Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7797
2026-07-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/450166 / JE RK 26-1232
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nadere voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.610 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450166 / JE RK 26-1232
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam.
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 9 juli 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. De zaak is vanwege de samenhang en met instemming van de aanwezigen tegelijkertijd behandeld met het verzoek van de zus van [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/02/450130 / JE RK 26-1218. Hierop is bij separate beschikking beslist. Bij de zitting waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een kort gesprek gevoerd met de kinderrechter. Het gesprek is afgebroken omdat het voor [minderjarige] teveel werd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland gesteld voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige] bij een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedmachtiging, alsmede het resterende deel van de verzoeken, te weten voor de periode van 23 juli 2026 en tot 9 oktober 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar het verzoekschrift. Er zijn zorgen over [minderjarige] en haar opvoedsituatie bij de moeder. Voor nu kan zij niet terug naar huis. De Raad geeft aan zich te hebben gebaseerd op de informatie die zij van de GI heeft ontvangen. Zij hebben onvoldoende zicht op de mogelijkheden voor [minderjarige] om voorlopig bij opa en oma vaderszijde (hierna: opa en oma vz) te verblijven. Nu de Raad op dit moment onvoldoende kan beoordelen of het verblijf bij opa en oma vz passend en veilig voor [minderjarige] is, vindt de Raad het passend als er een brede machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend in die zin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met bij voorkeur in het netwerk bij opa en oma vz. Dit zodat de GI de mogelijkheid heeft om deze optie te onderzoeken. De Raad geeft aan tijdens de zitting geen contra-indicaties te horen voor het verblijf van [minderjarige] met haar zus bij opa en oma vz tot 8 september 2026.
4.2.
Door en namens de moeder is verzocht om de spoedbeschikking van 9 juli 2026 te herroepen. De moeder betwist dat sprake is van een structurele situatie waarin de basale verzorging van de kinderen tekortschiet of waarin hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd. Evenmin onderschrijft zij de door de Raad (welke is ingegeven door de GI) geschetste lezing van de gebeurtenissen op en rond 5 juli 2026 en dat sprake was van een acute onveilige situatie die een onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk maakte. Het verzoek is in belangrijke mate gebaseerd op een melding van derde en subjectieve waarnemingen, terwijl objectieve verificatie van deze melding ontbreekt.
Ten aanzien van het resterende deel van het verzoek is door en namens de moeder aangegeven dat de Raad geen eigen zorgvuldig en gedegen onderzoek heeft gedaan. De Raad heeft slechts het al gekleurde standpunt van de GI overgenomen. De zorgen over [minderjarige] komen uit het niets en zijn niet met stukken onderbouwd. Desondanks voert de moeder geen verweer tegen de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Wel verzoekt zij primair het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] naar huis komt. Als dat niet kan, stelt de moeder dat er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. Zo staat de moeder erachter dat [minderjarige] kortdurend bij opa en oma vz verblijft en vanuit daar gefaseerd terug thuis wordt geplaatst.
Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling kan de GI dan onderzoeken wat hiervoor nodig is. [minderjarige] kan in het kader van vakantie bij opa en oma vz verblijven, maar subsidiair geeft de moeder aan dat dit ook binnen een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vz kan. Eerder was de dynamiek tussen de moeder, de vader en opa en oma vz niet goed, maar dat is nu stabieler en er is sprake van wederzijds respect. Daarnaast kan [minderjarige] , ter ontlasting, ook naar het [zorgbegeleiding] voor dagbesteding. Verder betwist de moeder niet dat de thuissituatie de afgelopen periode onder druk heeft gestaan. Zij erkent dat sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting en wisselende beschikbaarheid van haar huidige partner, maar zij is bereid om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening mee te werken. Desgevraagd geeft de moeder aan dat er geen sprake van huiselijk geweld binnen de partnerrelatie en het gezin is. Dat de kinderen voor elkaar (moeten) zorgen klopt niet.
4.3.
