Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7749
2026-07-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449755 / JE RK 26-1131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.602 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/449755 / JE RK 26-1131
C/02/449756 / JE RK 26-1132
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026;
de op 26 juni 2026 ontvangen brief van de Raad.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Van Wijk, de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader in persoon en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De behandeling van deze verzoeken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de nog resterende verzoeken van de GI tot verlenging van de in 2.3 genoemde beschermingsmaatregelen (C/02/439702 / JE RK 25-1651 en C/02/439787 / JE RK 25-1663), de verzoeken van de GI tot bekrachtiging van twee schriftelijke aanwijzingen (C/02/440923 / JE RK 25-1871 en C/02/442105 / JE RK 25-2053), het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling (C/02/438064 / JE RK 25-1396) en het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] (C/02/443040 / JE RK 25-2242). In de andere zaken is bij aparte beschikkingen van heden een beslissing gegeven.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben, in overleg met de GI, de Raad en de ouders, hierover na de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter, met [minderjarige 1] op 30 juni 2026 en met [minderjarige 2] op 2 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Op grond van de in 2.3 vermelde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige 1] op een behandelgroep en [minderjarige 2] in een gezinshuis, tegenwoordig aangeduid met een gezinsgerichte voorziening.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 november 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd van 25 augustus 2025 tot 4 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 augustus 2026 te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan.
[minderjarige 1]
4.2.
De uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt bemoeilijk doordat het voor de jeugdbeschermer moeilijk is om contact te krijgen met de vader. Ook het contact tussen [minderjarige 1] en de vader verloopt niet goed. Op dit moment heeft [minderjarige 1] zelfs geen fysiek contact met haar vader. Nu [minderjarige 1] geen contact heeft met haar vader, verloopt het contact tussen de jeugdbeschermer en [minderjarige 1] wel beter en komt zij beter aan haar behandeling en ontwikkeling toe. Zij gaat de hulpverlening bij de GGZ aan en durft vrijer aan te geven wat goed voor haar is. Zij verblijft al geruime tijd op een behandelgroep in [plaats 1]. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt rondom haar perspectief. Een perspectiefonderzoek door De Gezinsmanager dat reeds is aangevraagd bij de gemeente komt door omstandigheden, zoals het ontbreken van structureel contact tussen [minderjarige 1] en de vader, niet van de grond.
[minderjarige 2]
4.3.
verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en het gaat hier goed met hem. Hij ontwikkelt zich op alle vlakken goed. Inmiddels is hij gestart met videobellen met zijn moeder. Fysiek contact tussen [minderjarige 2] en de moeder is nog een stap te ver, nu er bij de moeder nog steeds sprake is van middelengebruik. Het contact met zijn vader blijft [minderjarige 2] nog afhouden. Hij is bang opnieuw teleurgesteld te worden door de vader.
Beide kinderen
4.4.
Bij zowel [minderjarige 1] als bij [minderjarige 2] is nog sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij hebben behoefte aan een veilige, duidelijke en gestructureerde omgeving met intensieve begeleiding. [minderjarige 2] heeft zijn plekje gevonden in de gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en ziet hier ook zijn toekomst. Hij wil daar blijven wonen en van daaruit ook naar school gaan. Ten aanzien van [minderjarige 1] is er nog geen duidelijkheid over waar zij op termijn mag opgroeien, terwijl zij wel sterk behoefte heeft aan deze duidelijkheid. Haar voorkeur is om te blijven wonen op de behandelgroep. De GI verzoekt de kinderrechter om de Raad te verzoeken een perspectiefonderzoek uit te voeren, teneinde verdere stagnatie in het bepalen van het toekomstperspectief van beide kinderen te voorkomen. Het is van belang dat er snel duidelijkheid komt voor de kinderen, zodat zij weten waar zij aan toe zijn.
5Het standpunt van de vader en het advies van de Raad
5.1
Namens de vader is aangegeven dat hij op de hoogte is van de onderhavige verzoeken en dat hij akkoord is met de behandeling hiervan. De vader is zelf niet in persoon ter zitting verschenen, omdat hij recent aan zijn hart is geopereerd en nog niet voldoende fit is om in het gerechtsgebouw aanwezig te zijn. De vader wil heel graag contact met de kinderen, maar hij is ook hulpverleningsmoe. Hij weet dat hij de enige ouder is die belast is met het gezag over de kinderen. In hoeverre hij zich bewust is van de verantwoordelijkheden die hierbij horen, durft zijn raadsvrouw niet te zeggen. Namens de vader wordt verzocht de beschermingsmaatregelen te verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek om zo een tussentijds toetsingsmoment te creëren. Van de vader mag de Raad in de komende tijd een perspectiefonderzoek doen.
