Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7765

2026-07-16 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449022 / JE RK 26-1004
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449022 / JE RK 26-1004
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ots en muhp voor het maken van een borgingsplan.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.261 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449022 / JE RK 26-1004
Datum uitspraak: 16 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[persoon 1] en [persoon 2] ,

hierna te noemen: grootouders moederszijde (mz),
wonende in [woonplaats 2] .



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 3] .






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de grootouders (mz).



1.3.
De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen, maar niet is verschenen.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend.



2.2.
Bij beschikking van 2 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2024 tot 2 januari 2025. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, te weten grootouders mz, met ingang van 2 juli 2024 tot 2 januari 2025.



2.3.
Bij beschikking van 21 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 januari 2025 en tot 21 juli 2025 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten grootouders mz, verleend met ingang van 21 januari 2025 en tot 21 juli 2025. Deze maatregelen zijn vervolgens verlengd en lopen tot 21 juli 2026.



2.4.

[minderjarige] verblijft bij de grootouders mz.





3Het verzoek


3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.

De GI geeft aan dat er de zijde van de moeder positieve ontwikkelingen zijn. De moeder heeft zelf aangegeven dat het haar de komende jaren niet lukt om de volledig zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. De grootouders mz zijn positief gescreend en de GI heeft het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin bepaald.
De huidige ontwikkelingen laten zien dat er sprake is van een positieve lijn, maar deze is nog pril en kwetsbaar. Er is geen stabiele en veilige rol voor de vader en de moeder bevindt zich nog in een ontwikkelingsproces dat begeleiding en sturing vereist. De GI vindt het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing worden verlengd voor de duur van zes maanden. Deze periode is nodig om de ingezette positieve ontwikkelingen verder te bestendigen, de opvoedsituatie bij de pleegouders duurzaam te borgen, de moeder te blijven ondersteunen in haar ontwikkeling en om te beoordelen of een verantwoorde overgang naar het vrijwillig kader mogelijk is. Zonder voortzetting van de maatregel bestaat het risico dat de huidige stabiliteit verloren gaat en dat onvoldoende zicht blijft op de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] .




4.2.
De moeder geeft aan dat ze wel kan instemmen met het verzoek als er snel een nieuwe jeugdbeschermer komt die de zaak op kan pakken. Ze wil niet dat er straks weer een verlenging verzocht moet worden, omdat de nieuwe jeugdbeschermer onvoldoende tijd en dus zicht op de zaak heeft gehad.



4.3.
De grootouders mz geven aan dat zij liever zouden zien dat de hulpverlening overgedragen zou worden naar het vrijwillig kader.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



Inhoudelijke beoordeling




5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.6.
Op dit moment wordt de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig bedreigd. Omdat [minderjarige] bij de grootouders mz verblijft, wordt deze ontwikkelingsbedreiging grotendeels weggenomen.



5.7.
Zowel de moeder als [minderjarige] zelf en de grootouders mz hebben positieve stappen gezet. Van belang is het om te monitoren of deze positieve stappen voortgezet worden. De kinderrechter heeft daar wel alle vertrouwen in, echter om de ondertoezichtstelling goed en vooral zorgvuldig af te kunnen sluiten, is er een borgingsplan nodig. Dat borgingsplan is er nog niet.



5.8.
De kinderrechter verwacht van de GI dat er op de kortst mogelijke termijn een jeugdbeschermer met de moeder en de grootouders mz aan de slag gaat om een borgingsplan te maken. De kinderrechter benadrukt dit omdat de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat de vaste jeugdbeschermer niet langer voor de GI werkt en er daardoor nog geen vaste jeugdbeschermer voor deze casus beschikbaar is, terwijl de GI eigenlijk wel vindt dat er de komende periode toegewerkt kan worden naar het vrijwillig kader. De wisseling van jeugdbeschermer mag naar het oordeel van de kinderrechter geen onnodige vertraging in dit proces veroorzaken, omdat een ondertoezichtstelling niet langer moet duren dan strikt noodzakelijk is. De kinderrechter verwacht dan ook dat alle betrokkenen de komende periode alles op alles gaan zetten om dit in de komende periode te realiseren. Dit vraagt van de GI dat dit zo snel mogelijk wordt opgepakt en van de moeder en de grootouders mz vraagt dit uiteraard ook dat zij de positieve lijn blijven vasthouden. In het borgingsplan moet oog zijn voor de veiligheid van [minderjarige] , afspraken over de voorwaarden van het verblijf van [minderjarige] bij de grootouders mz, afspraken over het contact van [minderjarige] met de moeder en ook afspraken over wat te doen als de vader op enig moment weer contact wil met [minderjarige] . Ook moet er aandacht in het borgingsplan zijn voor de overdracht van de pleegzorg naar het vrijwillig kader.



5.9.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , welke noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. De kinderrechter wijst er de GI op dat – indien er een borgingsplan is, waar de moeder en de grootouders mz achter staan – de maatregelen door de GI eventueel ook eerder (na toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming) afgesloten kunnen worden.



Uitvoerbaar bij voorraad




5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 juli 2026 en tot 21 januari 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz), met ingang van 21 juli 2026 en tot 21 januari 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.