Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7705

2026-07-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/ 435709 FA RK 25-2632 (echtscheiding) en
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/ 435709 FA RK 25-2632 (echtscheiding) en
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

echtscheiding; hoofdverblijk, zorgregeling, verdeling huwelijksgemeenschap en vergoedingsrecht o.g.v. verknochte schadevergoeding.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.215 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/ 435709 FA RK 25-2632 (echtscheiding) en
C/02/439519 FA RK 25-4556 (verdeling)


datum uitspraak: 14 juli 2026



beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.A. van den Heuvel,


en




[de man]
,
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat, voorheen mr. A.P.A. van Tuijn,
nu in persoon.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 21 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 7;
- het op 4 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen 1 tot en met 6;
- het F9-formulier van mr. Van den Heuvel van 10 juni 2025 met bijlage;
- het op 2 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen 8 tot en met 10;
- de brief van mr. Van den Heuvel van 8 mei 2026 met bijlagen 12 tot en met 18;
- het F2-formulier van mr. van Tuijn van 14 oktober 2025;
- de brief van 15 oktober 2025 van de griffier van de rechtbank gericht aan de man;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 24 april 2025.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de man, in persoon. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.


1.3 De man heeft tijdens de zitting pagina 3 en 4 van een taxatierapport overgelegd dat op 29 juli 2025 is opgesteld door [makelaar] te [woonplaats] . Deze productie is aan het procesdossier toegevoegd en maakt deel uit van de processtukken.


1.4 De hierna genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige 1] heeft ervoor gekozen om niet bij de kinderrechter op gesprek te gaan, maar een brief te sturen. De kinderrechter heeft op 6 mei 2026 een brief ontvangen van [minderjarige 1] . [minderjarige 2] heeft met de kinderrechter gesproken op 12 mei 2026.



2De feiten


2.1
Partijen zijn op [datum] 2004 in de gemeente Bernheze met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit hun huwelijk zijn de volgende drie kinderen geboren:
1. de inmiddels jong-meerderjarige [jong-meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,
2. de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008,
3. de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2012.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk genoemd: de kinderen. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.



2.2
De man heeft de voormalige echtelijke woning, gelegen aan [minderjarige 1] te [plaats] (verder: de woning), verlaten. De vrouw is met de kinderen in de woning blijven wonen.



2.3
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 24 april 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw toevertrouwd en bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning.



2.4

Partijen hebben via een mediator een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend op
17 december 2024. In artikel 2. van het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de kinderen bij de vrouw hun hoofdverblijf hebben en dat zij op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. In artikel 3. zijn partijen een zorgregeling overeengekomen. De tekst van artikel 3. luidt - voor zover relevant - als volgt:
“Artikel 3.1 - Zorg/contactregeling

(…) Zolang de vader in Nederland blijft wonen, verblijven de kinderen eenmaal per


veertien dagen bij de vader van donderdag na school tot zondag 21.00 uur. Deze regeling zal hierna als de “reguliere zorgregeling” worden aangeduid.(…)”




In dit ouderschapsplan hebben partijen afgesproken dat de man en de kinderen ook contact hebben met elkaar gedurende de vakanties, met als uitgangspunt dat deze bij helfte worden verdeeld en waarbij steeds het eerste weekend zal worden ingevuld volgens de reguliere regeling, behoudens andersluidende afspraak in onderling overleg.




2.5
De man is werkzaam geweest bij het [organisatie]. Tijdens het huwelijk is de man drie keer uitgezonden geweest naar Bosnië (in 1997, 1998 en 2003) en is hij op 28 november 1996 tijdens diensttijd betrokken geraakt bij een ernstig auto-ongeval.


Zijn werkgever heeft hem een vergoeding voor materiële en immateriële schade toegekend van € 247.000,=. Afspraken over deze vergoeding zijn vastgelegd in een op 2 september 2028 ondertekende vaststellingsovereenkomst tussen de man en zijn voormalige werkgever. De man heeft gedurende het huwelijk € 15.625,95 aan voorschot op deze uitkering ontvangen. Het restant van de schadevergoeding van (afgerond) € 231.375,= is tijdens het huwelijk aan de man uitgekeerd en op een op naam van partijen staande gezamenlijke bankrekening gestort.




2.6.
Partijen hebben tot eind oktober 2025 vrijwillig onder bewind gestaan van [bewindvoering].



2.6
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.





3De verzoeken


3.1
De vrouw heeft haar verzoeken bij brief van 8 mei 2026 aangevuld. Zij verzoekt nu, samengevat,
1. echtscheiding;
2. primair het echtscheidingsconvenant integraal onderdeel te laten uitmaken van de echtscheidingsbeschikking en
subsidiair de wijze van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen vast te stellen op de door haar aangegeven wijze;
3. opneming van de door partijen in het ouderschapsplan getroffen regelingen in de beschikking;
4. te bepalen dat partijen zowel teruggaven als te betalen aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2024 en 2025 gelijk zullen genieten dan wel dragen;
5. vast te stellen dat zij een regresvordering heeft op de man van:
- € 2.238,07 voor het gebruik van de Peugeot
- € 47,= in verband met het aanvullen van het debetsaldo van de gezamenlijke rekening voor de opheffing.



3.2
De man verzoekt, samengevat,
1. echtscheiding;
2. bepaling dat de minderjarige kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem;
3. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarige kinderen;
4. bepaling dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld;
5. bepaling dat hij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten, met gebruik van de tot de inboedel daarvan behorende zaken, tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding;
6. vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen overeenkomstig punt 19 tot en met 60 van het verweerschrift;
7. bepaling dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor een bedrag van primair € 247.000,= en subsidiair € 187.124,50 in verband met de
schadevergoedingsuitkering aan de man;
8. veroordeling van de vrouw tot onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking aan de waardering van de onderneming, waartoe in ieder geval de navolgende (rechts)handelingen dienen te worden begrepen:

- de vrouw moet binnen twee weken na datum beschikking opdracht geven aan een door de rechter te bepalen taxateur tot waardering/taxatie van de onderneming;
- de vrouw moet alles nalaten wat aan de totstandkoming van een waardering in de weg staat;
- de vrouw moet zodra de waarde van de onderneming vaststaat medewerking verlenen aan de verkoop aan een potentiële koper of overname van de onderneming.