5.2
De Raad heeft in reactie op het verzoek van de GI tot toetsing van de verlenging van de beschermingsmaatregelen na twee jaar bij brief van 26 juni 2026 positief beslist, inhoudende dat een verlenging van de maatregelen voor de duur van één jaar nog noodzakelijk is. Voor deze toetsing heeft de Raad de vader niet kunnen bereiken. De Raad acht een verlenging van de voornoemde maatregelen nog nodig om de voortgang te kunnen behouden. Ook is de Raad bereid om op verzoek van de kinderrechter een perspectiefonderzoek te doen. Een dergelijk onderzoek zal pas over meer dan vier maanden kunnen starten en het onderzoek zelf zal ook nog enige tijd in beslag nemen. Wanneer het verzoek namens de vader om over zes maanden een extra toetsingsmoment te creëren wordt toegewezen, verwacht de Raad niet dat het perspectiefonderzoek dan al gereed is.
6De standpunten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
6.1
Ter zitting is besproken dat het de kinderrechter niet is gelukt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorafgaand aan de zitting te spreken. Met instemming van de GI, de raadsvrouw van de vader en de Raad heeft de kinderrechter daarbij aangegeven dat hij bereid was om na de zitting alsnog met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te spreken. Daarbij is uitdrukkelijk afgesproken dat de kinderrechter vervolgens zonder een terugkoppeling van deze gesprekken aan de GI, de vader en de Raad een beschikking zou geven. De betrokkenen hebben daarmee ingestemd.
6.2
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige 1] gesproken via de telefoon. [minderjarige 1] stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij verblijft nu inderdaad op een groep in [plaats 1]. Zij vindt het daar niet per se fijn om te wonen. Wel wil zij daar blijven wonen. Zij gaat in [plaats 2] naar school en dat gaat goed. Op dit moment heeft ze contact met haar moeder via WhatsApp. Met haar vader heeft ze vanaf 11 mei 2026 geen contact meer, daarvoor ging ze om de week of wekelijks in het weekend naar hem toe. [minderjarige 1] weet niet hoe het komt dat zij al een tijdje geen contact meer heeft gehad met haar vader. Sinds vorige week heeft zij wel weer contact met haar vader via WhatsApp; zij is bereid om dat contact op termijn uit te breiden. Ook heeft ze wekelijks telefonisch contact met [minderjarige 2] en zij zien elkaar één keer per maand.
6.3
Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige 2] gesproken via een Teamsverbinding. [minderjarige 2] stemt ook in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaating. Hij verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en wil daar blijven wonen. Na de zomervakantie gaat hij starten op een middelbare school in [plaats 4]. Met zijn moeder heeft hij een wekelijks belmoment. Op dit moment heeft hij geen contact met zijn vader. Hij heeft van de jeugdbeschermer gehoord dat zijn vader graag contact met hem wil. [minderjarige 2] wil werken aan contactherstel met zijn vader, waarbij hij in aanwezigheid van de jeugdbeschermer wil starten met een telefoongesprek. Als alles goed gaat wil hij op termijn ook fysiek contact met zijn vader, waarbij het begin door een derde wordt begeleid. [minderjarige 2] heeft ook regelmatig contact met [minderjarige 1] en dat gaat goed.
7De beoordeling
Wat zegt de wet?
7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
7.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Het oordeel van de kinderrechter
7.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De bij deze beschermingsmaatregel gestelde doelen zijn nog niet behaald. De thuissituatie bij de vader biedt op dit moment nog onvoldoende emotionele veiligheid, stabiliteit en pedagogische voorspelbaarheid. Daar komt bij dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende waarborgen biedt om de benodigde behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen.
7.6.
