige administratie van partijen is betrokken. Aan de bezwaren van de vrouw wordt voorbijgegaan.
3.24.
Het bovenstaande betekent dat de rechtbank het oordeel van de deskundige zal overnemen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.21, onder (2) is overwogen. Dat betekent dat de bij de stortingen van de man meegenomen rentebetalingen op de lening van [vader van de man] - van € 500,00 per maand - voor de gehele periode niet bij de berekening zullen worden betrokken.
3.25.
De deskundige heeft in zijn oordeel wettelijke rente berekend over het door hem vastgestelde, nog door de vrouw aan de man te vergoeden bedrag. De man heeft die wettelijke rente in zijn gewijzigde eis meegenomen. Gesteld noch gebleken is evenwel dat de vrouw met de betaling van de hier bedoelde vergoeding - waarvan het bestaan en de hoogte tussen partijen steeds in geschil is geweest - op enige wijze in verzuim is gekomen. De wettelijke rente zoals die door de deskundige is berekend (en door de man in zijn gewijzigde vordering wordt gevorderd ) zal dan ook niet kunnen worden toegewezen.
3.26.
Al het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank uitgaat van de door de deskundige vastgestelde gecorrigeerde (dat wil zeggen na aftrek van de hierboven onder 3.21 sub (1) genoemde verbouwingskosten van het pand in Portugal) stortingen van de man van
€ 29.662,37, waarvan moet worden afgetrokken € 21.000,00, zijnde het door de rechtbank op grond van het oordeel van de deskundige vastgestelde totaalbedrag aan rente op de lening van [vader van de man] gedurende de maanden - dat zijn er 42 - waarop dat oordeel betrekking heeft (3.21 sub (2)). Aan stortingen van de man resteert dan € 8.662,37. Voorts gaat de rechtbank uit van de door de deskundige vastgestelde opnames door de vrouw van
€ 32.921.00. Dan is er een saldoverschil van € 41.583,47. De vrouw zal de helft van dit saldo, dus € 20.791,74, aan de man dienen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na de dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal aldus op de vordering van de man onder IX (zoals vermeld onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) beslissen.
3.27.
De rechtbank stelt vast dat de laatste akte van de man - naast de indiening van het deskundigenbericht en zijn reactie daarop - als vermeerdering van eis een aantal met het deskundigenbericht samenhangende nieuwe vorderingen bevat, vergezeld van producties.
De rechtbank laat deze nieuwe vorderingen en producties in deze akte niet meer toe, omdat toelating daarvan in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde (artikel 130 Rv). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de reeds aanzienlijke duur van deze procedure en de omstandigheid dat partijen gedurende de procedure met grote regelmaat naar aanleiding van nieuwe berekeningen, uitgangspunten of standpunten nieuwe of aanvullende vorderingen hebben geformuleerd. Hierdoor wordt het debat telkens opnieuw uitgebreid, terwijl de procedure zich in een afrondende fase bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank dient het partijdebat nu te worden afgerond, en zijn verdere uitbreidingen van de rechtsstrijd niet (langer) verenigbaar met een doelmatige en voortvarende afdoening van de zaak.
Huurpenningen [adres 4]
3.28.
Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat de woning aan het [adres 4] (onderdeel van het onroerend goed in [plaats 1] ) vanaf 1 april 2025 werd verhuurd voor een bedrag van € 1.225,00 per maand. Uit de akte van uitlating van de vrouw van 2 september 2025 blijkt dat de huurovereenkomst tegen 1 oktober 2025 is opgezegd.
De man stelt dat de vrouw alle huurpenningen op haar eigen bankrekening heeft ontvangen, zonder deze met hem te delen.
3.29.
Vaststaat dat ter zake van de verhuur van [adres 4] in totaal zes huurbetalingen zijn gedaan, tot een gezamenlijk bedrag van € 7.350,00. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat de man recht heeft op de helft daarvan. Gelet op deze erkenning stelt de rechtbank vast dat de betreffende betalingen buiten de hierboven besproken verhuuradministratie zijn omgegaan. De vordering van de man onder X (zoals vermeld onder randnummer 3.4 in het vonnis van 17 december 2025) zal daarom worden toegewezen, waarbij de rechtbank zal bepalen dat de vrouw het aan de man verschuldigde bedrag binnen drie maanden na afgifte van dit vonnis dient te voldoen, waarna de vrouw de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd zal worden indien de vrouw hiermee in gebreke blijft. De vordering van de man strekt ook tot betaling van toekomstige huurtermijnen, maar omdat de huurovereenkomst per 1 oktober 2025 is beëindigd, wordt dit deel van de vordering afgewezen.
B. Pand Portugal
3.30.
Partijen zijn samen (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de onroerende zaak in Portugal (hierna ook: pand Portugal). Op de onroerende zaak rust een schuld uit hoofde van een hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta Bank te Portugal. Het pand Portugal is, zo is tussen partijen niet in geschil, een eenvoudige gemeenschap.
De man heeft te kennen gegeven de onroerende zaak te willen overnemen, waar de vrouw op zich geen bezwaar tegen heeft. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van het pand Portugal en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Daarbij houdt partijen verdeeld of, en zo ja, in welke mate, rekening moet worden gehouden met het ontbreken van een zelfstandige watervoorziening (waterput) bij de vaststelling van de overnamewaarde.
3.31.
Omdat de onroerende zaak in Portugal is gelegen, heeft de zaak een internationaal karakter. De rechtbank heeft de zaak ter zitting met partijen inhoudelijk besproken, onder het uitdrukkelijk voorbehoud dat zij internationaal bevoegd is van de vorderingen van partijen kennis te nemen. Ter zitting zijn partijen - zoals verwoord in het daarvan opgemaakt proces-verbaal - over de taxatie het volgende overeengekomen:
Pand Portugal
Met betrekking tot de onroerende zaak in [plaats 3] , Portugal, zijn partijen het volgende overeengekomen: ter bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient een nieuwe taxatie plaats te vinden. De man selecteert drie taxateurs en stuurt deze selectie naar de vrouw. De vrouw kiest uit die selectie de taxateur die de onroerende zaak in Portugal gaat taxeren naar de actuele verkoopwaarde. Partijen zijn het erover eens dat deze taxatie voor partijen bindend is. Partijen laten de beslissing of de taxatie dient plaats te vinden naar de huidige situatie (zonder waterput) of naar de situatie met waterput over aan de rechtbank. Zodra de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen, zullen partijen opdracht tot taxatie geven op de hiervoor overeengekomen wijze;
3.32.
Bij akten van uitlating naar aanleiding van de mondelinge behandeling hebben de vrouw en de man de rechtbank bericht dat het hen niet is gelukt gezamenlijk een taxateur aan te wijzen die de taxatie kan uitvoeren. De man heeft zijn vorderingen gehandhaafd en verzocht daarop bij vonnis te beslissen, terwijl de vrouw de rechtbank heeft verzocht een (CMVM geregistreerd) taxateur aan te wijzen die een bindend advies over de waarde van de woning in Portugal zal uitbrengen.
Nu partijen er niet in zijn geslaagd dit geschilpunt onderling af te wikkelen, dient de rechtbank hierover een beslissing te nemen. Omdat de rechtbank haar bevoegdheid uitdrukkelijk heeft voorbehouden, dient zij allereerst te beoordelen of zij internationaal bevoegd is van de vorderingen van partijen met betrekking tot het pand Portugal kennis te nemen.
Rechtsmacht Nederlandse rechter
3.33.
Nu partijen niet zijn gehuwd, noch een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan moet de (internationale) bevoegdheid beoordeeld worden aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I-bis), dan wel aan die van haar voorgangers: artikel 16 sub 1 EEX-Verdrag en artikel 22 punt 1 EEXVo (nr. 44/2001), welke bepalingen vrijwel overeenstemmen met het huidige artikel 24 Brussel I-bis.
Artikel 24, aanhef en onder 1, Brussel I-bis luidt, voor zover thans van belang:
“Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)”
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat de exclusieve bevoegdheidsbepaling van (thans) artikel 24 Brussel I-bis niet ruimer mag worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt en dat de ratio ervan is gelegen in de omstandigheid dat de rechter van de plaats van ligging van de onroerende zaak, vanwege zijn nabijheid het beste in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken van die staat van ligging toe te passen. (HvJ EG 10 januari 1990, zaak C-115/88, Jur. 1990, p.1-27, (Reichert en Kockler). Deze beslissing heeft weliswaar betrekking op artikel 16 van het EEX-Verdrag, maar is ook van toepassing op artikel 24, aanhef en onder 1 Brussel I-bis.
Uit voornoemd arrest (Reichert en Kockler) volgt ook dat artikel 16 EEX-verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar enkel die welke zowel binnen het toepassingsgebied van het EEX-verdrag vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren. Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor de toepasselijkheid van artikel 16 sub 1 (a) EEX-verdrag dus niet, dat de rechtsvordering verband houdt met een zakelijk recht op het onroerend goed of dat zij betrekking heeft op een onroerend goed. De
rechtsvordering moet zijn gebaseerd op een zakelijk recht en, behoudens de uitzondering waarin is voorzien voor huur en verhuur en pacht en verpachting van onroerende goederen, niet op een persoonlijk recht (HvJ EG 9 juni 1994, zaak C-292/93, Jurispr. blz I-2545, punt 12 en 13, NJ 1994/649, (Lieber) en 27 januari 2000, C-8/98, Jurispr. blz I-393, punt 21 en 22, (Dansommer). Het verschil tussen een zakelijk recht en een persoonlijk recht bestaat volgens het Hof van Justitie hierin dat het eerste, dat op een zaak rust, werking heeft jegens iedereen, terwijl het tweede alleen tegenover de schuldenaar geldend kan worden gemaakt.
3.34.
Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, dient derhalve eerst te worden vastgesteld welke soort vordering voorligt bij de rechtbank. Is de vordering gebaseerd op een zakelijk recht dan dient de rechtbank zich, zoals volgt uit het vorengaande, onbevoegd te verklaren; is de vordering gebaseerd op een persoonlijk recht dan is de rechtbank bevoegd hiervan kennis te nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat haar bevoegdheid niet reeds kan worden aangenomen op de grond dat partijen het op zichzelf eens zijn dat het pand kan worden toegedeeld aan de man. Een (stilzwijgende) forumkeuze in afwijking van artikel 24 Brussel I-bis is namelijk niet mogelijk (artikel 25 lid 4 en 26 Brussel I-bis).
3.35.
De man heeft ter zitting, onder verwijzing naar artikel 24 Brussel I-bis, aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om - zoals de vrouw heeft gevorderd - de verdeling van de in Portugal gelegen onroerende zaak vast te stellen. Evenmin is de Nederlandse rechter bevoegd om beslissingen te nemen die leiden tot reële executie, zoals een indeplaatsstelling, nu het daarbij zou gaan om zakelijke rechten. Volgens de man dient de vrouw in haar vorderingen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van zijn eigen vorderingen (onder XI) heeft de man gesteld dat de Nederlandse rechter daarvan wel kennis kan nemen, omdat deze zijn gebaseerd op een persoonlijk recht.
De vrouw heeft zich over de (internationale) bevoegdheid van de rechtbank niet uitgelaten, de stellingen van de man niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.36.
De rechtbank overweegt als volgt. De vordering van de vrouw onder A (zesde bullet) houdt in dat de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vaststelt en daarbij bepaalt dat het pand Portugal aan de man wordt toegedeeld. Deze vordering ziet daarmee rechtstreeks op de verdeling van de eigendom van het pand tussen partijen en kwalificeert daarom als een rechtsvordering betreffende een zakelijk recht op een onroerende zaak als bedoeld in artikel 24 lid 1 Brussel I-bis; de rechtbank is daarom niet bevoegd van deze vordering kennis te nemen. De vorderingen van de vrouw onder D tot en met G hebben naar het oordeel van de rechtbank echter een ander karakter. Deze strekken ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling gelast en de man veroordeelt tot medewerking aan die wijze van verdeling. Deze vorderingen zien derhalve niet op het vaststellen van een rechtstoestand ten aanzien van het onroerend goed, maar op het verkrijgen van medewerking van de man aan een nog te verrichten goederenrechtelijke handeling. De vorderingen hebben dus geen betrekking op rechten die rechtstreeks het onroerend goed betreffen en die aan een ieder kunnen worden tegengeworpen. Toewijzing van deze vorderingen bindt uitsluitend partijen. De vorderingen van de vrouw tot het verlenen van medewerking door de man aan de verdeling van het aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorend pand vinden naar het oordeel van de rechtbank dan ook hun grondslag in een persoonlijk recht. Dat betekent dat op die vorderingen de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis van toepassing is en dat de rechtbank, gelet op de woonplaats van de man, bevoegd is om daarop te beslissen. Voor de vordering van de vrouw onder H, die ziet op reële executie als bedoeld in de artikelen 3:300 en 3:301 BW, geldt dan weer dat deze niet slechts een verplichting tot medewerking betreft, maar de goederenrechtelijke overdracht zelf. Zij valt daarom onder artikel 24 Brussel I-bis; de rechtbank is niet bevoegd van deze vordering kennis te nemen.
3.37.
De vorderingen van de man onder XI strekken er blijkens hun bewoordingen en bedoeling toe dat de rechter de verdeling van de woning vaststelt door toedeling van het pand aan de man tegen een bepaald bedrag en onder bepaalde aanvullende voorwaarden. Op deze vorderingen is daarom de exclusieve bevoegdheidsregeling van artikel 24 Brussel I-bis van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen onder XI kennis te nemen en zich onbevoegd zal verklaren.
3.38.
Naast de vorderingen die zien op het overnemen van de onroerende zaak door de man hebben partijen ook andere op het pand Portugal betrekking hebbende vorderingen ingediend. Ook ten aanzien van die vorderingen moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt daarover te beslissen.
3.39.
De vordering van de man onder XII voor zover deze strekt tot vaststelling van de onderlinge draagplicht voor de hypothecaire schuld op het pand in Portugal is gebaseerd op een persoonlijk recht, namelijk de hypotheekovereenkomst die partijen hebben gesloten met de bank. Bovendien heeft toewijzing van deze vordering geen goederenrechtelijke werking, maar bindt uitsluitend partijen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel I-bis rechtsmacht heeft, nu de vrouw in Nederland woont.
3.40.
De rechtbank is ook bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de man onder XIII en XIV, die betrekking hebben op de betaling van de vaste lasten van het pand Portugal en het door de man gestelde vergoedingsrecht ter zake van verbouwingskosten. Dit geldt eveneens voor de verrekenpost van de vrouw met betrekking tot het pand in Portugal (de vordering van de vrouw onder Q). Deze vorderingen zijn allen gebaseerd op een persoonlijk recht. Immers toewijzing van die vorderingen heeft geen goederenrechtelijke werking, maar bindt uitsluitend partijen. De bevoegdheid van de rechtbank volgt uit de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis, omdat beide partijen in Nederland woonplaats hebben.
Toepasselijk recht
3.41.
Wat het toepasselijke recht betreft, is er geen internationale regeling die het toepasselijke recht aanwijst. Het toepasselijke recht moet daarom worden vastgesteld op basis van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen hebben hun vorderingen (grotendeels) gebaseerd op Titel 7 van Boek 3 BW (gemeenschap). Daarin ziet de rechtbank een impliciete rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht. Aangezien de verdeling van een eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen ter vrije dispositie van partijen staan en niet de goederenrechtelijke overgang van de onroerende zaken zelf betreft, zal de rechtbank de (impliciete) rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht respecteren.
Inhoudelijke beoordeling
Schuld aan [moeder van de man]
3.42.
In het kader van de verdeling van het pand Portugal heeft de man ook nog een schuld aan [moeder van de man] van € 32.000,00 opgevoerd. Gelet op de wijze waarop partijen over deze schuld hebben geprocedeerd, zal de rechtbank deze niet hier maar bij de beoordeling van de afwikkeling van de aandelen [B.V. 3] (r.o. 3.94) verder bespreken De rechtbank gaat hier niet op de schuld in.
Wijze van verdeling Pand Portugal
3.43.
De rechtbank komt thans toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de vrouw onder D tot en met G. Deze vorderingen strekken ertoe dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Indien de man niet in staat blijkt de woning over te nemen, vordert de vrouw subsidiair dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de onroerende zaak aan een derde.
3.44.
Zoals hiervoor in r.o. 3.30 al is overwogen zijn partijen het erover eens dat de man het pand Portugal kan overnemen. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van de onroerende zaak en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Partijen zijn ter zitting overeengekomen (zoals verwoord in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, zie r.o. 3.31) dat het pand opnieuw wordt getaxeerd naar de actuele verkoopwaarde en dat deze taxatie voor hen bindend is. Daarbij hebben zij de beslissing of de taxatie dient plaats te vinden met of zonder waterput aan de rechtbank overgelaten. Nu partijen - kennelijk ter voorkoming van verdere geschillen - wensen dat de taxateur de waarde van het pand bindend vaststelt, begrijpt de rechtbank dat partijen tevens beogen dat ook de verkoopprijs door de taxateur bindend wordt vastgesteld, indien de woning moet worden verkocht in het geval de man de woning niet kan overnemen. De rechtbank zal zulks bepalen in het na te noemen ‘spoorboekje’.
3.45.
Partijen hebben vervolgens geen gezamenlijke taxateur benoemd waardoor de afgesproken taxatie niet heeft plaatsgevonden. Hierdoor is geen duidelijkheid verkregen over de waarde van de onroerende zaak en over de vraag of de man in staat zal zijn de onroerende zaak over te nemen. Nu partijen niet gezamenlijk tot een verdeling van het pand Portugal kunnen komen, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten door in het dictum van dit vonnis, met inachtneming van wat ter zitting is besproken en tussen partijen ter zitting is overeengekomen, een ‘spoorboekje’ op te nemen. In dit ‘spoorboekje’ worden de stappen vastgelegd waarlangs de man de mogelijkheid krijgt de onroerende zaak over te nemen en, indien hij daartoe niet in staat blijkt, waarlangs de onroerende zaak in Portugal aan een derde dient te worden verkocht en geleverd. De rechtbank is hiertoe bevoegd, nu zij bij de vaststelling van de wijze van verdeling een ruime mate van vrijheid geniet en niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).
3.46.
Voor het verloop van dit traject zijn nog twee punten van belang die nadere beslissing behoeven, te weten de benoeming van een taxateur door partijen en de vraag of de te verrichten taxatie dient plaats te vinden met of zonder inbegrip van de wateraansluiting.
Taxatie
3.47.
Het is partijen niet gelukt om gezamenlijk een taxateur aan te wijzen. De man heeft, zoals ter zitting met partijen is besproken, drie taxateurs voorgesteld. De vrouw heeft hieruit geen keuze willen maken, omdat de voorgedragen personen niet zouden zijn ingeschreven in het CMVM-register van peritos avaliadores de imóveis (PAI), het Portugese register van erkende taxateurs. De man heeft daarop opnieuw drie taxateurs voorgedragen, waarvan een ook in zijn eerdere voordracht was opgenomen. De vrouw heeft ook uit deze voordracht geen keuze willen maken, omdat ook deze taxateurs volgens haar niet PAI-geregistreerd zouden zijn.
De rechtbank overweegt dat tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk met partijen is besproken dat de te benoemen taxateur wel geregistreerd dient te zijn in een officieel register. Om verdere discussie tussen partijen te voorkomen zal de rechtbank daarom in het ‘spoorboekje’ opnemen dat de man drie in het CMVM-register ingeschreven taxateurs voordraagt, waaruit de vrouw vervolgens één taxateur kiest die de onroerende zaak zal taxeren naar de actuele marktwaarde.
Waterput
3.48.
Partijen hebben in het kader van de waarde van de onroerende zaak in Portugal uitvoering gedebatteerd over (het ontbreken van) een wateraansluiting. Vaststaat dat de onroerende zaak geen zelfstandige wateraansluiting (watervoorziening) heeft. Verder is niet in geschil dat de onroerende zaak met wateraansluiting meer waard is dan zonder aansluiting. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van de bedoelde aansluiting de schuld van de man is. Volgens de vrouw had de man de betreffende vergunning al verkregen en bedragen de kosten voor het aanleggen van de watertoevoer € 8.000,00. De vrouw is dan ook van oordeel dat het ontbreken van de wateraansluiting voor rekening en risico van de man behoort te komen en het ontbreken van de wateraansluiting geen invloed kan hebben op de waarde van het pand ten koste van de vrouw. De man heeft de stellingen van de vrouw bestreden.
3.49.
Hoewel de vrouw noch de man specifieke vorderingen heeft ingesteld ter zake (het ontbreken van) de wateraansluiting heeft de rechtbank tijdens de zitting met partijen besproken dat zij een beslissing zal nemen op de vraag of, en zo ja, op welke wijze bij de taxatie rekening moet worden gehouden met (het ontbreken van) de wateraansluiting om zo verdere/nieuwe discussies tijdens de taxatie te voorkomen. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover de vrouw met haar hiervoor weergegeven standpunten heeft beoogd te stellen dat de betreffende onroerende zaak getaxeerd moet worden alsof er wel een wateraansluiting is, dient dit standpunt te worden verworpen. Voor de juistheid van een dergelijk standpunt heeft de vrouw geen grondslag aangevoerd. Feiten of omstandigheden die onderbouwen dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou zorgdragen voor de wateraansluiting zijn door de vrouw niet gesteld. De enkele omstandigheid dat de man, zoals de vrouw stelt, hiertoe een vergunning zou hebben en het “in zijn macht” zou liggen om dit te doen, is daartoe onvoldoende. Voor zover de vrouw heeft beoogd een beroep te doen op de goede trouw die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst, dient ook dit beroep te worden verworpen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verstandhouding tussen partijen op dat moment al slecht was en dat door de vrouw onvoldoende is gesteld waarom van de man tegen deze achtergrond toch kon worden verwacht dat hij, zo begrijpt de rechtbank, met privémiddelen verder zou investeren in de gezamenlijke onroerende zaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient te worden uitgegaan van de huidige toestand van de onroerende zaak, derhalve zonder een wateraansluiting.
Hypotheekschuld Caixadirecta
3.50.
Omdat de vrouw niet heeft betwist dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank de vordering van de man onder XII, voor zover deze betrekking heeft op de hypotheekschuld, toewijzen. De man heeft daarnaast gevorderd te bepalen dat hij een vordering op de vrouw verkrijgt als hij meer dan zijn aandeel in de schuld voldoet. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen, omdat dit al volgt uit artikel 6:10 BW.
Vaste lasten pand Portugal
3.51.
De man stelt dat de vrouw vanaf 1 mei 2025 niet meer heeft bijgedragen aan de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal, met uitzondering van een eenmalige betaling op 2 augustus 2025. Volgens de man bedragen de vaste lasten circa € 3.000,00 per maand. Omdat de vrouw haar aandeel daarin vanaf 1 mei 2025 niet meer heeft voldaan, heeft de man deze lasten volledig uit eigen privémiddelen betaald. De man voert aan dat de vrouw als deelgenoot in de eenvoudige gemeenschap gehouden is naar evenredigheid bij te dragen in de lasten van de gemeenschappelijke woning. Doordat hij ook het aandeel van de vrouw in deze lasten heeft voldaan, heeft hij voor dat gedeelte een regresvordering op haar verkregen.
3.52.
De vrouw betwist dat de vaste lasten van de onroerende zaak € 3.000,-- per maand bedragen. Volgens haar belopen de werkelijke lasten € 2.577,67 per maand. Het verschil van € 422,33 per maand heeft de man aan de gezamenlijke rekening van partijen bij de Caixadirecta Bank met [rekeningnummer 3] onttrokken, aldus de vrouw, doordat hij maandelijks een bedrag van € 3.000,-- van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening heeft overgemaakt. Omdat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het saldo van de gezamenlijke rekening, stelt de vrouw dat zij aanspraak heeft op vergoeding van haar aandeel in het ten onrechte onttrokken bedrag. Volgens de vrouw bedraagt deze aanspraak de helft van € 422,33, te weten afgerond € 211,00 per maand.
3.53.
Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat de vrouw tot 1 mei 2025 steeds heeft bijgedragen aan de betalingen die vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen ten behoeve van de onroerende zaak in Portugal zijn verricht. Door deze betalingen structureel te accorderen, heeft de vrouw er blijk van gegeven bekend te zijn met de hoogte en de omvang van de lasten die met de onroerende zaak gemoeid zijn en moet zij geacht worden hiermee ook te hebben ingestemd. Indien de vrouw van mening was dat deze lasten niet overeenkwamen met een bedrag van € 3.000,-- per maand, had het op haar weg gelegen dit eerder kenbaar te maken en de betalingen gemotiveerd te betwisten. Gelet hierop acht de rechtbank de enkele betwisting van de hoogte van de vaste lasten onvoldoende onderbouwd en gaat zij daaraan voorbij. De vordering van de vrouw onder Q zal worden afgewezen.
Overigens heeft de man bevestigd dat hij op 10 oktober 2024 een privébankrekening in Portugal heeft geopend. Vanaf 13 oktober 2024 heeft hij maandelijks een bedrag van
€ 3.000,-- van de gezamenlijke bankrekening van partijen naar deze rekening overgemaakt, uitsluitend met het oog op de betaling van de vaste lasten van de gezamenlijke onroerende zaak in Portugal. Deze lasten zijn vervolgens vanuit deze rekening voldaan.
3.54.
De rechtbank stelt vast dat voor het overige het verschil in de bijdragen van partijen aan de lasten van de onroerende zaak in Portugal al is betrokken bij het hiervoor besproken oordeel van de deskundige, de heer [accountant] , over de verhuuradministratie. Voor zover de vordering van de man onder XIII betrekking heeft op betalingen tot 25 maart 2026, is daarover dus al beslist. De rechtbank wijst de vordering in zoverre af.
De man heeft zijn vergoedingsvordering naar aanleiding van het deskundigenoordeel bij akte van 20 mei 2026 gewijzigd. Hij vordert nu te bepalen dat de vrouw met ingang van 25 maart 2026 gehouden is voor de helft bij te dragen in de totale vaste lasten van € 3.000,00 per maand en haar te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 1.500,00 per maand.
De rechtbank heeft in r.o. 3.27 overwogen dat nieuwe vorderingen van partijen niet worden toegelaten. Van een nieuwe vordering is hier echter geen sprake; het gaat om een wijziging van een al eerder ingestelde vordering. Verder heeft de vrouw tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 130 lid 1 Rv en is zij bovendien bij haar laatste akte in de gelegenheid geweest daarop inhoudelijk te reageren. De rechtbank zal daarom uitgaan van de gewijzigde eis. Nu de onroerende zaak nog niet is verdeeld, zijn partijen op grond van artikel 3:172 BW gehouden naar evenredigheid bij te dragen in de lasten van de gemeenschap. De vrouw heeft de vordering van de man inhoudelijk niet bestreden. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, in die zin dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal zolang deze nog gemeenschappelijk is.
Vergoedingsrecht man inzake de verbouwingskosten van het pand in Portugal
3.55.
De rechtbank stelt vast dat de man ten aanzien van door hem gestelde kosten in verband met verbouwingen van het pand in Portugal een vergoeding heeft gevorderd. Deze vordering is subsidiair ingesteld, namelijk voor het geval de rechtbank oordeelt dat bij het vaststellen van de waarde van het pand in Portugal moet worden uitgegaan van de actuele marktwaarde. In het bovenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat en waarom moet worden uitgegaan van de actuele waarde. De rechtbank zal dan ook nader ingaan op dit deel van de vordering van de man.
3.56.
De man heeft zijn vordering (nader) onderbouwd door aan te voeren dat hij kosten heeft gemaakt in verband met, samengevat, ‘noodzakelijk onderhoud’ voor een bedrag van € 13.795,63 en ‘werkzaamheden ter verfraaiing van het pand’ voor een bedrag van € 742,76. De man heeft de werkzaamheden voor noodzakelijk onderhoud nader gespecificeerd (akte houdende aanvullende producties p. 24 e.v.). De vrouw heeft de door de man gestelde kosten bestreden. Volgens de vrouw heeft de man met het overleggen van talloze (onleesbare) facturen niet aan zijn bewijsaandraagplicht voldaan. De rechtbank overweegt dat zelfs indien moet worden aangenomen dat de man noodzakelijk onderhoud heeft moeten verrichten en werkzaamheden heeft verricht ‘ter verfraaiing van het pand’, de man met de overgelegde overzichten, facturen en bonnetjes (producties 11 en 66 van de man), onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij hiermee kosten heeft moeten maken ter hoogte van het door hem gestelde bedrag van in totaal € 14.536,39. Zonder nadere toelichting door de man, die ontbreekt, kan de rechtbank uit de overgelegde facturen en bonnen niet afleiden op welke werkzaamheden deze facturen en bonnen zien, en evenmin dat en waarom juist deze kosten, zoals de man stelt, noodzakelijk waren dan wel tot ‘verfraaiing’ hebben geleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een groot deel van de overgelegde facturen en bonnen in het Portugees zijn gesteld en/of niet goed leesbaar zijn. Dit brengt mee dat het door de man onder XIV gevorderde dient te worden afgewezen. De man heeft deze vordering bij akte van 20 mei 2026 nog vermeerderd. Nu de oorspronkelijke vordering reeds wordt afgewezen, behoeft de eisvermeerdering geen bespreking en zal daarop geen acht worden geslagen.
