Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7712
2026-07-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448733 / JE RK 26-936
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ots + afwijzing muhp andere ouder met gezag. hoofdverblijf ligt nog bij de vader.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.017 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448733 / JE RK 26-936
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Tiggelaar,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026;
de aanvullende informatie met bijlagen van de GI, ingediend op 10 juli 2026;
het emailbericht van de vader d.d.12 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Hoewel correct opgeroepen, is (met schriftelijke afmelding) de vader niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben hierover een brief gestuurd aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1]
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2024 (zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396) is het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader bepaald. Voor [minderjarige 1] is bij die beschikking tevens een definitieve zorgregeling voor wat betreft de reguliere omgang met de moeder bepaald en een voorlopige regeling voor wat betreft de vakanties en feestdagen.
2.3.
Bij beschikking van 22 juli 2025 is door de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 22 juli 2025 en tot 22 juli 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 juli 2025 en tot 22 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 19 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengd bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 januari 2026 en tot 22 juli 2026.
2.5.
Bij beschikking van 10 juli 2026 met zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396 is, voor zover hier van belang, door de rechtbank geoordeeld dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man het meest passend is. Omdat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] reeds eerder bij beschikking van 1 augustus 2024 definitief bij de man is bepaald, zijn de verzoeken van zowel de man als de vrouw met betrekking tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] afgewezen.
2.6.
[minderjarige 1] verblijft bij zijn vader.
[minderjarige 2]
2.7.
[minderjarige 2] verblijft bij haar vader.
2.8.
Bij beschikking van 22 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, te weten tot 22 juli 2026.
2.9.
Bij beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2024 (zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396) is het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder bepaald. Voorts is ten aanzien van [minderjarige 2] een co-ouderschap bepaald, waarbij [minderjarige 2] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader en het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag na school.
2.10.
Bij beschikking van de rechtbank van 10 juli 2026 is het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader bepaald. Verder is, voor zover hier van belang, bepaald dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige 2] bij de moeder verblijft 5 dagen per 14 dagen van vrijdag na school tot dinsdag naar school. Ook is bepaald dat er een regeling geldt ten aanzien van de verdeling van de zorg tijdens vakanties en met feestdagen vanaf de herfstvakantie van 2026 als volgt:
De zomervakantie vanaf 2027 zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld waarbij [minderjarige 2] in de even jaren 2 weken bij de man verblijft, vervolgens 2 weken bij de vrouw, 1 week bij de man en 1 week bij de vrouw;
in de oneven jaren is die verdeling omgedraaid dat wil zeggen dat [minderjarige 2] dan 2 weken bij de vrouw verblijft en vervolgens 2 weken bij de man, 1 week bij de vrouw en 1 week bij de man;
[minderjarige 2] verblijft in de herfstvakantie in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
In de kerstvakantie verblijft [minderjarige 2] in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw; in de oneven jaren verblijft [minderjarige 2] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
In de voorjaarsvakanties verblijft [minderjarige 2] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
In de meivakanties verblijft [minderjarige 2] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
Voor wat betreft moederdag, vaderdag, goede vrijdag/pasen, hemelvaart/pinksteren, koningsdag, sinterklaas, en de verjaardagen van de minderjarigen, verblijft [minderjarige 2] bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling zal zijn; dit geldt ook voor de studiedagen van de school van [minderjarige 2] ;
Voor wat betreft de verjaardag van ieder van de ouders wordt [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld bij de ouder te verblijven die dan jarig is.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige 1] , te weten [datum] 2026.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI ziet dat het op dit moment goed lijkt te gaan met de kinderen, maar blijft zorgen houden over de situatie rondom de ouders en de invloed daarvan op de ontwikkeling van de kinderen. Met name de communicatie en samenwerking tussen de ouders blijven onvoldoende waardoor de kinderen klem dreigen te raken. De GI vindt het noodzakelijk dat de ouders de benodigde hulpverlening accepteren waaronder het ingezette ouderschapsbemiddelingstraject en het onderzoek om zicht te krijgen op de onderliggende patronen. Daarnaast moeten de ouders worden ondersteund in hun samenwerking. De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig om een vinger aan de pols te kunnen houden en de belangen van de kinderen te blijven bewaken. De machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is niet langer nodig nu zijn hoofdverblijf bij de vader is bepaald en hij daar feitelijk ook al langere tijd verblijft.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader geeft de moeder aan dat dit verzoek kan worden afgewezen omdat [minderjarige 1] inmiddels weer bij de vader woont. De moeder maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en ziet dat de communicatie tussen ouders nog steeds onvoldoende is verbeterd. De moeder geeft aan dat zij zich heeft ingezet om de situatie voor de kinderen werkbaar te maken en bereid is mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Zij vindt het belangrijk dat de onderliggende problemen tussen de ouders worden onderzocht zodat de kinderen niet langer belast worden met de strijd tussen hen. Verder merkt de moeder op dat zij zich zorgen maakt dat de vader onvoldoende structureel meewerkt aan de hulpverlening en dat de kinderen daardoor opnieuw in een loyaliteitsconflict terechtkomen. Zij wil dat de GI betrokken blijft om de ontwikkeling van de kinderen te bewaken.