Gebleken is voorts dat terugplaatsing van (een van) de kinderen bij de vader op dit moment niet mogelijk is. [minderjarige 2] heeft tot op heden geen (fysiek) contact met de vader en wil het contact op zijn tempo herstellen. Op dit moment heeft [minderjarige 1] ook geen (fysiek) contact met de vader, terwijl zij tot in mei 2026 wel structureel contact met elkaar hebben gehad. De recent opgestarte appcontacten zijn nog pril. Ook is gebleken dat de vader uit het contact met de GI is gegaan, waardoor er geen zicht is op zijn (thuis)situatie en zijn mogelijkheden om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te voeden en te verzorgen. Een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] bij de vader is dan ook op dit moment niet aan de orde. Een machtiging tot uithuisplaatsing is van hun beiden dan ook nog steeds noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
7.7.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], in hun belang, noodzakelijk is. Hij ziet geen aanleiding om de beschermingsmaatregelen in duur te bekorten om een extra toetsingsmoment te creëren, omdat in het kader van de ondertoezichtstelling nog veel dient te gebeuren voordat de eerder gestelde doelen zijn behaald. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het wenselijk is dat er door de Raad ten aanzien van beide kinderen een perspectiefonderzoek wordt gedaan. Door de Raad is aangegeven dat zo’n onderzoek, vanaf nu gezien en met inachtneming van een wachttijd van meer dan vier maanden, pas over meer dan zes maanden kan worden afgerond.
7.8.
De verzoeken zullen dan ook, gezien het voorgaande, worden toegewezen voor de duur van een jaar.
7.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Perspectiefonderzoek
7.10.
Door de GI is verzocht om de Raad onderzoek te laten doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Met name [minderjarige 1] heeft last van de onduidelijkheid rondom de vraag waar zij mag opgroeien.
7.11.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er in het komende jaar een perspectiefonderzoek wordt gedaan en dat er vervolgens een perspectiefbesluit wordt genomen over de vraag waar beide kinderen zullen gaan opgroeien. Zoals ter zitting besproken zal daarom de Raad worden verzocht om een onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Nadat de resultaten van dat onderzoek bekend zijn is het aan de GI om een perspectiefbesluit te nemen. De kinderrechter verwacht dat het rapport van het onderzoek en het daarop volgend perspectiefbesluit van de GI zal worden overgelegd bij een eventueel toekomstig verzoek van de GI tot verlenging van de maatregelen. Daarbij is het de bedoeling dat de GI haar perspectiefbesluit, in combinatie met een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, ter toetsing aan de kinderrechter zal voorleggen.
7.12.
De kinderrechter richt zich tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de navolgende brieven waarin de beslissingen worden uitgelegd en toegelicht. De griffier van de rechtbank wordt verzocht deze brieven af te geven aan de betreffende minderjarigen:
Beste [minderjarige 1],
Nadat ik op 30 juni 2026 met [persoon 1], jouw jeugdbeschermer, de advocaat van je vader en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heb gesproken, heb ik ook met jou gesproken. Jij hebt aangegeven dat je wil blijven wonen op de huidige behandelgroep. Je vindt het daar niet per se leuk, maar wil hier, voorlopig, wel blijven wonen en in de omgeving naar school gaan.
Ik vind het in jouw belang dat het Leger des Heils, in de persoon van [persoon 1], bij jou betrokken blijft. Daarom heb ik de maatregelen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met een jaar, dus tot 4 augustus 2027. Dit maakt het mogelijk om op de plek waar je nu verblijft te blijven wonen en in de omgeving naar school te gaan. Omdat het voor jou belangrijk is om meer duidelijkheid te krijgen over waar jij verder kan opgroeien, heb ik de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd daarnaar een onderzoek, dat een perspectiefonderzoek wordt genoemd, te doen. De Raad voor de Kinderbescherming zal eind dit jaar met dit onderzoek gaan starten en dan ook met jou, je vader, je moeder en [persoon 1] in gesprek gaan.
Ook hebben we gesproken over het contact met jouw vader. Jij hebt aangegeven dat je na de beschikking van 2 december 2025 regelmatig contact met je vader hebt gehad, waarbij je ongeveer één keer in de twee weken van zaterdag op zondag naar je vader ging. Sinds mei 2026 is het contact tussen jou en je vader verbroken. Zelf weet je eigenlijk niet goed waarom. Wel zou je graag weer (fysiek) contact met je vader willen. Omdat ik het belangrijk vind dat het contact tussen jou en je vader zorgvuldig wordt hersteld, heb ik bepaald dat [persoon 1] hierin de regie zal voeren. Hierbij vind ik het belangrijk dat jouw tempo en wensen worden gevolgd.