De vader is het niet eens met het verzoek en de manier waarop de GI rondom de spoeduithuisplaatsing van de kinderen heeft gehandeld. Dat de vader of opa en oma vz niet als minder ingrijpend alternatief zijn overwogen, vindt de vader onbegrijpelijk. De GI is op de hoogte van de thuissituatie van de vader, die al drie jaar hetzelfde is en elke week verblijft er ook een van de kinderen met medeweten van de GI bij hem thuis. Hij wil dat voor [minderjarige] binnen het netwerk wordt gekeken. Na telefonisch contact met opa en oma vz tijdens de schorsing van de zitting heeft de vader aangegeven dat zij bereid zijn om [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 op te vangen met uitzondering van een paar dagen waarop zij met de andere kinderen weg zijn of zij bij hen logeren. Op die momenten kan vader de zorg op zich nemen. Desgevraagd benoemt de vader dat wel dat hij een verslechtering van de opvoedsituatie bij de moeder ziet en dat er dingen bij [minderjarige] terecht komen waar zij niet verantwoordelijk voor moet zijn. De vader wil zich hier zo min mogelijk mee bemoeien en heeft weinig zicht op wat wel of niet klopt.
4.4.
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat sprake is van structurele onveiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder is overbelast en met momenten niet beschikbaar voor de kinderen. Ondanks de langdurige en intensieve inzet van hulpverlening is er nog onvoldoende verbetering zichtbaar. Ook is het netwerk al langere tijd betrokken, maar dit is onvoldoende toereikend om de zorgen weg te nemen. Daarnaast zijn er over [minderjarige] zorgen als het gaat over parentificatie. Dit wordt ook in het huidige pleeggezin gezien. [minderjarige] verblijft samen met haar jongere zusje in een pleeggezin en geeft daar aan dat het haar taak is om voor haar jongere zusje te zorgen. Belangrijk is dat [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie gaat ervaren. Desgevraagd benoemt de GI dat opa en oma vz bereid zijn om voor de korte termijn [minderjarige] en haar zus op te vangen, maar dat een plaatsing bij hen geen langdurige oplossing is. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] verschillende woonplekken in korte tijd gaat krijgen.
4.5.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij op haar verjaardag uit huis is geplaatst en dat vond zij moeilijk. Verder heeft [minderjarige] verteld dat zij met haar zus een paar dagen naar opa en oma vz gaat en daar heeft zij zin in.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Bij beschikking van 9 juli 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbende(n) zijn op 17 juli 2026 gehoord.
5.5.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 9 juli 2026 moet worden herroepen. Alhoewel een deel van de punten die door de advocaat van de moeder naar voren zijn gebracht wel degelijk tot vraagtekens bij de kinderrechter leidt, stelt zij vast dat er sprake is van structurele zorgen in de opvoedsituatie bij de moeder en dat de acute veiligheid van [minderjarige] ten tijde van de spoedbeslissing niet werd gewaarborgd. Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie dusdanig onstabiel en onveilig voor [minderjarige] is dat de spoedbeslissing niet zal worden herroepen en daarmee zijn werking zal behouden.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.6.
De kinderrechter zal de resterende delen van het (spoed)verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen tot 8 september 2026, maar anders dan door de Raad is verzocht zal de kinderrechter het mindere toewijzen en in plaats van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vaderszijde verlenen. De overige delen van het verzoek houdt de kinderrechter aan. Zij legt deze beslissing hierna uit.
