Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7766
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449582 / JE RK 26-1097
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstellingen en machtiging tot uithuisplaatsing 6 maanden
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.268 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449582 / JE RK 26-1097
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Erkens uit Den Haag,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2026;
de brief van de Raad van 14 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening aan de kinderrechter te geven.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 27 juli 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 juli 2020 en tot 10 augustus 2020.
2.3.
Bij beschikking van 6 augustus 2020 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 augustus 2020 en tot 6 augustus 2021.
Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij
beschikking van 25 februari 2021. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor
het laatst bij beschikking van 5 februari 2026, te weten met ingang van 6 februari 2026 en
tot 6 augustus 2026.
2.4.
Bij beschikking van 1 juli 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 1 juli
en tot 15 juli 2022. Deze machtiging is daarna bij beschikking van 7 juli 2022 verlengd met ingang van 15 juli en tot 1 september 2022.
2.5.
Bij beschikking van 7 februari 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang
van 7 februari 2023 en tot 21 februari 2023 en is iedere verdere beslissing over de
spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van 10 februari 2023 is de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang
van 21 februari 2023 en tot 7 maart 2023.
2.7.
Bij beschikking van 23 februari 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met
ingang van 23 februari 2023 en tot 6 augustus 2023.
2.8.
Bij beschikking van 26 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]
en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 6
augustus 2023 en tot 6 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het
laatst bij beschikking van 5 augustus 2025, te weten met ingang van 6 augustus 2025 en tot
6 februari 2026. Bij beschikking van 5 februari 2026 is deze machtiging verlengd en omgezet in een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 augustus 2026.
2.9.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging in het
Gezinshuis De Parel.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI vindt een verlenging van de maatregelen noodzakelijk, omdat het vrijwillig kader op dit moment ontoereikend is om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. Hoewel er sinds enkele maanden sprake is van meer structuur en stabiliteit in de omgang met de moeder, is deze positieve ontwikkeling nog pril en kwetsbaar.
Het contact met de vader dient nog opgestart te worden, waardoor hier nog onvoldoende zicht en stabiliteit in is. De GI kan binnen het gedwongen kader toezicht houden, de veiligheid bewaken en controleren of betrokkenen zich houden aan de gemaakte afspraken.
4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat de moeder geen verweer voert tegen het verzoek van de GI. Haar focus ligt de komende zes maanden op zichzelf verbeteren en de omgang uitbreiden.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De moeder heeft de afgelopen periode hard gewerkt aan zichzelf en haar huishouden. Zij is clean en probeert nu te stoppen met roken. Zij is stabieler geworden en komt alle omgangsafspraken na. Ze is nu hard aan het werk om haar huis op orde te krijgen.
5.7.
De Raad heeft bij brief van 14 juli 2026 geadviseerd om de maatregelen te verlengen. In mei 2026 heeft de Raad een onderzoek afgerond naar de noodzaak van een
gezagsbeëindigende maatregel. De Raad is daarin tot de conclusie gekomen dat een verzoek gezagsbeëindiging niet passend was. De situatie kon naar mening van de Raad worden voortgezet met een minder ingrijpende maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het van belang is dat er een regievoerder is die opkomt voor de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder kan de situatie niet altijd overzien. Er is op dit moment sprake van stabiliteit aan de zijde van de moeder, maar deze situatie is nog kwetsbaar. Daar komt bij dat de kinderen al meerdere keren van verblijfplaats hebben gewisseld de afgelopen jaren. Het is van belang dat hun huidige stabiliteit en structuur gewaarborgd wordt.
5.9.
Daar komt bij dat de rol van de vader in het leven van de minderjarigen niet duidelijk (meer) is. De vader is ook niet ter zitting verschenen. De kinderrechter hoopt dat de GI met de vader in gesprek kan gaan, zodat bekeken kan worden of en welke mogelijkheden de vader wel heeft.
5.10.