C. Gemeenschappelijke bankrekeningen
3.57.
Partijen hebben drie bankrekeningen op beider naam, zogenoemde en/of-rekeningen. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze bankrekeningen een eenvoudige gemeenschap vormt.
3.58.
De gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank met [rekeningnummer 1] is inmiddels opgeheven en het ten tijde van de opheffing aanwezige banksaldo is bij helfte gedeeld. De vrouw heeft daarom geen belang meer bij haar vordering onder I. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
3.59.
Ten aanzien van de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met [rekeningnummer 2] heeft de man aangegeven dat hij het redelijk vindt dat deze bankrekening, waarvan de hypotheeklasten van de onroerende zaak in [plaats 1] worden voldaan, wordt voortgezet door degene die de onroerende zaak krijgt toebedeeld. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat wanneer de woning aan haar wordt toebedeeld zij de bestaande financiering zal vervangen en dat het haar daarom om het even is wie de bankrekening voortzet. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw haar vordering tot wijziging van de tenaamstelling niet langer handhaaft en zal de vordering van de vrouw onder J. in zoverre afwijzen. Nu daarmee geen verplichting tot medewerking van de man meer resteert, bestaat evenmin grond voor de onder K. gevorderde indeplaatsstelling voor het geval de man niet zou meewerken. De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen.
3.60.
De betreffende rekening staat thans echter nog op naam van beide partijen. Bij gebreke van een nadere beslissing zou deze gezamenlijke tenaamstelling blijven bestaan. Nu dit verder ook niet is bestreden, zal de rechtbank de vorderingen van de man (onder XV en XVI) toewijzen en bepalen dat de vrouw moet meewerken aan een wijziging van de tenaamstelling van die rekening en wel zodanig dat deze uitsluitend op naam van de man komt te staan. Over het eventuele saldo van deze rekening is hiervoor, bij de overwegingen omtrent de verhuuradministratie, al geoordeeld.
3.61.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Caixadirecta bank met [rekeningnummer 3] zal voortzetten en dat de man de helft van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling op die rekening aanwezige saldo aan de vrouw moet uitkeren. Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt, kan de rechtbank gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW daarover geen beslissing meer nemen. De rechtbank zal de vordering van de vrouw onder L en de vorderingen van de man onder XVII en XVIII afwijzen.
D. Inboedelgoederen
3.62.
De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling op 29 september 2025 in de gelegenheid gesteld de inboedelgoederen - voor zover aanwezig - in onderling overleg te verdelen. De rechtbank stelt vast dat partijen daarin niet zijn geslaagd. De rechtbank zal daarom alsnog een beslissing nemen over dit geschilpunt.
3.63.
De vrouw vordert verdeling van de inboedelgoederen conform de door haar overgelegde productie 19. De man heeft aanvankelijk verdeling van de inboedel gevorderd conform de door hem overgelegde productie 17. De man heeft vervolgens in zijn akte houdende aanvullende producties (onder 5.3) naar voren gebracht dat, indien de lijsten van partijen naast elkaar worden gelegd, de conclusie is dat partijen nog over de volgende punten van mening verschillen:
- de spiegel van zijn overleden zus;
- het Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren en het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren;
- een elektrische fiets;
- ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven; deze zaken zijn volgens de man “nagelvast” en dienen achter te blijven in het pand in [plaats 1] .
De man heeft hierop zijn vordering aangepast (vorderingen XIX en XX).
3.64.
De rechtbank leidt uit het gewijzigde standpunt van de man en de aangepaste vordering af dat de man behoudens de door hem genoemde zaken kan instemmen met de vordering van de vrouw. Deze vordering ligt dan ook in zoverre voor toewijzing gereed. De rechtbank overweegt over de door de man genoemde zaken verder als volgt.
- de spiegel van zijn overleden zus;
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij bereid is de spiegel aan de man af te geven. Dit deel van de vordering van de man kan derhalve worden toegewezen. Voor toewijzing van de door de man gevorderde dwangsommen ziet de rechtbank geen aanleiding; de noodzaak daartoe is door de man onvoldoende onderbouwd.
- het Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren en het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren;
De vrouw heeft ter zitting de door de man gevorderde afgifte betwist door aan te voeren dat zij deze zaken niet heeft. De man heeft tegenover deze betwisting geen (onderbouwde) feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat deze zaken zich wel onder de vrouw bevinden. Dit leidt ertoe dat de vordering van de man wat deze zaken betreft, zal worden afgewezen.
- een elektrische fiets;
De rechtbank leidt uit de standpunten van partijen af dat sprake is van een tweetal fietsen, waarvan, zo begrijpt de rechtbank, niet in geschil is dat deze gemeenschappelijk zijn (eenvoudige gemeenschap). Beide partijen, zo begrijpt de rechtbank, hebben een fiets in hun bezit. Rekening houdend met de belangen van beide partijen acht de rechtbank het billijk dat ieder de in zijn bezit zijnde fiets krijgt toegedeeld. De rechtbank zal aldus beslissen.
- ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven;
De vrouw heeft tijdens de zitting opgemerkt dat deze zaken, met uitzondering van de sauna, in de woning achterblijven. De vordering van de man ligt in zoverre voor toewijzing gereed. Voor toewijzing van de door de man gevorderde dwangsom ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.
Wat de sauna betreft, heeft de vrouw opgemerkt dat deze inmiddels is verkocht. Dit betekent dat de vordering van de man met betrekking tot de sauna dient te worden afgewezen. De man heeft terzake de sauna geen nadere vorderingen geformuleerd, zodat de rechtbank hieraan verder voorbijgaat.
3.65.
De man heeft verder nog gevorderd te bepalen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde goederen krijgt toegedeeld zonder nadere verrekening. Dit deel van de vordering van de man kan worden toegewezen voor zover het betreft de inboedelgoederen waarover de rechtbank met het vorengaande geen oordeel heeft gegeven.
Goederen van de kinderen
3.66.
De goederen die de kinderen zelf hebben gekocht, gekregen (cadeaus) of die specifiek voor hen zijn aangeschaft (zoals fietsen, mountainbike [zoon] , board [zoon] , skateboard [dochter 1] ) blijven van de kinderen. Dit is, zo begrijpt de rechtbank uit productie 19 van de vrouw en het uitblijven van verweer hiertegen door de man, tussen partijen niet in geschil. Deze goederen komen dus niet voor verdeling in aanmerking.
E. Voertuigen
3.67.
Bij partijen waren een aantal voertuigen in gebruik. Door hen zijn als al dan niet gemeenschappelijk de volgende voertuigen genoemd:
- een Volkswagen LT. Westfalia (een camper) met [kenteken 1] ;
- een Ford Transit (een busje) met [kenteken 3] ;
- een Landrover Discovery met [kenteken 2] ;
- een Citroën C1 [kenteken 4]
- een aanhangwagen.
3.68.
De vrouw heeft primair gesteld dat partijen over de verdeling van deze voertuigen lopende de procedure overeenstemming hebben bereikt. De man heeft dat betwist. De vrouw heeft geen nadere onderbouwing van haar stelling gegeven, en ook overigens kan van een overeenstemming tussen partijen op dit punt niet blijken. De rechtbank gaat dan ook aan deze stelling van de vrouw voorbij.
3.69.
Subsidiair vordert de vrouw verdeling van deze voertuigen; ook de man vordert beslissingen over deze voertuigen. De rechtbank overweegt en beslist over de voertuigen als volgt.
3.70.
Van de Volkswagen stelt de man dat deze niet gemeenschappelijk is; de auto is door hem gekocht van de vader van de vrouw (en daarna op zijn kosten - met van zijn moeder geleend geld - ingrijpend gerepareerd). De auto is zijn eigendom en dient dus niet bij een verdeling te worden betrokken; wordt hij wel verdeeld, dan dient met de reparatiekosten rekening te worden gehouden. De vrouw stelt in reactie op deze stelling dat de Volkswagen haar eigendom is; zij heeft deze voor een symbolisch bedrag van € 2.500,00, van haar vader geschonken gekregen. Zij betwist de gestelde reparatie(kosten).
Aldus stellen beide partijen eigenaar te zijn van deze auto; beide stellen een verkrijging van de auto tegen een bedrag van € 2.500,00. De rechtbank neemt in deze situatie als uitgangspunt dat op grond van artikel 3:107, lid 1 BW degene die een goed voor zichzelf houdt, bezitter is. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Uit artikel 3:109 BW volgt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter vermoed rechthebbende te zijn. Uit de stukken blijkt dat de auto bij het pand van partijen in Portugal staat. Gebleken is dat dat pand nog uitsluitend door de man wordt gebruikt en de vrouw daar niet meer komt. De Volkswagen staat op naam van de man, terwijl, zo staat als onbestreden vast, de man ook de wegenbelasting voor de auto voldoet. Aan de hand van die feiten stelt de rechtbank vast dat de man de auto voor zichzelf houdt en dus bezitter is. Gelet op het vorenstaande wordt hij dan vermoed eigenaar te zijn. Dit betekent dat het aan de vrouw is om dit vermoeden te weerleggen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hierin niet is geslaagd. De vrouw heeft overgelegd een verklaring van haar vader van 21 februari 2025 waaruit volgt dat de vader de onderhavige auto op 20 november 2019 heeft geschonken voor een bedrag van € 2.500,00, alsmede een verklaring van [naam 2] waarin staat dat hij de auto op 29 oktober 2018 aan de vader van de vrouw heeft verkocht. Deze gang van zaken wordt evenwel weerlegd door de door de man overgelegde verklaring van [naam 3] waaruit volgt dat de man de auto in november 2018 heeft gekocht van [bedrijf 1] . Objectieve en verifieerbare aanknopingspunten die de juistheid van de ene of andere verklaring ondersteunen, ontbreken in het dossier. Weliswaar volgt uit de overgelegde stukken dat de auto enige tijd op naam van de vader van de vrouw heeft gestaan, maar daarvoor heeft de man een verklaring gegeven. Daar komt bij dat de overgelegde verklaringen geruime tijd na de gebeurtenis waarover gerelateerd wordt, zijn afgelegd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de man als eigenaar van de auto moet worden aangemerkt. Dat betekent dat de auto niet kan worden verdeeld, en dat de door de man voor de reparatie van de auto gemaakte kosten (dan wel de daarvoor bij zijn moeder afgesloten leningen) voor zijn rekening blijven.
De rechtbank zal de vordering van de man onder XXI, voor zover deze de Volkswagen betreft, toewijzen; de daarnaast door de vrouw betreffende deze auto ingestelde vorderingen worden afgewezen.
3.71.
Ook voor de Ford Transit geldt dat aan de hand van de stukken niet kan worden vastgesteld wie eigenaar is. De van de aankoop overgelegde factuur is gericht aan [B.V. 3] Promotion, een eenmanszaak van de man. Wie de aankoopprijs heeft betaald en aan wie de auto is geleverd, is tussen partijen betwist: de man zegt door en aan hem, de vrouw door en aan partijen samen. Geen van partijen onderbouwt zijn/haar stellingen met nadere stukken, of biedt specifiek bewijs aan. Ook hier zal de rechtbank het hiervoor weergegeven toetsingskader als uitgangspunt nemen, en vaststellen dat deze auto eigendom is van de man. De auto staat op naam van de man en wordt door de man gebruikt. Niet bestreden is dat de man de wegenbelasting voor deze auto heeft voldaan. Aan de hand van deze feiten stelt de rechtbank vast dat de man de auto voor zichzelf houdt en dus bezitter is. Gelet op het vorenstaande wordt hij dan vermoed eigenaar te zijn. Dit vermoeden is naar het oordeel van de rechtbank door de vrouw onvoldoende weerlegd. Ook deze auto zal dus niet bij een verdeling worden betrokken. De door de man in verband met de aankoop van deze auto opgevoerde DUO-schuld - wat daarvan ook zij - zal voor zijn rekening blijven.
De rechtbank zal de vordering van de man onder XXI, voor zover deze de Ford Transit betreft, toewijzen; de daarnaast door de vrouw betreffende deze auto ingestelde vorderingen worden afgewezen.
3.72.
Ten aanzien van de Landrover is niet in geschil dat partijen gemeenschappelijk eigenaar zijn en dat deze auto aan de man kan worden toegedeeld. De man stelt dat een deel van de koopprijs van de auto destijds van zijn moeder is geleend en dat daarmee bij de toedeling moet worden rekening gehouden. Hij onderbouwt deze stelling met een dagafschrift van de bankrekening van zijn moeder, waaruit blijkt dat zij destijds € 8.500,00 rechtstreeks aan [bedrijf 2] (bij welk bedrijf de auto is gekocht) heeft overgemaakt, onder vermelding van: “aanbetaling landrover discovery [de man] ”. Dat het hier gaat om een lening aan partijen, dan wel aan de man alleen, blijkt uit dit stuk niet; ook uit de verdere stukken kan daarvan niets blijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man zijn stelling dat sprake is van een lening, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal dan ook geen rekening houden met een lening.
De rechtbank zal de Landrover tegen de door de vrouw gestelde waarde van € 8.000,-- aan de man toedelen. In de stukken is weliswaar door de man een hogere dagwaarde genoemd, maar de vrouw heeft haar vordering daarop niet gewijzigd. Wegens overbedeling zal de man de helft van deze waarde, dus € 4.000,00, aan de vrouw dienen te vergoeden.
3.73.
Van de Citroën heeft de man als verweer op de vordering tot verdeling ervan met stukken onderbouwd gesteld dat deze eigendom is van zijn moeder, mevrouw [moeder van de man] . De vrouw heeft na overlegging van die stukken daar geen verweer meer tegen gevoerd, en zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De rechtbank stelt dan als onbetwist vast dat deze auto niet bij (één van) partijen, maar bij de moeder van de man in eigendom was. De vordering tot verdeling van deze auto wordt afgewezen.
3.74.
Van de aanhangwagen is niet betwist dat deze gemeenschappelijk eigendom was. De man heeft de door de vrouw gevorderde toedeling aan hem van de aanhangwagen (dan wel de daarvoor ontvangen verkoopsprijs) niet betwist. De man stelt dat hij de aanhangwagen heeft weggegeven in ruil voor een bootje voor de zoon van partijen; de vrouw stelt dat de aanhangwagen door de man is verkocht. Of voor de aanhangwagen geld is ontvangen, dan wel een ander voorwerp, maakt voor de bij de toedeling te betrekken waarde niet uit. Door zaaksvervanging is immers in plaats van de aanhangwagen het daarvoor ontvangen bedrag dan wel voorwerp gemeenschappelijk eigendom geworden en dient dat te worden verdeeld (artikel 3:167 BW). De door de vrouw gestelde waarde (dan wel verkoopprijs) van de aanhangwagen van € 400,00 is door de man niet betwist; dat het bootje mogelijk minder waard is, blijft voor risico van de man, die met deze gestelde ruil akkoord is gegaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat man uitsluitend tezamen met de vrouw bevoegd was om tot ruil van de aanhangwagen over te gaan en gesteld noch gebleken is dat de vrouw hiermee heeft ingestemd (artikel 3:170, derde lid). De rechtbank zal aldus beslissen; de man dient dan wegens overbedeling een bedrag van € 200,00 aan de vrouw te vergoeden.
3.75.
Samenvattend zal de rechtbank ten aanzien van de voertuigen beslissen dat de Volkswagen en de Ford Transit eigendom zijn van de man en niet bij de verdeling worden betrokken, dat de Landrover en de (vervanging van de) aanhangwagen worden toegedeeld aan de man, en dat hij de vrouw in verband met overbedeling een vergoeding dient te betalen van € 4.200,--. Alle overige vorderingen, die in verband met de voertuigen zijn gedaan, worden afgewezen.
F. Spaarrekeningen kinderen
3.76.
Beide partijen erkennen van de spaarrekeningen van de kinderen gelden te hebben opgenomen. De man heeft een bedrag van € 15.245,46 van de spaarrekening op naam van [zoon] opgenomen. De vrouw heeft een bedrag van € 6.171,79 van de spaarrekening op naam van [dochter 1] opgenomen. Daarnaast blijkt uit de stukken - en dit is door de vrouw niet betwist - dat de vrouw van de rekening van [dochter 2] een bedrag van € 475,31 en van de spaarrekening op naam van [dochter 1] een bedrag van € 506,76 naar zichzelf heeft overgeboekt. De handelingen van partijen, zo is ter zitting duidelijk geworden, vinden hun oorsprong in hetzelfde motief: een wederzijds gebrek aan vertrouwen tussen partijen.
3.77.
Ter zitting is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de opgenomen bedragen aan de kinderen toekomen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld in onderling overleg een regeling te treffen met betrekking tot de aan de kinderen toekomende gelden, waaronder de terugstorting van de opgenomen bedragen en de wijze waarop deze gelden in het vervolg voor de kinderen worden beheerd. Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij (ook) op dit punt geen overeenstemming hebben bereikt en dat zij de beslissing over dit geschil aan de rechtbank overlaten. De rechtbank merkt op dat tijdens de mondelinge behandeling aan partijen is voorgehouden dat dit geschil bij de kantonrechter aanhangig had moeten worden gemaakt. De rechtbank zal zich daarom eerst uitlaten over haar bevoegdheid om op dit geschilpunt te beslissen.
3.78.
Niet in geschil is dat de saldi van de genoemde rekeningen, die op naam van de kinderen staan, tot het vermogen van de kinderen behoren en dat op deze rekeningen werd gespaard voor de kinderen. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. Op grond van artikel 1:253i lid 1 BW voeren ouders die gezamenlijk gezag hebben gedurende de minderjarigheid gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun kinderen.
Vaststaat dat de man en de vrouw de hiervoor genoemde bedragen zonder toestemming van de ander van de rekeningen van de kinderen hebben opgenomen. De gelden zijn elders geparkeerd en nog niet uitgegeven. Uit de vorderingen van partijen en de toelichting daarop leidt de rechtbank af dat het geschil niet gaat over de eigendom van de gelden, maar over de wijze waarop het beheer van de spaargelden van de kinderen wordt uitgevoerd: of dit door de man of de vrouw alleen gebeurt, of dat beiden gezamenlijk ieder de helft van het vermogen beheren. Artikel 1:253i lid 2 BW bepaalt dat geschillen daarover moeten worden voorgelegd aan de kantonrechter en niet aan de rechtbank. De rechtbank zal dit geschil over de spaargelden van de kinderen daarom verwijzen naar haar team kanton (artikel 71 Rv). De zaak zal worden verwezen in de stand waarin deze zich thans bevindt.
G. De vennootschap onder firma [V.O.F. 1]
3.79.
De man en de vrouw zijn in 2022 met elkaar de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] (hierna: de vof) aangegaan, waarin onderwijsactiviteiten werden verricht. Zij hebben daartoe niet een vennootschapscontract opgesteld en ondertekend; de afspraken zijn mondeling gemaakt.
3.80.
Sinds de beëindiging van hun relatie hebben de man en de vrouw veel discussie gevoerd over de vof, de daarin te verrichten werkzaamheden en de toekomst van de samenwerking. Zij hebben daarin weinig overeenstemming bereikt. Inmiddels is duidelijk dat geen van beiden de vof zal voortzetten en dat vereffening zal moeten plaatsvinden. Voor zover is gevorderd de vof aan de man of aan de vrouw toe te delen, zal dit dan ook worden afgewezen.
3.81.
Allereerst zal de peildatum voor de vereffening moeten worden vastgesteld. De man en de vrouw verschillen daarover van mening: de man stelt primair als peildatum 1 januari 2024 en subsidiair 20 maart 2025; de vrouw stelt als peildatum 1 september 2025.
3.82.
Bij de beoordeling van de vraag naar de peildatum is het volgende van belang. De beëindiging van een vof wordt ingeluid door de ontbinding ervan. Vanaf het moment van ontbinding strekt de rechtsverhouding binnen de vof nog slechts tot vereffening (‘liquidatie’) van de vennootschapsaangelegenheden: lopende zaken moeten worden afgewikkeld, schulden betaald, vorderingen geïnd en zo nodig (of wenselijk) worden activa van de vennootschap te gelde gemaakt. Daarna vindt de verdeling plaats van het resterende vennootschapsvermogen onder de deelgenoten. Pas daarna is de vennootschap beëindigd en is zij opgehouden te bestaan. Op grond van artikel 7A:1683 onder 3° BW wordt een vof ontbonden door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten.
Nadat de relatie tussen de man en de vrouw was geëindigd, is er, zo blijkt uit de overgelegde stukken, aanvankelijk sprake geweest van een voorgenomen uittreding van de vrouw (per 1 november 2023) en voortzetting van de vof door de man. Later heeft de vrouw - naast de man - (weer) betrokkenheid bij de vof getoond en vervolgens heeft de man bij bericht van 20 maart 2025 aan de vrouw de vof formeel opgezegd. De vrouw heeft die opzegging bestreden als zijnde in strijd met de redelijkheid en billijkheid, en heeft (in verband met lopende contracten) als redelijke datum van beëindiging van de vof genoemd 1 september 2025.
3.83.
Dat sprake is geweest van een voorgenomen uittreding door de vrouw per 1 november 2023 maakt niet dat 1 januari 2024 als peildatum voor vereffening moet worden gehanteerd. Een voorgenomen uittreding kan niet zonder meer worden gezien als een opzegging van de vennootschap. Het is eerder de aankondiging van een opzegging. Uit de stukken blijkt dat de man en de vrouw na deze aankondiging met elkaar zijn blijven discussiëren over (de werkzaamheden binnen) de vof en over hoe de uittreding van de vrouw vorm zou moeten krijgen; nergens blijkt dat de vrouw daadwerkelijk tot een opzegging is gekomen. Ook als de vrouw na november 2023 (al dan niet als gevolg van ziekte) in de vof geen werkzaamheden meer zou hebben verricht - zoals de man stelt, maar de vrouw, uitdrukkelijk en onderbouwd met stukken, bestrijdt - kan daaruit niet worden geconcludeerd tot beëindiging of opzegging van de vof. Dit komt doordat er geen duidelijkheid is gegeven over de tussen de vennoten gemaakte afspraken over wat elk van hen zou inbrengen in de vof. Zonder die duidelijkheid kan dus ook niet worden vastgesteld dat de vrouw zich uitdrukkelijk aan (haar verplichtingen in) de vof onttrok. Overigens stelt de rechtbank vast dat ook de man er kennelijk van is uitgegaan dat de vrouw na 1 november 2023 nog steeds vennoot was; uit de door hem overgelegde uitgebreide correspondentie met de vrouw in de periode na 1 november 2023 blijkt dat de man en de vrouw zijn blijven communiceren als waren zij vennoten. De rechtbank verwijst in dit verband meer specifiek naar de brief van 6 maart 2025 van de man aan de vrouw (productie 121 van de man), waarin de man drie ‘scenario’s’ schetst over wat er met de vof moet gebeuren, terwijl in geen van deze scenario’s ervan wordt uitgegaan dat de vof al is ontbonden.
3.84.
De rechtbank zal als peildatum voor de vereffening van de vof de datum van opzegging door de man, 20 maart 2025, vaststellen. In een bericht van die datum aan de vrouw heeft de man de vof per direct opgezegd, waardoor de vof op grond van artikel 7A:1683 BW per die datum is ontbonden. Alleen wanneer een dergelijke opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, kan deze worden vernietigd, zo bepaalt artikel 7A:1686 BW. Op deze bepaling doet de vrouw een beroep. De rechtbank verwerpt dat beroep. Uit de stukken blijkt dat de man en de vrouw in elk geval vanaf eind 2023 niet meer in staat zijn geweest tot een vruchtbare samenwerking in de vof; zij hebben ieder een eigen beleving van wat er in de vof (wel of niet) gebeurde, en beschuldigen elkaar ervan zonder overleg allerlei financiële transacties te verrichten. Tussen de vennoten is het vertrouwen geheel verdwenen; dat de samenwerking vanaf eind 2023 geen toekomst meer had, moet voor beide vennoten dan ook volstrekt duidelijk zijn geweest. Daarbij komt dat de man in de conclusie van antwoord van 22 januari 2025 al heeft gesteld dat hij ontbinding van de vof op grond van gewichtige redenen - gelegen in de onmogelijkheid van langer samenwerken - wilde. Gelet op al die omstandigheden kan de door de man gedane opzegging per direct van de samenwerking op 20 maart 2025 niet als onredelijk of onbillijk worden gezien. Feiten en omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, zijn door de vrouw niet gesteld of gebleken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de subsidiaire vordering van de man onder XXVII sub 1.5 en 1.6 toewijzen;
3.85.
Op de mondelinge behandeling is besproken dat een deskundige dient te worden benoemd, die onderzoek dient te doen naar de in de vof van en naar (de bedrijven van) partijen plaatsgevonden hebbende geldstromen sinds de beëindiging van hun relatie, en naar het bij de vereffening te betrekken vennootschapsvermogen. De man en de vrouw hebben na de mondelinge behandeling laten weten het met elkaar eens te zijn dat dat onderzoek kan worden verricht door de heer [accountant] (accountant), die partijen eerder al aanwezen als deskundige ter zake van de verrekening van de verhuuradministratie. De man heeft bij brief van 20 mei 2026 de rechtbank laten weten dat de heer [accountant] niet meer bereid is het onderzoek te verrichten. De heer [accountant] heeft dit aan de rechtbank desgevraagd bevestigd. Gelet hierop heeft de rechtbank zelf de heer [naam 4] verbonden aan Crossminds B.V. als deskundige aangezocht. Deze deskundige heeft aangegeven bereid en in staat te zijn het onderzoek te verrichten en vrij te staan van partijen. De deskundige heeft in dit verband nader naar voren gebracht - de in r.o. 3.86 opgenomen - vraag 2 niet te kunnen beantwoorden aangezien hij/zijn bedrijf geen jaarrekeningen samenstellen en uitbrengen. Om die reden heeft de deskundige opgemerkt de opdracht te willen uitvoeren met mevrouw [naam 5] AA verbonden aan Moore DRV te Goes. Moore DRV is, aldus de deskundige, tevens de moederorganisatie van Crossminds. De rechtbank is voornemens deze deskundige te benoemen, waarbij de deskundige voor werkzaamheden die hij zelf niet kan uitvoeren de door hem genoemde derde kan inschakelen. Aan het deskundigenbericht zijn kosten verbonden. Het benodigde voorschot voor het honorarium van de deskundige wordt door de deskundige vooralsnog begroot op € 30.224,-- excl. BTW en € 36.571,04 incl. BTW. De voorschotindicatie is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De rechtbank is voornemens het voorschot ten laste van partijen te brengen, ieder voor de helft. Partijen zullen zich hierover nog kunnen uitlaten, waarna de definitieve benoeming zal plaatsvinden.
3.86.
De man en de vrouw hebben vragen geformuleerd, die zij aan de deskundige voorgelegd willen zien. De rechtbank zal, rekening houdend met deze wensen, de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:
1. Welke (aanvullende) informatie heeft u nog nodig om de jaarrekeningen over 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar) van [V.O.F. 1] vof (hierna: de vof) te kunnen concipiëren en afronden?2. Wilt u (nadat u voornoemde (aanvullende) informatie van de vennoten hebt verkregen – of, wanneer dat niet zo is, met vermelding van wat de afwezigheid van die informatie voor de te noemen jaarrekeningen betekent) de jaarrekeningen van de vof over 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar) opstellen?
3. Wilt u de kapitalen van beide vennoten vaststellen op:
- het moment van aangaan van de vof;
- per 31 december van elk boekjaar (2023, 2024), en
- per 20 maart 2025.
