Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7696

2026-07-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447937 / FA RK 26-2356
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447937 / FA RK 26-2356
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voogdijoverdracht andere GI ondanks ontbreken bereidverklaring - in belang minderjarigen gelet op artikel 3 IVRK.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.353 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447937 / FA RK 26-2356




beschikking d.d. 14 juli 2026 betreffende verzoek voogdijoverdracht




in de zaak van



de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de voogdes,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] ,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,





[pleegouder 3] en [pleegouder 4],
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] ,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres.



De kinderrechter merkt als informanten aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .






[plaats] ,

gevestigd te [woonplaats] .



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren







1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026;
- de brief van het Leger des Heils Jeugdbescherming d.d. 17 april 2026;
- het F-formulier d.d. 26 mei 2026 van mr. Bronsveld, met bijlage;
- het mailbericht van 6 juni 2026 van de pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] met daarbij gevoegd een brief van 4 juni 2026;
- de op 8 juni 2026 ingekomen brief van [pleegzorg] ;
- het op 8 juni 2026 ingekomen mailbericht van het Leger des Heils Jeugdbescherming;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026;
- beslissing van de wrakingskamer van 18 juni 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft gezamenlijk met de procedure met zaaknummer C/02/428215 / JE RK 24-1973 (omgang) plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de heer [persoon 1] , de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] namens de voogdes;
- de heer [pleegouder 1] (pleegouder van [minderjarige 2] );
- de heer [pleegouder 3] (pleegouder van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] );
- de moeder, bijgestaan door mr. Bronsveld;
- mevrouw [persoon 4] en mevrouw [persoon 5] namens [pleegzorg] .


De vader is – zonder kennisgeving - niet verschenen.
De Raad is – met kennisgeving – niet verschenen.







2De feiten


2.1.
Bij beschikking van 3 oktober 2017 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de [stichting] , Middelburg, (thans: Stichting Jeugdbescherming west Zeeland). Bij diezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend.



2.2.
Bij beschikking van 7 september 2018 is [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. Bij beschikking van 9 augustus 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend.



2.3.
Voornoemde maatregelen zijn daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2022.



2.4.
Bij beschikking van 10 september 2018 heeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling [stichting] , Middelburg, vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, Amsterdam (de GI), met ingang van 3 oktober 2018.



2.5.
Bij beschikking van 3 mei 2022 is het gezag van de moeder over voornoemde minderjarigen beëindigd en is de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering benoemd tot voogdes over de minderjarigen.



2.6.
Deze beschikking is op 15 december 2022 bekrachtigd door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.



2.7.

[minderjarige 1] en [minderjarige 3] verblijven bij de familie [pleegouders 1] en [minderjarige 2] verblijft bij de familie [pleegouders 2] .






3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt haar, op grond van artikel 1:322 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] ten gunste van een andere gecertificeerde instelling. De GI laat dit over aan het oordeel van de rechtbank: op dit moment heeft moeder de voorkeur voor het Leger des Heils. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van een moeizame samenwerking tussen de GI en [pleegzorg] . Verder is sprake van een moeizame samenwerking tussen de GI en ouders. Tussen [pleegzorg] en ouders is geen samenwerking. Op 5 december 2024 heeft de GI een kernbeslissing overdracht GI gemaakt en gedeeld met alle betrokkenen. De jeugdbescherming van het Leger des Heils heeft in eerste instantie aangegeven de casus over te gaan nemen. Daar is het Leger des Heils op terug gekomen. De GI is toen simpelweg doorgegaan en heeft getracht de situatie te verbeteren met alle partijen. De GI ziet onvoldoende aanknopingspunten in de gesprekken die zijn gevoerd met moeder en haar advocaat en [pleegzorg] om tot een samenwerking te komen die de kinderen ten goede komt. Moeder wenst al langere tijd wijziging van GI. Deze wens is gevoed door de situatie die na het bezoek in oktober 2024 is ontstaan. Hierbij is de samenwerking met toenmalige betrokken jeugdbeschermer geheel tot stilstand gekomen. Dat heeft in de eerste plaats meegewogen een GI-overdracht in gang te zetten. Moeder vindt dat haar leed aangedaan is tot de hedendaagse situatie met haar kinderen en verwijt dit de GI. Op 19 maart 2026 is haar in aanwezigheid van haar advocaat nogmaals gevraagd hoe zij aankijkt tegen een overdracht van GI. Die wens is nog steeds sterk, maar zij zou liever zien dat een overdracht pas plaatsvindt wanneer het Leger des heils geen betrokkenheid meer heeft bij haar andere dochter. De GI is terecht gekomen in een situatie waarbij [pleegzorg] zich onvoldoende gehoord en gesteund voelt door de GI. Daarin ervaren zij hetzelfde als dat de moeder van de kinderen al jaren ervaart met de GI. De jeugdbeschermers van de GI hebben zich buiten proportioneel ingespannen voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] , maar toch ervaart de GI dat zij haar rol als voogd van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onvoldoende kan uitvoeren. Wanneer zij optreden voor de belangen van de kinderen ervaren zij weerstand vanuit de zijde van moeder of [pleegzorg] . Aan de zijde van moeder worden de jeugdbeschermers bestempeld als criminelen die haar kinderen ontvoeren. Vanuit de zijde van [pleegzorg] ervaart de GI het alsof zij continu bestempeld worden als onbetrouwbaar en niet sensitief richting [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] heeft bij de kinderrechter aangegeven geen vertrouwen te hebben in de jeugdbeschermers. Een andere GI zou een nieuwe start kunnen maken zonder de bagage uit het verleden. Hierdoor zouden weer kansen kunnen ontstaan.