De kinderrechter is op dit moment van oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter wijst de (onweersproken) verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de duur van zes maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 6 augustus 2026 en tot 6 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 augustus 2026 en tot 6 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Willemsen, griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449582 / JE RK 26-1097
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Erkens uit Den Haag,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2026;
de brief van de Raad van 14 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening aan de kinderrechter te geven.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 27 juli 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 juli 2020 en tot 10 augustus 2020.
2.3.
Bij beschikking van 6 augustus 2020 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 augustus 2020 en tot 6 augustus 2021.
Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij
beschikking van 25 februari 2021. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor
het laatst bij beschikking van 5 februari 2026, te weten met ingang van 6 februari 2026 en
tot 6 augustus 2026.
2.4.
Bij beschikking van 1 juli 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 1 juli
en tot 15 juli 2022. Deze machtiging is daarna bij beschikking van 7 juli 2022 verlengd met ingang van 15 juli en tot 1 september 2022.
2.5.
Bij beschikking van 7 februari 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang
van 7 februari 2023 en tot 21 februari 2023 en is iedere verdere beslissing over de
spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van 10 februari 2023 is de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang
van 21 februari 2023 en tot 7 maart 2023.
2.7.
Bij beschikking van 23 februari 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met
ingang van 23 februari 2023 en tot 6 augustus 2023.
2.8.
Bij beschikking van 26 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]
en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 6
augustus 2023 en tot 6 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het
laatst bij beschikking van 5 augustus 2025, te weten met ingang van 6 augustus 2025 en tot
6 februari 2026. Bij beschikking van 5 februari 2026 is deze machtiging verlengd en omgezet in een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 februari 2026 en tot 6 augustus 2026.
2.9.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging in het
Gezinshuis De Parel.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI vindt een verlenging van de maatregelen noodzakelijk, omdat het vrijwillig kader op dit moment ontoereikend is om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. Hoewel er sinds enkele maanden sprake is van meer structuur en stabiliteit in de omgang met de moeder, is deze positieve ontwikkeling nog pril en kwetsbaar.
Het contact met de vader dient nog opgestart te worden, waardoor hier nog onvoldoende zicht en stabiliteit in is. De GI kan binnen het gedwongen kader toezicht houden, de veiligheid bewaken en controleren of betrokkenen zich houden aan de gemaakte afspraken.
4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat de moeder geen verweer voert tegen het verzoek van de GI. Haar focus ligt de komende zes maanden op zichzelf verbeteren en de omgang uitbreiden.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De moeder heeft de afgelopen periode hard gewerkt aan zichzelf en haar huishouden. Zij is clean en probeert nu te stoppen met roken. Zij is stabieler geworden en komt alle omgangsafspraken na. Ze is nu hard aan het werk om haar huis op orde te krijgen.
5.7.
De Raad heeft bij brief van 14 juli 2026 geadviseerd om de maatregelen te verlengen. In mei 2026 heeft de Raad een onderzoek afgerond naar de noodzaak van een
gezagsbeëindigende maatregel. De Raad is daarin tot de conclusie gekomen dat een verzoek gezagsbeëindiging niet passend was. De situatie kon naar mening van de Raad worden voortgezet met een minder ingrijpende maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het van belang is dat er een regievoerder is die opkomt voor de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder kan de situatie niet altijd overzien. Er is op dit moment sprake van stabiliteit aan de zijde van de moeder, maar deze situatie is nog kwetsbaar. Daar komt bij dat de kinderen al meerdere keren van verblijfplaats hebben gewisseld de afgelopen jaren. Het is van belang dat hun huidige stabiliteit en structuur gewaarborgd wordt.
5.9.
Daar komt bij dat de rol van de vader in het leven van de minderjarigen niet duidelijk (meer) is. De vader is ook niet ter zitting verschenen. De kinderrechter hoopt dat de GI met de vader in gesprek kan gaan, zodat bekeken kan worden of en welke mogelijkheden de vader wel heeft.
5.10.
De kinderrechter is op dit moment van oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter wijst de (onweersproken) verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de duur van zes maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 6 augustus 2026 en tot 6 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 augustus 2026 en tot 6 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Willemsen, griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.