4. Wilt u een overzicht opstellen van alle stortingen en alle onttrekkingen door de beide vennoten over de jaren 2023 en volgende tot 20 maart 2025, waar mogelijk met specificatie?
5. Wilt u een overzicht opstellen van alle betalingen door [V.O.F. 1] aan [B.V. 1] en aan [B.V. 2] over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar), waar mogelijk met specificatie?
6. Wilt u een overzicht opstellen van (a) de omzet, welke behoort bij de vof – doordat de opdracht (omzet) op naam van de vof is binnengehaald – maar is gefactureerd door andere entiteiten, en (b) de omzet die wel is ontvangen door de vof maar is doorbetaald aan andere entiteiten waarin (één van) beide venno(o)t(en) een beslissende stem in de besluitvorming hebben? Wilt u voorts een overzicht opstellen van de kosten die bij de aldus aan andere entiteiten toegedeelde omzet behoren, voor zover deze in de vof zijn verantwoord?
7. Wilt u een gespecificeerd debiteurenoverzicht en een gespecificeerd crediteurenoverzicht opstellen over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar)?
8. Wilt u een overzicht opstellen van de toedeling van de winst en/of het verlies in de kapitalen van de vennoten over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar), uitgaande van een gerechtigdheid tot het resultaat van elk van de vennoten van 50%? Wilt u daarbij ook een berekening maken van een eventuele stakingswinst of een stakingsverlies?
9. Wilt u een slotbalans en een eindafrekening van de vof per 20 maart 2025 opstellen, en toelichten hoe de resultaten en kapitalen van beide vennoten dienen te worden verrekend?
10. Wilt u een overzicht opstellen van de investeringen waarvoor fiscale faciliteiten gelden teneinde een en ander correct te kunnen verwerken in de aangiften inkomstenbelasting van de vennoten?
3.87.
De rechtbank zal enkele door de man en de vrouw voorgestelde vragen niet aan de deskundige voorleggen, omdat zij onnodig specificeren (de toevoegingen van de man op de vragen iv, v en vii) of omdat zij al in andere vragen zijn opgenomen (de vragen 1 en 2 die de vrouw voorstelde worden al ondervangen met haar vraag 7, hierboven vraag 4).
3.88.
De man heeft nog gevraagd om de deskundige te vragen om bij het in vraag 8 bedoelde overzicht rekening te houden met een - naar hij stelt: tussen de vennoten overeengekomen - arbeidsvergoeding voor hem (vanaf 1 januari 2024) van € 2.500,00 netto per maand. De vrouw heeft zich tegen die arbeidsvergoeding verzet; zij stelt dat tussen de man en haar nimmer een arbeidsvergoeding voor de man is overeengekomen.
3.89.
De rechtbank stel voorop dat in een vof vennoten samen voor gezamenlijke rekening en risico (bedrijfs-)activiteiten verrichten; een vennoot is niet in dienst van de vof en ontvangt ook niet een (vast) loon. Het inkomen van de vennoten bestaat uit een aandeel in de winst. Een vennoot kan wel vooruitlopend op de vaststelling van de winst periodiek een tussen de vennoten afgesproken bedrag opnemen. Een dergelijke opname is dan te beschouwen als een voorschot op het te ontvangen winstaandeel van die vennoot. Een arbeidsvergoeding valt te kenmerken als een afspraak tussen de vennoten waarbij de ene vennoot wordt gecompenseerd voor geleverde (meer)arbeid, waarbij die compensatie voorafgaat aan (en los staat van) de percentuele verdeling van de (rest)winst. Die arbeidsvergoeding zal alleen dan aan de man kunnen worden toegekend, als uitdrukkelijk vast staat dat daarover tussen de vennoten overeenstemming was.
3.90.
De man baseert zijn gerechtigdheid op een arbeidsvergoeding zoals door hem gesteld, op tussen partijen gemaakte afspraken. De vrouw betwist dat er dergelijke afspraken zijn gemaakt. Dat betekent dat de man zijn stelling zal dienen te onderbouwen en, zo nodig, bewijzen.
3.91.
De man verwijst voor de door hem gestelde afspraak naar een bijeenkomst van 13 juni 2024, waarin deze zou zijn gemaakt. De man geeft geen nadere toelichting op de toen gemaakte afspraak, en legt daarvan ook geen stukken over. Hij legt enkel een mailbericht van een jaar later (8 juli 2025) van de accountant van partijen over, waarin deze een afspraak over een arbeidsbeloning voor de man noemt, stellende dat die in notulen (waarvan voor de rechtbank niet duidelijk is wanneer, van welke bijeenkomst en door wie deze is opgemaakt en evenmin of die notulen door de deelnemers aan de bespreking zijn goedgekeurd) is vermeld; hij citeert uit die notulen:
“Afgesproken wordt dat zowel [de man] als [de vrouw] geen bedragen meer van de rekening van [V.O.F. 1] opnemen. [de man] mag wel een arbeidsvergoeding van € 2.500,-- per maand opnemen.”
Vervolgens geeft de accountant aan dat deze afspraak niet zonder meer duidelijk is en toelichting vraagt:
“Je zou het zo kunnen zien dat je voorafgaand aan de verdere winstverdeling € 30.000 als arbeidsvergoeding mag zien en dat daarna de winst 50-50 wordt verdeeld. Ik denk ook dat jij het zo ziet.
Ik weet alleen niet of dit ook zo bedoeld is. Vaak neem je een voorschot op (hierboven staat ook 'opnemen') en komt dat in mindering op wat je uiteindelijk tegoed hebt via de winstverdeling (die voorheen 50-50 was). Als dat is bedoeld dan zou de winstverdeling 50-50 blijven.”
Gelet op de inhoud van dit bericht stelt de rechtbank vast dat voor de accountant niet zonder meer duidelijk was dat een arbeidsvergoeding aan de man, die niet een voorschot is op het winstaandeel van de man, was afgesproken. Dit betekent dat het bericht van de accountant geen bewijs oplevert van de stelling van de man dat een afspraak is gemaakt zoals hij stelt.
3.92.
Gezien het vorengaande heeft de man, in het licht van de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd gesteld dat tussen partijen is afgesproken dat aan de man een arbeidsvergoeding wordt toegekend, die niet een voorschot is op het door hem te ontvangen winstaandeel. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Zij zal ervan uitgaan dat de opgenomen bedragen een voorschot zijn geweest op het winstaandeel van de man en dat betekent dat deze op die (in een vof gebruikelijke) wijze in de jaarstukken dienen te worden meegenomen. De deskundige wordt verzocht aldus met die opnames om te gaan; de rechtbank zal hem niet de door de man op dat punt voorgestelde vraag voorleggen.
3.93.
De vrouw heeft nog gesteld dat de man (jegens haar dan wel jegens de vof) onrechtmatig heeft gehandeld; zij stelt dat zij, dan wel de vof, daardoor schade heeft geleden. Zij noemt in dit kader het doorsluizen door de man van opdrachten en/of omzet van de vof naar een nieuw door hem opgerichte onderneming, en door de man aan haar - door gesteld niet nakomen van een kort-geding-vonnis - verbeurde dwangsommen. In de aan de deskundige voor te leggen vragen is (hierboven) al betrokken de mogelijkheid dat er omzet van de vof, die bij de vereffening behoort te worden betrokken, elders is terechtgekomen; de deskundige wordt gevraagd daarnaar onderzoek te doen en daarover te rapporteren. Voor het overige gaat de rechtbank aan de hier bedoelde stellingen van de vrouw voorbij, alleen al omdat zij aan haar stellingen geen (nadere) vorderingen heeft verbonden, zodat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven.
H. De aandelen [B.V. 3]
3.94.
De man en de vrouw hebben een aantal jaren ook activiteiten verricht in nog een andere vennootschap onder firma, [V.O.F. 2] (hierna: [V.O.F. 2] ). Eind juni 2022 is door de persoonlijke holdings van de man en de vrouw de besloten vennootschap [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ) opgericht; de beide holdings houden de aandelen van deze B.V. ieder voor 50%. [B.V. 3] heeft de vennootschap [B.V. 4] opgericht. Via een fiscaal geruisloze inbreng zijn de activiteiten van [V.O.F. 2] via de holdings en [B.V. 3] aan [B.V. 4] overgedragen. [B.V. 3] heeft de aandelen in [B.V. 4] per 1 september 2023 verkocht aan een derde (de [B.V. 5] , gevestigd te [plaats 5] ). [B.V. 3] is nog wel eigenaar van een schoolbus en van liquide middelen op een bankrekening ((restanten van) de verkoopopbrengsten van de aandelen [B.V. 4] en van een door [B.V. 3] verkocht pand in Goes). Alle partijen hebben een rekening-courantverhouding met [B.V. 3] . In de procedure is verder nog gesteld dat [B.V. 3] door [B.V. 5] voor de gevolgen van gesteld onrechtmatig handelen aansprakelijk is gesteld en [B.V. 5] in dat kader mogelijk een vordering op [B.V. 3] zal geldend maken. Daarnaast heeft de (holding van de) man gesteld dat de B.V. nog schulden heeft aan de moeder van de man, mevrouw [moeder van de man] , ter hoogte van in totaal € 70.942,00. Voorts is door de (holding van de) man gesteld dat - op grond van een afspraak tussen de man en de vrouw - rekening moet worden gehouden met een veel grotere inbreng van de (holding van de) man in [B.V. 3] dan die van de (holding van de) vrouw; (de (holding van de) man stelt een verschil van € 140.290,00).
3.95.
In deze procedure vorderen de holdings afwikkeling van [B.V. 3] . Nu geen van de holdings de aandelen toegedeeld wil krijgen, zal [B.V. 3] moeten worden geliquideerd. De waarde van de door de holdings gehouden aandelen van [B.V. 3] - zijnde de omvang van haar vermogen - zal dus moeten worden vastgesteld.
3.96.
De omvang van het vermogen van [B.V. 3] dient te worden bepaald op de waarde van de activa minus die van de passiva, zoveel mogelijk op het moment van liquidatie, zo is tussen partijen niet in geschil. De activa bestaan uit het saldo op de bankrekening en de (waarde van de) schoolbus. Mogelijke passiva zijn de gestelde schulden aan de moeder van de man en de nog onzekere vordering van de [B.V. 5] Voorts zijn van belang de rekening-courantschulden die [B.V. 3] heeft aan de man en de vrouw. Bij de liquidatie zullen ten slotte de rekening-courantschulden aan de holdings, zijnde de aandeelhouders in [B.V. 3] dienen te worden betrokken.
3.97.
Het bij de vaststelling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] te betrekken saldo van de bankrekening per datum liquidatie kunnen de holdings eenvoudig zelf vaststellen.
3.98.
Over de (waarde van de) schoolbus twisten de holdings. Aan de door de (holding van de) man lopende de procedure ingenomen stelling dat de bus privé-eigendom van de man is, gaat de rechtbank voorbij. Deze stelling strookt niet met de eerder door de (holding van de) man overgelegde stukken, waarin de bus steeds als vermogensbestanddeel van [B.V. 3] is benoemd. Bovendien is er geen onderbouwing van de onjuistheid van die eerdere stelling gegeven. Nu de holdings het over de waarde van de bus niet met elkaar eens zijn, zal die waarde door een deskundige moeten worden vastgesteld.
3.99.
De rechtbank is dan ook voornemens om een taxateur in de persoon van de heer [naam 6] R.e., erkend taxateur, wonende in [plaats 4] tot deskundige te benoemen aan wie de volgende vragen zullen worden voorgelegd:
1. wat is de waarde van de schoolbus bij vrije onderhandse verkoop op de datum van het deskundigenbericht; 2. welke opmerkingen zijn naar het oordeel van de deskundige verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?
Voornoemde deskundige heeft zich bereid verklaard om de opdracht aan te nemen. De rechtbank is voornemens deze deskundige te benoemen. Aan het deskundigenbericht zijn kosten verbonden. Het benodigde voorschot voor het honorarium van de deskundige wordt door de deskundige vooralsnog begroot op € 2.770,90 (inclusief BTW). De voorschotindicatie is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De rechtbank is voornemens het voorschot ten laste van de holdings te brengen, ieder voor de helft. De holdings zullen zich hierover nog kunnen uitlaten, waarna de definitieve benoeming zal plaatsvinden.
3.100. Gelet op de wijze waarop het debat over de door de (holding van de) man gestelde lening van de moeder van de man van € 32.000,00 is gevoerd, betrekt de rechtbank deze (zoals hiervoor in r.o. 3.42 al aangegeven) als passivum bij de bepaling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] . Immers, uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw destijds deze lening kende, en daarvan heeft aangegeven dat deze aan de moeder van de man zou worden terugbetaald, zodra het geld op de rekening van [V.O.F. 2] (nu [B.V. 3] ) zou staan (prod. 16 van de man). De rechtbank leidt daaruit af dat de vrouw erkent dat sprake was van een schuld van [V.O.F. 2] - nu dus van [B.V. 3] . Dat de vrouw deze erkenning onder dwang zou hebben gedaan, zoals zij stelt, is op geen enkel wijze onderbouwd; de rechtbank gaat daaraan voorbij.
3.101. De man heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [B.V. 3] daarnaast nog een bedrag van € 41.563,55 aan zijn moeder moet terugbetalen, eveneens uit hoofde van een leningsovereenkomst. Volgens de man heeft zijn moeder destijds meerdere bedragen geleend aan [V.O.F. 2] (nu [B.V. 3] ). De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de stukken blijkt dat van de bankrekening van de moeder van de man diverse grotere en kleinere bedragen naar de man, de vrouw en (destijds) [V.O.F. 2] zijn overgemaakt. Van die bedragen zijn (tot een totaalbedrag van € 70.942,00) overzichten en stortingsbewijzen door de (holding van de) man overgelegd; op die stortingsbewijzen wordt soms aangegeven dat sprake is van een lening of een krediet, maar vaker wordt daarover niets vermeld. Uit geen enkel ander overgelegd stuk kan worden afgeleid dat [B.V. 3] (of [V.O.F. 2] ) deze betalingen als leningen heeft ingeboekt; leningsovereenkomsten met de moeder zijn niet overgelegd en uit een overgelegd stuk van een belastingadviseur blijkt dat deze door de (holding van de) man gestelde leningen - kennelijk - door de moeder van de man niet als vorderingen op [B.V. 3] (of voorheen [V.O.F. 2] ) in haar belastingaangifte waren opgenomen. Gelet op al deze omstandigheden, en gezien de betwisting door de (holding van de) vrouw, kan niet worden vastgesteld dat [B.V. 3] (naast de al genoemde schuld van € 32.000,00) nog schulden heeft aan de moeder van de man van in totaal van € 41.563,55). Zij zullen dan ook niet als passiva bij de vaststelling van het vermogen van [B.V. 3] worden betrokken.
3.102. Ten slotte is er de gestelde vordering van de [B.V. 5] op [B.V. 3] . Deze vordering is door [B.V. 5] bij [B.V. 3] ingediend bij mailbericht van 1 augustus 2025. De vordering beliep op dat moment een totaalbedrag van € 80.352,84. Gesteld noch gebleken is dat deze vordering door [B.V. 5] in rechte is ingediend en evenmin is gebleken dat de vordering door [B.V. 3] (in rechte) is erkend. Onder die omstandigheden kan de rechtbank in de onderhavige procedure - waarin [B.V. 5] geen partij is -niet vaststellen dat sprake is van een vaststaande vordering op [B.V. 3] . Zij zal deze vordering dan ook niet als passivum kunnen betrekken bij de vaststelling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] . Mocht de vordering op enig moment wel (geheel of ten dele) komen vast te staan, dan is het aan de holdings om deze alsnog bij de waardebepaling van hun aandelen in [B.V. 3] te betrekken.
3.103. Het vorenstaande betekent dat de omvang van het vermogen van [B.V. 3] moet worden vastgesteld als volgt: de activa (het saldo van de bankrekening van [B.V. 3] + de waarde van de bus) – de passiva (de schuld aan mw. [moeder van de man] van € 32.000,00 + de rekening-courantschulden aan de man en de vrouw in privé). Ter liquidatie van [B.V. 3] zullen vervolgens de vorderingen in rekening-courant op [B.V. 3] van beide holdings aan hen moeten worden uitbetaald.
3.104. Het dan nog resterende deel van het vermogen van [B.V. 3] dient tussen de holdings (als zijnde de waarde van de door hen gehouden aandelen) naar rato van hun aandelenbezit (dus voor elk 50%) te worden uitgekeerd.
3.105. Tussen de holdings is in discussie of bij de hiervoor onder r.o. 3.104 genoemde afrekening tussen de holdings een correctie moet worden gemaakt in verband met een ongelijke inbreng door de holdings in [B.V. 3] . De (holding van de) man stelt daartoe dat de man in privé destijds in [V.O.F. 2] (veel) meer heeft ingebracht dan de vrouw, en dus tussen de man en de vrouw de afspraak is gemaakt dat die meer-inbreng van de man (van
€ 140.290,00) aan hem zou worden terugbetaald. De (holding van de) man heeft voorts gesteld dat - buiten zijn medeweten en instemming - die meer-inbreng niet tot uitdrukking is gekomen in de stukken die verband houden met de betreffende storting op aandelen in de holding van de man en vervolgens ook niet bij de doorstorting in [B.V. 3] ; de man stelt dat alle stukken die daartoe zijn gebruikt, valselijk (door de vrouw) van zijn handtekening zijn voorzien.
3.106. De rechtbank stelt allereerst vast dat mogelijke valsheid in de inbrengverklaringen en oprichtingsstukken van de holdings en [B.V. 3] geen bewijs kan opleveren van de stelling van de (holding van de) man dat er sprake is geweest van een meer-inbreng aan de zijde van die holding, en dat daarmee bij de oprichting van [B.V. 3] ten onrechte geen rekening is gehouden. Als aangenomen wordt dat de stukken vals zijn, dan is daarmee immers op zichzelf nog niet gegeven dat sprake is van een (overeengekomen) meer-inbreng, althans dat de (holding van de) man recht bleef houden op vergoeding van deze gestelde meer-inbreng. Uit alle overige stukken blijkt verder dat tussen de man en de vrouw weliswaar is gesproken over een mogelijke meer-inbreng door de man in [V.O.F. 2] , maar nergens kan blijken dat het de bedoeling van partijen was dat de waarde van de inbreng van die onderneming in de holdings - en vervolgens in [B.V. 3] - anders zou zijn dan in de oprichtingsstukken is opgenomen. Uit de stukken blijkt nergens dat tussen de man en de vrouw is gesproken over een ongelijke inbreng in de B.V.’s, dan wel dat ondanks het gelijktrekken van de kapitaalposities de man recht bleef houden op het door hem genoemde bedrag. Dat stelt ook de vrouw en voorts is namens de (holding van de) man in de conclusie van antwoord (randnummer 104) daarover het navolgende gezegd:
“Bij deze omzetting ging het om een gebruikelijke boekhoudkundige aanpassing om de kapitaalposities gelijk te trekken bij inbreng, zoals door de toenmalige accountant geadviseerd. Bij de omzetting werd administratief de kapitaalpositie gelijkgetrokken voor een overzichtelijke aandeelhoudersstructuur (van 50/50). Deze aanpassing had geen enkele invloed op de feitelijke financiële inbreng van de man of de juridische status daarvan. De accountant heeft zulks bevestigd.”
Op grond hiervan moet de rechtbank vaststellen dat het uitdrukkelijk de bedoeling van partijen is geweest om - wat er zij van een eventuele ongelijke inbreng in [V.O.F. 2] - in [B.V. 3] met een gelijkgetrokken kapitaalpositie te beginnen en dus dat de holdings gelijk zouden inbrengen. Met die bedoeling komen de oprichtingsstukken van de holdings en van [B.V. 3] overeen; of zich mogelijk bij de ondertekening van die stukken onregelmatigheden hebben voorgedaan maakt dat niet anders, en is voor het hier aan de orde zijnde geschilpunt dan ook niet relevant. Voldoende staat wel vast, dat de man en de vrouw voorafgaand aan de herstructurering van [V.O.F. 2] hebben gesproken over een mogelijk feitelijke ongelijke inbreng in [V.O.F. 2] . Welke afspraken zij daarover onderling - als vennoten - hebben gemaakt kan echter uit de stukken niet blijken. Wat daarvan zij, het gaat daarbij niet om een factor die van belang is bij de liquidatie van de door de holdings opgerichte [B.V. 3] , waarvan immers vast staat dat die holdings daarin ieder met instemming van hun aandeelhouders een gelijke inbreng hebben gehad. Bij de afwikkeling van de door elk van de holdings in [B.V. 3] gehouden 50% van de aandelen zal dan ook moeten worden uitgegaan van die gelijke inbreng – en dus van een gelijk aandeel in de waarde van alle aandelen, zoals dat uit de berekening, hiervoor onder r.o. 3.103 weergegeven, kan blijken. Er zal ten aanzien van de holding van de man niet een correctie in verband met meer-inbreng dienen plaats te vinden. Of mogelijk tussen de man en de vrouw als (voormalig) vennoten van [V.O.F. 2] nog in verband met de gestelde meer-inbreng een afrekening dient plaats te vinden, kan de rechtbank niet beoordelen, al om reden dat een dergelijke vordering in deze procedure niet is ingesteld.
3.107. Het vorengaande voert dan ook tot de slotsom dat de vorderingen van de holding van de man onder XXVIII dienen te worden afgewezen. De holding van de man heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van het gestelde onrechtmatige handelen door de vrouw en de schadeclaim van [B.V. 5] schade heeft geleden doordat de aandelen in [B.V. 3] minder waard zijn geworden. Nu, naar de rechtbank hiervoor heeft overwogen, deze schadeclaim op dit moment geenszins vaststaat, kan ook niet worden geoordeeld of de holding van de man hierdoor schade heeft geleden. De vraag of de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schade heeft veroorzaakt, zal -zo nodig- moeten worden beantwoord in een procedure waar ook Athenaschool B.V partij is. De rechtbank wijst deze vorderingen dan ook af. Uit het vorengaande volgt verder dat en waarom de vorderingen van de holding van de man onder XXIX, primair, sub A, B, C, E, en F, en subsidiair en XXX dienen te worden afgewezen.
3.108. De rechtbank gaat ervan uit dat de holdings, nadat de waarde van de schoolbus is vastgesteld, op grond van al het bovenstaande zelf in staat zullen zijn de waarde van de aandelen [B.V. 3] vast te stellen. De rechtbank geeft daarom de holdings in overweging te bezien of zij zelf kunnen komen tot een waardebepaling van de bus en verdere afwikkeling van [B.V. 3] . De rechtbank verzoekt de holdings zich op de hierna te noemen rol uit te laten of dit hen is gelukt. De rechtbank zal de vorderingen ten aanzien van de afwikkeling van [B.V. 3] in het licht hiervan aanhouden.
3.109. Alle overige vorderingen waar de rechtbank geen beslissing op heeft genomen zullen worden aangehouden.
4De beslissing
In conventie en in reconventie
De rechtbank:
Schuld [vader van de man] ;
4.1.
bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 150.000,00 aan [vader van de man] ;
4.2.
wijst de vordering van de man (zoals opgenomen onder VII in het tussenvonnis van 17 december 2025) voor het overige af;
Schuld [moeder van de man] ;
4.3.
wijst de vordering van de man (zoals opgenomen onder VIII in het tussenvonnis van 17 december 2025) ter zake van de schuld aan [moeder van de man] af;
Verhuuradministratie;
4.4.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 20.791,74, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na heden tot aan de dag van algehele voldoening en wijst de vordering van de man onder IX voor het overige af;
Huurpenningen [adres 4] ;
4.5.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 3.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na heden tot aan de dag van algehele voldoening en wijst de vordering van de man onder X voor het overige af;
Pand Portugal;
4.6.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de vrouw onder A (zesde bullet) en onder H, alsmede van de vordering van de man onder XI;
4.7.
gelast de navolgende wijze van verdeling van het pand Portugal:
1) het pand Portugal en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta bank wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de man dient aan de vrouw binnen één week na afgifte van dit vonnis schriftelijk drie in het CMVM-register in Portugal ingeschreven taxateurs voor te stellen, waarvan de vrouw er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie taxateurs voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een taxateur te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde taxateurs een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie taxateurs uit te kiezen. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze taxateur om het pand Portugal tegen de actuele waarde te taxeren. Bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient de taxateur uit te gaan van de huidige toestand van de onroerende zaak, derhalve zonder een wateraansluiting. Deze taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de onroerende zaak zal overnemen;
b. de man dient binnen zes maanden na afgifte van dit vonnis aan de vrouw aan te tonen dat hij het pand Portugal tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de onroerende zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta Bank en tegen betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw;
c. de man dient de helft van de overwaarde aan de vrouw te betalen ten tijde van de overdracht van de onroerende zaak bij een door de man aan te wijzen notaris in Portugal. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de taxateur;
d. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de onroerende zaak, welke uiterlijk binnen acht maanden na afgifte van dit vonnis plaatsvindt;
e. de man zal een door hem aan te wijzen notaris in Portugal de opdracht geven de akte van verdeling en levering op te stellen, waarbij de kosten van de notariële overdacht door de man worden voldaan;
2) indien de man het pand Portugal niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt het pand Portugal verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. nadat de onder 1) genoemde termijn van zes maanden is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt het pand Portugal niet te kunnen overnemen dienen partijen aan een door hen gezamenlijk aan te wijzen makelaar opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Daartoe dient de vrouw aan de man binnen één week na de hiervoor genoemde termijn schriftelijk drie makelaars voor te stellen, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de vrouw niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen. De door de taxateur tussen partijen bindend vastgestelde waarde (zie hiervoor onder 1) zal de basis zijn voor het bepalen van de verkoopprijs van de onroerende zaak. Daarbij zullen partijen als er geen onderlinge overeenstemming is, het advies van de makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend accepteren;
b) partijen zijn gehouden om de aanwijzingen van de makelaar op te volgen, dienen een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen en zullen de onroerende zaak op orde houden voor bezichtigingen;
c) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van het pand Portugal minus de aan de onroerende zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta bank ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de onroerende zaak;
Hypotheekschuld Caixadirecta;
4.8.
bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld aangegaan bij de Caixadirecta Bank;
4.9.
wijst de vordering van de man onder XII (voor zover betrekking hebbend op deze hypotheekschuld) voor het overige af, alsmede de vordering van de vrouw onder A (zevende bullet);
Vaste lasten pand Portugal;
4.10.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om met ingang van 25 maart 2026 als bijdrage in de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal aan de man te betalen een bedrag van € 1.500,00 per maand, voor zolang de onroerende zaak gemeenschappelijk is;
4.11.
wijst de vordering van de man onder XIII voor het overige en de vordering van de vrouw onder Q af;
Verbouwingskosten pand Portugal;
4.12.
wijst de vordering van de man onder XIV af;
Gemeenschappelijke bankrekeningen;
4.13.
veroordeelt de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, om binnen een week na de datum van dit vonnis mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de gezamenlijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, met [rekeningnummer 2] , en wel zodanig dat deze uitsluitend op naam van de man komt te staan;
4.14.
bepaalt dat als de vrouw in gebreke blijkt om aan de in 4.13 genoemde veroordeling te voldoen, dit vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de vereiste handtekening van de vrouw voor de wijziging van de tenaamstelling;
4.15.
wijst de vordering van de man onder XV voor het overige en de vorderingen onder XVII en XVIII, alsmede de vorderingen van de vrouw onder A, voor zover betrekking hebbend op de gemeenschappelijke bankrekeningen, en onder I tot en met L af ;
Inboedelgoederen;
4.16.