4.2.
De pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] begrijpen de keuze voor een wijziging van de GI. Zij hebben een voorkeur voor [zorgaanbieder] of een andere organisatie, niet het Leger gezien eerdere negatieve ervaringen.



4.3.

De pleegouders van [minderjarige 2] stellen dat de jeugdbeschermers niet over de
juiste competenties beschikken om de kind eigen problematiek van [minderjarige 2] te zien en van
daaruit te handelen. In plaats daarvan brengen ze [minderjarige 2] in een loyaliteitsconflict en is er
geen inzicht hoe kinderen met trauma en hechtingsproblematiek zich gedragen in
situaties waarin ze zich niet veilig voelen. En juist zij moeten beslissingen nemen over
wat goed is voor [minderjarige 2] en hem beschermen. Het lukt niet om met de voogden tot afspraken te komen voor een zorgteamoverleg. Het eindelijk geplande overleg in maart 2026 werd door jeugdbeschermer [persoon 1] een week vooraf zonder opgaaf van redenen afgezegd. Er is vanuit de WSG geen inspanning geweest om een andere datum te zoeken. Dit kan zo niet langer. Het is voor [minderjarige 2] niet schadelijk als er andere jeugdbeschermers van een andere GI worden ingezet. Het Leger heeft in het verleden al twee keer een bereidheidsverklaring afgegeven en weer ingetrokken. Ook voert deze GI de ondertoezicht-maatregel uit over een nog thuiswonend zusje van [minderjarige 2] . Vraag is of het verstandig is om deze tijdelijke maatregel en de definitieve voogdijmaatregel binnen één GI te beleggen. Tot slot bestaat er vanuit de pleegouders van [minderjarige 2] sterke behoefte om met een regionale GI samen te gaan werken. Een stabiele GI die zich heeft geconformeerd aan de Safer Caring Methode zoals die tussen Zeeuwse jeugdhulporganisaties is afgesproken. Het ontbreken van een in de methode centraal staand zorgteamoverleg waarin kansen en bedreigingen voor [minderjarige 2] worden besproken levert al langere tijd en bij voortduring risico’s op voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] .




4.4.
Door en namens de moeder wordt gesteld dat de kinderen herhaaldelijk hebben aangegeven dat zij meer contact met hun biologische ouders wensen. Door moeder wordt niet gemerkt wordt dat daar daadwerkelijk naartoe wordt gewerkt. De GI hanteert in deze zaak argumentaties die onvoldoende inhoudelijk worden onderbouwd en die in de praktijk leiden tot verdere ouderverstoting. Hiermee wordt niet gehandeld in overeenstemming met het uitgangspunt dat het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] centraal dient te staan. Verder wenst moeder dat zij wordt geïnformeerd en betrokken bij het medicijngebruik van [minderjarige 2] . Er is veel wantrouwen van moeder naar de GI. Moeder verzoekt dringend om te bepalen dat [persoon 6] van het Leger des Heils de voogdij overneemt. Mevrouw [persoon 7] zou vanuit de organisatie [organisatie] / [zorggroep] begeleide bezoeken in het weekend kunnen ondersteunen. Mevrouw [persoon 8] zou eventueel of iemand anders de kinderen kunnen halen en brengen. Ter zitting heeft de moeder desgevraagd verklaard dat zij niet wil dat [zorgaanbieder] met de voogdij wordt belast omdat zij daar in het verleden slechte ervaringen mee heeft gehad.






5De beoordeling


5.1.
Ingevolge artikel 1:322 BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan, indien een daartoe bevoegd persoon/gecertificeerde omstelling zich schriftelijk bereid heeft verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank dit in het belang van de minderjarigen acht.



5.2.

In artikel 1:328 BW is bepaald dat de rechtbank de voogdij van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, kan beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en - voor zover van belang -:
a. zij haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet




5.3.

Op grond van artikel 4.1.1 lid 1 van de Jeugdwet verlenen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verantwoorde hulp, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.
Het tweede lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zich op zodanige wijze organiseren, zich kwalitatief en kwantitatief zodanig voorzien van personeel en materieel en zorg dragen voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp.
Op grond van het derde lid neemt de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard.