5.7.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] zijn, zoals beschreven in de spoedbeschikking van 9 juli 2026. Er is sprake van langdurige en structurele zorgen binnen het gezin en in de opvoedsituatie van [minderjarige] , waarbij het de moeder onvoldoende lukt om [minderjarige] structureel een emotioneel veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. De draagkracht van de moeder neemt steeds verder af en zij valt regelmatig uit door migraine, uitputting en stress. Als gevolg hiervan is de moeder onvoldoende in staat om de emotionele en fysieke zorg voor [minderjarige] te dragen. Daar komt bij dat de huidige partner van de moeder geregeld afwezig en beperkte beschikbaar is, hetgeen voor stress bij de moeder zorgt. Dit in combinatie met de langdurige lichamelijke en psychische klachten en overbelasting van de moeder maakt dat er met momenten geen ouder in de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis voor de kinderen beschikbaar is, terwijl [minderjarige] gelet op haar leeftijd afhankelijk is van de zorg van haar ouder(s). Op die momenten proberen [minderjarige] en haar zus de zorg voor de jongere kinderen op zich te nemen. Ten aanzien van [minderjarige] maakt de kinderrechter zich dan ook zorgen over parentificatie. Er zijn signalen dat [minderjarige] binnen het gezin een verantwoordelijkheid draagt die niet past bij haar leeftijd. Dat de moeder de afgelopen periode onder druk heeft gestaan en dat er sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting is door en namens de moeder ook niet betwist. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de dynamiek tussen de moeder en haar huidige partner waarvan ook [minderjarige] getuige is geweest en waarbij er signalen van conflicten met verbale agressie en mogelijk huiselijk geweld zijn. Dit alles maakt dat er structurele spanningen binnen de partnerrelatie en het gezin zijn en dat de veiligheid, stabiliteit en basale zorg voor [minderjarige] met momenten tekortschiet. Het is de kinderrechter gebleken dat er al langdurig hulpverlening bij het gezin betrokken is, dit in het kader van de ondertoezichtstelling van de andere kinderen van de moeder en voorheen ook binnen het vrijwillig kader en dat het netwerk van de ouders waar nodig bijspringt maar dat dit geen duurzame oplossing is. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt daarom dat een voorlopige ondertoezichtstelling en daarmee de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de acute en ernstige bedreiging van [minderjarige] weg te kunnen nemen.
5.8.
Gelet op het voorgaande en dat de opvoedomgeving bij de moeder op dit moment onstabiel en onveilig voor [minderjarige] is, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] voor nu niet terug naar huis kan. Tijdens de zitting heeft de Raad niet nader kunnen onderbouwen waarom het verblijf van [minderjarige] bij het huidige pleeggezin de voorkeur boven een tijdelijke plaatsing in het netwerk bij opa en oma vz zou moeten hebben. Desgevraagd heeft de Raad aangegeven tijdens de zitting geen contra-indicaties te horen voor het verblijf van [minderjarige] met haar zus bij opa en oma vz tot 8 september 2026 en toegelicht dat het verzoek van de Raad als zodanig kan worden opgevat dat binnen de verzochte machtiging ook een plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz mogelijk is, zodra dit veilig en passend voor [minderjarige] wordt bevonden. Na telefonisch contact door de vader met opa en oma vz is duidelijk geworden dat opa en oma vz bereid zijn om [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 op te vangen. De kinderrechter vindt dit meer in het belang van [minderjarige] en passend bij de situatie en zal om die reden – met instemming van de ouders en in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind – het mindere toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vz tot 8 september 2026 verlenen.
5.9.
Dat [minderjarige] voor nu in het netwerk van opa en oma vz wordt geplaatst, betekent niet per se dat dit voor de langere termijn de beste optie is. De plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz is bedoeld ter overbrugging, waarbij de GI in de tussentijd dient te onderzoeken of [minderjarige] terug naar huis kan en wat daarvoor nodig is en als dat niet het geval is, waar [minderjarige] dan wel blijvend zou moeten opgroeien. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij met de Raad, de GI en de hulpverlening in het belang van [minderjarige] (blijven) samenwerken en samen met de GI gaan overleggen hoe de dagen dat opa en oma vz met de andere kinderen een dagje weg zijn of zij bij hen logeren voor [minderjarige] en haar zus kunnen worden opgevangen. Aan de GI geeft de kinderrechter nog mee dat het aan de GI is om een nieuw verzoek bij de rechtbank in te dienen op het moment dat de plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz onverhoopt niet (langer) houdbaar is.
5.10.
Nu opa en oma vz (via de vader) hebben aangegeven dat zij [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 kunnen opvangen, zal de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde tot 8 september 2026 toewijzen en de overige delen van het verzoek aanhouden. Gelet hierop verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken. De Raad wordt verzocht zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Kindgesprek [minderjarige]
5.11.
Gelet op het verloop van het voortijdig beëindigde kindgesprek met [minderjarige] , zal de kinderrechter haar voor een eventueel nieuwe zitting niet opnieuw uitnodigen. Mocht echter blijken dat [minderjarige] de behoefte heeft om wel een gesprek met de kinderrechter te hebben, dan zal daar uiteraard tijd en ruimte voor worden gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
Tegen de beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. De kinderrechter zal het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing daarom afwijzen.
5.13.
De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot de voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 14 augustus 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450166 / JE RK 26-1232
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam.