4De beoordeling



Echtscheiding




4.1
Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken van partijen tot echtscheiding zullen als op de wet gegrond worden toegewezen.



Aanhechten echtscheidingsconvenant





4.2
De vrouw heeft haar primaire verzoek het echtscheidingsconvenant integraal onderdeel te laten uitmaken van de echtscheidingsbeschikking ingetrokken. Dit betekent dat aan de rechtbank geen beslissing over het aanhechten van een echtscheidingsconvenant voorligt.



Opneming van het door partijen ondertekende ouderschapsplan, hoofdverblijf en regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken





4.3
De vrouw heeft verzocht het ouderschapsplan integraal onderdeel te laten uitmaken van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw en verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen. Daarnaast heeft hij vaststelling van een zorgregeling verzocht welke inhoudt dat aan de kinderen de vrijheid wordt gegeven om zelf te kunnen kiezen wanneer zij bij hun vader of moeder willen verblijven en te bepalen dat de vakanties en feestdagen worden verdeeld in onderling overleg.



4.4
Bij de bespreking van de verzoeken op de zitting is gebleken dat de man zijn verzoek ten aanzien van het hoofdverblijf niet langer handhaaft en dat dit ook geldt voor de zorgregeling. De man heeft verklaard dat hij geen wijziging meer vraagt van de afspraken die partijen over het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling in het ouderschapsplan hebben gemaakt en dat hij akkoord is met het verzoek van de vrouw om het ouderschapsplan integraal onderdeel te laten uitmaken van de beschikking.



4.5
Gebleken is dat zich wijzigingen hebben voorgedaan in de zorgverdeling over de kinderen. Met partijen tijdens de zitting gesproken over hun echtscheidingssituatie, de problemen die zich tussen hen en in de uitvoering van de zorgverdeling voordoen en er is gesproken over de vraag welke zorgregeling nu het meest passend is voor de kinderen. Duidelijk is geworden dat het gezin van partijen zware jaren heeft doorgemaakt. De man heeft in de uitoefening van zijn beroep trauma’s opgelopen en is gediagnosticeerd met PTSS. Dit heeft zijn weerslag gehad op het gezin. De inzet van ondersteuning van het gezin vanuit IMW heeft niet kunnen voorkomen dat tussen partijen de spanningen zijn opgelopen. Vanwege deze oplopende spanningen heeft de vrouw bij voorlopige voorzieningen om toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de woning verzocht. De man heeft de woning in mei 2025 verlaten en inmiddels een andere woning betrokken. Gebleken is dat de situatie tussen partijen nog problematisch is. Er is geen enkele communicatie tussen partijen, zij spreken elkaar ook niet over de kinderen en de zorgregeling. Dit heeft ervoor gezorgd dat er in 2025 een aantal weken geen contact is geweest tussen de man en [minderjarige 1] . Inmiddels wordt de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] weer uitgevoerd en dit loopt goed. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter laten weten dat zij het bij beide ouders fijn vindt en nu meer rust ervaart. Met de man heeft zij ook buiten zorgregeling contact en ook dat vindt zij fijn.



4.6
Ten aanzien van [minderjarige 1] is gebleken dat zij vanaf begin augustus 2025 niet meer bij de vrouw, maar bij de man verblijft. De eerste twee maanden na het vertrek van [minderjarige 1] hebben de vrouw en [minderjarige 1] elkaar niet gezien. De vrouw maakt zich zorgen over de psychische gesteldheid van [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] nog niet lang geleden psychische problemen heeft gehad. Zij heeft het gevoel [minderjarige 1] van haar aan het vervreemden is en dat zij [minderjarige 1] kwijt raakt. Tegelijkertijd wil zij [minderjarige 1] niet pushen in het contactherstel en haar de ruimte geven. Om het contact met [minderjarige 1] weer tot stand te brengen heeft de vrouw contact gezocht met [hulpverlening] . Gebleken is dat partijen een hulpverleningstraject zijn ingegaan, waarbij er gesprekken worden gevoerd met zowel partijen afzonderlijk als met de kinderen. De kinderen hebben daarnaast een kindbehartiger toegewezen gekregen om de gevolgen van de echtscheiding te bespreken. Verder is gebleken dat er een voorzichtig contactherstel is tussen de vrouw en [minderjarige 1] . In haar brief aan de kinderrechter heeft [minderjarige 1] laten weten dat zij de wens heeft om ingeschreven te blijven bij haar moeder en voorlopig bij haar vader wil blijven wonen. Zij wil het contact het haar moeder stap voor stap opbouwen als zij daar klaar voor is en met hulp van bijvoorbeeld hulpverlening.



Visie van de Raad





4.7
De Raad heeft haar zorgen geuit over de problematische situatie tussen partijen en de weerslag die dit heeft op de kinderen. De Raad benadrukt dat voor [minderjarige 1] de emotionele ballast extra zwaar kan voelen, vanwege de mentale problemen die zij in het verleden heeft gehad. Het zal de kinderen helpen als partijen hun onderlinge problemen aanpakken en naar de kinderen uitdragen dat zij de problemen gaan oplossen. Dat is ook de taak en de verantwoordelijkheid van de ouders. De Raad heeft verder naar voren gebracht dat [minderjarige 1] op een leeftijd is gekomen dat haar behoeftes gaan veranderen, waardoor het voor haar lastiger zal worden om zich strikt te houden aan een zorgregeling met de vrouw. De zorgregeling die partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen is een goede basisregeling voor beide kinderen. Voor [minderjarige 2] loopt deze regeling goed en voor [minderjarige 1] is deze regeling een goed uitgangspunt voor herstel van het contact met haar moeder. Het is voor [minderjarige 1] belangrijk dat er een prikkel is om regelmatig contact te hebben met haar moeder maar dat zij ook de vrijheid krijgt de omgangsregeling naar eigen behoefte in te vullen.