Met vriendelijke groet,
mr. Toekoen, kinderrechter
Beste [minderjarige 2],
Nadat ik op 30 juni 2026 met [persoon 2], jouw jeugdbeschermer, de advocaat van je vader en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heb gesproken, heb ik op 2 juli 2026 ook met jou gesproken. Jij hebt aangegeven dat je in het gezinshuis in [plaats 3] waar je nu verblijft wil blijven wonen. Na de zomervakantie ga je ook starten op een middelbare school in [plaats 4]. Ik vind het in jouw belang dat het Leger des Heils in de persoon van [persoon 2] bij jou betrokken blijft. Daarom heb ik de maatregelen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met een jaar, dus tot 4 augustus 2027. Dit maakt het mogelijk om op de plek waar je nu verblijft te blijven wonen en in de omgeving naar school te gaan. Ook heb ik de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen naar jouw toekomstperspectief; dat betekent dat zal worden onderzocht waar jij verder kan opgroeien. De Raad voor de Kinderbescherming zal dit onderzoek eind dit jaar gaan starten en dan ook met jou, je vader, je moeder en [persoon 2] in gesprek gaan.
Ook hebben we gesproken over het contact met je vader. Jij hebt aangegeven dat je nog geen contact met je vader hebt, maar wel een start wil maken met contactherstel door elkaar te bellen. Jij zou het fijn vinden als bij het eerste belcontacten [persoon 2] aanwezig is, zodat hij jou hierbij kan ondersteunen. Ik vind het belangrijk dat door [persoon 2] aan het contactherstel met je vader wordt gewerkt. Daarom heb ik geen vaste zorgregeling van jou met je vader vastgesteld, maar bepaald dat de regie voor het contactherstel bij [persoon 2] wordt belegd, waarbij jouw tempo en wensen gevolgd moeten worden.
Met vriendelijke groet,
mr. Toekoen, kinderrechter
8De beslissing
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van
een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.5.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag waar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ligt en daarover te rapporteren en te adviseren.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/449755 / JE RK 26-1131
C/02/449756 / JE RK 26-1132
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026;
de op 26 juni 2026 ontvangen brief van de Raad.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Van Wijk, de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader in persoon en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De behandeling van deze verzoeken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de nog resterende verzoeken van de GI tot verlenging van de in 2.3 genoemde beschermingsmaatregelen (C/02/439702 / JE RK 25-1651 en C/02/439787 / JE RK 25-1663), de verzoeken van de GI tot bekrachtiging van twee schriftelijke aanwijzingen (C/02/440923 / JE RK 25-1871 en C/02/442105 / JE RK 25-2053), het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling (C/02/438064 / JE RK 25-1396) en het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] (C/02/443040 / JE RK 25-2242). In de andere zaken is bij aparte beschikkingen van heden een beslissing gegeven.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben, in overleg met de GI, de Raad en de ouders, hierover na de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter, met [minderjarige 1] op 30 juni 2026 en met [minderjarige 2] op 2 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Op grond van de in 2.3 vermelde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige 1] op een behandelgroep en [minderjarige 2] in een gezinshuis, tegenwoordig aangeduid met een gezinsgerichte voorziening.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 november 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd van 25 augustus 2025 tot 4 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 augustus 2026 te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan.
[minderjarige 1]
4.2.
De uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt bemoeilijk doordat het voor de jeugdbeschermer moeilijk is om contact te krijgen met de vader. Ook het contact tussen [minderjarige 1] en de vader verloopt niet goed. Op dit moment heeft [minderjarige 1] zelfs geen fysiek contact met haar vader. Nu [minderjarige 1] geen contact heeft met haar vader, verloopt het contact tussen de jeugdbeschermer en [minderjarige 1] wel beter en komt zij beter aan haar behandeling en ontwikkeling toe. Zij gaat de hulpverlening bij de GGZ aan en durft vrijer aan te geven wat goed voor haar is. Zij verblijft al geruime tijd op een behandelgroep in [plaats 1]. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt rondom haar perspectief. Een perspectiefonderzoek door De Gezinsmanager dat reeds is aangevraagd bij de gemeente komt door omstandigheden, zoals het ontbreken van structureel contact tussen [minderjarige 1] en de vader, niet van de grond.