A. deelt de inboedelgoederen toe aan de vrouw en de man conform het voorstel van de vrouw zoals opgenomen in de door haar overgelegde productie 19 met dien verstande dat:
de beide elektrische fietsen, bij partijen bekend, aldus worden verdeeld dat aan ieder de fiets wordt toegedeeld bij hem/haar in het bezit;
de ventilatoren, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven achterblijven in het pand in [plaats 1] en veroordeelt de vrouw deze zaken achter te laten;
veroordeelt de vrouw tot afgifte aan de man van de spiegel van de overleden zus van de man, zulks binnen een week na de datum van dit vonnis;
bepaalt met betrekking tot de overige - niet onder A. en B. bedoelde - gemeenschappelijke inboedelgoederen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde inboedelgoederen krijgt toegedeeld zonder nadere verrekening;
wijst de vorderingen van partijen ter zake van de inboedelgoederen (A, XIX en XX) voor het overige af;
Voertuigen;
4.17.
verklaart voor recht dat de Volkswagen LT Westfalia, met [kenteken 1] en de Ford Transit, met [kenteken 3] aan de man in privé toebehoren en niet voor verdeling in aanmerking komen;
4.18.
deelt, uitvoerbaar bij voorraad, de Landrover Discovery met [kenteken 2] en de (vervanging van de) aanhangwagen toe aan de man en veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man tot betaling aan de vrouw van € 4.200,00;
4.19.
wijst de vorderingen van de vrouw onder A, voor zover deze betrekking hebben op de voertuigen, en onder M en N af, als ook de vorderingen van de man onder XXII en XXIII, voor zover hiervoor niet anders beslist;
Spaarrekeningen kinderen;
4.20.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen(en) van de vrouw onder R. en van de man onder XXV en XXVI kennis te nemen;
4.21.
verwijst het geschil over de spaarrekeningen van de kinderen in de stand waarin dat zich bevindt naar Team Civiel, Cluster I Civiele kantonzaken van deze rechtbank, locatie Middelburg , waarna de kantonrechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
[V.O.F. 1] ;
4.22.
wijst af de vordering van de vrouw onder A, voor zover deze betrekking heeft op toedeling van [V.O.F. 1] aan de man;
4.23.
wijst af de primaire vordering van de man onder XXVII;
4.24.
verklaart voor recht dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 20 maart 2025 is opgezegd door de man en met ingang van die datum is ontbonden en met die datum als peildatum zal worden vereffend; houdt de vorderingen van de man onder XXVII, subsidiair, sub 1.7 en 1.8 aan;
4.25.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 september 2026, opdat partijen zich tegelijkertijd bij akte kunnen uitlaten over de door de rechtbank hiervoor onder r.o. 3.85 voorgestelde deskundige en het door die deskundige voor zijn onderzoek opgegeven voorschot;
[B.V. 3] ;
4.26.
wijst de vordering van de holding van de vrouw onder A voor zover deze betrekking heeft op toedeling van de aandelen van [B.V. 3] aan de holding van de man, alsmede de vorderingen onder O en P van de holding van de vrouw af;
4.27.
wijst de vordering van de holding van de man onder XXVIII en die onder XXIX, primair, sub A, B, C, E, en F en subsidiair, alsmede XXX af;
4.28.
houdt de beslissing op de vordering onder XXIX van de holding van de man voor het overige aan, in afwachting van de reactie van de holdings op hetgeen is overwogen onder 3.108;
4.29.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 september 2026, opdat de holdings hun reactie zoals hiervoor onder 4.28 bedoeld tegelijkertijd bij akte kunnen geven en zich indien nog nodig kunnen uitlaten over de door de rechtbank hiervoor in r.o. 3.99 voorgestelde deskundige en het door die deskundige voor zijn onderzoek opgegeven voorschot;
4.30.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Hopmans, Van Dijk en Bastiaansen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. Hopmans.
Cluster II Handelszaken
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/427212 / HA ZA 24-558
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
1 [de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 1]
gevestigd te [plaats 1] ,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat: voorheen: mr. A.J.C. Nuijten, gevestigd te Bergen op Zoom (onttrokken), thans mr. L. van Hevele, gevestigd te Oostburg,
tegen
1 [de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. N.M. van Leeuwen, gevestigd te Den Haag,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 2]
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. C. van Meines, gevestigd te Gouda.
Partijen zullen hierna achtereenvolgens de vrouw, [B.V. 1] , de man en [B.V. 2] worden genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het vonnis van 11 maart 2026 en de daarin genoemde stukken, waarbij het verzoek om verbetering dan wel aanvulling van het op 17 december 2025 tussen partijen gewezen (tussen)vonnis is afgewezen;
- het B2 formulier van 23 maart 2026 van mr. Nuijten waarin zij de rechtbank informeert dat zij niet langer als advocaat voor de vrouw en [B.V. 1] optreedt;
- de brief van 17 april 2026 van mr. Van Leeuwen;
- het e-mail bericht van 8 mei 2026 van de rechtbank aan mr. Van Leeuwen en de vrouw;
- de akte (van de man) houdende in het geding brengen van stukken tevens houdende reactie op deskundigenbericht tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering eis, met producties 137 t/m 142;
- de brief van 20 mei 2026, met bijlage, (namens de man in privé en [B.V. 2] ) van mr. Broekhoven, kantoorgenoot van mr. Van Meines;
- het B2 formulier van mr. Van Hevele, ingediend op 27 mei 2026, waarin hij zich als advocaat stelt voor de vrouw;
- het per e-mail van 2 juni 2026 ontvangen uitstelverzoek van mr. Van Hevele; - het B11 formulier van 3 juni 2026 van mr. Van Leeuwen waarin zij namens de man bezwaar maakt tegen het uitstelverzoek van de vrouw;
- het e-mailbericht (rolbeslissing) van 5 juni 2026 van de rechtbank aan mr. Van Leeuwen en mr. Van Hevele;
- de akte (van de vrouw) houdende uitlating deskundigenbericht tevens akte overlegging producties 168 t/m 181.
1.2.
De rechtbank heeft naast de hiervoor genoemde stukken ook rechtstreeks correspondentie van de vrouw en de man ontvangen. Deze correspondentie laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat partijen zich in deze procedure uitsluitend door een advocaat kunnen laten vertegenwoordigen en daarom niet zelfstandig stukken kunnen indienen of kunnen reageren op door de wederpartij overgelegde stukken en berichten. De rechtbank heeft partijen hierover geïnformeerd.
1.3.
Over de hiervoor genoemde brief van mr. Broekhoven van 20 mei 2026 merkt de rechtbank op dat deze alleen in de beoordeling is betrokken voor zover deze mededelingen bevat die van belang waren voor de verdere procesgang.
2De overige vorderingen van partijen
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 december 2025 beslist dat de onroerende zaak in [plaats 1] , onder voorwaarden, aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank heeft de beslissingen op de overige vorderingen van partijen aangehouden. Vanwege de grote hoeveelheid aan vorderingen zijn in het tussenvonnis alleen de vorderingen opgenomen van de man en de vrouw die betrekking hebben op de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] . Hieronder staan de overige vorderingen opgenomen die partijen ter beslissing aan de rechtbank hebben voorgelegd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de man bij akte van 20 mei 2026, op basis van het hierna te bespreken oordeel van de deskundige, zijn vorderingen onder IX, XIII en XIV heeft gewijzigd en/of vermeerderd. Tevens heeft hij zijn eerder ingestelde vorderingen aangevuld met twee nieuwe vorderingen. De rechtbank zal bij de bespreking van de betreffende vorderingen ingaan op deze wijzigingen, vermeerderingen en aanvullingen.
In conventie
2.2.
Na wijziging (aanvulling) van eis vorderen de vrouw en/of [B.V. 1] om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. De verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen vast te
stellen en daarbij
te bepalen dat aan de vrouw toekomt:
(…)
• de Volkswagen met [kenteken 1] voor een bedrag van € 10.000,00;
• de aan de vrouw toegescheiden inboedelgoederen, conform productie 19;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaal- en
spaarrekening bij de ING Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 1] , ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 2] , ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Bank Caixadirecta, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 3] , ten tijde van de opheffing van de rekening, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling van de rekening op naam van de man;
te bepalen dat aan de man toekomt:
• het pand te Portugal voor een bedrag van € 795.200,00;
• de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening rustende op het pand te Portugal voor een bedrag van € 506.381,00;
• [V.O.F. 1] voor een door de door uw Rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans;
• de Landrover met [kenteken 2] voor een bedrag van € 8.000,00;
• de Ford Transit met [kenteken 3] voor een bedrag van € 1.500,00;
• de Citroen [kenteken 4] voor een bedrag van € 750,00;
• de aanhangwagen voor een bedrag van € 400,00;
• de aan de man toegescheiden inboedelgoederen, conform productie 19;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 1] , ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 2] , ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel ten tijde van de opheffing van de rekening;
• de helft van de aanspraken voortvloeiende uit de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Bank Caixadirecta geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 3] , ten tijde van de opheffing van de rekening, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling van de rekening op naam van de man;
te bepalen dat aan [B.V. 2] toekomt:
• de aandelen van [B.V. 3] voor een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans.
Woning [plaats 1]
B. (…)
C. (…)
Pand Portugal
D. de man te veroordelen om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan de levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak te Portugal aan het [adres 1] , aan de man met ontslag van de vrouw uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening, aangegaan bij de Caixadirecta bank en geregistreerd ondernummer [rekeningnummer 3] , en wel door (mede)ondertekening van de te passeren leveringsakte ten overstaan van één van de advocaten van het kantoor [naam 1] , gevestigd te Portugal (productie 17), dan wel een door de man in te schakelen advocaat, met bepaling dat de kosten van de levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak te Portugal aan de man voor rekening van de man komen; en
E. indien en voor zover de man de vrouw niet binnen voornoemde termijn van zes maanden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de sub D genoemde hypothecaire geldlening kan laten ontslaan, de man te veroordelen tot medewerking aan de verkoop aan een derde van het onder sub D genoemde pand in Portugal en wel door binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in redelijk en billijkheid te bepalen termijn, over te gaan tot het verstrekken van de overeenkomst van opdracht tot verkoop van het pand aan de heer [makelaar] , makelaar bij [makelaarskantoor] , dan wel één van de aan voornoemd kantoor verbonden makelaars, gevestigd te [adres 2] , waarbij beide partijen de adviezen van de heer [makelaar] , dan wel de verkopende makelaar, dienen op te volgen ten aanzien van de vraag- en laatprijs en onder de gebruikelijke voorwaarden; en
F. de man te voordelen tot medewerking van de verkoop van de onder sub D genoemde
onroerende zaak aan een derde voor de door de makelaar geadviseerde laatprijs en wel door binnen twee dagen na het toezenden van de koopovereenkomst door de makelaar aan partijen, dan wel binnen een door de rechtbank in redelijkheid en billijkheid te bepalen termijn, over te gaan tot ondertekening van de desbetreffende koopovereenkomst; en
G. de man te veroordelen tot medewerking aan de levering van de sub D genoemde onroerende zaak aan een derde, indien door een derde een koopprijs wordt geboden waarvan de makelaar adviseert om dit de laatprijs te zijn per de kortst mogelijke termijn, en wel door (mede)ondertekening van de desbetreffende akte van levering, waarbij aan beide partijen ieder de helft van de overwaarde toekomt, berekend als volgt: verkoopopbrengst minus de op de onroerende zaak rustende hypothecaire geldlening minus verkoopkosten; en
H. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor sub D, E, F, en G genoemde veroordelingen te voldoen, dit vonnis in plaats treedt van de handtekening van de man onder de overeenkomst van opdracht aan de makelaar en/of in de plaats treedt van de koopovereenkomst en/of in de plaats treedt van de leveringsakte of het deel van de leveringsakte, waaraan de man moet meewerken c.q. dat deel van de akte dat de man dient te ondertekenen; en
Gemeenschappelijke betaalrekeningen
I. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan opheffing van de gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank met nummer [rekeningnummer 1] , waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing bij helften over partijen zal worden verdeeld; en
J. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling op naam van de vrouw, dan wel aan opheffing van de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 2] , waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing bij helften over partijen zal worden verdeeld; en
K. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft aan de hiervoor sub I en J genoemde
veroordelingen te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man onder het formulier van opheffing/wijziging tenaamstelling c.q. dat deel van het formulier dat de man dient te ondertekenen ex artikel 3:300 BW en artikel 3:301 BW; en
L. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan opheffing van de gemeenschappelijke rekening te Portugal bij Caixadirecta met rekeningnummer [rekeningnummer 3] , dan wel wijziging tenaamstelling op naam van de man, waarbij het aanwezige saldo ten tijde van de opheffing, dan wel ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling, bij helften dient te worden verdeeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man weigert zijn medewerking hieraan te verlenen tot een maximum van € 50.000,00; en
Voertuigen
M. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling van de Volkswagen met [kenteken 1] op naam van de vrouw, alsmede tot het ter hand stellen van de twee sets sleutels van de camper aan de vrouw, waarbij de camper goed functionerend en APK gekeurd dient te zijn ten tijde van het in bezit nemen van de camper door de vrouw, dan wel onder de voorwaarden die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat de man weigert zijn medewerking hieraan te verlenen tot een maximum van € 50.000,00; en
N. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan overbedeling aan de vrouw,
door de rechtbank in goede justitie vast te stellen; en
Aandelen [B.V. 3]
O. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 2]
te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan de levering van de aandelen van [B.V. 1] Holding B.V. in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 3] aan [B.V. 2] tegen een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans, en wel door ondertekening van de akte van verdeling en levering ten overstaan van een door [B.V. 2] op haar kosten in te schakelen notaris; en
P. te bepalen dat indien [B.V. 2] in gebreke blijft aan de hierover
sub O genoemde veroordeling te voldoen, [B.V. 1] het recht heeft om de aandelen van [B.V. 2] in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 3] over te nemen tegen een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige vast te stellen waarde per datum verdeling op basis van een door de onafhankelijke deskundige op te stellen overnamebalans; en
Verrekenpost pand Portugal
Q. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.267,00, dan wel een bedrag welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen vanaf 1 mei 2025, dan wel van een datum door de rechtbank te bepalen, met een bedrag van € 211,00 per maand, dan wel een bedrag welke de rechtbank redelijk en billijk acht, voor iedere maand of gedeelte van de maand dat de man in gebreke blijft het rekeningnummer terzake de afschrijving van de verschuldigde hypotheekrente en -aflossingen aan de bank te Portugal inzake het pand te Portugal te wijzigen naar de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen, aangegaan bij Caixadirecta onder rekeningnummer [rekeningnummer 3] , dan wel totdat het pand te Portugal aan de man is geleverd; en
Spaarrekening kinderen
R. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 4.536,73 inzake het onterecht opgenomen spaargeld van [zoon] , dan wel een bedrag welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen, dan wel subsidiair de man te veroordelen om een bedrag van
€ 15.245,26, dan wel een bedrag welke de rechtbank redelijk en billijk acht, te storten op een ten name van [zoon] te openen spaarrekening; en
S. de man en [B.V. 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal hebben bevrijd, te
veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
2.3.
De man en de holding van de man voeren verweer en verzoeken de vrouw en de holding van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, waar nodig, uitgebreider ingegaan.
In reconventie
:
2.4.
Na wijziging (vermeerdering en aanvulling) van eis vorderen de man en/of [B.V. 2] om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Onroerend goed [plaats 1] (Nederland)
(…)
Onroerend goed [plaats 3] (Portugal)
Toedeling onroerend goed aan de man
XI. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit het onroerend goed te
[plaats 3] (Portugal) ingevolge art. 3:185 BW vast te stellen c.q. te gelasten, waarbij:
1. het onroerend goed te Portugal aan de [adres 3]
, primair voor de marktwaarde op 29 maart 2024 van € 637.500,00 aan de man wordt toegedeeld, waarbij de man zijn vergoedingsvordering voor de verbouwingskosten van het onroerend goed intrekt danwel subsidiair voor de actuele marktwaarde van € 680.000,00 waarbij de man zijn vergoedingsvordering in stand laat,
althans voor een zodanige waarde als de rechtbank juist acht;
2. de notariële levering van het onroerend goed te Portugal uiterlijk binnen 8 maanden ná afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank aan de man plaatsvindt;
3. te bepalen dat indien de vrouw niet meewerkt aan het notariële transport van het
onroerend goed te Portugal aan de man binnen de gestelde termijn van 8 maanden ná afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank, de vrouw een dwangsom verschuldigd is van
€ 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking aan het notariële transport te verlenen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft;
4. de man de hypotheekschuld bij de Caixadirecta Bank als eigen schuld zal voldoen
en de schuld ad € 32.000,00 aan [moeder van de man] ter gelegenheid van het notariële transport namens partijen aflost;
5. de man ervoor dient te zorgen dat de vrouw gelijktijdig met de toedeling van het onroerend goed te Portugal aan hem, zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke
aansprakelijkheid met betrekking tot de onder 4 genoemde tweetal (hypothecaire) schulden;
6. de man een nader door hem aan te wijzen notaris in Portugal de opdracht zal geven de akte van verdeling en levering op te stellen, waarbij de notariële kosten voor rekening van de man komen;
7. het door de vrouw te ontvangen overbedelingsbedrag als volgt wordt berekend:
primair:
[de waarde van het onroerend goed te Portugal ad € 637.500,00 -/- de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank op de dag van het notariële transport -/- de schuld aan [moeder van de man] ad € 32.000,00 -/- het bedrag bestaande uit de door de man per 1 mei 2025 betaalde vaste lasten ad € 3.000,00 per maand tot aan de datum van het notariële transport dan wel de datum dat de vrouw voor 50% bijdraagt] = de resterende overwaarde, waarvan de vrouw recht heeft op de helft;
subsidiair:
[de waarde van het onroerend goed te Portugal ad € 680.000,00 -/- de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank op de dag van het notariële transport -/- de schuld aan [moeder van de man] ad € 32.000,00 -/- het bedrag bestaande uit de door de man per 1 mei 2025 betaalde vaste lasten ad € 3.000,00 per maand tot aan de datum van het notariële transport dan wel de datum dat de vrouw voor 50% bijdraagt -/- het
vergoedingsrecht van de man voor de kosten van de verbouwing ad € 14.536,39] = de resterende overwaarde, waarvan de vrouw recht heeft op de helft;
althans een zodanige verdeling van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal) vast te stellen dan wel te gelasten als de rechtbank juist acht;
Hypotheekschuld Caixadirecta
XII. te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld aangegaan bij de Caixadirecta Bank en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal);
Schuld aan [moeder van de man]
primair: te bepalen dat de vrouw de tussen partijen gemaakte afspraak d.d. 12 oktober 2022 dient na te komen en de vrouw te veroordelen om binnen 8 dagen na dit vonnis de door de man klaargezette betaling ter aflossing van de schuld aan [moeder van de man] van € 32.000,00 op de (gezamenlijke) [B.V. 3] rekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 4] te accorderen, althans de vrouw te veroordelen om binnen deze termijn
€ 16.000,00 aan [moeder van de man] te voldoen, bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor iedere dag dat de vrouw weigert de betaling tijdig te accorderen dan wel tijdig aan [moeder van de man] betaalt;
subsidiair: te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 32.000,00 aangegaan bij [moeder van de man] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal).
Vergoedingsrecht man; vaste lasten
XIII. te bepalen dat de vrouw gehouden is om met ingang van 1 mei 2025 voor de helft bij te dragen in de totale vaste lasten van € 3.000,00 per maand van het onroerend goed te Portugal, althans voor een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
en
de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 6.000,00 (zijnde de helft van de door de man betaalde vaste lasten over de periode 1 mei tot en met 1 augustus 2025), althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, te vermeerderen vanaf 1 augustus 2025, met een bedrag van € 1.500,00 per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, voor iedere maand of gedeelte van de maand dat de vrouw in gebreke blijft de helft van de vaste lasten te voldoen, waarbij het totaal door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag wordt voldaan ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] ;
alsmede
de vrouw te veroordelen om na afgifte van het (tussen)vonnis van de rechtbank de door de man klaargezette betalingen op de [B.V. 3] rekening bij de ABN AMRO Bank, met [rekeningnummer 4] , aan de privébankrekening van de man in Portugal, van € 3.000,00 per maand iedere eerste van de maand te accorderen tot het moment waarop het notariële transport van het onroerend goed aan de man plaatsvindt en te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van
€ 3.000,00 voor iedere maand dat zij de betaling niet tijdig accordeert;
althans een zodanige constructie te bepalen als Uw rechtbank juist acht waarbij de vrouw met ingang van 1 mei 2025 gehouden is om de helft van de vaste lasten ad € 3.000,00 per maand, althans een zodanig bedrag als Uw rechtbank juist acht, te voldoen;
Vergoedingsrecht man; verbouwing
XIV. voor zover Uw rechtbank oordeelt dat er van de actuele marktwaarde moet worden uitgegaan:
te bepalen dat de vrouw gehouden is om voor de helft bij te dragen in de kosten van het noodzakelijk onderhoud alsmede in de verbouwingskosten van het onroerend goed te Portugal en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van
€ 14.538,39, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, zulks te voldoen ter gelegenheid van het notariële transport van het onroerend goed te [plaats 3] (Portugal).
Bankrekeningen
Betaalrekening bij de ABN AMRO Bank
XV. de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, met rekeningnummer [rekeningnummer 2] , en wel zodanig dat de betaalrekening uitsluitend op naam van de man komt te staan, zulks onder verdeling van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling aanwezige saldo bij helfte tussen partijen;
XVI. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XV genoemde
veroordeling te voldoen, dit vonnis ex art. 3:300 BW in de plaats treedt van de vereiste handtekening van de vrouw voor de wijziging van de tenaamstelling.
Betaalrekening bij Caixadirecta
XVII. de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening bij Caixadirecta, met rekeningnummer [rekeningnummer 3] en wel zodanig dat de betaalrekening uitsluitend op naam van de man komt te staan, zulks onder verdeling van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling aanwezige saldo bij helfte tussen partijen;
XVIII. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XVII genoemde
veroordeling te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00.
Inboedelgoederen
XIX. te bepalen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde goederen krijgt toegedeeld,
zonder nadere verrekening;
en
de vrouw te veroordelen om, binnen één week na dit vonnis, de spiegel van de overleden zus van de man alsmede het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren en Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren aan de man af te geven;
alsmede
de vrouw te veroordelen om de goederen, zoals opgenomen in productie 17 van de
man zijnde de ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd TV ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven, in het onroerend goed te [plaats 1] achter te laten;
XX. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft om aan de in XIX genoemde
veroordeling te voldoen, zij een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00.
Voertuigen
XXI. voor recht te verklaren dat de Volkswagen LT Westfalia, met [kenteken 1] en de Ford Transit, met [kenteken 3] , aan de man in privé toebehoren en niet voor verdeling in aanmerking komen;
XXII. voor recht te verklaren dat de Citroën Cl, met [kenteken 4] aan [moeder van de man] in privé toebehoort en niet voor verdeling in aanmerking komt;
XXIII. de Land Rover, met [kenteken 2] , aan de man toe te delen voor een bedrag van € 2.825,00, althans € 4.250,00,
alsmede
te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 8.500,00 aangegaan bij [moeder van de man] voor de aanschaf van de Land Rover en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt;
alsmede
in het kader van deze toedeling, de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 250,00 [(€ 8.000,00 -/- € 8.500,00) / 2], zulks te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de vrouw niet binnen de gestelde termijn het bedrag voldoet.
XXIV. voor zover Uw rechtbank onverhoopt oordeelt dat de Volkswagen LT Westfalia in privé aan de vrouw toebehoort, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 12.000,00 voor de door de man betaalde kosten voor het vervangen van de motor van de Volkswagen, zulks te voldoen binnen een week na dit vonnis
alsmede
te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering, welke rente gerekend wordt een week na de datum van het (tussen)vonnis tot het moment van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als de rechtbank juist acht.
Spaarrekeningen kinderen
primair:
XXV. de vrouw te veroordelen om de door haar opgenomen bedragen van de
bankrekeningen van de kinderen van respectievelijk € 6.171,79, € 475,31 en € 506,76 binnen twee weken na dit (tussen)vonnis, op een door de man aan te geven bankrekening te storten en daarbij te bepalen dat de man het beheer heeft over deze spaargelden tot de achttiende verjaardag van ieder kind;
subsidiair:
XXVI. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis, het geldbedrag van
€ 6.171,79 van haar privébankrekening op de bankrekening van [dochter 1] , met [rekeningnummer 5] , terug te storten alsmede
€ 475,31 op de nieuw door de man geopende bankrekening voor [dochter 2] , met [rekeningnummer 6] en € 506,76 op de nieuw door de man geopende bankrekening voor [dochter 1] , met [rekeningnummer 7] ,
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.
[V.O.F. 1]
XXVII.
primair:
1.1.
voor recht te verklaren dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 1 januari 2024 is opgezegd door de vrouw en met ingang van 1 januari 2024 is ontbonden;
1.2.
de [V.O.F. 1] te vereffenen en de peildatum te bepalen op 31 december 2023;
1.3.
de vrouw en [B.V. 1] hoofdelijk ieder voor het geheel te veroordelen, des te een heeft betaald, de ander is gekweten, om in het kader van deze vereffening een bedrag van
€ 33.458,00 aan de man te betalen, zulks binnen 14 dagen na het vonnis, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
1.4.
met veroordeling van betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans een datum als de rechtbank redelijk acht.
subsidiair:
1.5.
voor recht te verklaren dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 20 maart 2025 is opgezegd door de man en met ingang van 20 maart 2025 is ontbonden;
1.6.
de [V.O.F. 1] te vereffenen en de peildatum te bepalen op 20 maart 2025;
1.7.
de vrouw en [B.V. 1] hoofdelijk ieder voor het geheel te veroordelen, des te een heeft betaald, de ander is gekweten, om in het kader van deze vereffening een bedrag van
€ 33.458,00 aan de man te betalen, zulks binnen 14 dagen na het vonnis, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
1.8.
met veroordeling van betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans een datum als de rechtbank redelijk acht.
[B.V. 3]
XXVIII. te verklaren voor recht:
1. dat de handtekeningen van de man op de inbrengbeschrijvingen van 23 juni en 29 juni 2022 niet authentiek zijn;
2. dat de vrouw onrechtmatig jegens de man en/of [B.V. 2] heeft gehandeld door de handtekeningen van de man op de inbrengbeschrijvingen van 23 en 29 juni 2022 zonder zijn medeweten te plakken op deze inbrengbeschrijvingen;
3. dat de vrouw (in haar hoedanigheid van bestuurder van [B.V. 4] en/of in haar hoedanigheid van werknemer van [B.V. 4] ) onrechtmatig jegens [B.V. 2] en/of [B.V. 3] en/of de man heeft gehandeld door zonder medeweten van de man het addendum d.d. 1 januari 2023 (productie 70) te ondertekenen;
4. dat de man en/of [B.V. 2] als gevolg van het onrechtmatige handelen genoemd door de vrouw, vermeld hiervoor onder 1), en/of 2), en/of 3) schade hebben geleden;
5. dat mevrouw [moeder van de man] leningen heeft verstrekt, waarvan een bedrag van
€ 41.563,55 resteert, welk bedrag [B.V. 3] aan mw. [moeder van de man] verschuldigd is en binnen 14 dagen na het vonnis of een datum als de rechtbank redelijk acht, moet terugbetalen.
XXIX.
primair:
de waarde van de aandelen van [B.V. 3] te laten bepalen door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige waarna [B.V. 3] wordt geliquideerd. Bij de waardebepaling verzoekt [B.V. 2] uw rechtbank aan de te benoemen deskundige opdracht te geven om rekening te houden met de volgende aftrekken ten laste van [B.V. 1] :
A een bedrag van € 76.800,00, zijnde een vordering van [B.V. 5] op [B.V. 3] . Dit bedrag moet in mindering worden gebracht op de waarde van de aandelen (van [B.V. 1] in [B.V. 3] ), dan wel een ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht;
B. de helft van de eigen inbreng van de man, namelijk € 70.145,00 in mindering te brengen op de waarde van de aandelen (van [B.V. 1] in [B.V. 3] ), dan wel een ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht;
C. voor zover na toepassing van de onder A en B genoemde aftrekken een negatieve waarde van de (door [B.V. 1] in [B.V. 3] gehouden) aandelen resteert, verzoekt [B.V. 2] de rechtbank om de vrouw te veroordelen tot betaling van het bedrag van deze negatieve waarde aan [B.V. 2] , ter zake van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van haar zijde;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen in [B.V. 3] te bepalen dat:
D. de bus met [kenteken 5] buiten de waardering van de aandelen van [B.V. 3] te laten, dan wel de waarde van de bus op een bedrag van € 13.021,00 te stellen, dan wel een bedrag als de rechtbank redelijk acht;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen in [B.V. 3] te bepalen rekening te houden met:
E. de correctie terzake de eigen inbreng van de man ad € 140.290,00 ten gunste van de man en de helft van dit bedrag, derhalve € 70.145,00 af te trekken van de te bepalen waarde van de aandelen van [B.V. 1] in [B.V. 3] , althans onder aftrek van een zodanig bedrag als de te benoemen deskundige en/of de rechtbank redelijk acht;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen van [B.V. 3] te bepalen dat:
F. [B.V. 3] een bedrag van € 41.563,55 aan mw. [moeder van de man] verschuldigd is;
en voorts aan de te benoemen deskundige de opdracht te geven om bij de waardering van de aandelen van [B.V. 3] :
G. de rekeningcourant posities van [B.V. 3] op basis van alle aanwezige beschikbare administraties vast te stellen.
subsidiair:
1.1.