4.8
Met partijen is tijdens de zitting besproken dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat om het kind op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 lid 1 Burgerlijk Wetboek) en dat het mede de verplichting van de andere ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). Partijen hebben beiden aangegeven dat zij het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] belangrijk vinden en dit ook naar [minderjarige 1] zullen uitdragen. Beiden vinden dat voor het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] dient te worden aangesloten bij de zorgregeling die partijen in het ouderschapsplan voor de man en de kinderen zijn overeengekomen. Vanwege de leeftijd en de kindeigen problematiek van [minderjarige 1] zullen zij haar niet dwingen deze regeling strikt na te komen, maar haar wel stimuleren contact met haar moeder te hebben. De rechtbank acht deze vorm van contact gezien haar leeftijd het meest passend voor [minderjarige 1] en in haar belang. Voor [minderjarige 2] geldt dat de rechtbank de zorgregeling die partijen voor de kinderen en de man in het ouderschapsplan hebben opgenomen ook het meest in haar belang vindt. Nu de vrouw geen wijziging heeft verzocht van de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling voor de man en de kinderen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw het ouderschapsplan integraal in de beschikking op te nemen, toewijzen op de wijze zoals hierna in het dictum weergegeven.



4.9
De rechtbank ziet aanleiding om in een aparte brief aan [minderjarige 1] uit te leggen wat haar ouders ten aanzien van het contact tussen haar en haar moeder hebben afgesproken.



Beste [minderjarige 1] ,





Op 4 mei 2026 heeft de rechtbank de brief ontvangen waarin je je mening geeft over de zorgregeling en jouw hoofdverblijf.





Je hebt in jouw brief laten weten dat je graag verandering wilt brengen in de zorgregeling, omdat deze voor jou niet goed werkt. Jouw wens is om ingeschreven te blijven bij je moeder en voorlopig bij je vader te wonen. Het contact met je moeder wil je weer opbouwen zodra je daar klaar voor bent, op je eigen tempo en bijvoorbeeld met hulp van hulverlening. Dat je je op dit moment niet veilig en fijn voelt bij je moeder heeft volgens jou een paar oorzaken en die noem je ook in jouw brief. Je hoopt dat het contact met je moeder in de toekomst beter kan worden en laat weten dat je er voor open staat om het contact met je moeder weer op te bouwen.


Op 21 mei 2026 heb ik met je ouders gesproken en met een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Je moeder wil graag contact met jou en heeft gevraagd of de regeling die nu voor jou en je vader in het ouderschapsplan staat, ook tussen jou en je moeder afgesproken kan worden. Die regeling is dat jij eenmaal per veertien dagen van donderdag na school tot zondag 21.00 uur bij je moeder bent. Samen met je ouders en de medewerker van de Raad hebben we hierover gesproken, over de situatie dat je nu weinig contact hebt met je moeder en wat voor jou daarin belangrijk is. Je ouders hebben verteld dat zij het belangrijk vinden dat er regelmatig contact is tussen jou en je moeder. Ze vinden dat de regeling die nu voor jou en je vader is afgesproken, de beste basisregeling zou zijn voor het contact tussen jou en je moeder. Je moeder heeft op de zitting verteld dat zij een goede band met je heeft en dat zij je niet tot contact wil dwingen.


Ik ben het eens met jouw ouders dat de regeling die in het ouderschapsplan voor jou en je vader is vastgelegd, ook voor jou en je moeder de basisregeling moet zijn. Maar ik wil je niet dwingen tot contact met je moeder, want ik heb ook gelezen en gehoord dat je echt last hebt (gehad) van de echtscheiding tussen jouw ouders. En ook vanwege jouw leeftijd vind ik dat je de ruimte mag voelen om het contact met je moeder op jouw tempo weer op te bouwen. De basisregeling tussen jou en je moeder mag je daarom invullen op de manier die voor jou goed voelt en het beste bij jou past. Daarbij hoop en verwacht ik ook wel dat je je best zult doen om regelmatig contact te hebben met je moeder. Ik vind het namelijk belangrijk dat je regelmatig contact hebt met je beide ouders, bij welke ouder je ook woont.





Met vriendelijke groet,





De kinderrechter.


Voortgezet gebruik woning





4.10
De man heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat zijn verzoek achterhaald is, omdat hij inmiddels een andere woning bewoont en nog steeds voornemens is om naar Spanje te verhuizen. De rechtbank zal het verzoek van de man als ingetrokken beschouwen. Dit betekent dat aan de rechtbank geen verzoek meer ter beoordeling voorligt.



Verdeling van het huwelijksvermogen





Toetsingskader





4.11
Partijen zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.



Peildata





4.12
De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 21 mei 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.



4.13
De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.



4.14
De gemeenschap bestond op de peildatum 21 mei 2025, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:



Goederen


a. de woning aan de aan [adres] te [woonplaats];
b. de inboedel van de woning;
c. saldi van diverse bankrekeningen;
d. twee auto’s, een motor en een scooter;
e. de activa en passiva van [eenmanszaak] , de onderneming van de vrouw;



Schulden


f. de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening.





4.15
Tussen partijen is in geschil of de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap in verband met de schadevergoeding die aan hem is uitgekeerd. Dit geschilpunt zal de rechtbank hierna in respectievelijk de rechtsoverwegingen 4.42. tot en met 4.54. behandelen.



4.16
Partijen zijn het erover eens dat zij gelijkelijk draagplichtig zijn voor eventuele belastingschulden en in gelijke mate gerechtigd zijn tot eventuele belastingteruggaven over de periode tot 21 mei 2025. Dit hoeft niet afzonderlijk in het dictum te worden opgenomen, nu de gelijke draagplicht voor negatieve saldi en de gelijke mate van gerechtigdheid tot positieve saldi volgt uit de wet (art. 1:100 BW). Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.



4.17
De vrouw heeft verder regresvorderingen ingesteld in verband met het:
- voldoen van de kosten van de auto van het merk Peugeot;
- aanzuiveren van het debetsaldo van een gemeenschappelijke rekening.
De vrouw voert aan dat zij de kosten heeft gedragen van de Peugeot die bij de man in gebruik is. Aan kosten van verzekering ad € 29,36 per maand, belasting ad € 66,= per maand en bijtelling ad € 1.093,75 per jaar heeft zij over de periode van 21 mei 2025 tot mei 2026 in totaal € 2.238,07 voor de man voldaan. Het volledige bedrag dient voor rekening te komen van de man en door hem te worden gedragen. De vrouw verzoekt te bepalen dat zij een regresvordering heeft op de man ter hoogte van € 2.238,07. De vrouw voert verder aan dat zij voor het aanzuiveren van het debetsaldo van de gezamenlijke bankrekening € 94,= op deze rekening gestort. Zij stelt hiervoor een regresvordering te hebben op de man van € 47,=.