4.3.
De vader heeft in zijn email toegelicht dat de drie kinderen grotendeels bij hem wonen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] doen het goed. Ook heeft de vader beschreven dat er sprake is van een positieve ontwikkeling in het contact met de moeder. De vader ziet dan ook geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
[minderjarige 1] geeft in zijn brief aan de kinderrechter aan dat hij wil dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden beëindigd. Hij geeft aan dat hij uit eigen keuze bij zijn vader verblijft, zich daar veilig en prettig voelt en een goede band heeft met zijn broer en zus. Volgens [minderjarige 1] heeft hij geen behoefte aan hulpverlening en heeft hij nauwelijks contact gehad met de GI. Nu hij bijna meerderjarig is, wil hij zelf kunnen bepalen waar hij woont.
4.5.
[minderjarige 2] verzoekt de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Zij geeft aan dat het goed met haar gaat. Zij functioneert goed op school, heeft fijne vriendinnen en de huidige zorgregeling verloopt goed. Volgens [minderjarige 2] kunnen haar ouders inmiddels beter met elkaar omgaan en ziet zij daarom geen noodzaak meer voor verlenging van de ondertoezichtstelling.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De beoordeling
5.4.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog steeds aanwezig is. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] toewijzen voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] zal worden toegewezen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [datum] 2026. Het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader zal worden afgewezen. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel het met de kinderen zelf op veel punten goed gaat, blijven er zorgen bestaan over de situatie tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders is onvoldoende verbeterd en het lukt hen nog steeds niet om zelfstandig afspraken te maken en gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. Hierdoor bestaat het risico dat de kinderen opnieuw belast raken met de strijd tussen ouders en in een loyaliteitsconflict terechtkomen. In dat kader stelt de kinderrechter vast dat de moeder om de vrede te bewaren in de communicatie met de vader een stap terug doet. Het is nog steeds niet gelukt om het noodzakelijke ouderschapsbemiddelingstraject daadwerkelijk goed op te starten en er bestaat nog onvoldoende zicht op de onderliggende patronen binnen het gezinssysteem.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 1] al langere tijd feitelijk weer bij zijn vader verblijft. Gelet hierop is de situatie waarop het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing was gebaseerd, gewijzigd. [minderjarige 1] verblijft niet langer in afwijking van zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar woont bij de vader waar zijn hoofdverblijf juridisch is bepaald. De kinderrechter ziet daarom geen noodzaak meer voor een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de moeder en zal het verzoek van de GI daarom afwijzen.
5.7.
De kinderrechter is verder van mening dat de ouders in de komende periode hun verantwoordelijkheid moeten nemen om de samenwerking als ouders te verbeteren. Het is niet aan de kinderen om de gevolgen van de conflicten tussen ouders op te lossen of zelf te bepalen hoe de contacten en verblijfsmomenten worden vormgegeven. De GI dient betrokken te blijven om zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen, de voortgang van de hulpverlening te bewaken en daar waar nodig bij te sturen. In de komende periode is het van belang dat ouders daadwerkelijk deelnemen aan de ingezette hulpverlening. Het ouderschapsbemiddelingstraject dient voortvarend te worden opgepakt en er moet door middel van onderzoek meer zicht komen op de onderliggende patronen tussen de ouders en de invloed daarvan op de kinderen. De ouders moeten leren om de kinderen buiten hun onderlinge strijd te houden, elkaar als opvoeders te erkennen en samen beslissingen te nemen die aansluiten bij wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben.
5.8.