[B.V. 2] vordert subsidiair, voor zover de rechtbank meent dat de bedragen
genoemd hiervoor onder XXIX, onder A en B niet (ten laste) van de waarde van de aandelen van [B.V. 1] in [B.V. 3] moeten worden afgetrokken, om de vrouw te veroordelen om aan [B.V. 2] ten titel van schadevergoeding als gevolg van haar onrechtmatige handelen een bedrag van € 76.800,00 te betalen;
1.2.
voor zover de rechtbank van oordeel is dat de eigen inbreng van de man vermeld hiervoor onder sub XXIX onder E ad € 140.290,00 niet moet worden verdisconteerd in de waarde van de aandelen van [B.V. 3] , verzoekt de man en/of [B.V. 2] de vrouw en/of [B.V. 1] te veroordelen primair ten titel van schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatige handelen van de vrouw, subsidiair ten titel van overbedeling, meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking om aan hem en/of [B.V. 2] een bedrag van € 70.145,00 te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
1.3.
de man vordert, in geval de vordering onder XXIX onder F niet wordt toegewezen, te bepalen c.q. voor recht te verklaren dat de man (in privé) en de vrouw (in privé) ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de (resterende) schuld ad € 41.563,55,00 aan mw. [moeder van de man] en te bepalen dat indien de man meer betaalt op de schuld dan zijn aandeel aangaat zijnde de helft, hij voor al het meerdere een vordering op de vrouw krijgt c.q. heeft zulks door de vrouw aan de man te voldoen.
XXX. [B.V. 1] te veroordelen, bij toewijzing van de vordering genoemd onder XXVIII,
sub 5, mee te werken aan terugbetaling door [B.V. 3] van de geldlening verstrekt door mw. [moeder van de man] , binnen veertien dagen na dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [B.V. 1] in gebreke blijft om aan deze vordering te voldoen.
In conventie en in reconventie:
Proceskostenveroordeling
XXXI. met veroordeling van de vrouw en [B.V. 1] in de kosten van deze procedure, een salaris voor gemachtigde daaronder begrepen.
2.5.
De vrouw en de holding van de vrouw voeren verweer en verzoeken de man en de holding van de man niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen, met veroordeling van de man en de holding van de man in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De verdere beoordeling
3.1.
In het (tussen)vonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank alleen een beslissing gegeven over de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] (hierna ook: de woning). Alle verdere beslissingen over de verdeling van de overige door partijen naar voren gebrachte eenvoudige gemeenschappen, de draagplicht voor andere schulden dan de hypotheekschuld in verband met de woning [plaats 1] , de spaarrekeningen van de kinderen en de verdeling van de aandelen van [B.V. 3] heeft de rechtbank aangehouden.
3.2.
Waar in de overwegingen 3.3 tot en met 3.93 wordt gesproken over partijen, worden bedoeld de vrouw en de man.
A. Onroerende zaak [plaats 1] (vervolg)
Draagplicht voor andere schulden dan de hypotheekschuld
3.3.
In het tussenvonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de onroerende zaak in [plaats 1] alleen de hypothecaire geldlening meegenomen. Andere door de man in dit verband gestelde leningen heeft zij in dat vonnis onbesproken gelaten, omdat, zo is in het vonnis overwogen, het niet gaat om hypothecaire leningen waarvan de terugbetaling is gezekerd via de woning, maar om persoonlijke schulden of verplichtingen van partijen. Op de vraag of, en in welke mate, de vrouw (mede) aansprakelijk is voor eventuele andere aan de woning gerelateerde schulden en verplichtingen zal de rechtbank hieronder ingaan.
3.4.
Volgens de man zijn partijen voor de aankoop van de onroerende zaak in [plaats 1] niet alleen een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank aangegaan. Zij hebben om de aankoop mogelijk te maken op 29 maart 2019 ook een bedrag van € 150.000,00 geleend van de vader van de man, de heer [vader van de man] (hierna te noemen: [vader van de man] ). Daarnaast hebben zij, aldus de man, voor de verbouwing van de onroerende zaak een bedrag van € 60.175,00 geleend van de moeder van de man, mevrouw [moeder van de man] (hierna te noemen: [moeder van de man] ).
3.5.
Aanvankelijk vorderde de man deze schulden aan hem toe te delen. De vrouw heeft daartegen het verweer gevoerd - en daarin volhard - dat schulden niet verdeeld kunnen worden en dat de vorderingen ten aanzien van de ouders van de man daarom moeten worden afgewezen. Op zich is het juist dat schulden niet verdeeld kunnen worden. De vrouw gaat er echter aan voorbij dat de man - bij akte houdende eisvermeerdering - de vorderingen ten aanzien van zijn ouders heeft gewijzigd en nu vordert te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden. De rechtbank kan wel bepalen hoe de draagplicht voor een schuld intern tussen de partijen moet worden verdeeld. Aan dit verweer van de vrouw gaat de rechtbank daarom voorbij.
Schuld aan [vader van de man]
3.6.
De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen geld hebben geleend van zijn vader de tussen partijen en [vader van de man] opgestelde geldleningsovereenkomst overgelegd (productie 6). Daaruit blijkt dat partijen op 29 maart 2019 een geldlening ter hoogte van € 150.000,00 zijn aangegaan met [vader van de man] , voor de terugbetaling waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, en dat de lening een looptijd had van 12 maanden.
3.7.
De vrouw heeft ter zitting erkend dat sprake is van een door [vader van de man] aan partijen verstrekte opeisbare geldlening van € 150.000,-- ten behoeve van de aankoop van de onroerende zaak in [plaats 1] . Ook heeft zij verklaard dat zij, indien de woning aan haar wordt toegedeeld, de helft van deze lening onverwijld aan [vader van de man] zal voldoen. Omdat de vrouw de lening aan [vader van de man] niet (langer) betwist en heeft erkend dat zij voor de helft hiervan draagplichtig is, zal de rechtbank de vordering van de man onder VII (zoals opgenomen onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) toewijzen. Dit betekent dat zij zal bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. Daarnaast heeft de man gevorderd om te bepalen dat, indien hij meer betaalt dan zijn aandeel in de schuld, hij een vordering op de vrouw krijgt voor het meerdere. De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering af, nu de vrouw ter zitting heeft toegezegd haar volledige aandeel (de helft) in de schuld terug te betalen, terwijl hetgeen de man vordert reeds volgt uit artikel 6:10 Burgerlijk Wetboek (BW).
Schuld aan [moeder van de man]
3.8.
De man stelt dat partijen voor de verbouwing van het onroerend goed een bedrag van in totaal € 60.175,00 hebben geleend van zijn moeder, mevrouw [moeder van de man] . Op dit bedrag is in 2024 een bedrag van € 4.930,00 afgelost. Voor de resterende schuld van
€ 55.245,00 zijn partijen, aldus de man, ieder voor de helft draagplichtig. De man vraagt de rechtbank dit vast te stellen.
3.9.
De vrouw betwist dat de moeder van de man gelden ten behoeve van de verbouwing aan partijen heeft verstrekt. Voor zover al zou komen vast te staan dat [moeder van de man] bedragen aan partijen heeft uitgegeven, betwist de vrouw dat sprake is van een geldlening.
3.10.
De rechtbank overweegt dat anders dan bij de lening van [vader van de man] een op papier gestelde geldleningsovereenkomst met [moeder van de man] ontbreekt. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van een geldlening een door hem opgestelde Excelstaat (productie 8 van de man) in het geding gebracht waarin uitgaven voor de verbouwing van de woning in de periode tussen 2017 en medio 2021 worden opgesomd. Deze uitgaven tellen samen op tot een bedrag van € 60.175,30. De rechtbank begrijpt dat de man met de brief van de belastingadviseur van zijn moeder (ook productie 8 van de man) heeft willen onderbouwen dat de in de Excelstaat opgenomen uitgaven zijn gefinancierd met aan partijen geleende gelden. De belastingadviseur vermeldt echter zelf dat de uitgaven weliswaar overeenkomen met de afname van het vermogen van [moeder van de man] , maar dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat de opgesomde uitgaven ook daadwerkelijk aan de verbouwing van de woning zijn besteed. Bovendien volgt hieruit niet dat deze uitgaven zijn gedaan uit hoofde van een geldleningsovereenkomst met [moeder van de man] . Een mogelijke financiële bijdrage is niet automatisch een lening; het kan ook een schenking zijn.
De man verwijst, voor zijn stelling dat er sprake is van een lening, voorts naar (terug)betalingen die aan [moeder van de man] zouden zijn gedaan, in totaal € 4.930,00 (pagina 1 van de als productie 9 van de man overgelegde grootboekrekening). De rechtbank constateert dat deze betalingen pas in 2024 zijn verricht, dus ruim na het beëindigen van de relatie tussen partijen. Niet gebleken is dat daarvoor ook al betalingen aan [moeder van de man] zijn gedaan. Bovendien kan de rechtbank de betalingen onvoldoende koppelen aan de gestelde lening, mede omdat de boekhouder niet specificeert op welke lening de betalingen betrekking hebben, maar enkel aangeeft dat er in 2024 afbetalingen werden gedaan op een lening. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een geldlening verder nog gewezen op de aangiften IB/PVV van zijn moeder. De rechtbank stelt vast dat in de aangifte IB/PVV 2023 van [moeder van de man] een vordering op partijen (als bestanddeel van box 3) is opgenomen, maar of dit de gestelde lening is en of die ook in eerdere aangiften als zodanig is verantwoord, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Wat wel vast staat is dat geen vorderingen in box 3 zijn opgenomen in de aangifte IB/PVV 2019 van [moeder van de man] . Nu de man stelt dat de lening is aangewend voor verbouwingswerkzaamheden die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 2017 en medio 2021, had het voor de hand gelegen dat een reeds bestaande vordering ook in de aangifte over 2019 tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dat dit niet het geval is, maakt dat de rechtbank van de gestelde leningsovereenkomst niet overtuigd is.De man verwijst ook nog naar een door hem overgelegde e-mail van de vrouw (productie 61d van de man) waarin de vrouw volgens hem de lening bevestigt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit deze e-mail niet blijkt dat deze betrekking heeft op de door de man gestelde lening ten behoeve van de verbouwing van de woning.
Conclusie van dit alles is dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat [moeder van de man] geld aan partijen ter beschikking heeft gesteld met een terugbetalingsverplichting; op grond van het enkele feit dat bedragen zijn uitgegeven of later terugbetaald kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst. Daarom zal de rechtbank de vordering van de man onder VIII (vermeld onder randnummer 3.4 van het vonnis van 17 december 2025) om te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de schuld aan [moeder van de man] afwijzen.
Vergoedingsrecht man (verschil in verhuuradministratie)
3.11.
Partijen verhuren een gedeelte van de onroerende zaak in [plaats 1] . In de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie heeft de man uiteengezet dat de huurpenningen worden gestort op de gezamenlijke betaalrekening van partijen bij de ABN AMRO Bank met [rekeningnummer 2] , waarvan vervolgens de hypotheeklasten van de onroerende zaak in [plaats 1] worden afgeschreven.
3.12.
De man stelt dat hem is gebleken dat de vrouw in 2023 en 2024 (maar ook daarvoor) bedragen aan de gezamenlijke betaalrekening (verhuuradministratie) heeft onttrokken voor privédoeleinden, althans privé-uitgaven ten laste van deze rekening heeft laten komen. Als gevolg van deze onttrekkingen zijn tekorten ontstaan op de gezamenlijke rekening, waardoor bepaalde verplichtingen niet meer uit de beschikbare huurinkomsten konden worden betaald. Om betalingsachterstanden en verdere financiële problemen te voorkomen, heeft de man deze tekorten telkens met privégelden aangevuld. De man heeft zijn op bovenstaande gebaseerde vergoedingsvordering (vordering IX opgenomen onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) lopende de procedure meerdere malen gewijzigd. Laatstelijk deed hij dat bij zijn akte van 20 mei 2026; hij baseerde die wijziging op het hierna nog te bespreken oordeel van de deskundige. De vrouw heeft tegen die eiswijziging geen bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 130, eerste lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij is voorts bij haar laatste akte in de gelegenheid geweest om inhoudelijk op de gewijzigde eis te reageren. De rechtbank zal dan ook van de gewijzigde eis uitgaan. De man vordert vergoeding door de vrouw van een bedrag van € 31.291,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf september 2022 tot 25 maart 2026, zijnde een bedrag van € 5.684,00, en met de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 36.975,69 vanaf 25 maart 2026 tot het moment van algehele voldoening.
3.13.
De vrouw heeft het door de man gestelde verschil in de verhuuradministratie steeds betwist, stellende dat de berekening waarop de man zich beroept, een door hemzelf opgesteld overzicht betreft. De man heeft de vrouw uitgesloten van de administratie, waardoor zij, zonder inzage in de onderliggende stukken, niet kan controleren of het overzicht correct is. De vordering van de man moet daarom, zo stelt de vrouw, worden afgewezen.
3.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:172 BW regelt de verdeling van de vruchten en andere voordelen van een gemeenschappelijk goed en het bijdragen in de uitgaven met betrekking tot dat goed. Het artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat, tenzij een regeling anders bepaalt, de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten (zoals hier het geval is met de huurinkomsten uit een gezamenlijk pand) die het gezamenlijk goed opleveren. Niet gebleken is van een afwijkende regeling, terwijl niet in geschil is dat de aandelen van partijen in de onderhavige onroerende zaak gelijk zijn, zodat zij bij helfte delen in de huuropbrengsten. Dat betekent dat als de vrouw meer van de huurinkomsten heeft opgenomen dan haar deel, de man recht heeft op een vergoeding voor het verschil.
3.15.
Tijdens de mondelinge behandeling op 25 september 2025 is partijen voorgehouden dat de door partijen gestelde geldstromen zodanig door elkaar lopen dat het voor de rechtbank lastig is om zonder nader onderzoek een oordeel te geven over de vraag of een van partijen meer heeft opgenomen van de gezamenlijke betaalrekening dan zijn of haar rechtmatige aandeel en of er in dat geval een recht op vergoeding van het verschil bestaat. Ter zitting zijn partijen - zoals verwoord in het daarvan opgemaakt proces-verbaal - het volgende overeengekomen:
Verhuuradministratie woning [plaats 1] en vaste lasten pand Portugal
Met betrekking tot de gestelde (vermogens)verschillen in de verhuuradministratie en de betaling van de maandelijkse vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal zijn partijen overeengekomen dat zij het oordeel daarover overlaten aan hun gezamenlijke [accountant] . Partijen geven de heer [accountant] opdracht om aan de hand van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen in Nederland én in Portugal vast te stellen welke privéonttrekkingen er door de man en de vrouw in de periode vanaf het uiteengaan van partijen (vanaf september 2022) tot en met heden zijn gedaan. Tevens geven zij de heer [accountant] opdracht om aan de hand van genoemde bankrekeningen vast te stellen welke bedragen zijn betaald voor de vaste lasten van de woning in Portugal en of beide partijen, zoals afgesproken, elk voor de helft daarin hebben bijgedragen. Indien blijkt dat een van partijen meer heeft betaald of onttrokken dan de ander, zal het verschil vergoed worden. Het oordeel van de heer [accountant] is bindend voor beide partijen;
3.16.
Bij brief van 17 april 2026 heeft mr. Van Leeuwen de rechtbank namens de man bericht dat de deskundige dit oordeel inmiddels heeft uitgebracht, maar dat de vrouw niet instemt met toezending daarvan aan de rechtbank, althans dat zij de man heeft laten weten het met de inhoud niet eens te zijn. De man heeft verzocht hem toe te laten de bevindingen van de deskundige toe te zenden aan de rechtbank en dit te betrekken in het oordeel over de vordering van de man ter zake van het verschil in de verhuuradministratie.
3.17.
De rechtbank heeft de man toegelaten het oordeel van de deskundige in het geding te brengen. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij dit heeft gedaan.
3.18.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 25 september 2025 blijkt ondubbelzinnig dat partijen gezamenlijk hebben besloten de heer [accountant] als deskundige aan te wijzen en dat zij zich vooraf hebben verbonden aan de bindende kracht van diens oordeel. De rechtbank stelt vast dat tegen de inhoud van het proces-verbaal door geen van beide partijen bezwaar is gemaakt. Integendeel, de vrouw heeft in haar nadere akte naar aanleiding van de mondelinge behandeling expliciet ingestemd met de in het proces-verbaal vastgelegde opdracht aan de heer [accountant] .
Nu partijen er niet in zijn geslaagd dit geschilpunt onderling af te wikkelen, dient de rechtbank over dit geschilpunt een beslissing te nemen. Daarbij is het noodzakelijk dat zij kennis neemt van het oordeel van de deskundige. Immers, partijen zijn overeengekomen dat bij de beoordeling van dit geschilpunt het oordeel van de deskundige - in beginsel - doorslaggevend moet zijn. Onder de huidige omstandigheden is het dan in overeenstemming met die eerdere afspraken tussen partijen dat dat oordeel aan de rechtbank wordt overgelegd. De rechtbank heeft de man dan ook toestemming gegeven om op de rolzitting van woensdag 13 mei 2026 het oordeel van de deskundige en zijn reactie daarop in te dienen. De vrouw heeft na aan haar toegestaan uitstel gereageerd bij akte van 17 juni 2026.
3.19.
De rechtbank komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschilpunt. Gelet op hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken, is daarbij - zoals hiervoor al overwogen - het oordeel van de deskundige in beginsel doorslaggevend. Alleen wanneer het onaanvaardbaar zou zijn om van dat oordeel uit te gaan, bijvoorbeeld omdat het klaarblijkelijk (in het licht van de gegeven opdracht) onjuist is of is opgemaakt in strijd met de beroepscode van de betreffende deskundige, zal dat oordeel kunnen worden gepasseerd.
3.20.
De vrouw stelt dat het oordeel van de deskundige niet juist is, omdat (a) partijen geen overeenstemming (meer) hadden over de inhoud van de aan de deskundige te geven opdracht, omdat (b) de deskundige van een andere opdracht is uitgegaan dan tussen partijen tijdens de mondelinge behandeling is overeengekomen, en omdat (c) de deskundige enkel acht heeft geslagen op door de man aangeleverde stukken. Zij stelt dan ook dat het oordeel van de deskundige moet worden gepasseerd en dat een nieuw onderzoek moet plaats vinden. De man heeft aangegeven zich in het oordeel van de deskundige te kunnen vinden.
3.21.
Zoals hiervoor al vastgesteld heeft geen van partijen zich na ontvangst van het proces-verbaal tegen de formulering van de opdracht in het proces-verbaal verzet. De deskundige mocht dan ook uitgaan van die in het proces-verbaal geformuleerde opdracht. Dat partijen (of één van hen) in een later stadium een ruimer of ander onderzoek wilde(n), maakt dat niet anders. De deskundige heeft overeenkomstig de opdracht de gezamenlijke rekeningen van partijen in Nederland en in Portugal bezien. Hij heeft met name bezien of, en zo ja in welke mate, partijen - door stortingen en onttrekkingen - op ongelijke wijze van deze rekeningen gebruik hebben gemaakt. Dat onderzoek komt overeen met hetgeen - gelet op de achterliggende discussie - met de opdracht aan hem was beoogd.
Wel stelt de rechtbank vast dat de deskundige op een tweetal punten verder is gegaan in zijn onderzoek dan in de opdracht van hem werd gevraagd:
hij heeft ook de door de man gestelde uitgaven voor verbouwingskosten van het pand in Portugal in het onderzoek betrokken. Die kosten heeft de man afzonderlijk gevorderd in zijn vordering XIV; op die vordering heeft de overeenstemming van partijen om het oordeel van deze deskundige bindend te accepteren, geen betrekking. De rechtbank zal dat deel van het oordeel van de deskundige - hier en ook bij de beoordeling van vordering XIV van de man - daarom buiten beschouwing laten.
hij heeft bij zijn oordeel ook betrokken door de man vanaf een privérekening betaalde rente op de (hiervoor onder 3.6 en 3.7 besproken) lening van [vader van de man] Op dergelijke betalingen (niet gestort op of onttrokken aan een gezamenlijke rekening) had het overeengekomen bindend te accepteren oordeel van de deskundige evenmin betrekking. Ook dit deel van het oordeel van de deskundige laat de rechtbank buiten beschouwing. Een vordering op dit punt - naast die besproken onder 3.6 en 3.7 - is niet ingesteld; de rechtbank zal hierover geen nader oordeel geven.
Voor het overige past het oordeel van de deskundige binnen de hiervoor weergegeven bindend overeengekomen opdracht; de rechtbank passeert de bezwaren van de vrouw, zoals hiervoor in 3.20 onder (a) en (b) weergegeven.
3.22.
De vrouw stelt verder (hiervoor in 3.20 onder (c) weergegeven) dat het oordeel van de deskundige zonder (voldoende) hoor en wederhoor, en alleen uitgaand van door de man aangeleverde stukken, tot stand is gekomen. De vrouw stelt geen gelegenheid te hebben gehad om stukken van haar zijde te overleggen De man betwist dat.
De rechtbank stelt aan de hand van de overgelegde stukken vast dat tussen partijen en de deskundige discussie is gevoerd over de reikwijdte van de opdracht. Eerst in februari/maart 2026 is de deskundige aan zijn onderzoek begonnen. Hij heeft begin maart 2026 zijn resultaten in concept aan partijen voorgelegd en gevraagd om een reactie en eventueel nog nadere stukken. De vrouw heeft op 12 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken, de deskundige gevraagd om verdere onderbouwing en overlegging van stukken, en voorts aangegeven ook zelf nog stukken te willen overleggen. Zij heeft die stukken echter niet overgelegd, ook niet na een herhaald verzoek, op 18 maart 2026, van de deskundige. Vervolgens heeft de deskundige zijn oordeel op 1 april 2026 afgerond en aan partijen toegezonden. Gelet op deze gang van zaken, stelt de rechtbank vast dat aan de vrouw voldoende gelegenheid is gegeven om stukken bij de deskundige in te dienen. Dat zij dat niet heeft gedaan, maar in plaats daarvan (eerst) van de deskundige onderliggende stukken van het concept-oordeel te vragen, is haar goed recht, maar dat betekent niet dat nu moet worden gezegd dat onvoldoende wederhoor heeft plaatsgevonden. De vrouw heeft er immers zelf voor gekozen om op het verzoek van de deskundige om stukken aan te leveren niet in te gaan. Dat dient voor haar rekening te blijven. Ook het bezwaar van de vrouw, weergegeven in 3.20, onder (c), wordt verworpen.
Ook verder is de rechtbank niet gebleken dat bij het opstellen van het oordeel de deskundige in strijd zou hebben gehandeld met zijn beroepscode. De rechtbank zal van het oordeel van de deskundige uitgaan.
3.23.
De deskundige heeft onderzoek gedaan naar de stortingen en opnames van de gezamenlijke rekeningen van partijen. Daaraan voorafgaand heeft hij - zo blijkt uit zijn overgelegde oordeel - de administratie bezien en het volgende vastgesteld:
“Op basis van dit onderzoek constateer ik dat sprake is van een sluitende en controleerbare administratie, consistent opgebouwd en voldoende onderbouwd met verifieerbare stukken waardoor de geldstromen herleidbaar zijn en waarbij begin- en eindsaldi van de betreffende bankrekeningen aansluiten bij de door de bank opgestelde financiële (jaar-)overzichten.”
De vrouw heeft ten aanzien van een aantal stortingen en opnames het oordeel van de deskundige inhoudelijk betwist, en daarbij verwezen naar door haar (voor een deel eerst bij haar laatste akte) overgelegde stukken. De rechtbank acht die stukken onvoldoende om het oordeel van de deskundige op de door de vrouw genoemde punten te passeren. De rechtbank doet dat, omdat van de door de vrouw overgelegde stukken onvoldoende kan worden vastgesteld hoe zij in het door de deskundige bekeken geheel van de administratie van partijen passen en omdat zij - mede hierom - de juistheid van de grotendeels door de vrouw zelf opgestelde overzichten en de daaraan verbonden conclusies, zonder nadere toelichting, niet kan beoordelen. Voorts geldt dat, voor zover de deskundige deze stukken niet kende, dat - zoals hiervoor beslist - dit aan de vrouw is toe te rekenen. Onder die omstandigheden gaat de rechtbank met de deskundige ervan uit dat in het onderzoek de juiste en volledige administratie van partijen is betrokken. Aan de bezwaren van de vrouw wordt voorbijgegaan.
3.24.
Het bovenstaande betekent dat de rechtbank het oordeel van de deskundige zal overnemen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.21, onder (2) is overwogen. Dat betekent dat de bij de stortingen van de man meegenomen rentebetalingen op de lening van [vader van de man] - van € 500,00 per maand - voor de gehele periode niet bij de berekening zullen worden betrokken.
3.25.
De deskundige heeft in zijn oordeel wettelijke rente berekend over het door hem vastgestelde, nog door de vrouw aan de man te vergoeden bedrag. De man heeft die wettelijke rente in zijn gewijzigde eis meegenomen. Gesteld noch gebleken is evenwel dat de vrouw met de betaling van de hier bedoelde vergoeding - waarvan het bestaan en de hoogte tussen partijen steeds in geschil is geweest - op enige wijze in verzuim is gekomen. De wettelijke rente zoals die door de deskundige is berekend (en door de man in zijn gewijzigde vordering wordt gevorderd ) zal dan ook niet kunnen worden toegewezen.
3.26.
Al het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank uitgaat van de door de deskundige vastgestelde gecorrigeerde (dat wil zeggen na aftrek van de hierboven onder 3.21 sub (1) genoemde verbouwingskosten van het pand in Portugal) stortingen van de man van
€ 29.662,37, waarvan moet worden afgetrokken € 21.000,00, zijnde het door de rechtbank op grond van het oordeel van de deskundige vastgestelde totaalbedrag aan rente op de lening van [vader van de man] gedurende de maanden - dat zijn er 42 - waarop dat oordeel betrekking heeft (3.21 sub (2)). Aan stortingen van de man resteert dan € 8.662,37. Voorts gaat de rechtbank uit van de door de deskundige vastgestelde opnames door de vrouw van
€ 32.921.00. Dan is er een saldoverschil van € 41.583,47. De vrouw zal de helft van dit saldo, dus € 20.791,74, aan de man dienen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na de dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal aldus op de vordering van de man onder IX (zoals vermeld onder randnummer 3.4 in het tussenvonnis van 17 december 2025) beslissen.
3.27.
De rechtbank stelt vast dat de laatste akte van de man - naast de indiening van het deskundigenbericht en zijn reactie daarop - als vermeerdering van eis een aantal met het deskundigenbericht samenhangende nieuwe vorderingen bevat, vergezeld van producties.
De rechtbank laat deze nieuwe vorderingen en producties in deze akte niet meer toe, omdat toelating daarvan in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde (artikel 130 Rv). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de reeds aanzienlijke duur van deze procedure en de omstandigheid dat partijen gedurende de procedure met grote regelmaat naar aanleiding van nieuwe berekeningen, uitgangspunten of standpunten nieuwe of aanvullende vorderingen hebben geformuleerd. Hierdoor wordt het debat telkens opnieuw uitgebreid, terwijl de procedure zich in een afrondende fase bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank dient het partijdebat nu te worden afgerond, en zijn verdere uitbreidingen van de rechtsstrijd niet (langer) verenigbaar met een doelmatige en voortvarende afdoening van de zaak.
Huurpenningen [adres 4]
3.28.
Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat de woning aan het [adres 4] (onderdeel van het onroerend goed in [plaats 1] ) vanaf 1 april 2025 werd verhuurd voor een bedrag van € 1.225,00 per maand. Uit de akte van uitlating van de vrouw van 2 september 2025 blijkt dat de huurovereenkomst tegen 1 oktober 2025 is opgezegd.
De man stelt dat de vrouw alle huurpenningen op haar eigen bankrekening heeft ontvangen, zonder deze met hem te delen.
3.29.
