Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7709

2026-07-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449082 / JE RK 26-1014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449082 / JE RK 26-1014
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.058 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449082 / JE RK 26-1014
Datum uitspraak: 14 juli 2026




Beschikking verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 juni 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
De advocaat mr. J.J. Bronsveld heeft zich gesteld als advocaat van de moeder, maar is (met afmelding op 10 juli 2026) niet verschenen.



1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.






2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van 5 augustus 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar met ingang van 5 augustus 2025 tot 5 augustus 2026.






3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een jaar omdat de ontwikkelingsbedreiging nog onvoldoende is weggenomen. Met name het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] , de verstoorde communicatie tussen de ouders en het uitblijven van de noodzakelijke hulpverlening vragen blijvende inzet. Daarnaast vindt de GI opvoedondersteuning in de thuissituatie noodzakelijk en is medewerking van beide ouders aan de ingezette hulpverlening van belang.



4.2.
De moeder heeft tijdens de zitting ingestemd met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij geeft aan dat de kinderen de ingezette hulp nodig hebben en dat verdere ondersteuning noodzakelijk blijft. De moeder ziet in dat zij nog stappen moet zetten in haar opvoedvaardigheden en de communicatie met de vader en staat open voor begeleiding om hierin sterker te worden.



4.3.
De vader merkt op dat hij niet akkoord is met de wijze waarop de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd. De vader voelt zich onvoldoende gehoord door de GI. Hij uit zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en de wijze waarop zij [minderjarige 1] opvoedt. Daarnaast heeft de vader weinig vertrouwen in de huidige jeugdbeschermer. De vader geeft aan het beste voor de kinderen te willen maar weigert toch op bepaalde onderdelen toestemming te geven voor hulpverlening omdat hij zich niet kan vinden in de werkwijze van de GI en de verslaglegging van de GI.




4.4.

[minderjarige 1] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat zij graag weer contact met haar vader wil en bereid is zich daarvoor in te zetten. Zij vindt het verwarrend dat haar vader via haar moeder veel naar haar vraagt maar haar tegelijkertijd negeert als zij elkaar zien. Zij heeft spijt van haar eerdere reacties richting haar vader en hoopt dat het contact kan worden hersteld. Verder vertelt zij dat het goed met haar gaat. Zij heeft haar school afgerond en een duidelijk plan voor de toekomst. [minderjarige 1] geeft aan dat zij zich ongeveer twee maanden geleden heeft gesneden omdat zij zich soms erg verdrietig voelt door de situatie rondom het contact met haar vader.



4.5.

[minderjarige 2] vertelt dat zij last heeft van de situatie tussen haar ouders en [persoon 1] . Zij vindt het beter zoals het nu gaat bij de overdracht, namelijk dat haar moeder en [persoon 1] elkaar niet meer ontmoeten omdat dit voor veel spanning zorgde. Zij heeft het naar haar zin bij haar vader en [persoon 1] . Verder vertelt zij dat zij het spannend vindt om naar de middelbare school te gaan maar dat haar beste vriendin ook meegaat. Bij haar moeder thuis gaat het goed al vindt zij de vriend van haar moeder, [persoon 2] , niet altijd leuk. Zij vertelt dat [persoon 2] een keer aan haar haren heeft getrokken, waarvoor hij later zijn excuses heeft aangeboden. Zelf had zij op dat moment met aardappelen naar hem gegooid. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat zij graag naar de zorgboerderij wil maar dat dit nog niet is geregeld omdat haar vader daarvoor nog toestemming moet geven.






5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



De beoordeling





5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.



5.4.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden al langere tijd belast door de voortdurende strijd tussen de ouders. Daarnaast ontbreekt het contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Hierover ontstaat onduidelijkheid voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] . Ook bestaan er nog steeds zorgen over het emotionele welzijn van de kinderen. Hoewel de moeder positieve stappen heeft gezet met de ingezette hulpverlening, zijn de zorgen niet allemaal weggenomen en is de samenwerking tussen de ouders en met de GI nog onvoldoende.



5.5.
De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk de ondertoezichtstelling te verlengen. In de komende periode dient de GI het gesprek met de vader aan te gaan, zo nodig in aanwezigheid van de teamleider, om de samenwerking te herstellen en te onderzoeken of een wisseling van jeugdbeschermer daarbij helpend kan zijn. Van de vader wordt verwacht dat hij aan dit gesprek op een constructieve wijze meewerkt. Daarnaast moet de GI erop toezien dat de vader tijdig en volledig wordt geïnformeerd over school, hulpverlening en andere belangrijke zaken betreffende [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het daarnaast ook van belang dat de vader zijn verantwoordelijkheid neemt door zijn medewerking te verlenen aan de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening. Gebleken is dat benodigde diagnostiek en hulpverlening voor [minderjarige 1] en de zorgboerderij voor [minderjarige 2] vertraging hebben opgelopen doordat vader geen toestemming heeft verleend. Hierdoor hebben de kinderen niet tijdig de ondersteuning gekregen die zij nodig hebben. Van de vader mag worden verwacht dat hij voortaan constructief meewerkt aan de besluitvorming rondom de benodigde hulpverlening zodat passende zorg zonder verdere vertraging kan worden ingezet.



5.6.
Verder vindt de kinderrechter het van groot belang dat er wordt gewerkt aan herstel van het contact tussen [minderjarige 1] en haar vader. [minderjarige 1] heeft duidelijk gemaakt dat zij dit contact graag wil en bereid is zich hiervoor in te zetten. De GI dient te onderzoeken op welke wijze dit, eventueel met behulp van psycho-educatie over de behoeften en beleving van een kind, zorgvuldig kan worden opgebouwd. Ook dient de GI voldoende zicht te houden op de opvoedsituatie bij de moeder, mede gelet op de door vader geuite zorgen, en de moeder te ondersteunen bij het versterken van haar weerbaarheid en het zorgvuldig informeren van de vader. Uiteindelijk is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de communicatie tussen de ouders normaliseert. Daarom zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar.



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.






6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 5 augustus 2026 en tot 5 augustus 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026.















































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.