Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7785

2026-07-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449815 / JE RK 26-1149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449815 / JE RK 26-1149
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling, kortere termijn, aanhouding restant

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.717 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449815 / JE RK 26-1149
Datum uitspraak: 17 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,





[minderjarige 4]
, geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,





[minderjarige 5]
, geboren op [geboortedag 5] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
en


[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,




mr. I.H.T.J. ANTHONISE-GIELING, advocaat te Goes,
in haar hoedanigheid als bijzondere curator over de voornoemde minderjarigen,
hierna te noemen: de bijzondere curator.







1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2026;


het verslag van de bijzondere curator, ontvangen op 19 juni 2026;


het bericht met bijlagen van mr. De Nooijer, ontvangen op 14 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:


de ouders, bijgestaan door hun advocaat;


een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;


de bijzondere curator.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .



2.2.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] wonen bij ouders.



2.3.

Bij beschikking van 18 juli 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2024 en tot 18 januari 2025. Deze
maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 december 2025.




2.4.
Bij beschikking van 7 november 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024.



2.5.
Bij beschikking van 18 november 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, verleend met ingang van 21 november 2024 en tot 21 december 2024. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 december 2025.



2.6.
Bij beschikking van 11 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd met ingang van 18 december 2025 en tot 18 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Tevens is bij diezelfde beschikking het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, afgewezen.



2.7.
Bij beschikking van 9 april 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd tot 18 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Ook is bij deze beschikking mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling, advocaat te Goes, benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .



2.8.
Bij beschikking van 13 mei 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd tot 18 juli 2026 en de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 5] , [minderjarige 4] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en voor [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI aangegeven dat het belangrijk is dat hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen nader wordt onderzocht, al is het de beleving van [minderjarige 1] . Binnen het gezin is sprake van diepgewortelde patronen. Systeemtherapie is noodzakelijk. Nieuwe meldingen zijn er niet. De GI vindt het vrijwillig kader gezien de grote zorgen niet passend. Door de reactie van de ouders op hetgeen [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek heeft verteld, vraagt de GI zich af of de kinderen vrij genoeg zijn om over de thuissituatie te praten. De GI benoemt tot slot dat schreeuwen en partnergeweld ook gronden voor een ondertoezichtstelling zijn.



4.2.
Door en namens de ouders is primair verzocht om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de maatregel voor twee weken te verlengen, zodat de situatie kan worden geborgd. Van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen was eerder sprake, maar de ouders hebben samen met de hulpverlening veel stappen gezet en de zorgen zijn weggenomen. Het gaat goed tussen de ouders en binnen het gezin. Hetgeen wat nu nog voor stress zorgt, is de ondertoezichtstelling. Verder is naar voren gebracht dat het verzoekschrift van de GI veelal oude en achterhaalde informatie bevat. Zo stelt de GI geen uitspraak te kunnen doen over het Goed Genoeg Ouderschap, terwijl [hulpverlening] al bijna twee jaar betrokken is en heeft besloten om de huisbezoeken te stoppen en te gaan borgen. Verder heeft de moeder ondanks diverse persoonlijke hulpverlening geen DSM-diagnose. Voor de GI is het onduidelijk of sprake is van huiselijk geweld, terwijl de bijzondere curator en de kinderen aangegeven dat dit niet het geval is. De ouders herkennen hetgeen [minderjarige 1] tegen de kinderrechter heeft verteld niet. Naast dat een deel oude informatie is, is [minderjarige 1] ook weinig thuis en heeft zij geen zicht op de (nieuwe) situatie. De ouders maken zich ook zorgen over haar psychische gesteldheid en de invloed van de familie van de vader. Daar komt bij dat [hulpverlening] eerder drie keer per week op huisbezoek kwam, ook onaangekondigd en vroeg op de dag en dat dergelijke zorgen door [hulpverlening] niet zijn waargenomen. Ook door onder andere het GIA is niet waargenomen dat sprake zou zijn van schreeuwen en/of partnergeweld. Tot slot staan de ouders ervoor open om in het vrijwillig kader met [hulpverlening] te blijven samenwerken en ook oudergesprekken te voeren. [hulpverlening] kent ook de kinderen goed en er is een vertrouwensband.