Vaststaat dat ter zake van de verhuur van [adres 4] in totaal zes huurbetalingen zijn gedaan, tot een gezamenlijk bedrag van € 7.350,00. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat de man recht heeft op de helft daarvan. Gelet op deze erkenning stelt de rechtbank vast dat de betreffende betalingen buiten de hierboven besproken verhuuradministratie zijn omgegaan. De vordering van de man onder X (zoals vermeld onder randnummer 3.4 in het vonnis van 17 december 2025) zal daarom worden toegewezen, waarbij de rechtbank zal bepalen dat de vrouw het aan de man verschuldigde bedrag binnen drie maanden na afgifte van dit vonnis dient te voldoen, waarna de vrouw de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd zal worden indien de vrouw hiermee in gebreke blijft. De vordering van de man strekt ook tot betaling van toekomstige huurtermijnen, maar omdat de huurovereenkomst per 1 oktober 2025 is beëindigd, wordt dit deel van de vordering afgewezen.
B. Pand Portugal
3.30.
Partijen zijn samen (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de onroerende zaak in Portugal (hierna ook: pand Portugal). Op de onroerende zaak rust een schuld uit hoofde van een hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta Bank te Portugal. Het pand Portugal is, zo is tussen partijen niet in geschil, een eenvoudige gemeenschap.
De man heeft te kennen gegeven de onroerende zaak te willen overnemen, waar de vrouw op zich geen bezwaar tegen heeft. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van het pand Portugal en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Daarbij houdt partijen verdeeld of, en zo ja, in welke mate, rekening moet worden gehouden met het ontbreken van een zelfstandige watervoorziening (waterput) bij de vaststelling van de overnamewaarde.
3.31.
Omdat de onroerende zaak in Portugal is gelegen, heeft de zaak een internationaal karakter. De rechtbank heeft de zaak ter zitting met partijen inhoudelijk besproken, onder het uitdrukkelijk voorbehoud dat zij internationaal bevoegd is van de vorderingen van partijen kennis te nemen. Ter zitting zijn partijen - zoals verwoord in het daarvan opgemaakt proces-verbaal - over de taxatie het volgende overeengekomen:
Pand Portugal
Met betrekking tot de onroerende zaak in [plaats 3] , Portugal, zijn partijen het volgende overeengekomen: ter bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient een nieuwe taxatie plaats te vinden. De man selecteert drie taxateurs en stuurt deze selectie naar de vrouw. De vrouw kiest uit die selectie de taxateur die de onroerende zaak in Portugal gaat taxeren naar de actuele verkoopwaarde. Partijen zijn het erover eens dat deze taxatie voor partijen bindend is. Partijen laten de beslissing of de taxatie dient plaats te vinden naar de huidige situatie (zonder waterput) of naar de situatie met waterput over aan de rechtbank. Zodra de rechtbank hierover een beslissing heeft genomen, zullen partijen opdracht tot taxatie geven op de hiervoor overeengekomen wijze;
3.32.
Bij akten van uitlating naar aanleiding van de mondelinge behandeling hebben de vrouw en de man de rechtbank bericht dat het hen niet is gelukt gezamenlijk een taxateur aan te wijzen die de taxatie kan uitvoeren. De man heeft zijn vorderingen gehandhaafd en verzocht daarop bij vonnis te beslissen, terwijl de vrouw de rechtbank heeft verzocht een (CMVM geregistreerd) taxateur aan te wijzen die een bindend advies over de waarde van de woning in Portugal zal uitbrengen.
Nu partijen er niet in zijn geslaagd dit geschilpunt onderling af te wikkelen, dient de rechtbank hierover een beslissing te nemen. Omdat de rechtbank haar bevoegdheid uitdrukkelijk heeft voorbehouden, dient zij allereerst te beoordelen of zij internationaal bevoegd is van de vorderingen van partijen met betrekking tot het pand Portugal kennis te nemen.
Rechtsmacht Nederlandse rechter
3.33.
Nu partijen niet zijn gehuwd, noch een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan moet de (internationale) bevoegdheid beoordeeld worden aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I-bis), dan wel aan die van haar voorgangers: artikel 16 sub 1 EEX-Verdrag en artikel 22 punt 1 EEXVo (nr. 44/2001), welke bepalingen vrijwel overeenstemmen met het huidige artikel 24 Brussel I-bis.
Artikel 24, aanhef en onder 1, Brussel I-bis luidt, voor zover thans van belang:
“Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)”
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat de exclusieve bevoegdheidsbepaling van (thans) artikel 24 Brussel I-bis niet ruimer mag worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt en dat de ratio ervan is gelegen in de omstandigheid dat de rechter van de plaats van ligging van de onroerende zaak, vanwege zijn nabijheid het beste in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken van die staat van ligging toe te passen. (HvJ EG 10 januari 1990, zaak C-115/88, Jur. 1990, p.1-27, (Reichert en Kockler). Deze beslissing heeft weliswaar betrekking op artikel 16 van het EEX-Verdrag, maar is ook van toepassing op artikel 24, aanhef en onder 1 Brussel I-bis.
Uit voornoemd arrest (Reichert en Kockler) volgt ook dat artikel 16 EEX-verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar enkel die welke zowel binnen het toepassingsgebied van het EEX-verdrag vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren. Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor de toepasselijkheid van artikel 16 sub 1 (a) EEX-verdrag dus niet, dat de rechtsvordering verband houdt met een zakelijk recht op het onroerend goed of dat zij betrekking heeft op een onroerend goed. De
rechtsvordering moet zijn gebaseerd op een zakelijk recht en, behoudens de uitzondering waarin is voorzien voor huur en verhuur en pacht en verpachting van onroerende goederen, niet op een persoonlijk recht (HvJ EG 9 juni 1994, zaak C-292/93, Jurispr. blz I-2545, punt 12 en 13, NJ 1994/649, (Lieber) en 27 januari 2000, C-8/98, Jurispr. blz I-393, punt 21 en 22, (Dansommer). Het verschil tussen een zakelijk recht en een persoonlijk recht bestaat volgens het Hof van Justitie hierin dat het eerste, dat op een zaak rust, werking heeft jegens iedereen, terwijl het tweede alleen tegenover de schuldenaar geldend kan worden gemaakt.
3.34.
Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, dient derhalve eerst te worden vastgesteld welke soort vordering voorligt bij de rechtbank. Is de vordering gebaseerd op een zakelijk recht dan dient de rechtbank zich, zoals volgt uit het vorengaande, onbevoegd te verklaren; is de vordering gebaseerd op een persoonlijk recht dan is de rechtbank bevoegd hiervan kennis te nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat haar bevoegdheid niet reeds kan worden aangenomen op de grond dat partijen het op zichzelf eens zijn dat het pand kan worden toegedeeld aan de man. Een (stilzwijgende) forumkeuze in afwijking van artikel 24 Brussel I-bis is namelijk niet mogelijk (artikel 25 lid 4 en 26 Brussel I-bis).
3.35.
De man heeft ter zitting, onder verwijzing naar artikel 24 Brussel I-bis, aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om - zoals de vrouw heeft gevorderd - de verdeling van de in Portugal gelegen onroerende zaak vast te stellen. Evenmin is de Nederlandse rechter bevoegd om beslissingen te nemen die leiden tot reële executie, zoals een indeplaatsstelling, nu het daarbij zou gaan om zakelijke rechten. Volgens de man dient de vrouw in haar vorderingen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van zijn eigen vorderingen (onder XI) heeft de man gesteld dat de Nederlandse rechter daarvan wel kennis kan nemen, omdat deze zijn gebaseerd op een persoonlijk recht.
De vrouw heeft zich over de (internationale) bevoegdheid van de rechtbank niet uitgelaten, de stellingen van de man niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.36.
De rechtbank overweegt als volgt. De vordering van de vrouw onder A (zesde bullet) houdt in dat de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vaststelt en daarbij bepaalt dat het pand Portugal aan de man wordt toegedeeld. Deze vordering ziet daarmee rechtstreeks op de verdeling van de eigendom van het pand tussen partijen en kwalificeert daarom als een rechtsvordering betreffende een zakelijk recht op een onroerende zaak als bedoeld in artikel 24 lid 1 Brussel I-bis; de rechtbank is daarom niet bevoegd van deze vordering kennis te nemen. De vorderingen van de vrouw onder D tot en met G hebben naar het oordeel van de rechtbank echter een ander karakter. Deze strekken ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling gelast en de man veroordeelt tot medewerking aan die wijze van verdeling. Deze vorderingen zien derhalve niet op het vaststellen van een rechtstoestand ten aanzien van het onroerend goed, maar op het verkrijgen van medewerking van de man aan een nog te verrichten goederenrechtelijke handeling. De vorderingen hebben dus geen betrekking op rechten die rechtstreeks het onroerend goed betreffen en die aan een ieder kunnen worden tegengeworpen. Toewijzing van deze vorderingen bindt uitsluitend partijen. De vorderingen van de vrouw tot het verlenen van medewerking door de man aan de verdeling van het aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorend pand vinden naar het oordeel van de rechtbank dan ook hun grondslag in een persoonlijk recht. Dat betekent dat op die vorderingen de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis van toepassing is en dat de rechtbank, gelet op de woonplaats van de man, bevoegd is om daarop te beslissen. Voor de vordering van de vrouw onder H, die ziet op reële executie als bedoeld in de artikelen 3:300 en 3:301 BW, geldt dan weer dat deze niet slechts een verplichting tot medewerking betreft, maar de goederenrechtelijke overdracht zelf. Zij valt daarom onder artikel 24 Brussel I-bis; de rechtbank is niet bevoegd van deze vordering kennis te nemen.
3.37.
De vorderingen van de man onder XI strekken er blijkens hun bewoordingen en bedoeling toe dat de rechter de verdeling van de woning vaststelt door toedeling van het pand aan de man tegen een bepaald bedrag en onder bepaalde aanvullende voorwaarden. Op deze vorderingen is daarom de exclusieve bevoegdheidsregeling van artikel 24 Brussel I-bis van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen onder XI kennis te nemen en zich onbevoegd zal verklaren.
3.38.
Naast de vorderingen die zien op het overnemen van de onroerende zaak door de man hebben partijen ook andere op het pand Portugal betrekking hebbende vorderingen ingediend. Ook ten aanzien van die vorderingen moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt daarover te beslissen.
3.39.
De vordering van de man onder XII voor zover deze strekt tot vaststelling van de onderlinge draagplicht voor de hypothecaire schuld op het pand in Portugal is gebaseerd op een persoonlijk recht, namelijk de hypotheekovereenkomst die partijen hebben gesloten met de bank. Bovendien heeft toewijzing van deze vordering geen goederenrechtelijke werking, maar bindt uitsluitend partijen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel I-bis rechtsmacht heeft, nu de vrouw in Nederland woont.
3.40.
De rechtbank is ook bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de man onder XIII en XIV, die betrekking hebben op de betaling van de vaste lasten van het pand Portugal en het door de man gestelde vergoedingsrecht ter zake van verbouwingskosten. Dit geldt eveneens voor de verrekenpost van de vrouw met betrekking tot het pand in Portugal (de vordering van de vrouw onder Q). Deze vorderingen zijn allen gebaseerd op een persoonlijk recht. Immers toewijzing van die vorderingen heeft geen goederenrechtelijke werking, maar bindt uitsluitend partijen. De bevoegdheid van de rechtbank volgt uit de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis, omdat beide partijen in Nederland woonplaats hebben.
Toepasselijk recht
3.41.
Wat het toepasselijke recht betreft, is er geen internationale regeling die het toepasselijke recht aanwijst. Het toepasselijke recht moet daarom worden vastgesteld op basis van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen hebben hun vorderingen (grotendeels) gebaseerd op Titel 7 van Boek 3 BW (gemeenschap). Daarin ziet de rechtbank een impliciete rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht. Aangezien de verdeling van een eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen ter vrije dispositie van partijen staan en niet de goederenrechtelijke overgang van de onroerende zaken zelf betreft, zal de rechtbank de (impliciete) rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht respecteren.
Inhoudelijke beoordeling
Schuld aan [moeder van de man]
3.42.
In het kader van de verdeling van het pand Portugal heeft de man ook nog een schuld aan [moeder van de man] van € 32.000,00 opgevoerd. Gelet op de wijze waarop partijen over deze schuld hebben geprocedeerd, zal de rechtbank deze niet hier maar bij de beoordeling van de afwikkeling van de aandelen [B.V. 3] (r.o. 3.94) verder bespreken De rechtbank gaat hier niet op de schuld in.
Wijze van verdeling Pand Portugal
3.43.
De rechtbank komt thans toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de vrouw onder D tot en met G. Deze vorderingen strekken ertoe dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de onroerende zaak aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Indien de man niet in staat blijkt de woning over te nemen, vordert de vrouw subsidiair dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de onroerende zaak aan een derde.
3.44.
Zoals hiervoor in r.o. 3.30 al is overwogen zijn partijen het erover eens dat de man het pand Portugal kan overnemen. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van de onroerende zaak en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Partijen zijn ter zitting overeengekomen (zoals verwoord in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, zie r.o. 3.31) dat het pand opnieuw wordt getaxeerd naar de actuele verkoopwaarde en dat deze taxatie voor hen bindend is. Daarbij hebben zij de beslissing of de taxatie dient plaats te vinden met of zonder waterput aan de rechtbank overgelaten. Nu partijen - kennelijk ter voorkoming van verdere geschillen - wensen dat de taxateur de waarde van het pand bindend vaststelt, begrijpt de rechtbank dat partijen tevens beogen dat ook de verkoopprijs door de taxateur bindend wordt vastgesteld, indien de woning moet worden verkocht in het geval de man de woning niet kan overnemen. De rechtbank zal zulks bepalen in het na te noemen ‘spoorboekje’.
3.45.
Partijen hebben vervolgens geen gezamenlijke taxateur benoemd waardoor de afgesproken taxatie niet heeft plaatsgevonden. Hierdoor is geen duidelijkheid verkregen over de waarde van de onroerende zaak en over de vraag of de man in staat zal zijn de onroerende zaak over te nemen. Nu partijen niet gezamenlijk tot een verdeling van het pand Portugal kunnen komen, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten door in het dictum van dit vonnis, met inachtneming van wat ter zitting is besproken en tussen partijen ter zitting is overeengekomen, een ‘spoorboekje’ op te nemen. In dit ‘spoorboekje’ worden de stappen vastgelegd waarlangs de man de mogelijkheid krijgt de onroerende zaak over te nemen en, indien hij daartoe niet in staat blijkt, waarlangs de onroerende zaak in Portugal aan een derde dient te worden verkocht en geleverd. De rechtbank is hiertoe bevoegd, nu zij bij de vaststelling van de wijze van verdeling een ruime mate van vrijheid geniet en niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).
3.46.
Voor het verloop van dit traject zijn nog twee punten van belang die nadere beslissing behoeven, te weten de benoeming van een taxateur door partijen en de vraag of de te verrichten taxatie dient plaats te vinden met of zonder inbegrip van de wateraansluiting.
Taxatie
3.47.
Het is partijen niet gelukt om gezamenlijk een taxateur aan te wijzen. De man heeft, zoals ter zitting met partijen is besproken, drie taxateurs voorgesteld. De vrouw heeft hieruit geen keuze willen maken, omdat de voorgedragen personen niet zouden zijn ingeschreven in het CMVM-register van peritos avaliadores de imóveis (PAI), het Portugese register van erkende taxateurs. De man heeft daarop opnieuw drie taxateurs voorgedragen, waarvan een ook in zijn eerdere voordracht was opgenomen. De vrouw heeft ook uit deze voordracht geen keuze willen maken, omdat ook deze taxateurs volgens haar niet PAI-geregistreerd zouden zijn.
De rechtbank overweegt dat tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk met partijen is besproken dat de te benoemen taxateur wel geregistreerd dient te zijn in een officieel register. Om verdere discussie tussen partijen te voorkomen zal de rechtbank daarom in het ‘spoorboekje’ opnemen dat de man drie in het CMVM-register ingeschreven taxateurs voordraagt, waaruit de vrouw vervolgens één taxateur kiest die de onroerende zaak zal taxeren naar de actuele marktwaarde.
Waterput
3.48.
Partijen hebben in het kader van de waarde van de onroerende zaak in Portugal uitvoering gedebatteerd over (het ontbreken van) een wateraansluiting. Vaststaat dat de onroerende zaak geen zelfstandige wateraansluiting (watervoorziening) heeft. Verder is niet in geschil dat de onroerende zaak met wateraansluiting meer waard is dan zonder aansluiting. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van de bedoelde aansluiting de schuld van de man is. Volgens de vrouw had de man de betreffende vergunning al verkregen en bedragen de kosten voor het aanleggen van de watertoevoer € 8.000,00. De vrouw is dan ook van oordeel dat het ontbreken van de wateraansluiting voor rekening en risico van de man behoort te komen en het ontbreken van de wateraansluiting geen invloed kan hebben op de waarde van het pand ten koste van de vrouw. De man heeft de stellingen van de vrouw bestreden.
3.49.
Hoewel de vrouw noch de man specifieke vorderingen heeft ingesteld ter zake (het ontbreken van) de wateraansluiting heeft de rechtbank tijdens de zitting met partijen besproken dat zij een beslissing zal nemen op de vraag of, en zo ja, op welke wijze bij de taxatie rekening moet worden gehouden met (het ontbreken van) de wateraansluiting om zo verdere/nieuwe discussies tijdens de taxatie te voorkomen. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover de vrouw met haar hiervoor weergegeven standpunten heeft beoogd te stellen dat de betreffende onroerende zaak getaxeerd moet worden alsof er wel een wateraansluiting is, dient dit standpunt te worden verworpen. Voor de juistheid van een dergelijk standpunt heeft de vrouw geen grondslag aangevoerd. Feiten of omstandigheden die onderbouwen dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou zorgdragen voor de wateraansluiting zijn door de vrouw niet gesteld. De enkele omstandigheid dat de man, zoals de vrouw stelt, hiertoe een vergunning zou hebben en het “in zijn macht” zou liggen om dit te doen, is daartoe onvoldoende. Voor zover de vrouw heeft beoogd een beroep te doen op de goede trouw die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst, dient ook dit beroep te worden verworpen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verstandhouding tussen partijen op dat moment al slecht was en dat door de vrouw onvoldoende is gesteld waarom van de man tegen deze achtergrond toch kon worden verwacht dat hij, zo begrijpt de rechtbank, met privémiddelen verder zou investeren in de gezamenlijke onroerende zaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient te worden uitgegaan van de huidige toestand van de onroerende zaak, derhalve zonder een wateraansluiting.
Hypotheekschuld Caixadirecta
3.50.
Omdat de vrouw niet heeft betwist dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank de vordering van de man onder XII, voor zover deze betrekking heeft op de hypotheekschuld, toewijzen. De man heeft daarnaast gevorderd te bepalen dat hij een vordering op de vrouw verkrijgt als hij meer dan zijn aandeel in de schuld voldoet. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen, omdat dit al volgt uit artikel 6:10 BW.
Vaste lasten pand Portugal
3.51.
De man stelt dat de vrouw vanaf 1 mei 2025 niet meer heeft bijgedragen aan de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal, met uitzondering van een eenmalige betaling op 2 augustus 2025. Volgens de man bedragen de vaste lasten circa € 3.000,00 per maand. Omdat de vrouw haar aandeel daarin vanaf 1 mei 2025 niet meer heeft voldaan, heeft de man deze lasten volledig uit eigen privémiddelen betaald. De man voert aan dat de vrouw als deelgenoot in de eenvoudige gemeenschap gehouden is naar evenredigheid bij te dragen in de lasten van de gemeenschappelijke woning. Doordat hij ook het aandeel van de vrouw in deze lasten heeft voldaan, heeft hij voor dat gedeelte een regresvordering op haar verkregen.
3.52.
De vrouw betwist dat de vaste lasten van de onroerende zaak € 3.000,-- per maand bedragen. Volgens haar belopen de werkelijke lasten € 2.577,67 per maand. Het verschil van € 422,33 per maand heeft de man aan de gezamenlijke rekening van partijen bij de Caixadirecta Bank met [rekeningnummer 3] onttrokken, aldus de vrouw, doordat hij maandelijks een bedrag van € 3.000,-- van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening heeft overgemaakt. Omdat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het saldo van de gezamenlijke rekening, stelt de vrouw dat zij aanspraak heeft op vergoeding van haar aandeel in het ten onrechte onttrokken bedrag. Volgens de vrouw bedraagt deze aanspraak de helft van € 422,33, te weten afgerond € 211,00 per maand.
3.53.
Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat de vrouw tot 1 mei 2025 steeds heeft bijgedragen aan de betalingen die vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen ten behoeve van de onroerende zaak in Portugal zijn verricht. Door deze betalingen structureel te accorderen, heeft de vrouw er blijk van gegeven bekend te zijn met de hoogte en de omvang van de lasten die met de onroerende zaak gemoeid zijn en moet zij geacht worden hiermee ook te hebben ingestemd. Indien de vrouw van mening was dat deze lasten niet overeenkwamen met een bedrag van € 3.000,-- per maand, had het op haar weg gelegen dit eerder kenbaar te maken en de betalingen gemotiveerd te betwisten. Gelet hierop acht de rechtbank de enkele betwisting van de hoogte van de vaste lasten onvoldoende onderbouwd en gaat zij daaraan voorbij. De vordering van de vrouw onder Q zal worden afgewezen.
Overigens heeft de man bevestigd dat hij op 10 oktober 2024 een privébankrekening in Portugal heeft geopend. Vanaf 13 oktober 2024 heeft hij maandelijks een bedrag van
€ 3.000,-- van de gezamenlijke bankrekening van partijen naar deze rekening overgemaakt, uitsluitend met het oog op de betaling van de vaste lasten van de gezamenlijke onroerende zaak in Portugal. Deze lasten zijn vervolgens vanuit deze rekening voldaan.
3.54.
De rechtbank stelt vast dat voor het overige het verschil in de bijdragen van partijen aan de lasten van de onroerende zaak in Portugal al is betrokken bij het hiervoor besproken oordeel van de deskundige, de heer [accountant] , over de verhuuradministratie. Voor zover de vordering van de man onder XIII betrekking heeft op betalingen tot 25 maart 2026, is daarover dus al beslist. De rechtbank wijst de vordering in zoverre af.
De man heeft zijn vergoedingsvordering naar aanleiding van het deskundigenoordeel bij akte van 20 mei 2026 gewijzigd. Hij vordert nu te bepalen dat de vrouw met ingang van 25 maart 2026 gehouden is voor de helft bij te dragen in de totale vaste lasten van € 3.000,00 per maand en haar te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 1.500,00 per maand.
De rechtbank heeft in r.o. 3.27 overwogen dat nieuwe vorderingen van partijen niet worden toegelaten. Van een nieuwe vordering is hier echter geen sprake; het gaat om een wijziging van een al eerder ingestelde vordering. Verder heeft de vrouw tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt als bedoeld in artikel 130 lid 1 Rv en is zij bovendien bij haar laatste akte in de gelegenheid geweest daarop inhoudelijk te reageren. De rechtbank zal daarom uitgaan van de gewijzigde eis. Nu de onroerende zaak nog niet is verdeeld, zijn partijen op grond van artikel 3:172 BW gehouden naar evenredigheid bij te dragen in de lasten van de gemeenschap. De vrouw heeft de vordering van de man inhoudelijk niet bestreden. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, in die zin dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal zolang deze nog gemeenschappelijk is.
Vergoedingsrecht man inzake de verbouwingskosten van het pand in Portugal
3.55.
De rechtbank stelt vast dat de man ten aanzien van door hem gestelde kosten in verband met verbouwingen van het pand in Portugal een vergoeding heeft gevorderd. Deze vordering is subsidiair ingesteld, namelijk voor het geval de rechtbank oordeelt dat bij het vaststellen van de waarde van het pand in Portugal moet worden uitgegaan van de actuele marktwaarde. In het bovenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat en waarom moet worden uitgegaan van de actuele waarde. De rechtbank zal dan ook nader ingaan op dit deel van de vordering van de man.
3.56.
De man heeft zijn vordering (nader) onderbouwd door aan te voeren dat hij kosten heeft gemaakt in verband met, samengevat, ‘noodzakelijk onderhoud’ voor een bedrag van € 13.795,63 en ‘werkzaamheden ter verfraaiing van het pand’ voor een bedrag van € 742,76. De man heeft de werkzaamheden voor noodzakelijk onderhoud nader gespecificeerd (akte houdende aanvullende producties p. 24 e.v.). De vrouw heeft de door de man gestelde kosten bestreden. Volgens de vrouw heeft de man met het overleggen van talloze (onleesbare) facturen niet aan zijn bewijsaandraagplicht voldaan. De rechtbank overweegt dat zelfs indien moet worden aangenomen dat de man noodzakelijk onderhoud heeft moeten verrichten en werkzaamheden heeft verricht ‘ter verfraaiing van het pand’, de man met de overgelegde overzichten, facturen en bonnetjes (producties 11 en 66 van de man), onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij hiermee kosten heeft moeten maken ter hoogte van het door hem gestelde bedrag van in totaal € 14.536,39. Zonder nadere toelichting door de man, die ontbreekt, kan de rechtbank uit de overgelegde facturen en bonnen niet afleiden op welke werkzaamheden deze facturen en bonnen zien, en evenmin dat en waarom juist deze kosten, zoals de man stelt, noodzakelijk waren dan wel tot ‘verfraaiing’ hebben geleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een groot deel van de overgelegde facturen en bonnen in het Portugees zijn gesteld en/of niet goed leesbaar zijn. Dit brengt mee dat het door de man onder XIV gevorderde dient te worden afgewezen. De man heeft deze vordering bij akte van 20 mei 2026 nog vermeerderd. Nu de oorspronkelijke vordering reeds wordt afgewezen, behoeft de eisvermeerdering geen bespreking en zal daarop geen acht worden geslagen.
C. Gemeenschappelijke bankrekeningen
3.57.
Partijen hebben drie bankrekeningen op beider naam, zogenoemde en/of-rekeningen. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze bankrekeningen een eenvoudige gemeenschap vormt.
3.58.
De gemeenschappelijke betaal- en spaarrekening bij de ING Bank met [rekeningnummer 1] is inmiddels opgeheven en het ten tijde van de opheffing aanwezige banksaldo is bij helfte gedeeld. De vrouw heeft daarom geen belang meer bij haar vordering onder I. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
3.59.
Ten aanzien van de gemeenschappelijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank met [rekeningnummer 2] heeft de man aangegeven dat hij het redelijk vindt dat deze bankrekening, waarvan de hypotheeklasten van de onroerende zaak in [plaats 1] worden voldaan, wordt voortgezet door degene die de onroerende zaak krijgt toebedeeld. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat wanneer de woning aan haar wordt toebedeeld zij de bestaande financiering zal vervangen en dat het haar daarom om het even is wie de bankrekening voortzet. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw haar vordering tot wijziging van de tenaamstelling niet langer handhaaft en zal de vordering van de vrouw onder J. in zoverre afwijzen. Nu daarmee geen verplichting tot medewerking van de man meer resteert, bestaat evenmin grond voor de onder K. gevorderde indeplaatsstelling voor het geval de man niet zou meewerken. De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen.
3.60.
De betreffende rekening staat thans echter nog op naam van beide partijen. Bij gebreke van een nadere beslissing zou deze gezamenlijke tenaamstelling blijven bestaan. Nu dit verder ook niet is bestreden, zal de rechtbank de vorderingen van de man (onder XV en XVI) toewijzen en bepalen dat de vrouw moet meewerken aan een wijziging van de tenaamstelling van die rekening en wel zodanig dat deze uitsluitend op naam van de man komt te staan. Over het eventuele saldo van deze rekening is hiervoor, bij de overwegingen omtrent de verhuuradministratie, al geoordeeld.
3.61.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gemeenschappelijke betaalrekening bij de Portugese Caixadirecta bank met [rekeningnummer 3] zal voortzetten en dat de man de helft van het op de dag van wijziging van de tenaamstelling op die rekening aanwezige saldo aan de vrouw moet uitkeren. Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt, kan de rechtbank gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW daarover geen beslissing meer nemen. De rechtbank zal de vordering van de vrouw onder L en de vorderingen van de man onder XVII en XVIII afwijzen.
D. Inboedelgoederen
3.62.
De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling op 29 september 2025 in de gelegenheid gesteld de inboedelgoederen - voor zover aanwezig - in onderling overleg te verdelen. De rechtbank stelt vast dat partijen daarin niet zijn geslaagd. De rechtbank zal daarom alsnog een beslissing nemen over dit geschilpunt.
3.63.