4.18
De man heeft op de zitting verklaard dat hij instemt met de verzoeken van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij in verband met de kosten van de Peugeot en het aanzuiveren van het debetsaldo van de gemeenschappelijke rekening een regresvordering heeft op de man van respectievelijk van € 2.238,07 en € 47,=.



Ad a. en f. de woning en bijbehorende hypothecaire geldlening




4.19
Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom de woning aan [adres] te [woonplaats] . Op de woning rust een hypotheekschuld.



4.20

Tussen partijen staat vast dat de woning moet worden verdeeld. Tijdens de zitting is met partijen over de wijze van verdeling van de woning gesproken. Gebleken is dat partijen de woning in 2025 hebben laten taxeren door [makelaar] . De man heeft op de zitting een schriftelijk stuk overgelegd, waaruit volgt dat [makelaar] op 29 juli een taxatierapport heeft uitgebracht en de marktwaarde heeft bepaald op € 510.000,=. De vrouw wenst een termijn van drie maanden om te onderzoeken of zij de woning voor dat bedrag kan overnemen. De man stelt zich op het standpunt dat de woning voor een waarde van
€ 575.000,= in de verdeling dient te worden betrokken. Hij stelt dat de getaxeerde marktwaarde € 510.000,= lager is dan de werkelijke marktwaarde, omdat het taxatierapport is opgemaakt ten behoeve van de aanvraag van een hypotheek door de vrouw. De vrouw is volgens de man financieel (ook) niet in staat om de woning tegen een waarde van
€ 510.000,= over te nemen. Hij wenst verder dat de woning wordt verkocht aan een derde om zijn aandeel in de overwaarde te maximaliseren.




4.21

In de kern genomen is tussen partijen in geschil de vraag of voor de waarde van de woning kan worden uitgegaan van de getaxeerde waarde van € 510.000,=. De rechtbank overweegt het volgende.
De man heeft zijn stelling dat de marktwaarde zoals vastgesteld in het taxatierapport niet marktconform is, omdat voor de marktwaarde in het taxatierapport is uitgegaan van een lagere waarde met het oog op een aanvraag van een hypotheek door de vrouw, onvoldoende en met concrete stellingen onderbouwd. Dit lag wel op zijn weg. Voor zijn stelling dat de vastgestelde waarde niet marktconform zou zijn, zijn geen aanknopingspunten te vinden in het door de man overgelegde schriftelijke document. Onder E. van dit document staat een definitie van de term ‘marktwaarde’. Het door de man overgelegde schriftelijk stuk bevat, voor zover relevant, de volgende tekst:




“Wat is ‘marktwaarde’?





De officiële definitie van marktwaarde is:


‘Het geschatte bedrag waartegen vastgoed zou kunnen worden overgedragen op de waardepeildatum tussen een berei (…) (
opmerking rechtbank: tekst is weggevallen
) koper en een bereidwillige verkoper in een zakelijke transactie, na behoorlijke marketing, waarbij de partijen me (…) (
opmerking rechtbank: tekst is weggevallen
) van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld.’




De marktwaarde van een woning is altijd een schatting. Preciezer: het is een schatting van wat een geïnteresseer (…) (
opmerking rechtbank: tekst is weggevallen
) zou willen betalen aan een verkoper die de woning graag wil verkopen. er zijn daarbij een paar voorwaarden:



1. De verkoper heeft reclame gemaakt voor verkoop van de woning.


2. De koper en de verkoper hebben genoeg verstand van woningprijzen.


3. De koper en de verkoper handelen nadat ze er goed over hebben nagedacht.


4. De koper en de verkoper handelen vrij en zonder dwang.


De kosten die betaald worden bij de koop en overdracht maken geen onderdeel uit van de marktwaarde.”



In deze tekst zijn evenmin aanknopingspunten te vinden voor de stelling van de man dat het doel van deze taxatie, het verkrijgen van een (hypothecaire) financiering, de te taxeren waarde negatief heeft beïnvloed. De man heeft op de zitting nog aangevoerd dat bij verkoop van de woning aan een derde [makelaar] de woning tegen een verkoopprijs van
€ 575.000,= te koop zou aanbieden. Nog daargelaten dat de vrouw niet van deze informatie op de hoogte was en bij gebrek aan kennis deze betwist, maakt de stelling van de man het oordeel niet anders. De verkoopprijs is immers niet hetzelfde als de marktwaarde, zoals ook volgt uit de definitie van de marktwaarde op het door de man overgelegde schriftelijk stuk. De man heeft geen andere feiten en of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de getaxeerde marktwaarde te laag is vastgesteld. Het vorenstaande betekent dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat voor de waarde van de woning wordt uitgegaan van de marktwaarde van € 510.000,=.




4.22

Verkoop van de woning aan een derde heeft voor de vrouw verstrekkende gevolgen, omdat zij op zoek zal moeten gaan naar vervangende woonruimte op een woningmarkt die krap is. De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw eerst in de gelegenheid wordt gesteld te onderzoeken of zij de woning kan overnemen. De vrouw krijgt drie maanden na de datum van deze beschikking de gelegenheid aan te tonen zij de woning tegen de getaxeerde waarde van € 510.000,= kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen. Indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden moet de woning worden verkocht en geleverd aan een derde tegen de hoogst mogelijke verkoopwaarde.
Partijen zijn het erover eens dat bij verkoop van de woning aan een derde de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldlening, bij helfte tussen hen wordt verdeeld. De rechtbank geeft partijen nadrukkelijk mee om in dat geval met elkaar afspraken te maken over het verkooptraject.



Het voorstel van de man zijn vergoedingsvordering in mindering te brengen op de overwaarde van de woning komt hierna aan de orde bij de bespreking van de verzoeken met betrekking tot de schadevergoedingsuitkering.