4.3.
De bijzondere curator heeft in aanvulling op haar verslag toegelicht dat de kinderen, allen vanwege hun eigen redenen, geen ondertoezichtstelling meer wensen. Zij ervaren stress door de hulpverlening. [minderjarige 1] uit zorgen over het functioneren van haar moeder, maar is ook zichtbaar gefrustreerd en heeft er weinig vertrouwen in dat de hulp nog tot verbetering zal leiden. Haar manier om met de situatie om te gaan is door weinig thuis te zijn. De bijzondere curator geeft aan dat de oorspronkelijke gronden voor de maatregel ernstig waren, maar zij vraagt zich af of deze nu ook nog aanwezig zijn. De afgelopen periode gaat het goed binnen het gezin en ook met de kinderen. Los van [minderjarige 1] en wat zij zelf tegen de kinderrechter heeft verteld, heeft de bijzondere curator geen zorgen over hoe het met de andere kinderen gaat. Zij gaan ook allemaal over op school. Wat zich thuis afspeelt, is lastig te beoordelen. [minderjarige 1] heeft verteld dat er zorgen waren, maar niet dat daar nu nog steeds sprake van is. Die zorgen komen ook niet terug in de recente verslagen.



4.4.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat zij niet wil dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Het gaat goed met [minderjarige 2] en ook thuis gaat het goed. De situatie is veranderd, maar ook weer hetzelfde gebleven. [minderjarige 2] vindt de hulpverlening niet altijd fijn, omdat ze telkens haar verhaal opnieuw moet vertellen.



4.5.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 3] verteld dat hij vindt dat er geen ondertoezichtstelling meer moet zijn. [minderjarige 3] vindt het vervelend dat [hulpverlening] langskomt en dat hij dan niet zijn ding kan doen. Het gaat goed met [minderjarige 3] op school. Ook thuis gaat het goed. De situatie is verbeterd. Eerst was de moeder heel boos en dat is nu anders.



4.6.
Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] aangegeven dat zij niet vindt dat er thuis echt iets is veranderd. [minderjarige 1] vond het thuis rustiger toen de moeder niet thuis was en vindt dat zij te snel terug is gekomen. Het dag- en nachtritme van de moeder is nog steeds omgedraaid. Zij doet vooral dingen ‘s nachts en forceert de vader om daarin mee te gaan en straft hem als hij dat niet doet. Ook heeft de moeder smetvrees en moet [minderjarige 1] meteen douchen en schone kleding aan als zij thuiskomt. Verder wordt er thuis nog steeds geschreeuwd, ook in de nachten. Fysiek geweld is wel minder geworden. Tot slot geeft [minderjarige 1] aan dat de moeder zich tijdens bezoekmomenten en zittingen anders gedraagt. Haar broertjes en zusjes zullen dit niet vertellen, omdat de moeder zegt dat ze anders uit huis worden geplaatst.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.






Inhoudelijke beoordeling




5.3.
De kinderrechter zal het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling tot 18 september 2026 toewijzen en het overige deel van het verzoek aanhouden tot de zitting van [datum] 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.



5.4.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat er wederom sprake is van tegenstrijdige verhalen. Tijdens de zitting is door en namens de ouders aangegeven dat het goed tussen de ouders en binnen het gezin gaat en dat zij met behulp van de hulpverlening grote stappen hebben gezet. Ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben dat tijdens het kindgesprek aangegeven. De GI heeft benoemd dat er nog steeds zorgen en ook onduidelijkheid over de opvoedsituatie van de kinderen is. Ook [minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter grote zorgen geuit. Zo heeft zij verteld dat het dag- en nachtritme van de moeder nog steeds is omgedraaid en dat zij de vader forceert om daarin mee te gaan en hem straft als hij dat niet doet. Daarnaast is de smetvrees van de moeder binnen het gezin nog sterk aanwezig en wordt er thuis geschreeuwd, ook in de nachten. Zowel in het geval het waar is wat [minderjarige 1] heeft verteld als in het geval dat het niet waar is en dat het de beleving van [minderjarige 1] is, baart dit de kinderrechter zorgen. Tegelijkertijd stelt zij vast, zonder te zeggen dat het niet waar is of dat [minderjarige 1] liegt, dat dergelijke zorgen in de recente verslaglegging van de hulpverlening niet terugkomen. Dit terwijl [hulpverlening] nauw bij het gezin is betrokken en zij ook een geruime tijd, zowel aangekondigd als onaangekondigd, meerdere keren per week - ook in de vroege ochtend - bij het gezin op huisbezoek zijn geweest. Daar komt bij dat de bijzondere curator de zorgen zoals [minderjarige 1] deze tegen de kinderrechter heeft verteld niet in die mate heeft waargenomen of vanuit de kinderen heeft gehoord, ook niet van [minderjarige 1] zelf. Vanwege frustratie over de situatie is [minderjarige 1] weinig thuis, waarover de ouders hebben aangegeven dat zij onvoldoende zicht op de verbeterde thuissituatie heeft. Uit het verslag van de bijzondere curator volgt verder dat de oma, ooms en buurman vooral in het verleden zorgen over het gezin hadden. Zij benoemen dat de situatie volgens hen rustiger is geworden dan wel dat zij minder zicht op de (gezins)situatie hebben en daarmee hun zorgen niet uitsluitend op recente eigen waarneming baseren. Uit de stukken volgt ook dat [hulpverlening] heeft aangegeven om na bijna twee jaar te willen stoppen met de huisbezoeken en te willen gaan borgen. Naast hetgeen [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek heeft verteld en waarvan onduidelijk is of en wat daarvan klopt, stelt de kinderrechter vast dat er geen nieuwe meldingen zijn binnengekomen en dat vanuit [hulpverlening] geen zorgelijke signalen meer naar voren zijn gekomen. De bijzondere curator heeft naar aanleiding van gesprekken met de kinderen verder aan de kinderrechter meegegeven om bij de beslissing ook de huidige beleving en behoeften van de kinderen, waaronder hun behoefte aan rust, voorspelbaarheid en een zo onbelast mogelijke ontwikkeling, te betrekken. Voor de kinderrechter is het duidelijk geworden dat de kinderen last hebben van de ondertoezichtstelling en dat zij willen dat deze stopt. Zij willen weer kind zijn en zich bezig houden met school, vrienden en hobby’s en niet steeds opnieuw in gesprek met hulpverleners moeten. Zelf omschrijven de kinderen hun huidige thuissituatie als prettig en zij zijn blij met de rust die zij momenteel ervaren. Daarnaast gaat het op school goed met de kinderen.