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 9 juli 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. De zaak is vanwege de samenhang en met instemming van de aanwezigen tegelijkertijd behandeld met het verzoek van de zus van [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/02/450130 / JE RK 26-1218. Hierop is bij separate beschikking beslist. Bij de zitting waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een kort gesprek gevoerd met de kinderrechter. Het gesprek is afgebroken omdat het voor [minderjarige] teveel werd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland gesteld voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
Op grond van die machtiging verblijft [minderjarige] bij een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedmachtiging, alsmede het resterende deel van de verzoeken, te weten voor de periode van 23 juli 2026 en tot 9 oktober 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar het verzoekschrift. Er zijn zorgen over [minderjarige] en haar opvoedsituatie bij de moeder. Voor nu kan zij niet terug naar huis. De Raad geeft aan zich te hebben gebaseerd op de informatie die zij van de GI heeft ontvangen. Zij hebben onvoldoende zicht op de mogelijkheden voor [minderjarige] om voorlopig bij opa en oma vaderszijde (hierna: opa en oma vz) te verblijven. Nu de Raad op dit moment onvoldoende kan beoordelen of het verblijf bij opa en oma vz passend en veilig voor [minderjarige] is, vindt de Raad het passend als er een brede machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend in die zin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met bij voorkeur in het netwerk bij opa en oma vz. Dit zodat de GI de mogelijkheid heeft om deze optie te onderzoeken. De Raad geeft aan tijdens de zitting geen contra-indicaties te horen voor het verblijf van [minderjarige] met haar zus bij opa en oma vz tot 8 september 2026.
4.2.
Door en namens de moeder is verzocht om de spoedbeschikking van 9 juli 2026 te herroepen. De moeder betwist dat sprake is van een structurele situatie waarin de basale verzorging van de kinderen tekortschiet of waarin hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd. Evenmin onderschrijft zij de door de Raad (welke is ingegeven door de GI) geschetste lezing van de gebeurtenissen op en rond 5 juli 2026 en dat sprake was van een acute onveilige situatie die een onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk maakte. Het verzoek is in belangrijke mate gebaseerd op een melding van derde en subjectieve waarnemingen, terwijl objectieve verificatie van deze melding ontbreekt.
Ten aanzien van het resterende deel van het verzoek is door en namens de moeder aangegeven dat de Raad geen eigen zorgvuldig en gedegen onderzoek heeft gedaan. De Raad heeft slechts het al gekleurde standpunt van de GI overgenomen. De zorgen over [minderjarige] komen uit het niets en zijn niet met stukken onderbouwd. Desondanks voert de moeder geen verweer tegen de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Wel verzoekt zij primair het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] naar huis komt. Als dat niet kan, stelt de moeder dat er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. Zo staat de moeder erachter dat [minderjarige] kortdurend bij opa en oma vz verblijft en vanuit daar gefaseerd terug thuis wordt geplaatst.
Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling kan de GI dan onderzoeken wat hiervoor nodig is. [minderjarige] kan in het kader van vakantie bij opa en oma vz verblijven, maar subsidiair geeft de moeder aan dat dit ook binnen een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vz kan. Eerder was de dynamiek tussen de moeder, de vader en opa en oma vz niet goed, maar dat is nu stabieler en er is sprake van wederzijds respect. Daarnaast kan [minderjarige] , ter ontlasting, ook naar het [zorgbegeleiding] voor dagbesteding. Verder betwist de moeder niet dat de thuissituatie de afgelopen periode onder druk heeft gestaan. Zij erkent dat sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting en wisselende beschikbaarheid van haar huidige partner, maar zij is bereid om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening mee te werken. Desgevraagd geeft de moeder aan dat er geen sprake van huiselijk geweld binnen de partnerrelatie en het gezin is. Dat de kinderen voor elkaar (moeten) zorgen klopt niet.
4.3.