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] dient over zes maanden een toetsingsmoment plaats te vinden om te beoordelen of deze ondertoezichtstelling nog steeds in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk is. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 14 december 2026 per brief kort te rapporteren over het verloop en de ontwikkelingen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . Tevens dient de GI te berichten of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 juli 2026 en tot 22 januari 2027;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten met ingang van 22 juli 2026 en tot [datum] 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder;
6.5.
houdt het resterende deel van het verzoek met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] aan tot een pro forma nader te bepalen zitting begin januari 2027, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier en op schrift gesteld op 31 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448733 / JE RK 26-936
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Tiggelaar,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026;
de aanvullende informatie met bijlagen van de GI, ingediend op 10 juli 2026;
het emailbericht van de vader d.d.12 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Hoewel correct opgeroepen, is (met schriftelijke afmelding) de vader niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben hierover een brief gestuurd aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1]
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2024 (zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396) is het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader bepaald. Voor [minderjarige 1] is bij die beschikking tevens een definitieve zorgregeling voor wat betreft de reguliere omgang met de moeder bepaald en een voorlopige regeling voor wat betreft de vakanties en feestdagen.
2.3.
Bij beschikking van 22 juli 2025 is door de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 22 juli 2025 en tot 22 juli 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 juli 2025 en tot 22 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 19 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengd bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 januari 2026 en tot 22 juli 2026.
2.5.
Bij beschikking van 10 juli 2026 met zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396 is, voor zover hier van belang, door de rechtbank geoordeeld dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man het meest passend is. Omdat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] reeds eerder bij beschikking van 1 augustus 2024 definitief bij de man is bepaald, zijn de verzoeken van zowel de man als de vrouw met betrekking tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] afgewezen.
2.6.
[minderjarige 1] verblijft bij zijn vader.
[minderjarige 2]
2.7.
[minderjarige 2] verblijft bij haar vader.
2.8.
Bij beschikking van 22 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, te weten tot 22 juli 2026.
2.9.
Bij beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2024 (zaaknummer C/02/403902 / FA RK 22-5396) is het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder bepaald. Voorts is ten aanzien van [minderjarige 2] een co-ouderschap bepaald, waarbij [minderjarige 2] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader en het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag na school.
2.10.
Bij beschikking van de rechtbank van 10 juli 2026 is het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader bepaald. Verder is, voor zover hier van belang, bepaald dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige 2] bij de moeder verblijft 5 dagen per 14 dagen van vrijdag na school tot dinsdag naar school. Ook is bepaald dat er een regeling geldt ten aanzien van de verdeling van de zorg tijdens vakanties en met feestdagen vanaf de herfstvakantie van 2026 als volgt:
De zomervakantie vanaf 2027 zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld waarbij [minderjarige 2] in de even jaren 2 weken bij de man verblijft, vervolgens 2 weken bij de vrouw, 1 week bij de man en 1 week bij de vrouw;
in de oneven jaren is die verdeling omgedraaid dat wil zeggen dat [minderjarige 2] dan 2 weken bij de vrouw verblijft en vervolgens 2 weken bij de man, 1 week bij de vrouw en 1 week bij de man;
[minderjarige 2] verblijft in de herfstvakantie in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
In de kerstvakantie verblijft [minderjarige 2] in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw; in de oneven jaren verblijft [minderjarige 2] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
In de voorjaarsvakanties verblijft [minderjarige 2] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
In de meivakanties verblijft [minderjarige 2] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
Voor wat betreft moederdag, vaderdag, goede vrijdag/pasen, hemelvaart/pinksteren, koningsdag, sinterklaas, en de verjaardagen van de minderjarigen, verblijft [minderjarige 2] bij de ouder waar zij volgens de reguliere zorgregeling zal zijn; dit geldt ook voor de studiedagen van de school van [minderjarige 2] ;
Voor wat betreft de verjaardag van ieder van de ouders wordt [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld bij de ouder te verblijven die dan jarig is.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige 1] , te weten [datum] 2026.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI ziet dat het op dit moment goed lijkt te gaan met de kinderen, maar blijft zorgen houden over de situatie rondom de ouders en de invloed daarvan op de ontwikkeling van de kinderen. Met name de communicatie en samenwerking tussen de ouders blijven onvoldoende waardoor de kinderen klem dreigen te raken. De GI vindt het noodzakelijk dat de ouders de benodigde hulpverlening accepteren waaronder het ingezette ouderschapsbemiddelingstraject en het onderzoek om zicht te krijgen op de onderliggende patronen. Daarnaast moeten de ouders worden ondersteund in hun samenwerking. De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig om een vinger aan de pols te kunnen houden en de belangen van de kinderen te blijven bewaken. De machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is niet langer nodig nu zijn hoofdverblijf bij de vader is bepaald en hij daar feitelijk ook al langere tijd verblijft.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader geeft de moeder aan dat dit verzoek kan worden afgewezen omdat [minderjarige 1] inmiddels weer bij de vader woont. De moeder maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en ziet dat de communicatie tussen ouders nog steeds onvoldoende is verbeterd. De moeder geeft aan dat zij zich heeft ingezet om de situatie voor de kinderen werkbaar te maken en bereid is mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Zij vindt het belangrijk dat de onderliggende problemen tussen de ouders worden onderzocht zodat de kinderen niet langer belast worden met de strijd tussen hen. Verder merkt de moeder op dat zij zich zorgen maakt dat de vader onvoldoende structureel meewerkt aan de hulpverlening en dat de kinderen daardoor opnieuw in een loyaliteitsconflict terechtkomen. Zij wil dat de GI betrokken blijft om de ontwikkeling van de kinderen te bewaken.