De vrouw vordert verdeling van de inboedelgoederen conform de door haar overgelegde productie 19. De man heeft aanvankelijk verdeling van de inboedel gevorderd conform de door hem overgelegde productie 17. De man heeft vervolgens in zijn akte houdende aanvullende producties (onder 5.3) naar voren gebracht dat, indien de lijsten van partijen naast elkaar worden gelegd, de conclusie is dat partijen nog over de volgende punten van mening verschillen:
- de spiegel van zijn overleden zus;
- het Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren en het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren;
- een elektrische fiets;
- ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven; deze zaken zijn volgens de man “nagelvast” en dienen achter te blijven in het pand in [plaats 1] .
De man heeft hierop zijn vordering aangepast (vorderingen XIX en XX).
3.64.
De rechtbank leidt uit het gewijzigde standpunt van de man en de aangepaste vordering af dat de man behoudens de door hem genoemde zaken kan instemmen met de vordering van de vrouw. Deze vordering ligt dan ook in zoverre voor toewijzing gereed. De rechtbank overweegt over de door de man genoemde zaken verder als volgt.
- de spiegel van zijn overleden zus;
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij bereid is de spiegel aan de man af te geven. Dit deel van de vordering van de man kan derhalve worden toegewezen. Voor toewijzing van de door de man gevorderde dwangsommen ziet de rechtbank geen aanleiding; de noodzaak daartoe is door de man onvoldoende onderbouwd.
- het Festool schuurapparaat inclusief lader en toebehoren en het Festool schroefapparaat inclusief lader en toebehoren;
De vrouw heeft ter zitting de door de man gevorderde afgifte betwist door aan te voeren dat zij deze zaken niet heeft. De man heeft tegenover deze betwisting geen (onderbouwde) feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat deze zaken zich wel onder de vrouw bevinden. Dit leidt ertoe dat de vordering van de man wat deze zaken betreft, zal worden afgewezen.
- een elektrische fiets;
De rechtbank leidt uit de standpunten van partijen af dat sprake is van een tweetal fietsen, waarvan, zo begrijpt de rechtbank, niet in geschil is dat deze gemeenschappelijk zijn (eenvoudige gemeenschap). Beide partijen, zo begrijpt de rechtbank, hebben een fiets in hun bezit. Rekening houdend met de belangen van beide partijen acht de rechtbank het billijk dat ieder de in zijn bezit zijnde fiets krijgt toegedeeld. De rechtbank zal aldus beslissen.
- ventilatoren, sauna, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven;
De vrouw heeft tijdens de zitting opgemerkt dat deze zaken, met uitzondering van de sauna, in de woning achterblijven. De vordering van de man ligt in zoverre voor toewijzing gereed. Voor toewijzing van de door de man gevorderde dwangsom ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.
Wat de sauna betreft, heeft de vrouw opgemerkt dat deze inmiddels is verkocht. Dit betekent dat de vordering van de man met betrekking tot de sauna dient te worden afgewezen. De man heeft terzake de sauna geen nadere vorderingen geformuleerd, zodat de rechtbank hieraan verder voorbijgaat.
3.65.
De man heeft verder nog gevorderd te bepalen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde goederen krijgt toegedeeld zonder nadere verrekening. Dit deel van de vordering van de man kan worden toegewezen voor zover het betreft de inboedelgoederen waarover de rechtbank met het vorengaande geen oordeel heeft gegeven.
Goederen van de kinderen
3.66.
De goederen die de kinderen zelf hebben gekocht, gekregen (cadeaus) of die specifiek voor hen zijn aangeschaft (zoals fietsen, mountainbike [zoon] , board [zoon] , skateboard [dochter 1] ) blijven van de kinderen. Dit is, zo begrijpt de rechtbank uit productie 19 van de vrouw en het uitblijven van verweer hiertegen door de man, tussen partijen niet in geschil. Deze goederen komen dus niet voor verdeling in aanmerking.
E. Voertuigen
3.67.
Bij partijen waren een aantal voertuigen in gebruik. Door hen zijn als al dan niet gemeenschappelijk de volgende voertuigen genoemd:
- een Volkswagen LT. Westfalia (een camper) met [kenteken 1] ;
- een Ford Transit (een busje) met [kenteken 3] ;
- een Landrover Discovery met [kenteken 2] ;
- een Citroën C1 [kenteken 4]
- een aanhangwagen.
3.68.
De vrouw heeft primair gesteld dat partijen over de verdeling van deze voertuigen lopende de procedure overeenstemming hebben bereikt. De man heeft dat betwist. De vrouw heeft geen nadere onderbouwing van haar stelling gegeven, en ook overigens kan van een overeenstemming tussen partijen op dit punt niet blijken. De rechtbank gaat dan ook aan deze stelling van de vrouw voorbij.
3.69.
Subsidiair vordert de vrouw verdeling van deze voertuigen; ook de man vordert beslissingen over deze voertuigen. De rechtbank overweegt en beslist over de voertuigen als volgt.
3.70.
Van de Volkswagen stelt de man dat deze niet gemeenschappelijk is; de auto is door hem gekocht van de vader van de vrouw (en daarna op zijn kosten - met van zijn moeder geleend geld - ingrijpend gerepareerd). De auto is zijn eigendom en dient dus niet bij een verdeling te worden betrokken; wordt hij wel verdeeld, dan dient met de reparatiekosten rekening te worden gehouden. De vrouw stelt in reactie op deze stelling dat de Volkswagen haar eigendom is; zij heeft deze voor een symbolisch bedrag van € 2.500,00, van haar vader geschonken gekregen. Zij betwist de gestelde reparatie(kosten).
Aldus stellen beide partijen eigenaar te zijn van deze auto; beide stellen een verkrijging van de auto tegen een bedrag van € 2.500,00. De rechtbank neemt in deze situatie als uitgangspunt dat op grond van artikel 3:107, lid 1 BW degene die een goed voor zichzelf houdt, bezitter is. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Uit artikel 3:109 BW volgt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter vermoed rechthebbende te zijn. Uit de stukken blijkt dat de auto bij het pand van partijen in Portugal staat. Gebleken is dat dat pand nog uitsluitend door de man wordt gebruikt en de vrouw daar niet meer komt. De Volkswagen staat op naam van de man, terwijl, zo staat als onbestreden vast, de man ook de wegenbelasting voor de auto voldoet. Aan de hand van die feiten stelt de rechtbank vast dat de man de auto voor zichzelf houdt en dus bezitter is. Gelet op het vorenstaande wordt hij dan vermoed eigenaar te zijn. Dit betekent dat het aan de vrouw is om dit vermoeden te weerleggen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hierin niet is geslaagd. De vrouw heeft overgelegd een verklaring van haar vader van 21 februari 2025 waaruit volgt dat de vader de onderhavige auto op 20 november 2019 heeft geschonken voor een bedrag van € 2.500,00, alsmede een verklaring van [naam 2] waarin staat dat hij de auto op 29 oktober 2018 aan de vader van de vrouw heeft verkocht. Deze gang van zaken wordt evenwel weerlegd door de door de man overgelegde verklaring van [naam 3] waaruit volgt dat de man de auto in november 2018 heeft gekocht van [bedrijf 1] . Objectieve en verifieerbare aanknopingspunten die de juistheid van de ene of andere verklaring ondersteunen, ontbreken in het dossier. Weliswaar volgt uit de overgelegde stukken dat de auto enige tijd op naam van de vader van de vrouw heeft gestaan, maar daarvoor heeft de man een verklaring gegeven. Daar komt bij dat de overgelegde verklaringen geruime tijd na de gebeurtenis waarover gerelateerd wordt, zijn afgelegd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de man als eigenaar van de auto moet worden aangemerkt. Dat betekent dat de auto niet kan worden verdeeld, en dat de door de man voor de reparatie van de auto gemaakte kosten (dan wel de daarvoor bij zijn moeder afgesloten leningen) voor zijn rekening blijven.
De rechtbank zal de vordering van de man onder XXI, voor zover deze de Volkswagen betreft, toewijzen; de daarnaast door de vrouw betreffende deze auto ingestelde vorderingen worden afgewezen.
3.71.
Ook voor de Ford Transit geldt dat aan de hand van de stukken niet kan worden vastgesteld wie eigenaar is. De van de aankoop overgelegde factuur is gericht aan [B.V. 3] Promotion, een eenmanszaak van de man. Wie de aankoopprijs heeft betaald en aan wie de auto is geleverd, is tussen partijen betwist: de man zegt door en aan hem, de vrouw door en aan partijen samen. Geen van partijen onderbouwt zijn/haar stellingen met nadere stukken, of biedt specifiek bewijs aan. Ook hier zal de rechtbank het hiervoor weergegeven toetsingskader als uitgangspunt nemen, en vaststellen dat deze auto eigendom is van de man. De auto staat op naam van de man en wordt door de man gebruikt. Niet bestreden is dat de man de wegenbelasting voor deze auto heeft voldaan. Aan de hand van deze feiten stelt de rechtbank vast dat de man de auto voor zichzelf houdt en dus bezitter is. Gelet op het vorenstaande wordt hij dan vermoed eigenaar te zijn. Dit vermoeden is naar het oordeel van de rechtbank door de vrouw onvoldoende weerlegd. Ook deze auto zal dus niet bij een verdeling worden betrokken. De door de man in verband met de aankoop van deze auto opgevoerde DUO-schuld - wat daarvan ook zij - zal voor zijn rekening blijven.
De rechtbank zal de vordering van de man onder XXI, voor zover deze de Ford Transit betreft, toewijzen; de daarnaast door de vrouw betreffende deze auto ingestelde vorderingen worden afgewezen.
3.72.
Ten aanzien van de Landrover is niet in geschil dat partijen gemeenschappelijk eigenaar zijn en dat deze auto aan de man kan worden toegedeeld. De man stelt dat een deel van de koopprijs van de auto destijds van zijn moeder is geleend en dat daarmee bij de toedeling moet worden rekening gehouden. Hij onderbouwt deze stelling met een dagafschrift van de bankrekening van zijn moeder, waaruit blijkt dat zij destijds € 8.500,00 rechtstreeks aan [bedrijf 2] (bij welk bedrijf de auto is gekocht) heeft overgemaakt, onder vermelding van: “aanbetaling landrover discovery [de man] ”. Dat het hier gaat om een lening aan partijen, dan wel aan de man alleen, blijkt uit dit stuk niet; ook uit de verdere stukken kan daarvan niets blijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man zijn stelling dat sprake is van een lening, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal dan ook geen rekening houden met een lening.
De rechtbank zal de Landrover tegen de door de vrouw gestelde waarde van € 8.000,-- aan de man toedelen. In de stukken is weliswaar door de man een hogere dagwaarde genoemd, maar de vrouw heeft haar vordering daarop niet gewijzigd. Wegens overbedeling zal de man de helft van deze waarde, dus € 4.000,00, aan de vrouw dienen te vergoeden.
3.73.
Van de Citroën heeft de man als verweer op de vordering tot verdeling ervan met stukken onderbouwd gesteld dat deze eigendom is van zijn moeder, mevrouw [moeder van de man] . De vrouw heeft na overlegging van die stukken daar geen verweer meer tegen gevoerd, en zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De rechtbank stelt dan als onbetwist vast dat deze auto niet bij (één van) partijen, maar bij de moeder van de man in eigendom was. De vordering tot verdeling van deze auto wordt afgewezen.
3.74.
Van de aanhangwagen is niet betwist dat deze gemeenschappelijk eigendom was. De man heeft de door de vrouw gevorderde toedeling aan hem van de aanhangwagen (dan wel de daarvoor ontvangen verkoopsprijs) niet betwist. De man stelt dat hij de aanhangwagen heeft weggegeven in ruil voor een bootje voor de zoon van partijen; de vrouw stelt dat de aanhangwagen door de man is verkocht. Of voor de aanhangwagen geld is ontvangen, dan wel een ander voorwerp, maakt voor de bij de toedeling te betrekken waarde niet uit. Door zaaksvervanging is immers in plaats van de aanhangwagen het daarvoor ontvangen bedrag dan wel voorwerp gemeenschappelijk eigendom geworden en dient dat te worden verdeeld (artikel 3:167 BW). De door de vrouw gestelde waarde (dan wel verkoopprijs) van de aanhangwagen van € 400,00 is door de man niet betwist; dat het bootje mogelijk minder waard is, blijft voor risico van de man, die met deze gestelde ruil akkoord is gegaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat man uitsluitend tezamen met de vrouw bevoegd was om tot ruil van de aanhangwagen over te gaan en gesteld noch gebleken is dat de vrouw hiermee heeft ingestemd (artikel 3:170, derde lid). De rechtbank zal aldus beslissen; de man dient dan wegens overbedeling een bedrag van € 200,00 aan de vrouw te vergoeden.
3.75.
Samenvattend zal de rechtbank ten aanzien van de voertuigen beslissen dat de Volkswagen en de Ford Transit eigendom zijn van de man en niet bij de verdeling worden betrokken, dat de Landrover en de (vervanging van de) aanhangwagen worden toegedeeld aan de man, en dat hij de vrouw in verband met overbedeling een vergoeding dient te betalen van € 4.200,--. Alle overige vorderingen, die in verband met de voertuigen zijn gedaan, worden afgewezen.
F. Spaarrekeningen kinderen
3.76.
Beide partijen erkennen van de spaarrekeningen van de kinderen gelden te hebben opgenomen. De man heeft een bedrag van € 15.245,46 van de spaarrekening op naam van [zoon] opgenomen. De vrouw heeft een bedrag van € 6.171,79 van de spaarrekening op naam van [dochter 1] opgenomen. Daarnaast blijkt uit de stukken - en dit is door de vrouw niet betwist - dat de vrouw van de rekening van [dochter 2] een bedrag van € 475,31 en van de spaarrekening op naam van [dochter 1] een bedrag van € 506,76 naar zichzelf heeft overgeboekt. De handelingen van partijen, zo is ter zitting duidelijk geworden, vinden hun oorsprong in hetzelfde motief: een wederzijds gebrek aan vertrouwen tussen partijen.
3.77.
Ter zitting is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de opgenomen bedragen aan de kinderen toekomen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld in onderling overleg een regeling te treffen met betrekking tot de aan de kinderen toekomende gelden, waaronder de terugstorting van de opgenomen bedragen en de wijze waarop deze gelden in het vervolg voor de kinderen worden beheerd. Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij (ook) op dit punt geen overeenstemming hebben bereikt en dat zij de beslissing over dit geschil aan de rechtbank overlaten. De rechtbank merkt op dat tijdens de mondelinge behandeling aan partijen is voorgehouden dat dit geschil bij de kantonrechter aanhangig had moeten worden gemaakt. De rechtbank zal zich daarom eerst uitlaten over haar bevoegdheid om op dit geschilpunt te beslissen.
3.78.
Niet in geschil is dat de saldi van de genoemde rekeningen, die op naam van de kinderen staan, tot het vermogen van de kinderen behoren en dat op deze rekeningen werd gespaard voor de kinderen. De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. Op grond van artikel 1:253i lid 1 BW voeren ouders die gezamenlijk gezag hebben gedurende de minderjarigheid gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun kinderen.
Vaststaat dat de man en de vrouw de hiervoor genoemde bedragen zonder toestemming van de ander van de rekeningen van de kinderen hebben opgenomen. De gelden zijn elders geparkeerd en nog niet uitgegeven. Uit de vorderingen van partijen en de toelichting daarop leidt de rechtbank af dat het geschil niet gaat over de eigendom van de gelden, maar over de wijze waarop het beheer van de spaargelden van de kinderen wordt uitgevoerd: of dit door de man of de vrouw alleen gebeurt, of dat beiden gezamenlijk ieder de helft van het vermogen beheren. Artikel 1:253i lid 2 BW bepaalt dat geschillen daarover moeten worden voorgelegd aan de kantonrechter en niet aan de rechtbank. De rechtbank zal dit geschil over de spaargelden van de kinderen daarom verwijzen naar haar team kanton (artikel 71 Rv). De zaak zal worden verwezen in de stand waarin deze zich thans bevindt.
G. De vennootschap onder firma [V.O.F. 1]
3.79.
De man en de vrouw zijn in 2022 met elkaar de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] (hierna: de vof) aangegaan, waarin onderwijsactiviteiten werden verricht. Zij hebben daartoe niet een vennootschapscontract opgesteld en ondertekend; de afspraken zijn mondeling gemaakt.
3.80.
Sinds de beëindiging van hun relatie hebben de man en de vrouw veel discussie gevoerd over de vof, de daarin te verrichten werkzaamheden en de toekomst van de samenwerking. Zij hebben daarin weinig overeenstemming bereikt. Inmiddels is duidelijk dat geen van beiden de vof zal voortzetten en dat vereffening zal moeten plaatsvinden. Voor zover is gevorderd de vof aan de man of aan de vrouw toe te delen, zal dit dan ook worden afgewezen.
3.81.
Allereerst zal de peildatum voor de vereffening moeten worden vastgesteld. De man en de vrouw verschillen daarover van mening: de man stelt primair als peildatum 1 januari 2024 en subsidiair 20 maart 2025; de vrouw stelt als peildatum 1 september 2025.
3.82.
Bij de beoordeling van de vraag naar de peildatum is het volgende van belang. De beëindiging van een vof wordt ingeluid door de ontbinding ervan. Vanaf het moment van ontbinding strekt de rechtsverhouding binnen de vof nog slechts tot vereffening (‘liquidatie’) van de vennootschapsaangelegenheden: lopende zaken moeten worden afgewikkeld, schulden betaald, vorderingen geïnd en zo nodig (of wenselijk) worden activa van de vennootschap te gelde gemaakt. Daarna vindt de verdeling plaats van het resterende vennootschapsvermogen onder de deelgenoten. Pas daarna is de vennootschap beëindigd en is zij opgehouden te bestaan. Op grond van artikel 7A:1683 onder 3° BW wordt een vof ontbonden door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten.
Nadat de relatie tussen de man en de vrouw was geëindigd, is er, zo blijkt uit de overgelegde stukken, aanvankelijk sprake geweest van een voorgenomen uittreding van de vrouw (per 1 november 2023) en voortzetting van de vof door de man. Later heeft de vrouw - naast de man - (weer) betrokkenheid bij de vof getoond en vervolgens heeft de man bij bericht van 20 maart 2025 aan de vrouw de vof formeel opgezegd. De vrouw heeft die opzegging bestreden als zijnde in strijd met de redelijkheid en billijkheid, en heeft (in verband met lopende contracten) als redelijke datum van beëindiging van de vof genoemd 1 september 2025.
3.83.
Dat sprake is geweest van een voorgenomen uittreding door de vrouw per 1 november 2023 maakt niet dat 1 januari 2024 als peildatum voor vereffening moet worden gehanteerd. Een voorgenomen uittreding kan niet zonder meer worden gezien als een opzegging van de vennootschap. Het is eerder de aankondiging van een opzegging. Uit de stukken blijkt dat de man en de vrouw na deze aankondiging met elkaar zijn blijven discussiëren over (de werkzaamheden binnen) de vof en over hoe de uittreding van de vrouw vorm zou moeten krijgen; nergens blijkt dat de vrouw daadwerkelijk tot een opzegging is gekomen. Ook als de vrouw na november 2023 (al dan niet als gevolg van ziekte) in de vof geen werkzaamheden meer zou hebben verricht - zoals de man stelt, maar de vrouw, uitdrukkelijk en onderbouwd met stukken, bestrijdt - kan daaruit niet worden geconcludeerd tot beëindiging of opzegging van de vof. Dit komt doordat er geen duidelijkheid is gegeven over de tussen de vennoten gemaakte afspraken over wat elk van hen zou inbrengen in de vof. Zonder die duidelijkheid kan dus ook niet worden vastgesteld dat de vrouw zich uitdrukkelijk aan (haar verplichtingen in) de vof onttrok. Overigens stelt de rechtbank vast dat ook de man er kennelijk van is uitgegaan dat de vrouw na 1 november 2023 nog steeds vennoot was; uit de door hem overgelegde uitgebreide correspondentie met de vrouw in de periode na 1 november 2023 blijkt dat de man en de vrouw zijn blijven communiceren als waren zij vennoten. De rechtbank verwijst in dit verband meer specifiek naar de brief van 6 maart 2025 van de man aan de vrouw (productie 121 van de man), waarin de man drie ‘scenario’s’ schetst over wat er met de vof moet gebeuren, terwijl in geen van deze scenario’s ervan wordt uitgegaan dat de vof al is ontbonden.
3.84.
De rechtbank zal als peildatum voor de vereffening van de vof de datum van opzegging door de man, 20 maart 2025, vaststellen. In een bericht van die datum aan de vrouw heeft de man de vof per direct opgezegd, waardoor de vof op grond van artikel 7A:1683 BW per die datum is ontbonden. Alleen wanneer een dergelijke opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, kan deze worden vernietigd, zo bepaalt artikel 7A:1686 BW. Op deze bepaling doet de vrouw een beroep. De rechtbank verwerpt dat beroep. Uit de stukken blijkt dat de man en de vrouw in elk geval vanaf eind 2023 niet meer in staat zijn geweest tot een vruchtbare samenwerking in de vof; zij hebben ieder een eigen beleving van wat er in de vof (wel of niet) gebeurde, en beschuldigen elkaar ervan zonder overleg allerlei financiële transacties te verrichten. Tussen de vennoten is het vertrouwen geheel verdwenen; dat de samenwerking vanaf eind 2023 geen toekomst meer had, moet voor beide vennoten dan ook volstrekt duidelijk zijn geweest. Daarbij komt dat de man in de conclusie van antwoord van 22 januari 2025 al heeft gesteld dat hij ontbinding van de vof op grond van gewichtige redenen - gelegen in de onmogelijkheid van langer samenwerken - wilde. Gelet op al die omstandigheden kan de door de man gedane opzegging per direct van de samenwerking op 20 maart 2025 niet als onredelijk of onbillijk worden gezien. Feiten en omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, zijn door de vrouw niet gesteld of gebleken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de subsidiaire vordering van de man onder XXVII sub 1.5 en 1.6 toewijzen;
3.85.
Op de mondelinge behandeling is besproken dat een deskundige dient te worden benoemd, die onderzoek dient te doen naar de in de vof van en naar (de bedrijven van) partijen plaatsgevonden hebbende geldstromen sinds de beëindiging van hun relatie, en naar het bij de vereffening te betrekken vennootschapsvermogen. De man en de vrouw hebben na de mondelinge behandeling laten weten het met elkaar eens te zijn dat dat onderzoek kan worden verricht door de heer [accountant] (accountant), die partijen eerder al aanwezen als deskundige ter zake van de verrekening van de verhuuradministratie. De man heeft bij brief van 20 mei 2026 de rechtbank laten weten dat de heer [accountant] niet meer bereid is het onderzoek te verrichten. De heer [accountant] heeft dit aan de rechtbank desgevraagd bevestigd. Gelet hierop heeft de rechtbank zelf de heer [naam 4] verbonden aan Crossminds B.V. als deskundige aangezocht. Deze deskundige heeft aangegeven bereid en in staat te zijn het onderzoek te verrichten en vrij te staan van partijen. De deskundige heeft in dit verband nader naar voren gebracht - de in r.o. 3.86 opgenomen - vraag 2 niet te kunnen beantwoorden aangezien hij/zijn bedrijf geen jaarrekeningen samenstellen en uitbrengen. Om die reden heeft de deskundige opgemerkt de opdracht te willen uitvoeren met mevrouw [naam 5] AA verbonden aan Moore DRV te Goes. Moore DRV is, aldus de deskundige, tevens de moederorganisatie van Crossminds. De rechtbank is voornemens deze deskundige te benoemen, waarbij de deskundige voor werkzaamheden die hij zelf niet kan uitvoeren de door hem genoemde derde kan inschakelen. Aan het deskundigenbericht zijn kosten verbonden. Het benodigde voorschot voor het honorarium van de deskundige wordt door de deskundige vooralsnog begroot op € 30.224,-- excl. BTW en € 36.571,04 incl. BTW. De voorschotindicatie is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De rechtbank is voornemens het voorschot ten laste van partijen te brengen, ieder voor de helft. Partijen zullen zich hierover nog kunnen uitlaten, waarna de definitieve benoeming zal plaatsvinden.
3.86.
De man en de vrouw hebben vragen geformuleerd, die zij aan de deskundige voorgelegd willen zien. De rechtbank zal, rekening houdend met deze wensen, de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:
1. Welke (aanvullende) informatie heeft u nog nodig om de jaarrekeningen over 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar) van [V.O.F. 1] vof (hierna: de vof) te kunnen concipiëren en afronden?2. Wilt u (nadat u voornoemde (aanvullende) informatie van de vennoten hebt verkregen – of, wanneer dat niet zo is, met vermelding van wat de afwezigheid van die informatie voor de te noemen jaarrekeningen betekent) de jaarrekeningen van de vof over 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar) opstellen?
3. Wilt u de kapitalen van beide vennoten vaststellen op:
- het moment van aangaan van de vof;
- per 31 december van elk boekjaar (2023, 2024), en
- per 20 maart 2025.
4. Wilt u een overzicht opstellen van alle stortingen en alle onttrekkingen door de beide vennoten over de jaren 2023 en volgende tot 20 maart 2025, waar mogelijk met specificatie?
5. Wilt u een overzicht opstellen van alle betalingen door [V.O.F. 1] aan [B.V. 1] en aan [B.V. 2] over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar), waar mogelijk met specificatie?
6. Wilt u een overzicht opstellen van (a) de omzet, welke behoort bij de vof – doordat de opdracht (omzet) op naam van de vof is binnengehaald – maar is gefactureerd door andere entiteiten, en (b) de omzet die wel is ontvangen door de vof maar is doorbetaald aan andere entiteiten waarin (één van) beide venno(o)t(en) een beslissende stem in de besluitvorming hebben? Wilt u voorts een overzicht opstellen van de kosten die bij de aldus aan andere entiteiten toegedeelde omzet behoren, voor zover deze in de vof zijn verantwoord?
7. Wilt u een gespecificeerd debiteurenoverzicht en een gespecificeerd crediteurenoverzicht opstellen over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar)?
8. Wilt u een overzicht opstellen van de toedeling van de winst en/of het verlies in de kapitalen van de vennoten over de jaren 2023, 2024 en 2025 (tot 20 maart van dat jaar), uitgaande van een gerechtigdheid tot het resultaat van elk van de vennoten van 50%? Wilt u daarbij ook een berekening maken van een eventuele stakingswinst of een stakingsverlies?
9. Wilt u een slotbalans en een eindafrekening van de vof per 20 maart 2025 opstellen, en toelichten hoe de resultaten en kapitalen van beide vennoten dienen te worden verrekend?
10. Wilt u een overzicht opstellen van de investeringen waarvoor fiscale faciliteiten gelden teneinde een en ander correct te kunnen verwerken in de aangiften inkomstenbelasting van de vennoten?
3.87.
De rechtbank zal enkele door de man en de vrouw voorgestelde vragen niet aan de deskundige voorleggen, omdat zij onnodig specificeren (de toevoegingen van de man op de vragen iv, v en vii) of omdat zij al in andere vragen zijn opgenomen (de vragen 1 en 2 die de vrouw voorstelde worden al ondervangen met haar vraag 7, hierboven vraag 4).
3.88.
De man heeft nog gevraagd om de deskundige te vragen om bij het in vraag 8 bedoelde overzicht rekening te houden met een - naar hij stelt: tussen de vennoten overeengekomen - arbeidsvergoeding voor hem (vanaf 1 januari 2024) van € 2.500,00 netto per maand. De vrouw heeft zich tegen die arbeidsvergoeding verzet; zij stelt dat tussen de man en haar nimmer een arbeidsvergoeding voor de man is overeengekomen.
3.89.
De rechtbank stel voorop dat in een vof vennoten samen voor gezamenlijke rekening en risico (bedrijfs-)activiteiten verrichten; een vennoot is niet in dienst van de vof en ontvangt ook niet een (vast) loon. Het inkomen van de vennoten bestaat uit een aandeel in de winst. Een vennoot kan wel vooruitlopend op de vaststelling van de winst periodiek een tussen de vennoten afgesproken bedrag opnemen. Een dergelijke opname is dan te beschouwen als een voorschot op het te ontvangen winstaandeel van die vennoot. Een arbeidsvergoeding valt te kenmerken als een afspraak tussen de vennoten waarbij de ene vennoot wordt gecompenseerd voor geleverde (meer)arbeid, waarbij die compensatie voorafgaat aan (en los staat van) de percentuele verdeling van de (rest)winst. Die arbeidsvergoeding zal alleen dan aan de man kunnen worden toegekend, als uitdrukkelijk vast staat dat daarover tussen de vennoten overeenstemming was.