[minderjarige 2]
4.3.
verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en het gaat hier goed met hem. Hij ontwikkelt zich op alle vlakken goed. Inmiddels is hij gestart met videobellen met zijn moeder. Fysiek contact tussen [minderjarige 2] en de moeder is nog een stap te ver, nu er bij de moeder nog steeds sprake is van middelengebruik. Het contact met zijn vader blijft [minderjarige 2] nog afhouden. Hij is bang opnieuw teleurgesteld te worden door de vader.
Beide kinderen
4.4.
Bij zowel [minderjarige 1] als bij [minderjarige 2] is nog sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij hebben behoefte aan een veilige, duidelijke en gestructureerde omgeving met intensieve begeleiding. [minderjarige 2] heeft zijn plekje gevonden in de gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en ziet hier ook zijn toekomst. Hij wil daar blijven wonen en van daaruit ook naar school gaan. Ten aanzien van [minderjarige 1] is er nog geen duidelijkheid over waar zij op termijn mag opgroeien, terwijl zij wel sterk behoefte heeft aan deze duidelijkheid. Haar voorkeur is om te blijven wonen op de behandelgroep. De GI verzoekt de kinderrechter om de Raad te verzoeken een perspectiefonderzoek uit te voeren, teneinde verdere stagnatie in het bepalen van het toekomstperspectief van beide kinderen te voorkomen. Het is van belang dat er snel duidelijkheid komt voor de kinderen, zodat zij weten waar zij aan toe zijn.
5Het standpunt van de vader en het advies van de Raad
5.1
Namens de vader is aangegeven dat hij op de hoogte is van de onderhavige verzoeken en dat hij akkoord is met de behandeling hiervan. De vader is zelf niet in persoon ter zitting verschenen, omdat hij recent aan zijn hart is geopereerd en nog niet voldoende fit is om in het gerechtsgebouw aanwezig te zijn. De vader wil heel graag contact met de kinderen, maar hij is ook hulpverleningsmoe. Hij weet dat hij de enige ouder is die belast is met het gezag over de kinderen. In hoeverre hij zich bewust is van de verantwoordelijkheden die hierbij horen, durft zijn raadsvrouw niet te zeggen. Namens de vader wordt verzocht de beschermingsmaatregelen te verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek om zo een tussentijds toetsingsmoment te creëren. Van de vader mag de Raad in de komende tijd een perspectiefonderzoek doen.
5.2
De Raad heeft in reactie op het verzoek van de GI tot toetsing van de verlenging van de beschermingsmaatregelen na twee jaar bij brief van 26 juni 2026 positief beslist, inhoudende dat een verlenging van de maatregelen voor de duur van één jaar nog noodzakelijk is. Voor deze toetsing heeft de Raad de vader niet kunnen bereiken. De Raad acht een verlenging van de voornoemde maatregelen nog nodig om de voortgang te kunnen behouden. Ook is de Raad bereid om op verzoek van de kinderrechter een perspectiefonderzoek te doen. Een dergelijk onderzoek zal pas over meer dan vier maanden kunnen starten en het onderzoek zelf zal ook nog enige tijd in beslag nemen. Wanneer het verzoek namens de vader om over zes maanden een extra toetsingsmoment te creëren wordt toegewezen, verwacht de Raad niet dat het perspectiefonderzoek dan al gereed is.
6De standpunten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
6.1
Ter zitting is besproken dat het de kinderrechter niet is gelukt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorafgaand aan de zitting te spreken. Met instemming van de GI, de raadsvrouw van de vader en de Raad heeft de kinderrechter daarbij aangegeven dat hij bereid was om na de zitting alsnog met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te spreken. Daarbij is uitdrukkelijk afgesproken dat de kinderrechter vervolgens zonder een terugkoppeling van deze gesprekken aan de GI, de vader en de Raad een beschikking zou geven. De betrokkenen hebben daarmee ingestemd.