De vader is het niet eens met het verzoek en de manier waarop de GI rondom de spoeduithuisplaatsing van de kinderen heeft gehandeld. Dat de vader of opa en oma vz niet als minder ingrijpend alternatief zijn overwogen, vindt de vader onbegrijpelijk. De GI is op de hoogte van de thuissituatie van de vader, die al drie jaar hetzelfde is en elke week verblijft er ook een van de kinderen met medeweten van de GI bij hem thuis. Hij wil dat voor [minderjarige] binnen het netwerk wordt gekeken. Na telefonisch contact met opa en oma vz tijdens de schorsing van de zitting heeft de vader aangegeven dat zij bereid zijn om [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 op te vangen met uitzondering van een paar dagen waarop zij met de andere kinderen weg zijn of zij bij hen logeren. Op die momenten kan vader de zorg op zich nemen. Desgevraagd benoemt de vader dat wel dat hij een verslechtering van de opvoedsituatie bij de moeder ziet en dat er dingen bij [minderjarige] terecht komen waar zij niet verantwoordelijk voor moet zijn. De vader wil zich hier zo min mogelijk mee bemoeien en heeft weinig zicht op wat wel of niet klopt.
4.4.
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat sprake is van structurele onveiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder is overbelast en met momenten niet beschikbaar voor de kinderen. Ondanks de langdurige en intensieve inzet van hulpverlening is er nog onvoldoende verbetering zichtbaar. Ook is het netwerk al langere tijd betrokken, maar dit is onvoldoende toereikend om de zorgen weg te nemen. Daarnaast zijn er over [minderjarige] zorgen als het gaat over parentificatie. Dit wordt ook in het huidige pleeggezin gezien. [minderjarige] verblijft samen met haar jongere zusje in een pleeggezin en geeft daar aan dat het haar taak is om voor haar jongere zusje te zorgen. Belangrijk is dat [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie gaat ervaren. Desgevraagd benoemt de GI dat opa en oma vz bereid zijn om voor de korte termijn [minderjarige] en haar zus op te vangen, maar dat een plaatsing bij hen geen langdurige oplossing is. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] verschillende woonplekken in korte tijd gaat krijgen.
4.5.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij op haar verjaardag uit huis is geplaatst en dat vond zij moeilijk. Verder heeft [minderjarige] verteld dat zij met haar zus een paar dagen naar opa en oma vz gaat en daar heeft zij zin in.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Bij beschikking van 9 juli 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbende(n) zijn op 17 juli 2026 gehoord.
5.5.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 9 juli 2026 moet worden herroepen. Alhoewel een deel van de punten die door de advocaat van de moeder naar voren zijn gebracht wel degelijk tot vraagtekens bij de kinderrechter leidt, stelt zij vast dat er sprake is van structurele zorgen in de opvoedsituatie bij de moeder en dat de acute veiligheid van [minderjarige] ten tijde van de spoedbeslissing niet werd gewaarborgd. Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie dusdanig onstabiel en onveilig voor [minderjarige] is dat de spoedbeslissing niet zal worden herroepen en daarmee zijn werking zal behouden.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.6.
De kinderrechter zal de resterende delen van het (spoed)verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen tot 8 september 2026, maar anders dan door de Raad is verzocht zal de kinderrechter het mindere toewijzen en in plaats van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vaderszijde verlenen. De overige delen van het verzoek houdt de kinderrechter aan. Zij legt deze beslissing hierna uit.