Ad b. de inboedel




4.23
De vrouw heeft verzocht om de inboedel bij helfte tussen partijen te verdelen. De man heeft in punt 29. van zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken opgesomd welke inboedelgoederen hij toegedeeld wenst te krijgen, waaronder alle spullen uit de ‘mancave’ en erfstukken, waaronder het babybedje/commode, de grammofoon, het theekastje, de kristalspullen en het porselein. De overige inboedelgoederen kunnen volgens de man aan de vrouw worden toegedeeld, met gesloten beurzen.



4.24
Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij alleen zijn persoonlijke spullen uit de mancave, de erfstukken en het gereedschap toegedeeld wenst te krijgen en dat de overige gemeenschappelijke inboedelgoederen kunnen worden toegedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Partijen hebben afgesproken dat zij binnen een maand een afspraak maken over de datum waarop de man de spullen die hij toegedeeld krijgt zal ophalen.



4.25

Voor de rechtbank ligt met het oog op de bereikte overeenstemming geen taak meer in
het nemen van een beslissing over de (verdere) wijze van verdeling van de inboedel,
gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW. De rechtbank zal de verzoeken (in 3.1. onder
en 2. en 3.2. onder 6.) met betrekking tot de verdeling van de inboedel in zoverre
afwijzen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken
tussen hen wel bindend zijn, maar zich niet lenen voor opname in het dictum van deze
beschikking.




Ad c. saldi van diverse bankrekeningen




4.26
Partijen hebben volgens eigen opgave saldi op de volgende bankrekeningen:
a. (het saldo op) een gezamenlijke rekening Rabobank met [iban 1]
;
b. (het saldo op) een gezamenlijke rekening bij Rabobank met [iban 2] ;
c. (het saldo op) een bankrekening op naam van de man met [iban 3]
;
d. (het saldo op) een gezamenlijke rekening bij Rabobank met [iban 4] ;
e. (het saldo op) een gezamenlijke rekening bij Rabobank met [iban 5] .

Tussen partijen staat vast dat op de in sub a. genoemde Rabobankrekening
eindigend op [iban 1] het spaargeld staat van [jong-meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat het saldo
van deze rekening op peildatum 21 mei 2025 aan de drie dochters van partijen toebehoort. Partijen zijn het erover eens dat dit saldo buiten de verdeling blijft. Partijen zijn het er ook over eens dat de saldi van de overige bankrekeningen (onder b. tot en met e.) op de peildatum bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en dat ieder van partijen de bankrekening zal voortzetten die op zijn/haar naam staat.
Partijen zeggen de gezamenlijke bankrekeningen op, voor zover dat nog niet is gebeurd. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.25., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek over het vaststellen dan wel gelasten van de wijze van verdeling van de banksaldi. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken tussen hen wel bindend zijn.




4.27

De man heeft volledige inzage verzocht in de saldi van de op naam van de vrouw of op naam van haar onderneming gestelde bankrekeningen per de peildatum 21 mei 2025 en voor de periode van zes maanden daaraan voorafgaand. Hij beroept zich op artikel 22 in
samenhang met artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hij stelt dat hij nooit inzage heeft gehad in de rekeningen op naam van de vrouw en dat hij
niet weet waar haar inkomsten naar toe zijn gegaan. De man vermoedt dat de vrouw geld van die bankrekeningen heeft verduisterd. Zij heeft deze gelden niet aan de gemeenschap
besteed, maar aan zichzelf. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.




4.28

In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op
grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de andere partij kan bevelen tot het
verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de
wederpartij beschikt.




4.29

Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe
aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c)
bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft.
Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij
voldoende belang heeft. Ook als degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt
gevraagd de gegevens niet zelf onder zich heeft, maar de gegevens wel gemakkelijk van een
derde kan verkrijgen, kan het verzoek worden toegewezen.




4.30

Gebleken is dat er slechts één bankrekening is die tot de onderneming van de vrouw
behoort, te weten de rekening met [iban 6] . Verder is
niet gebleken dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen en voor de ontbinding van de
huwelijksgemeenschap andere zakelijke of alleen op haar naam staande rekeningen heeft
gehad. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van het verzoek van de man dan ook
beperken tot de rekening van de onderneming van de vrouw met [iban 6]
.




4.31

Ten aanzien van de zakelijke bankrekening van de vrouw zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij belang heeft bij inzage in de verzochte afschriften van de bankrekening die op naam staat van de onderneming van de vrouw. Voldoende is gebleken dat de man geen, althans onvoldoende inzage heeft gehad in het verloop van het saldo tot aan de peildatum van die zakelijke bankrekening. De vrouw heeft onvoldoende inlichtingen verstrekt over het door haar gevoerde bestuur over en de omvang van de gemeenschap bij de ontbinding daarvan. Uit het e-mailbericht van 4 september 2025 van de voormalige bewindvoerder (productie 12 van de vrouw) volgt dat de geldstromen tijdens het huwelijk door elkaar gingen lopen. De vrouw liet haar ‘zakelijke’ inkomen niet meer op de gemeenschappelijke beheerrekening binnenkomen. De man heeft daarmee voldoende onderbouwd dat het voor hem niet inzichtelijk was waarvoor haar inkomen werd aangewend. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij de man inzage zal geven in het saldo van de zakelijke bankrekening per de peildatum.
Gezien het bovenstaande is enkel inzage in het saldo van de zakelijke bankrekening op de peildatum naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een volledig overzicht van het verloop van het saldo van die bankrekening tot aan de peildatum.




Ad d. de auto’s, motor en een scooter




4.32
Partijen hebben twee auto’s, een motor en een scooter. Een auto van het merk Skoda, type Kodiaq, met [kenteken 1] , een auto van het merk Peugeot met [kenteken 2] en een motor met [kenteken 3] . De auto’s staan op naam van de onderneming van de vrouw. De auto van het merk Skoda is in gebruik bij de vrouw. De auto van het merk Peugeot, de motor en de scooter zijn in gebruik bij de man. Met partijen is op de zitting het debat gevoerd over de wijze van verdeling van de auto’s, de motor en de scooter. Zij hebben over de verdeling geen overeenstemming kunnen bereiken.



Skoda, type Kodiaq, met [kenteken 1] .