6.2
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige 1] gesproken via de telefoon. [minderjarige 1] stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij verblijft nu inderdaad op een groep in [plaats 1]. Zij vindt het daar niet per se fijn om te wonen. Wel wil zij daar blijven wonen. Zij gaat in [plaats 2] naar school en dat gaat goed. Op dit moment heeft ze contact met haar moeder via WhatsApp. Met haar vader heeft ze vanaf 11 mei 2026 geen contact meer, daarvoor ging ze om de week of wekelijks in het weekend naar hem toe. [minderjarige 1] weet niet hoe het komt dat zij al een tijdje geen contact meer heeft gehad met haar vader. Sinds vorige week heeft zij wel weer contact met haar vader via WhatsApp; zij is bereid om dat contact op termijn uit te breiden. Ook heeft ze wekelijks telefonisch contact met [minderjarige 2] en zij zien elkaar één keer per maand.
6.3
Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige 2] gesproken via een Teamsverbinding. [minderjarige 2] stemt ook in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaating. Hij verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 3] en wil daar blijven wonen. Na de zomervakantie gaat hij starten op een middelbare school in [plaats 4]. Met zijn moeder heeft hij een wekelijks belmoment. Op dit moment heeft hij geen contact met zijn vader. Hij heeft van de jeugdbeschermer gehoord dat zijn vader graag contact met hem wil. [minderjarige 2] wil werken aan contactherstel met zijn vader, waarbij hij in aanwezigheid van de jeugdbeschermer wil starten met een telefoongesprek. Als alles goed gaat wil hij op termijn ook fysiek contact met zijn vader, waarbij het begin door een derde wordt begeleid. [minderjarige 2] heeft ook regelmatig contact met [minderjarige 1] en dat gaat goed.
7De beoordeling
Wat zegt de wet?
7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
7.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Het oordeel van de kinderrechter
7.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De bij deze beschermingsmaatregel gestelde doelen zijn nog niet behaald. De thuissituatie bij de vader biedt op dit moment nog onvoldoende emotionele veiligheid, stabiliteit en pedagogische voorspelbaarheid. Daar komt bij dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende waarborgen biedt om de benodigde behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen.
7.6.
Gebleken is voorts dat terugplaatsing van (een van) de kinderen bij de vader op dit moment niet mogelijk is. [minderjarige 2] heeft tot op heden geen (fysiek) contact met de vader en wil het contact op zijn tempo herstellen. Op dit moment heeft [minderjarige 1] ook geen (fysiek) contact met de vader, terwijl zij tot in mei 2026 wel structureel contact met elkaar hebben gehad. De recent opgestarte appcontacten zijn nog pril. Ook is gebleken dat de vader uit het contact met de GI is gegaan, waardoor er geen zicht is op zijn (thuis)situatie en zijn mogelijkheden om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te voeden en te verzorgen. Een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] bij de vader is dan ook op dit moment niet aan de orde. Een machtiging tot uithuisplaatsing is van hun beiden dan ook nog steeds noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
7.7.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], in hun belang, noodzakelijk is. Hij ziet geen aanleiding om de beschermingsmaatregelen in duur te bekorten om een extra toetsingsmoment te creëren, omdat in het kader van de ondertoezichtstelling nog veel dient te gebeuren voordat de eerder gestelde doelen zijn behaald. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het wenselijk is dat er door de Raad ten aanzien van beide kinderen een perspectiefonderzoek wordt gedaan. Door de Raad is aangegeven dat zo’n onderzoek, vanaf nu gezien en met inachtneming van een wachttijd van meer dan vier maanden, pas over meer dan zes maanden kan worden afgerond.
7.8.
De verzoeken zullen dan ook, gezien het voorgaande, worden toegewezen voor de duur van een jaar.
7.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Perspectiefonderzoek
7.10.
Door de GI is verzocht om de Raad onderzoek te laten doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Met name [minderjarige 1] heeft last van de onduidelijkheid rondom de vraag waar zij mag opgroeien.
7.11.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er in het komende jaar een perspectiefonderzoek wordt gedaan en dat er vervolgens een perspectiefbesluit wordt genomen over de vraag waar beide kinderen zullen gaan opgroeien. Zoals ter zitting besproken zal daarom de Raad worden verzocht om een onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Nadat de resultaten van dat onderzoek bekend zijn is het aan de GI om een perspectiefbesluit te nemen. De kinderrechter verwacht dat het rapport van het onderzoek en het daarop volgend perspectiefbesluit van de GI zal worden overgelegd bij een eventueel toekomstig verzoek van de GI tot verlenging van de maatregelen. Daarbij is het de bedoeling dat de GI haar perspectiefbesluit, in combinatie met een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, ter toetsing aan de kinderrechter zal voorleggen.