3.90.
De man baseert zijn gerechtigdheid op een arbeidsvergoeding zoals door hem gesteld, op tussen partijen gemaakte afspraken. De vrouw betwist dat er dergelijke afspraken zijn gemaakt. Dat betekent dat de man zijn stelling zal dienen te onderbouwen en, zo nodig, bewijzen.
3.91.
De man verwijst voor de door hem gestelde afspraak naar een bijeenkomst van 13 juni 2024, waarin deze zou zijn gemaakt. De man geeft geen nadere toelichting op de toen gemaakte afspraak, en legt daarvan ook geen stukken over. Hij legt enkel een mailbericht van een jaar later (8 juli 2025) van de accountant van partijen over, waarin deze een afspraak over een arbeidsbeloning voor de man noemt, stellende dat die in notulen (waarvan voor de rechtbank niet duidelijk is wanneer, van welke bijeenkomst en door wie deze is opgemaakt en evenmin of die notulen door de deelnemers aan de bespreking zijn goedgekeurd) is vermeld; hij citeert uit die notulen:
“Afgesproken wordt dat zowel [de man] als [de vrouw] geen bedragen meer van de rekening van [V.O.F. 1] opnemen. [de man] mag wel een arbeidsvergoeding van € 2.500,-- per maand opnemen.”
Vervolgens geeft de accountant aan dat deze afspraak niet zonder meer duidelijk is en toelichting vraagt:
“Je zou het zo kunnen zien dat je voorafgaand aan de verdere winstverdeling € 30.000 als arbeidsvergoeding mag zien en dat daarna de winst 50-50 wordt verdeeld. Ik denk ook dat jij het zo ziet.
Ik weet alleen niet of dit ook zo bedoeld is. Vaak neem je een voorschot op (hierboven staat ook 'opnemen') en komt dat in mindering op wat je uiteindelijk tegoed hebt via de winstverdeling (die voorheen 50-50 was). Als dat is bedoeld dan zou de winstverdeling 50-50 blijven.”
Gelet op de inhoud van dit bericht stelt de rechtbank vast dat voor de accountant niet zonder meer duidelijk was dat een arbeidsvergoeding aan de man, die niet een voorschot is op het winstaandeel van de man, was afgesproken. Dit betekent dat het bericht van de accountant geen bewijs oplevert van de stelling van de man dat een afspraak is gemaakt zoals hij stelt.
3.92.
Gezien het vorengaande heeft de man, in het licht van de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd gesteld dat tussen partijen is afgesproken dat aan de man een arbeidsvergoeding wordt toegekend, die niet een voorschot is op het door hem te ontvangen winstaandeel. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Zij zal ervan uitgaan dat de opgenomen bedragen een voorschot zijn geweest op het winstaandeel van de man en dat betekent dat deze op die (in een vof gebruikelijke) wijze in de jaarstukken dienen te worden meegenomen. De deskundige wordt verzocht aldus met die opnames om te gaan; de rechtbank zal hem niet de door de man op dat punt voorgestelde vraag voorleggen.
3.93.
De vrouw heeft nog gesteld dat de man (jegens haar dan wel jegens de vof) onrechtmatig heeft gehandeld; zij stelt dat zij, dan wel de vof, daardoor schade heeft geleden. Zij noemt in dit kader het doorsluizen door de man van opdrachten en/of omzet van de vof naar een nieuw door hem opgerichte onderneming, en door de man aan haar - door gesteld niet nakomen van een kort-geding-vonnis - verbeurde dwangsommen. In de aan de deskundige voor te leggen vragen is (hierboven) al betrokken de mogelijkheid dat er omzet van de vof, die bij de vereffening behoort te worden betrokken, elders is terechtgekomen; de deskundige wordt gevraagd daarnaar onderzoek te doen en daarover te rapporteren. Voor het overige gaat de rechtbank aan de hier bedoelde stellingen van de vrouw voorbij, alleen al omdat zij aan haar stellingen geen (nadere) vorderingen heeft verbonden, zodat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven.
H. De aandelen [B.V. 3]
3.94.
De man en de vrouw hebben een aantal jaren ook activiteiten verricht in nog een andere vennootschap onder firma, [V.O.F. 2] (hierna: [V.O.F. 2] ). Eind juni 2022 is door de persoonlijke holdings van de man en de vrouw de besloten vennootschap [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ) opgericht; de beide holdings houden de aandelen van deze B.V. ieder voor 50%. [B.V. 3] heeft de vennootschap [B.V. 4] opgericht. Via een fiscaal geruisloze inbreng zijn de activiteiten van [V.O.F. 2] via de holdings en [B.V. 3] aan [B.V. 4] overgedragen. [B.V. 3] heeft de aandelen in [B.V. 4] per 1 september 2023 verkocht aan een derde (de [B.V. 5] , gevestigd te [plaats 5] ). [B.V. 3] is nog wel eigenaar van een schoolbus en van liquide middelen op een bankrekening ((restanten van) de verkoopopbrengsten van de aandelen [B.V. 4] en van een door [B.V. 3] verkocht pand in Goes). Alle partijen hebben een rekening-courantverhouding met [B.V. 3] . In de procedure is verder nog gesteld dat [B.V. 3] door [B.V. 5] voor de gevolgen van gesteld onrechtmatig handelen aansprakelijk is gesteld en [B.V. 5] in dat kader mogelijk een vordering op [B.V. 3] zal geldend maken. Daarnaast heeft de (holding van de) man gesteld dat de B.V. nog schulden heeft aan de moeder van de man, mevrouw [moeder van de man] , ter hoogte van in totaal € 70.942,00. Voorts is door de (holding van de) man gesteld dat - op grond van een afspraak tussen de man en de vrouw - rekening moet worden gehouden met een veel grotere inbreng van de (holding van de) man in [B.V. 3] dan die van de (holding van de) vrouw; (de (holding van de) man stelt een verschil van € 140.290,00).
3.95.
In deze procedure vorderen de holdings afwikkeling van [B.V. 3] . Nu geen van de holdings de aandelen toegedeeld wil krijgen, zal [B.V. 3] moeten worden geliquideerd. De waarde van de door de holdings gehouden aandelen van [B.V. 3] - zijnde de omvang van haar vermogen - zal dus moeten worden vastgesteld.
3.96.
De omvang van het vermogen van [B.V. 3] dient te worden bepaald op de waarde van de activa minus die van de passiva, zoveel mogelijk op het moment van liquidatie, zo is tussen partijen niet in geschil. De activa bestaan uit het saldo op de bankrekening en de (waarde van de) schoolbus. Mogelijke passiva zijn de gestelde schulden aan de moeder van de man en de nog onzekere vordering van de [B.V. 5] Voorts zijn van belang de rekening-courantschulden die [B.V. 3] heeft aan de man en de vrouw. Bij de liquidatie zullen ten slotte de rekening-courantschulden aan de holdings, zijnde de aandeelhouders in [B.V. 3] dienen te worden betrokken.
3.97.
Het bij de vaststelling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] te betrekken saldo van de bankrekening per datum liquidatie kunnen de holdings eenvoudig zelf vaststellen.
3.98.
Over de (waarde van de) schoolbus twisten de holdings. Aan de door de (holding van de) man lopende de procedure ingenomen stelling dat de bus privé-eigendom van de man is, gaat de rechtbank voorbij. Deze stelling strookt niet met de eerder door de (holding van de) man overgelegde stukken, waarin de bus steeds als vermogensbestanddeel van [B.V. 3] is benoemd. Bovendien is er geen onderbouwing van de onjuistheid van die eerdere stelling gegeven. Nu de holdings het over de waarde van de bus niet met elkaar eens zijn, zal die waarde door een deskundige moeten worden vastgesteld.
3.99.
De rechtbank is dan ook voornemens om een taxateur in de persoon van de heer [naam 6] R.e., erkend taxateur, wonende in [plaats 4] tot deskundige te benoemen aan wie de volgende vragen zullen worden voorgelegd:
1. wat is de waarde van de schoolbus bij vrije onderhandse verkoop op de datum van het deskundigenbericht; 2. welke opmerkingen zijn naar het oordeel van de deskundige verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?
Voornoemde deskundige heeft zich bereid verklaard om de opdracht aan te nemen. De rechtbank is voornemens deze deskundige te benoemen. Aan het deskundigenbericht zijn kosten verbonden. Het benodigde voorschot voor het honorarium van de deskundige wordt door de deskundige vooralsnog begroot op € 2.770,90 (inclusief BTW). De voorschotindicatie is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De rechtbank is voornemens het voorschot ten laste van de holdings te brengen, ieder voor de helft. De holdings zullen zich hierover nog kunnen uitlaten, waarna de definitieve benoeming zal plaatsvinden.
3.100. Gelet op de wijze waarop het debat over de door de (holding van de) man gestelde lening van de moeder van de man van € 32.000,00 is gevoerd, betrekt de rechtbank deze (zoals hiervoor in r.o. 3.42 al aangegeven) als passivum bij de bepaling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] . Immers, uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw destijds deze lening kende, en daarvan heeft aangegeven dat deze aan de moeder van de man zou worden terugbetaald, zodra het geld op de rekening van [V.O.F. 2] (nu [B.V. 3] ) zou staan (prod. 16 van de man). De rechtbank leidt daaruit af dat de vrouw erkent dat sprake was van een schuld van [V.O.F. 2] - nu dus van [B.V. 3] . Dat de vrouw deze erkenning onder dwang zou hebben gedaan, zoals zij stelt, is op geen enkel wijze onderbouwd; de rechtbank gaat daaraan voorbij.
3.101. De man heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [B.V. 3] daarnaast nog een bedrag van € 41.563,55 aan zijn moeder moet terugbetalen, eveneens uit hoofde van een leningsovereenkomst. Volgens de man heeft zijn moeder destijds meerdere bedragen geleend aan [V.O.F. 2] (nu [B.V. 3] ). De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de stukken blijkt dat van de bankrekening van de moeder van de man diverse grotere en kleinere bedragen naar de man, de vrouw en (destijds) [V.O.F. 2] zijn overgemaakt. Van die bedragen zijn (tot een totaalbedrag van € 70.942,00) overzichten en stortingsbewijzen door de (holding van de) man overgelegd; op die stortingsbewijzen wordt soms aangegeven dat sprake is van een lening of een krediet, maar vaker wordt daarover niets vermeld. Uit geen enkel ander overgelegd stuk kan worden afgeleid dat [B.V. 3] (of [V.O.F. 2] ) deze betalingen als leningen heeft ingeboekt; leningsovereenkomsten met de moeder zijn niet overgelegd en uit een overgelegd stuk van een belastingadviseur blijkt dat deze door de (holding van de) man gestelde leningen - kennelijk - door de moeder van de man niet als vorderingen op [B.V. 3] (of voorheen [V.O.F. 2] ) in haar belastingaangifte waren opgenomen. Gelet op al deze omstandigheden, en gezien de betwisting door de (holding van de) vrouw, kan niet worden vastgesteld dat [B.V. 3] (naast de al genoemde schuld van € 32.000,00) nog schulden heeft aan de moeder van de man van in totaal van € 41.563,55). Zij zullen dan ook niet als passiva bij de vaststelling van het vermogen van [B.V. 3] worden betrokken.
3.102. Ten slotte is er de gestelde vordering van de [B.V. 5] op [B.V. 3] . Deze vordering is door [B.V. 5] bij [B.V. 3] ingediend bij mailbericht van 1 augustus 2025. De vordering beliep op dat moment een totaalbedrag van € 80.352,84. Gesteld noch gebleken is dat deze vordering door [B.V. 5] in rechte is ingediend en evenmin is gebleken dat de vordering door [B.V. 3] (in rechte) is erkend. Onder die omstandigheden kan de rechtbank in de onderhavige procedure - waarin [B.V. 5] geen partij is -niet vaststellen dat sprake is van een vaststaande vordering op [B.V. 3] . Zij zal deze vordering dan ook niet als passivum kunnen betrekken bij de vaststelling van de omvang van het vermogen van [B.V. 3] . Mocht de vordering op enig moment wel (geheel of ten dele) komen vast te staan, dan is het aan de holdings om deze alsnog bij de waardebepaling van hun aandelen in [B.V. 3] te betrekken.
3.103. Het vorenstaande betekent dat de omvang van het vermogen van [B.V. 3] moet worden vastgesteld als volgt: de activa (het saldo van de bankrekening van [B.V. 3] + de waarde van de bus) – de passiva (de schuld aan mw. [moeder van de man] van € 32.000,00 + de rekening-courantschulden aan de man en de vrouw in privé). Ter liquidatie van [B.V. 3] zullen vervolgens de vorderingen in rekening-courant op [B.V. 3] van beide holdings aan hen moeten worden uitbetaald.
3.104. Het dan nog resterende deel van het vermogen van [B.V. 3] dient tussen de holdings (als zijnde de waarde van de door hen gehouden aandelen) naar rato van hun aandelenbezit (dus voor elk 50%) te worden uitgekeerd.
3.105. Tussen de holdings is in discussie of bij de hiervoor onder r.o. 3.104 genoemde afrekening tussen de holdings een correctie moet worden gemaakt in verband met een ongelijke inbreng door de holdings in [B.V. 3] . De (holding van de) man stelt daartoe dat de man in privé destijds in [V.O.F. 2] (veel) meer heeft ingebracht dan de vrouw, en dus tussen de man en de vrouw de afspraak is gemaakt dat die meer-inbreng van de man (van
€ 140.290,00) aan hem zou worden terugbetaald. De (holding van de) man heeft voorts gesteld dat - buiten zijn medeweten en instemming - die meer-inbreng niet tot uitdrukking is gekomen in de stukken die verband houden met de betreffende storting op aandelen in de holding van de man en vervolgens ook niet bij de doorstorting in [B.V. 3] ; de man stelt dat alle stukken die daartoe zijn gebruikt, valselijk (door de vrouw) van zijn handtekening zijn voorzien.
3.106. De rechtbank stelt allereerst vast dat mogelijke valsheid in de inbrengverklaringen en oprichtingsstukken van de holdings en [B.V. 3] geen bewijs kan opleveren van de stelling van de (holding van de) man dat er sprake is geweest van een meer-inbreng aan de zijde van die holding, en dat daarmee bij de oprichting van [B.V. 3] ten onrechte geen rekening is gehouden. Als aangenomen wordt dat de stukken vals zijn, dan is daarmee immers op zichzelf nog niet gegeven dat sprake is van een (overeengekomen) meer-inbreng, althans dat de (holding van de) man recht bleef houden op vergoeding van deze gestelde meer-inbreng. Uit alle overige stukken blijkt verder dat tussen de man en de vrouw weliswaar is gesproken over een mogelijke meer-inbreng door de man in [V.O.F. 2] , maar nergens kan blijken dat het de bedoeling van partijen was dat de waarde van de inbreng van die onderneming in de holdings - en vervolgens in [B.V. 3] - anders zou zijn dan in de oprichtingsstukken is opgenomen. Uit de stukken blijkt nergens dat tussen de man en de vrouw is gesproken over een ongelijke inbreng in de B.V.’s, dan wel dat ondanks het gelijktrekken van de kapitaalposities de man recht bleef houden op het door hem genoemde bedrag. Dat stelt ook de vrouw en voorts is namens de (holding van de) man in de conclusie van antwoord (randnummer 104) daarover het navolgende gezegd:
“Bij deze omzetting ging het om een gebruikelijke boekhoudkundige aanpassing om de kapitaalposities gelijk te trekken bij inbreng, zoals door de toenmalige accountant geadviseerd. Bij de omzetting werd administratief de kapitaalpositie gelijkgetrokken voor een overzichtelijke aandeelhoudersstructuur (van 50/50). Deze aanpassing had geen enkele invloed op de feitelijke financiële inbreng van de man of de juridische status daarvan. De accountant heeft zulks bevestigd.”
Op grond hiervan moet de rechtbank vaststellen dat het uitdrukkelijk de bedoeling van partijen is geweest om - wat er zij van een eventuele ongelijke inbreng in [V.O.F. 2] - in [B.V. 3] met een gelijkgetrokken kapitaalpositie te beginnen en dus dat de holdings gelijk zouden inbrengen. Met die bedoeling komen de oprichtingsstukken van de holdings en van [B.V. 3] overeen; of zich mogelijk bij de ondertekening van die stukken onregelmatigheden hebben voorgedaan maakt dat niet anders, en is voor het hier aan de orde zijnde geschilpunt dan ook niet relevant. Voldoende staat wel vast, dat de man en de vrouw voorafgaand aan de herstructurering van [V.O.F. 2] hebben gesproken over een mogelijk feitelijke ongelijke inbreng in [V.O.F. 2] . Welke afspraken zij daarover onderling - als vennoten - hebben gemaakt kan echter uit de stukken niet blijken. Wat daarvan zij, het gaat daarbij niet om een factor die van belang is bij de liquidatie van de door de holdings opgerichte [B.V. 3] , waarvan immers vast staat dat die holdings daarin ieder met instemming van hun aandeelhouders een gelijke inbreng hebben gehad. Bij de afwikkeling van de door elk van de holdings in [B.V. 3] gehouden 50% van de aandelen zal dan ook moeten worden uitgegaan van die gelijke inbreng – en dus van een gelijk aandeel in de waarde van alle aandelen, zoals dat uit de berekening, hiervoor onder r.o. 3.103 weergegeven, kan blijken. Er zal ten aanzien van de holding van de man niet een correctie in verband met meer-inbreng dienen plaats te vinden. Of mogelijk tussen de man en de vrouw als (voormalig) vennoten van [V.O.F. 2] nog in verband met de gestelde meer-inbreng een afrekening dient plaats te vinden, kan de rechtbank niet beoordelen, al om reden dat een dergelijke vordering in deze procedure niet is ingesteld.
3.107. Het vorengaande voert dan ook tot de slotsom dat de vorderingen van de holding van de man onder XXVIII dienen te worden afgewezen. De holding van de man heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van het gestelde onrechtmatige handelen door de vrouw en de schadeclaim van [B.V. 5] schade heeft geleden doordat de aandelen in [B.V. 3] minder waard zijn geworden. Nu, naar de rechtbank hiervoor heeft overwogen, deze schadeclaim op dit moment geenszins vaststaat, kan ook niet worden geoordeeld of de holding van de man hierdoor schade heeft geleden. De vraag of de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schade heeft veroorzaakt, zal -zo nodig- moeten worden beantwoord in een procedure waar ook Athenaschool B.V partij is. De rechtbank wijst deze vorderingen dan ook af. Uit het vorengaande volgt verder dat en waarom de vorderingen van de holding van de man onder XXIX, primair, sub A, B, C, E, en F, en subsidiair en XXX dienen te worden afgewezen.
3.108. De rechtbank gaat ervan uit dat de holdings, nadat de waarde van de schoolbus is vastgesteld, op grond van al het bovenstaande zelf in staat zullen zijn de waarde van de aandelen [B.V. 3] vast te stellen. De rechtbank geeft daarom de holdings in overweging te bezien of zij zelf kunnen komen tot een waardebepaling van de bus en verdere afwikkeling van [B.V. 3] . De rechtbank verzoekt de holdings zich op de hierna te noemen rol uit te laten of dit hen is gelukt. De rechtbank zal de vorderingen ten aanzien van de afwikkeling van [B.V. 3] in het licht hiervan aanhouden.
3.109. Alle overige vorderingen waar de rechtbank geen beslissing op heeft genomen zullen worden aangehouden.
4De beslissing
In conventie en in reconventie
De rechtbank:
Schuld [vader van de man] ;
4.1.
bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 150.000,00 aan [vader van de man] ;
4.2.
wijst de vordering van de man (zoals opgenomen onder VII in het tussenvonnis van 17 december 2025) voor het overige af;
Schuld [moeder van de man] ;
4.3.
wijst de vordering van de man (zoals opgenomen onder VIII in het tussenvonnis van 17 december 2025) ter zake van de schuld aan [moeder van de man] af;
Verhuuradministratie;
4.4.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 20.791,74, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na heden tot aan de dag van algehele voldoening en wijst de vordering van de man onder IX voor het overige af;
Huurpenningen [adres 4] ;
4.5.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 3.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf drie maanden na heden tot aan de dag van algehele voldoening en wijst de vordering van de man onder X voor het overige af;
Pand Portugal;
4.6.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de vrouw onder A (zesde bullet) en onder H, alsmede van de vordering van de man onder XI;
4.7.
gelast de navolgende wijze van verdeling van het pand Portugal:
1) het pand Portugal en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta bank wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de man dient aan de vrouw binnen één week na afgifte van dit vonnis schriftelijk drie in het CMVM-register in Portugal ingeschreven taxateurs voor te stellen, waarvan de vrouw er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie taxateurs voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een taxateur te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde taxateurs een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie taxateurs uit te kiezen. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze taxateur om het pand Portugal tegen de actuele waarde te taxeren. Bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak dient de taxateur uit te gaan van de huidige toestand van de onroerende zaak, derhalve zonder een wateraansluiting. Deze taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de onroerende zaak zal overnemen;
b. de man dient binnen zes maanden na afgifte van dit vonnis aan de vrouw aan te tonen dat hij het pand Portugal tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de onroerende zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta Bank en tegen betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw;
c. de man dient de helft van de overwaarde aan de vrouw te betalen ten tijde van de overdracht van de onroerende zaak bij een door de man aan te wijzen notaris in Portugal. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de hoogte van de hypothecaire schuld bij de Caixadirecta Bank ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de taxateur;
d. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de onroerende zaak, welke uiterlijk binnen acht maanden na afgifte van dit vonnis plaatsvindt;
e. de man zal een door hem aan te wijzen notaris in Portugal de opdracht geven de akte van verdeling en levering op te stellen, waarbij de kosten van de notariële overdacht door de man worden voldaan;
2) indien de man het pand Portugal niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt het pand Portugal verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. nadat de onder 1) genoemde termijn van zes maanden is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt het pand Portugal niet te kunnen overnemen dienen partijen aan een door hen gezamenlijk aan te wijzen makelaar opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Daartoe dient de vrouw aan de man binnen één week na de hiervoor genoemde termijn schriftelijk drie makelaars voor te stellen, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de vrouw niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen. De door de taxateur tussen partijen bindend vastgestelde waarde (zie hiervoor onder 1) zal de basis zijn voor het bepalen van de verkoopprijs van de onroerende zaak. Daarbij zullen partijen als er geen onderlinge overeenstemming is, het advies van de makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend accepteren;
b) partijen zijn gehouden om de aanwijzingen van de makelaar op te volgen, dienen een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen en zullen de onroerende zaak op orde houden voor bezichtigingen;
c) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van het pand Portugal minus de aan de onroerende zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de Caixadirecta bank ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de onroerende zaak;
Hypotheekschuld Caixadirecta;
4.8.
bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld aangegaan bij de Caixadirecta Bank;
4.9.
wijst de vordering van de man onder XII (voor zover betrekking hebbend op deze hypotheekschuld) voor het overige af, alsmede de vordering van de vrouw onder A (zevende bullet);
Vaste lasten pand Portugal;
4.10.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw om met ingang van 25 maart 2026 als bijdrage in de vaste lasten van de onroerende zaak in Portugal aan de man te betalen een bedrag van € 1.500,00 per maand, voor zolang de onroerende zaak gemeenschappelijk is;
4.11.
wijst de vordering van de man onder XIII voor het overige en de vordering van de vrouw onder Q af;
Verbouwingskosten pand Portugal;
4.12.
wijst de vordering van de man onder XIV af;
Gemeenschappelijke bankrekeningen;
4.13.
veroordeelt de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, om binnen een week na de datum van dit vonnis mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de gezamenlijke betaalrekening bij de ABN AMRO Bank, met [rekeningnummer 2] , en wel zodanig dat deze uitsluitend op naam van de man komt te staan;
4.14.
bepaalt dat als de vrouw in gebreke blijkt om aan de in 4.13 genoemde veroordeling te voldoen, dit vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de vereiste handtekening van de vrouw voor de wijziging van de tenaamstelling;
4.15.
wijst de vordering van de man onder XV voor het overige en de vorderingen onder XVII en XVIII, alsmede de vorderingen van de vrouw onder A, voor zover betrekking hebbend op de gemeenschappelijke bankrekeningen, en onder I tot en met L af ;
Inboedelgoederen;
4.16.
A. deelt de inboedelgoederen toe aan de vrouw en de man conform het voorstel van de vrouw zoals opgenomen in de door haar overgelegde productie 19 met dien verstande dat:
de beide elektrische fietsen, bij partijen bekend, aldus worden verdeeld dat aan ieder de fiets wordt toegedeeld bij hem/haar in het bezit;
de ventilatoren, waterdamp haard, gemotoriseerd tv-ophangsysteem, keukenapparatuur, Amerikaanse koelkast, gasfornuis, vaatwasser, magnetron, wijnkoelkast en oven achterblijven in het pand in [plaats 1] en veroordeelt de vrouw deze zaken achter te laten;
veroordeelt de vrouw tot afgifte aan de man van de spiegel van de overleden zus van de man, zulks binnen een week na de datum van dit vonnis;
bepaalt met betrekking tot de overige - niet onder A. en B. bedoelde - gemeenschappelijke inboedelgoederen dat ieder de in zijn/haar bezit zijnde inboedelgoederen krijgt toegedeeld zonder nadere verrekening;
wijst de vorderingen van partijen ter zake van de inboedelgoederen (A, XIX en XX) voor het overige af;
Voertuigen;
4.17.
verklaart voor recht dat de Volkswagen LT Westfalia, met [kenteken 1] en de Ford Transit, met [kenteken 3] aan de man in privé toebehoren en niet voor verdeling in aanmerking komen;
4.18.
deelt, uitvoerbaar bij voorraad, de Landrover Discovery met [kenteken 2] en de (vervanging van de) aanhangwagen toe aan de man en veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man tot betaling aan de vrouw van € 4.200,00;
4.19.
wijst de vorderingen van de vrouw onder A, voor zover deze betrekking hebben op de voertuigen, en onder M en N af, als ook de vorderingen van de man onder XXII en XXIII, voor zover hiervoor niet anders beslist;
Spaarrekeningen kinderen;
4.20.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen(en) van de vrouw onder R. en van de man onder XXV en XXVI kennis te nemen;
4.21.
verwijst het geschil over de spaarrekeningen van de kinderen in de stand waarin dat zich bevindt naar Team Civiel, Cluster I Civiele kantonzaken van deze rechtbank, locatie Middelburg , waarna de kantonrechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
[V.O.F. 1] ;
4.22.
wijst af de vordering van de vrouw onder A, voor zover deze betrekking heeft op toedeling van [V.O.F. 1] aan de man;
4.23.
wijst af de primaire vordering van de man onder XXVII;
4.24.
verklaart voor recht dat de vennootschap onder firma [V.O.F. 1] met ingang van 20 maart 2025 is opgezegd door de man en met ingang van die datum is ontbonden en met die datum als peildatum zal worden vereffend; houdt de vorderingen van de man onder XXVII, subsidiair, sub 1.7 en 1.8 aan;
4.25.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 september 2026, opdat partijen zich tegelijkertijd bij akte kunnen uitlaten over de door de rechtbank hiervoor onder r.o. 3.85 voorgestelde deskundige en het door die deskundige voor zijn onderzoek opgegeven voorschot;
[B.V. 3] ;
4.26.
wijst de vordering van de holding van de vrouw onder A voor zover deze betrekking heeft op toedeling van de aandelen van [B.V. 3] aan de holding van de man, alsmede de vorderingen onder O en P van de holding van de vrouw af;
4.27.
wijst de vordering van de holding van de man onder XXVIII en die onder XXIX, primair, sub A, B, C, E, en F en subsidiair, alsmede XXX af;
4.28.
houdt de beslissing op de vordering onder XXIX van de holding van de man voor het overige aan, in afwachting van de reactie van de holdings op hetgeen is overwogen onder 3.108;
4.29.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 september 2026, opdat de holdings hun reactie zoals hiervoor onder 4.28 bedoeld tegelijkertijd bij akte kunnen geven en zich indien nog nodig kunnen uitlaten over de door de rechtbank hiervoor in r.o. 3.99 voorgestelde deskundige en het door die deskundige voor zijn onderzoek opgegeven voorschot;
4.30.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Hopmans, Van Dijk en Bastiaansen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. Hopmans.