5.5.
Het eerdergenoemde maakt dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat [hulpverlening] de situatie gaat borgen. Namens de ouders is aangegeven dat twee weken voldoende is voor het opstellen van het borgingsplan. Om de situatie goed en zorgvuldig te kunnen borgen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor twee maanden verlengen en het restant aanhouden tot de zitting van [datum] 2026 om [uur]. Op die zitting zal het borgingsplan vanuit [hulpverlening] met elkaar worden besproken en worden gekeken of en wat er nog nodig is om de ondertoezichtstelling te kunnen beëindigen. Van de GI verwacht de kinderrechter dat zij het borgingsplan van [hulpverlening] bij de rechtbank zal indienen. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de zorgen zoals [minderjarige 1] deze tijdens het kindgesprek heeft benoemd, worden gedeeld met de hulpverlening en dat de GI hier in de komende twee maanden zicht op gaat krijgen. Zij verwacht van de GI dat zij hierover ook met [minderjarige 1] in gesprek gaat. Belangrijk vindt de kinderrechter verder dat de ouders gaan meewerken met systeemtherapie, hetgeen nog moet worden ingezet. Tijdens de zitting hebben de ouders aangegeven daaraan te willen meewerken, net als aan de oudergesprekken vanuit [hulpverlening] . De kinderrechter verwacht dat de GI, de ouders en hun advocaat bij de zitting van [datum] 2026 aanwezig zullen zijn. Aan de GI verzoekt de kinderrechter om de hiervoor beschreven informatie in de vorm van een briefrapportage uiterlijk één week voorafgaand de zitting (dus uiterlijk 8 september 2026) aan de rechtbank, de ouders en rechtstreeks aan hun advocaat te verstrekken. De kinderrechter geeft in dit kader aan zowel de GI als de ouders nog nadrukkelijk mee dat het uitgangspunt is dat de situatie wordt geborgd, maar dat de situatie kan veranderen als er in de tussentijd nieuwe zorgen of meldingen binnenkomen.



5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 5] , [minderjarige 4] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.



Kindgesprek [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2]




5.7.
Gelet op de korte termijn tussen de zittingen en dat de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] recent op 14 juli 2026 al heeft gesproken, zal zij de kinderen niet opnieuw voor een kindgesprek uitnodigen. Mocht echter blijken dat [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en/of [minderjarige 2] wel behoefte hebben aan een gesprek met de kinderrechter, kunnen zij dit aangegeven en zal daar uiteraard tijd en ruimte voor worden gemaakt. Ook staat het de kinderen vrij om een brief aan de kinderrechter sturen als zij dat zouden willen.



Beëindiging taak bijzondere curator




5.8.
Zoals tijdens de zitting met de aanwezigen is besproken, is vertegenwoordiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 5] , [minderjarige 4] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig en beschouwt de kinderrechter de werkzaamheden van de bijzondere curator als voltooid.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 5] , [minderjarige 4] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] met ingang van 18 juli 2026 en tot 18 september 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Borm, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten en verzoekt de GI om de briefrapportage met de informatie zoals genoemd in r.o. 5.5 uiterlijk één week voorafgaand de zitting (dus uiterlijk 8 september 2026) aan de rechtbank en de belanghebbenden te verstrekken;



6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de ouders en hun advocaat en de GI;



6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.