5.7.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] zijn, zoals beschreven in de spoedbeschikking van 9 juli 2026. Er is sprake van langdurige en structurele zorgen binnen het gezin en in de opvoedsituatie van [minderjarige] , waarbij het de moeder onvoldoende lukt om [minderjarige] structureel een emotioneel veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. De draagkracht van de moeder neemt steeds verder af en zij valt regelmatig uit door migraine, uitputting en stress. Als gevolg hiervan is de moeder onvoldoende in staat om de emotionele en fysieke zorg voor [minderjarige] te dragen. Daar komt bij dat de huidige partner van de moeder geregeld afwezig en beperkte beschikbaar is, hetgeen voor stress bij de moeder zorgt. Dit in combinatie met de langdurige lichamelijke en psychische klachten en overbelasting van de moeder maakt dat er met momenten geen ouder in de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis voor de kinderen beschikbaar is, terwijl [minderjarige] gelet op haar leeftijd afhankelijk is van de zorg van haar ouder(s). Op die momenten proberen [minderjarige] en haar zus de zorg voor de jongere kinderen op zich te nemen. Ten aanzien van [minderjarige] maakt de kinderrechter zich dan ook zorgen over parentificatie. Er zijn signalen dat [minderjarige] binnen het gezin een verantwoordelijkheid draagt die niet past bij haar leeftijd. Dat de moeder de afgelopen periode onder druk heeft gestaan en dat er sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting is door en namens de moeder ook niet betwist. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de dynamiek tussen de moeder en haar huidige partner waarvan ook [minderjarige] getuige is geweest en waarbij er signalen van conflicten met verbale agressie en mogelijk huiselijk geweld zijn. Dit alles maakt dat er structurele spanningen binnen de partnerrelatie en het gezin zijn en dat de veiligheid, stabiliteit en basale zorg voor [minderjarige] met momenten tekortschiet. Het is de kinderrechter gebleken dat er al langdurig hulpverlening bij het gezin betrokken is, dit in het kader van de ondertoezichtstelling van de andere kinderen van de moeder en voorheen ook binnen het vrijwillig kader en dat het netwerk van de ouders waar nodig bijspringt maar dat dit geen duurzame oplossing is. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt daarom dat een voorlopige ondertoezichtstelling en daarmee de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de acute en ernstige bedreiging van [minderjarige] weg te kunnen nemen.
5.8.
Gelet op het voorgaande en dat de opvoedomgeving bij de moeder op dit moment onstabiel en onveilig voor [minderjarige] is, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] voor nu niet terug naar huis kan. Tijdens de zitting heeft de Raad niet nader kunnen onderbouwen waarom het verblijf van [minderjarige] bij het huidige pleeggezin de voorkeur boven een tijdelijke plaatsing in het netwerk bij opa en oma vz zou moeten hebben. Desgevraagd heeft de Raad aangegeven tijdens de zitting geen contra-indicaties te horen voor het verblijf van [minderjarige] met haar zus bij opa en oma vz tot 8 september 2026 en toegelicht dat het verzoek van de Raad als zodanig kan worden opgevat dat binnen de verzochte machtiging ook een plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz mogelijk is, zodra dit veilig en passend voor [minderjarige] wordt bevonden. Na telefonisch contact door de vader met opa en oma vz is duidelijk geworden dat opa en oma vz bereid zijn om [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 op te vangen. De kinderrechter vindt dit meer in het belang van [minderjarige] en passend bij de situatie en zal om die reden – met instemming van de ouders en in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind – het mindere toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vz tot 8 september 2026 verlenen.
5.9.
Dat [minderjarige] voor nu in het netwerk van opa en oma vz wordt geplaatst, betekent niet per se dat dit voor de langere termijn de beste optie is. De plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz is bedoeld ter overbrugging, waarbij de GI in de tussentijd dient te onderzoeken of [minderjarige] terug naar huis kan en wat daarvoor nodig is en als dat niet het geval is, waar [minderjarige] dan wel blijvend zou moeten opgroeien. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij met de Raad, de GI en de hulpverlening in het belang van [minderjarige] (blijven) samenwerken en samen met de GI gaan overleggen hoe de dagen dat opa en oma vz met de andere kinderen een dagje weg zijn of zij bij hen logeren voor [minderjarige] en haar zus kunnen worden opgevangen. Aan de GI geeft de kinderrechter nog mee dat het aan de GI is om een nieuw verzoek bij de rechtbank in te dienen op het moment dat de plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz onverhoopt niet (langer) houdbaar is.
5.10.
Nu opa en oma vz (via de vader) hebben aangegeven dat zij [minderjarige] en haar zus tot 8 september 2026 kunnen opvangen, zal de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde tot 8 september 2026 toewijzen en de overige delen van het verzoek aanhouden. Gelet hierop verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken. De Raad wordt verzocht zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Kindgesprek [minderjarige]
5.11.
Gelet op het verloop van het voortijdig beëindigde kindgesprek met [minderjarige] , zal de kinderrechter haar voor een eventueel nieuwe zitting niet opnieuw uitnodigen. Mocht echter blijken dat [minderjarige] de behoefte heeft om wel een gesprek met de kinderrechter te hebben, dan zal daar uiteraard tijd en ruimte voor worden gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
Tegen de beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. De kinderrechter zal het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing daarom afwijzen.
5.13.
De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot de voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 14 augustus 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).