4.3.
De vader heeft in zijn email toegelicht dat de drie kinderen grotendeels bij hem wonen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] doen het goed. Ook heeft de vader beschreven dat er sprake is van een positieve ontwikkeling in het contact met de moeder. De vader ziet dan ook geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
[minderjarige 1] geeft in zijn brief aan de kinderrechter aan dat hij wil dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden beëindigd. Hij geeft aan dat hij uit eigen keuze bij zijn vader verblijft, zich daar veilig en prettig voelt en een goede band heeft met zijn broer en zus. Volgens [minderjarige 1] heeft hij geen behoefte aan hulpverlening en heeft hij nauwelijks contact gehad met de GI. Nu hij bijna meerderjarig is, wil hij zelf kunnen bepalen waar hij woont.
4.5.
[minderjarige 2] verzoekt de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Zij geeft aan dat het goed met haar gaat. Zij functioneert goed op school, heeft fijne vriendinnen en de huidige zorgregeling verloopt goed. Volgens [minderjarige 2] kunnen haar ouders inmiddels beter met elkaar omgaan en ziet zij daarom geen noodzaak meer voor verlenging van de ondertoezichtstelling.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De beoordeling
5.4.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog steeds aanwezig is. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] toewijzen voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] zal worden toegewezen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [datum] 2026. Het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader zal worden afgewezen. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel het met de kinderen zelf op veel punten goed gaat, blijven er zorgen bestaan over de situatie tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders is onvoldoende verbeterd en het lukt hen nog steeds niet om zelfstandig afspraken te maken en gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. Hierdoor bestaat het risico dat de kinderen opnieuw belast raken met de strijd tussen ouders en in een loyaliteitsconflict terechtkomen. In dat kader stelt de kinderrechter vast dat de moeder om de vrede te bewaren in de communicatie met de vader een stap terug doet. Het is nog steeds niet gelukt om het noodzakelijke ouderschapsbemiddelingstraject daadwerkelijk goed op te starten en er bestaat nog onvoldoende zicht op de onderliggende patronen binnen het gezinssysteem.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 1] al langere tijd feitelijk weer bij zijn vader verblijft. Gelet hierop is de situatie waarop het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing was gebaseerd, gewijzigd. [minderjarige 1] verblijft niet langer in afwijking van zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar woont bij de vader waar zijn hoofdverblijf juridisch is bepaald. De kinderrechter ziet daarom geen noodzaak meer voor een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de moeder en zal het verzoek van de GI daarom afwijzen.
5.7.
De kinderrechter is verder van mening dat de ouders in de komende periode hun verantwoordelijkheid moeten nemen om de samenwerking als ouders te verbeteren. Het is niet aan de kinderen om de gevolgen van de conflicten tussen ouders op te lossen of zelf te bepalen hoe de contacten en verblijfsmomenten worden vormgegeven. De GI dient betrokken te blijven om zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen, de voortgang van de hulpverlening te bewaken en daar waar nodig bij te sturen. In de komende periode is het van belang dat ouders daadwerkelijk deelnemen aan de ingezette hulpverlening. Het ouderschapsbemiddelingstraject dient voortvarend te worden opgepakt en er moet door middel van onderzoek meer zicht komen op de onderliggende patronen tussen de ouders en de invloed daarvan op de kinderen. De ouders moeten leren om de kinderen buiten hun onderlinge strijd te houden, elkaar als opvoeders te erkennen en samen beslissingen te nemen die aansluiten bij wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben.
5.8.
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] dient over zes maanden een toetsingsmoment plaats te vinden om te beoordelen of deze ondertoezichtstelling nog steeds in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk is. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 14 december 2026 per brief kort te rapporteren over het verloop en de ontwikkelingen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . Tevens dient de GI te berichten of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 22 juli 2026 en tot 22 januari 2027;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten met ingang van 22 juli 2026 en tot [datum] 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder;
6.5.
houdt het resterende deel van het verzoek met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] aan tot een pro forma nader te bepalen zitting begin januari 2027, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier en op schrift gesteld op 31 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.