4.33

Partijen zijn het erover eens dat de Skoda aan de vrouw wordt toegedeeld, maar zij zijn het niet eens over de waarde van de Skoda op de peildatum. De man stelt dat de waarde van de Skoda € 29.800,= bedraagt. Hij baseert deze waarde op de waarde van vergelijkbare Skoda’s, die uiteenloopt van € 24.495,= tot € 35.990,=. De vrouw betwist dat een waarde van € 29.800,= reëel is en voert aan dat de kilometerstand van de Skoda’s, waarmee de man de Skoda van partijen voor zijn waardebepaling vergelijkt, veel lager is en deze auto’s uit 2019 komen en dus zeven jaar jonger zijn dan de Skoda van partijen. De vrouw verwijst voor de waarde van de Skoda naar de boekwaarde op 31 december 2023 waartegen de Skoda op de balans van 2024 van haar onderneming staat. De Skoda vertegenwoordigt volgens de vrouw een waarde van
€ 20.634,=. Nu partijen de rechtbank niet in staat hebben gesteld om een realistisch beeld te verkrijgen van de waarde van de Skoda, acht de rechtbank het billijk om aan te sluiten bij het gemiddelde van de door partijen gestelde waarde. De Skoda zal daarom tegen een waarde van (€ 29.800,= + € 20.634,= : 2 =) = € 25.217,= aan de vrouw worden toegedeeld. Bij toedeling van de Skoda tegen deze waarde wordt de vrouw voor een bedrag van € 12.608,50 overbedeeld, zodat zij dit bedrag aan de man dient te vergoeden.




Peugeot met [kenteken 2]




4.34
Partijen zijn het er niet over eens aan wie de auto moet worden toegedeeld en tegen welke waarde. De man verzoekt de Peugeot toe te delen aan de vrouw. De waarde van de Peugeot bedraagt volgens de man € 2.000,=. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van de boekwaarde waarvoor de Peugeot op de balans staat, een bedrag van € 4.587,=. Tussen partijen staat vast dat de Peugeot in ieder geval sinds de peildatum in gebruik is bij de man. De rechtbank acht het in dat licht bezien billijk dat deze auto dan ook aan de man wordt toegedeeld. Voor de waarde van de Peugeot gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van de door partijen gestelde waarde, te weten een bedrag van (€ 2.000,= + 4.587,= € 6.587,= : 2 =) € 3.293,50, nu de rechtbank op basis van de stellingen van partijen en de overgelegde bewijsstukken geen realistisch beeld heeft gekregen van de waarde van de auto. Nu de man met de toedeling van de auto voor een bedrag van € 1.646,75 wordt overbedeeld dient hij dit bedrag aan de vrouw te vergoeden.



Motor




4.35

Partijen zijn het erover eens dat de motor aan de man wordt toegedeeld. De man stelt dat de waarde van de motor € 2.000,= is. De vrouw heeft zich over de waarde van de motor niet uitgelaten en de waarde van € 2.000,= niet betwist. De motor wordt daarom toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 2.000,=, onder de verplichting de helft van die waarde, zijnde € 1.000,=, aan de vrouw te betalen.

Scooter




4.36
Partijen zijn het erover eens dat de scooter aan de man wordt toegedeeld. Als onweersproken is komen vast te staan dat de scooter geen enkele waarde meer heeft, zodat de man geen vergoeding voor de scooter aan de vrouw verschuldigd is. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.25., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek over het vaststellen dan wel gelasten van de wijze van verdeling van de scooter.



e. de activa en passiva behorende tot de eenmanszaak “ [eenmanszaak] ”




4.37
De vrouw heeft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd “ [eenmanszaak] ”. Haar ondernemingsactiviteiten bestaan uit het coachen van cliënten met behulp van honden. Voor een eenmanszaak geldt dat dit op zichzelf geen goed is dat in de gemeenschap van goederen valt en dus niet als zodanig kan worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaat uit activa en passiva. Partijen zijn het erover eens dat de activa en passiva behoren tot de huwelijksgemeenschap. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.



4.38
Partijen zijn het erover eens dat de activa en passiva van de onderneming dienen te worden toegedeeld aan de vrouw. Zij verschillen van mening over de vraag tegen welke waarde de activa en passiva aan de vrouw kunnen worden toegedeeld. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de onderneming geen waarde vertegenwoordigt. De man betwist bij gebrek aan wetenschap dat de onderneming van de vrouw geen waarde vertegenwoordigt. Hij stelt zich op het standpunt dat de onderneming dient te worden gewaardeerd. De rechtbank dient daarvoor een taxateur aan te wijzen. Hij verzoekt de vrouw te veroordelen aan de waardering van de onderneming haar onherroepelijke medewerking te verlenen.



4.39
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft voor de onderbouwing van de waarde van de onderneming enkel verwezen naar de jaarstukken van haar onderneming van 2024 (productie 10 van de vrouw). Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank niet vaststellen wat de waarde is van de onderneming op de peildatum. Het lag op de weg van de vrouw om een tussentijdse balans van 2025 op te laten maken, waaruit de waarden van de activa en de passiva blijken per peildatum en deze met een toelichting en onderbouwing van onderliggende bewijsstukken in het geding te brengen. De vrouw had daarnaast inzage kunnen geven in de actuele banksaldi van de rekening(en) van de onderneming en de eventuele fiscale verplichtingen. Dit heeft de vrouw nagelaten. Nu partijen het niet volledig over de wijze van verdeling van de onderneming eens zijn en de rechtbank niet, althans onvoldoende in staat is gesteld om een goed beeld te vormen van de waarde van de onderneming op de peildatum, zal de rechtbank mede gelet op de omvang van de onderneming volstaan met het gelasten van de wijze van de verdeling van de activa en de passiva van de onderneming worden op de volgende wijze:
a. a) de vrouw dient aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke deskundigen voor te stellen die bereid en in staat zijn de onderneming te waarderen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest en dit onverwijld binnen die week aan de vrouw laat weten. De vrouw verstrekt vervolgens binnen één week een opdracht aan deze deskundige tot waardering van de onderneming, waarbij rekening wordt gehouden met het gegeven dat de auto’s al tussen partijen zijn verdeeld zoals overwogen in 4.32 en 4.33.
De waardering zal bindend zijn, nu de rechtbank uit de stellingen van partijen afleidt dat zij dat ook wensen omdat zij in onderling overleg daarover niet tot overeenstemming kunnen komen. De kosten van de waardering worden door de vrouw gedragen en door haar voldaan;
b) in het kader van de toedeling van de activa en passiva van de onderneming aan de vrouw dient de vrouw bij een positieve waarde de helft van de waarde uit hoofde van overbedeling aan de man te voldoen en dient een negatieve waarde van de onderneming door partijen bij helfte te worden gedragen.