7.12.
De kinderrechter richt zich tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de navolgende brieven waarin de beslissingen worden uitgelegd en toegelicht. De griffier van de rechtbank wordt verzocht deze brieven af te geven aan de betreffende minderjarigen:
Beste [minderjarige 1],
Nadat ik op 30 juni 2026 met [persoon 1], jouw jeugdbeschermer, de advocaat van je vader en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heb gesproken, heb ik ook met jou gesproken. Jij hebt aangegeven dat je wil blijven wonen op de huidige behandelgroep. Je vindt het daar niet per se leuk, maar wil hier, voorlopig, wel blijven wonen en in de omgeving naar school gaan.
Ik vind het in jouw belang dat het Leger des Heils, in de persoon van [persoon 1], bij jou betrokken blijft. Daarom heb ik de maatregelen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met een jaar, dus tot 4 augustus 2027. Dit maakt het mogelijk om op de plek waar je nu verblijft te blijven wonen en in de omgeving naar school te gaan. Omdat het voor jou belangrijk is om meer duidelijkheid te krijgen over waar jij verder kan opgroeien, heb ik de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd daarnaar een onderzoek, dat een perspectiefonderzoek wordt genoemd, te doen. De Raad voor de Kinderbescherming zal eind dit jaar met dit onderzoek gaan starten en dan ook met jou, je vader, je moeder en [persoon 1] in gesprek gaan.
Ook hebben we gesproken over het contact met jouw vader. Jij hebt aangegeven dat je na de beschikking van 2 december 2025 regelmatig contact met je vader hebt gehad, waarbij je ongeveer één keer in de twee weken van zaterdag op zondag naar je vader ging. Sinds mei 2026 is het contact tussen jou en je vader verbroken. Zelf weet je eigenlijk niet goed waarom. Wel zou je graag weer (fysiek) contact met je vader willen. Omdat ik het belangrijk vind dat het contact tussen jou en je vader zorgvuldig wordt hersteld, heb ik bepaald dat [persoon 1] hierin de regie zal voeren. Hierbij vind ik het belangrijk dat jouw tempo en wensen worden gevolgd.
Met vriendelijke groet,
mr. Toekoen, kinderrechter
Beste [minderjarige 2],
Nadat ik op 30 juni 2026 met [persoon 2], jouw jeugdbeschermer, de advocaat van je vader en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heb gesproken, heb ik op 2 juli 2026 ook met jou gesproken. Jij hebt aangegeven dat je in het gezinshuis in [plaats 3] waar je nu verblijft wil blijven wonen. Na de zomervakantie ga je ook starten op een middelbare school in [plaats 4]. Ik vind het in jouw belang dat het Leger des Heils in de persoon van [persoon 2] bij jou betrokken blijft. Daarom heb ik de maatregelen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met een jaar, dus tot 4 augustus 2027. Dit maakt het mogelijk om op de plek waar je nu verblijft te blijven wonen en in de omgeving naar school te gaan. Ook heb ik de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen naar jouw toekomstperspectief; dat betekent dat zal worden onderzocht waar jij verder kan opgroeien. De Raad voor de Kinderbescherming zal dit onderzoek eind dit jaar gaan starten en dan ook met jou, je vader, je moeder en [persoon 2] in gesprek gaan.
Ook hebben we gesproken over het contact met je vader. Jij hebt aangegeven dat je nog geen contact met je vader hebt, maar wel een start wil maken met contactherstel door elkaar te bellen. Jij zou het fijn vinden als bij het eerste belcontacten [persoon 2] aanwezig is, zodat hij jou hierbij kan ondersteunen. Ik vind het belangrijk dat door [persoon 2] aan het contactherstel met je vader wordt gewerkt. Daarom heb ik geen vaste zorgregeling van jou met je vader vastgesteld, maar bepaald dat de regie voor het contactherstel bij [persoon 2] wordt belegd, waarbij jouw tempo en wensen gevolgd moeten worden.
Met vriendelijke groet,
mr. Toekoen, kinderrechter
8De beslissing
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van
een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027;
8.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.5.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag waar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ligt en daarover te rapporteren en te adviseren.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.