4.40
De rechtbank ziet geen aanleiding om op verzoek van de man de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan waardering van de onderneming zoals genoemd in 3.2. onder 8. tweede en derde gedachtestreepje in deze beschikking, omdat niet is gebleken dat de vrouw niet bereid is haar medewerking te verlenen aan de waardering en toedeling dan wel overname van de onderneming. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw haar medewerking vrijwillig en onmiddellijk zal verlenen. Het verzoek van de man de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de onderneming aan een potentiële koper wordt afgewezen. Nu van verkoop van de onderneming van de vrouw aan een derde (nog) geen sprake is, heeft de man nog geen belang bij dit verzoek.



Vergoedingsrecht





4.41
De man heeft verzocht te bepalen dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor een bedrag van primair € 247.000,= en subsidiair € 187.124,50. Op de zitting heeft de man uitdrukkelijk aangegeven dat hij zijn verzoek voor het primair verzochte bedrag niet langer wenst te handhaven en enkel zijn verzoek handhaaft voor het subsidiair verzochte bedrag. Aan zijn verzoek legt hij ten grondslag dat hij een schadevergoeding heeft ontvangen van het [organisatie] van in totaal € 247.000,= netto voor geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade. Ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst heeft hij al een voorschot op de schadevergoeding ontvangen van € 15.625,95. De schadevergoeding is uitgekeerd op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen met [iban 4] . Partijen hebben het bedrag samen aangewend om onder meer te voorzien in de kosten van hun levensonderhoud en de onderneming van de vrouw. Tijdens de zitting heeft de man aangevoerd dat de schadevergoeding ook is uitgegeven aan de verbouwing van de vorige woning van partijen en de echtelijke woning. Daarnaast hebben partijen het geld gebruikt voor aankoop van meubels en is een deel van het geld naar de rekening van de kinderen van partijen overgemaakt. De man beroept zich op verknochtheid van de schade-uitkering op grond van artikel 3:94 lid 3 BW en op (vaste) rechtspraak, waaruit volgt dat dat bij een schadevergoeding voor immateriële schade en voor toekomstige schade die pas na ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt geleden, sprake is van verknochtheid. Deze verknochtheid verzet zich ertegen dat de schadevergoeding in de gemeenschap valt. Van de aan hem toegekende schadevergoeding is een bedrag van € 187.124,50 voor de vergoeding voor toekomstige schade die pas na ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt geleden en dus verknocht. Nu dit geldbedrag als verknocht moet worden aangemerkt en is besteed aan de gemeenschap komt hem een vergoedingsrecht toe van € 187.124,50.



4.42
De vrouw erkent dat de aan de man uitgekeerde schadevergoeding is ontvangen op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen [iban 4] en dat deze vergoeding geheel is verbruikt. Zij betwist echter gemotiveerd dat de man een vergoedingsrecht toekomt.



4.43
Het gaat hier om de vraag of de man een vergoedingsrecht heeft op de huwelijksgemeenschap vanwege de besteding van gelden uit een schadevergoeding voor immateriële en materiële schade.



4.44
Uit de door de man overgelegde vaststellingsovereenkomst van 2 september 2018 die hij met het [organisatie] heeft gesloten blijkt dat het bedrag aan schadevergoeding van € 246.775,= als volgt is samengesteld:
1. arbeidsvermogen tot pensioen, periode 26-7-2012 tot 11-10-2041:

geleden schade van 2012 tot 9-2018: € 12.000,=
toekomstige schade: € 139.653,=
fiscale component: € 8.799,=
totale schade arbeidsvermogen tot pensioen: € 160.452,=


2. pensioenschade, periode 11-10-2041 tot 11-7-2079:

toekomstige schade: € 59.150,=
fiscale component: € 20.408,=
totale pensioenschade: € 79.558,=


3. verminderde zelfwerkzaamheid tot 70 jaar, periode 1-10-1997 tot 11-2044:

geleden schade van 2012 tot 9-2018: € 1.551,=
toekomstige schade: € 4.524,=
fiscale component: € 690,=
verminderde zelfwerkzaamheid: € 6.765,=.



Tussen partijen staat vast dat de schadevergoeding in 2018 aan de man is uitgekeerd en is gestort op de gemeenschappelijke rekening van partijen met [iban 4] . De schadevergoeding is dus ontvangen vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.




4.45
Partijen zijn in 2004 gehuwd. Artikel 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW. In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing.



4.46
Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, HR 24 juni 2016, ECLI:NL:2016:1293, NJ 2016/292 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).





4.47
Partijen zijn het erover eens dat (een aanspraak op) een materiële schadevergoeding verknocht kan zijn indien en voor zover die schade betreft die de man na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zal lijden. Zij zijn het er ook over eens dat van de schadevergoeding van € 246.775,= enkel een bedrag van € 187.124,50 ziet op schade die de man na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zal lijden, zoals de man in zijn verweerschrift heeft berekend. Uit het rapport van het [organisatie] (productie 5 van de man) volgt dat het deel van de schadevergoeding van € 187.124,50 alleen ziet op materiële schade. De man stelt dat dit deel van de schadevergoeding verknocht is en buiten de gemeenschap is gevallen.



4.48
De vrouw betwist dat dit deel van de schadevergoeding buiten de gemeenschap valt. Zij stelt dat het geldbedrag € 187.124,50 op de peildatum niet meer identificeerbaar aanwezig was op de gemeenschappelijke bankrekening van de man of partijen of binnen de ontbonden huwelijksgemeenschap, omdat de gelden nagenoeg volledig door partijen ten behoeve van de gemeenschap zijn besteed. De gelden hebben door die besteding die vóór de peildatum heeft plaatsgevonden, hun verknochte status verloren. Er is sprake van boedelmenging en daarom komt de man geen vergoedingsrecht toe.



4.49
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de schadevergoeding in geld is uitbetaald. Volgens vaste rechtspraak kan dat bedrag verknocht zijn voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten te identificeren is (HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259).



4.50
Tussen partijen is niet in geschil dat van de verknochte gelden van de schadevergoeding die in 2018 op de gemeenschappelijke rekening van partijen is uitgekeerd geen giraal geld meer over is, behoudens het spaargeld dat op de peildatum op de bankrekening eindigend op [iban 1] voor de kinderen stond. Partijen zijn overeengekomen dat dit spaargeld voor de kinderen bestemd is en buiten de verdeling blijft (zie rechtsoverweging 4.26.). Uit de e-mail van 4 september 2025 van de voormalig bewindvoerder van partijen volgt dat € 43.200,= aan saldo op die bankrekening stond. De vrouw heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat een deel van dit saldo bestaat uit gelden die partijen hebben gekregen in het kader van de zogenaamde toeslagenaffaire. Om welk bedrag dit gaat is niet gesteld, zodat de rechtbank dit niet kan vaststellen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de genoemde bankrekening enkel is gevoed met (een deel van) de schadevergoeding.



4.51

De vraag die nu voorligt is of het bedrag van (€ 187.124,50 -/- € 43.200,= )
€ 143.924,50 op de peildatum nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van partijen te identificeren is. De man heeft tegenover het verweer van de vrouw niet voldoende onderbouwd gesteld waaraan de rest van het geld concreet is besteed en voor welke bedragen. Op basis van de enkele stellingen van de man kan de rechtbank niet vaststellen dat de betreffende gelden als zodanig in het vermogen van partijen nog te identificeren zijn en daarom buiten de (te verdelen) gemeenschap vallen. De man heeft weliswaar gesteld dat het geld is aangewend voor de verbouwingen van de voormalige en de huidige woning van partijen, dat het geld voor een deel ook is gebruikt om de koop van de huidige woning te financieren en ook voor de aanschaf van meubels, maar de man heeft nagelaten de gestelde uitgaven te specificeren en de gestelde uitgaven met bewijsstukken te onderbouwen. De man heeft ook aangegeven dat het geld is besteed ten behoeve van de onderneming van de vrouw, maar ook deze stelling heeft de man niet concreet en met bewijsstukken onderbouwd. De man heeft geen enkel inzicht gegeven in de uitgaven die volgens hem met de gelden zijn gedaan, terwijl dit wel op zijn weg lag als eisende partij.
Zijn stelling dat hij geen contact meer heeft met de bewindvoerder die over de financiële stukken beschikt, maakt dit niet anders. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de man al langere tijd van haar verweer op de hoogte was. De man heeft ruim de gelegenheid gehad om zijn stellingen verder met bewijsstukken te onderbouwen. Het is voor de rechtbank dan ook niet duidelijk geworden welke bedragen waaraan zijn besteed.



4.52.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van een bedrag van € 143.924,50 niet heeft kunnen vaststellen dat het nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten te identificeren is, daarom (als verknocht) buiten de ontbonden gemeenschap valt en daarom ook buiten de verdeling van de gemeenschap valt. Dit leidt ertoe dat het verzoek van de man zal worden afgewezen.



Proceskosten




4.53.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing


De rechtbank



5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2004 in de gemeente Bernheze met elkaar gehuwd;



5.2
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen voor zover partijen daarover geen overeenstemming hebben kunnen bereiken als volgt:

- de vrouw krijgt drie maanden na de datum van dit deze beschikking de gelegenheid om aan te tonen zij de woning, gelegen aan [adres] te [plaats] , tegen de getaxeerde waarde van € 510.000,= kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen. Indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden moet de woning worden verkocht en geleverd aan een derde tegen de hoogst mogelijke verkoopwaarde;

- de Skoda, type Kodiak, met [kenteken 1] , wordt tegen een waarde € 25.217,= aan de vrouw toegedeeld, met de verplichting van de vrouw om € 12.608,50 aan de man te betalen wegens overbedeling;

- de Peugeot, met [kenteken 2] , wordt tegen een waarde van € 3.293,50 aan de man toegedeeld, met de verplichting van de man om € 1.646,75 aan de vrouw te betalen wegens overbedeling;

- de motor wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 2.000,=, met de verplichting van de man om € 1.000,= aan de vrouw te betalen wegens overbedeling;

- de activa en de passiva van de door de vrouw gedreven onderneming onder de naam “ [eenmanszaak] ” worden ‘toegedeeld’ aan de vrouw op de volgende wijze:
a. a) de vrouw dient aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke deskundigen voor te stellen die bereid en in staat zijn de onderneming te waarderen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest en dit onverwijld binnen die week aan de vrouw laat weten. De vrouw verstrekt vervolgens binnen één week een opdracht aan deze deskundige tot waardering van de onderneming, waarbij rekening wordt gehouden met het gegeven dat de auto’s al tussen partijen zijn verdeeld zoals overwogen in 4.32 en 4.33. De waardering zal bindend zijn, nu de rechtbank uit de stellingen van partijen afleidt dat zij dat ook wensen omdat zij in onderling overleg daarover niet tot overeenstemming kunnen komen. De kosten van de waardering worden door de vrouw gedragen en door haar voldaan;
b) in het kader van de toedeling van de activa en passiva van de onderneming aan de vrouw dient de vrouw bij een positieve waarde de helft van de waarde uit hoofde van overbedeling aan de man voldoen en dient een negatieve waarde van de onderneming door partijen bij helfte te worden gedragen;



5.3

bepaalt dat de man uit hoofde van regres aan de vrouw moet voldoen een bedrag van
€ 2.238,07 ter zake van de kosten van de Peugeot en een bedrag van € 47,= ter zake van de aanzuivering van het debetsaldo van de gemeenschappelijke rekening van partijen;




5.4

verplicht de vrouw om binnen 7 dagen na het afgeven van deze beschikking inzage te
geven in rekeningafschriften over de periode van 21 november 2024 tot 21 mei 2025 van de
bankrekening met [iban 6] ten name van de onderneming
van de vrouw;




5.5
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;



5.6
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.7
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.





Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.