5.4.
Op grond van voornoemde criteria dient de rechtbank te beoordelen of de beëindiging van de voogdij in dit concrete geval noodzakelijk is voor het onbedreigd opgroeien van de minderjarigen. Enkel wanneer aan alle gronden is voldaan, kan worden overgegaan tot beëindiging van de voogdij.



5.5.
De rechtbank overweegt dat tot de zorg en de verantwoordelijkheid van een gecertificeerde instelling voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort dat zij het recht van de betrokken minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder in acht neemt, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn kind. Deze verplichtingen rusten op haar in het belang van het kind en kunnen niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen. Tevens hoort daarbij dat de gecertificeerde instelling gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind, tenzij het belang van het kind hieraan in de weg staat. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het voor de GI in de omstandigheden zoals die bij de genoemde kinderen, ouders en pleegouders zijn gegroeid, onmogelijk is om nog langer aan de hiervoor in artikel 4.1.1. van de Jeugdwet genoemde kwaliteitseisen te voldoen. Dit ligt niet aan de inspanningen en kwaliteiten van de voogdes maar aan de incidenten tussen de GI en ouders, aan de inmiddels scheefgegroeide verhoudingen binnen de betrokkenen rondom de kinderen en aan de enorme complexiteit van het systeem rondom de kinderen. Het is voor de voogdes niet meer langer werkbaar en alle partijen zijn het er over eens zijn dat de huidige voogdes dient te worden ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en in hun belang moet worden vervangen door een andere voogdes.



5.6.
De Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: het Leger) die in eerste instantie was beoogd om de voogdij uit te oefenen over voornoemde kinderen heeft medegedeeld de overdracht niet te aanvaarden. De reden hiervoor is primair dat deze casus niet binnen de doelgroep valt. Slechts bij hoge uitzondering is het Leger betrokken bij het gezin geraakt, en dan uitsluitend in de situatie waarin de twee jongste, thuiswonende kinderen onder de ondertoezichtstelling vallen. Deze betrokkenheid vraagt, aldus het Leger, reeds intensieve inzet, waarbij het Leger genoodzaakt is externe middelen in te schakelen, omdat de problematiek de grenzen van de eigen expertise en toerusting overschrijdt. In het kader van verantwoorde en veilige uitvoering van de maatregel acht het Leger zich niet toegerust om een zaak van deze omvang en complexiteit op zich te nemen. De kinderen waarvoor de overdracht wordt verzocht, verblijven bovendien al gedurende een langere periode buiten het gezin. Het Leger voorziet dat uitbreiding van zijn betrokkenheid met deze casus een negatieve invloed kan hebben op de samenwerking met de ouders bij de ondertoezichtstelling. Dit brengt het risico met zich mee dat de hulpverlening stagneert en dat het zicht op de situatie van de jongste, thuiswonende kinderen vermindert of zelfs geheel kan verdwijnen, hetgeen het Leger vanuit veiligheidsperspectief onwenselijk acht. Indien noodzakelijk, gaat het Leger ervan uit dat de betrokken partijen deze overdracht zullen bespreken en beleggen bij een andere gecertificeerde instelling die beter aansluit bij de aard en zwaarte van de casus.



5.7.

Aan [zorgaanbieder] die qua werkgebied en kwaliteit op zich het meest voor de hand ligt, is geen bereidheid verzocht. Gelet op de enorme weerstand van ouders tegen deze GI is de verwachting dat [zorgaanbieder] net zoals de huidige voogdes geen reële kans maakt om haar taak als voogdes op een adequate en verantwoorde wijze vorm te geven. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid zonder bereidverklaring de uitvoering van de voogdij te wijzigen. Dit zou betekenen dat het verzoek eigenlijk zou moeten worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dat strijd op met artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Het belang van het kind vormt namelijk de eerste overweging bij beslissingen die betrekking hebben op kinderen. De rechtbank acht de overneming van de voogdij van de huidige GI door een andere GI in het belang van de minderjarigen. Daarmee kan een nieuwe noodzakelijke start worden gemaakt. De rechtbank acht het Leger op dit moment het meest geschikt om de voogdij over te nemen. De rechtbank gaat er van uit dat het Leger daarbij een andere persoon als voogd inzet dan degene die al betrokken is als jeugdbeschermer bij het gezin van vader en moeder. De dynamiek rondom de door het Leger genoemde ondertoezichtstelling is van een heel andere aard dan de dynamiek in de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal om die reden – ondanks dat door het Leger geen bereidverklaring wordt verstrekt – in het belang van de minderjarigen de voogdij per 1 september 2026 overdragen aan het Leger. Dan zou in de procedure over de omgang tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] en hun ouders de huidige voogdes wellicht nog als belanghebbende kunnen optreden en het Leger nog slechts informant zijn. Dat geeft ook de tijd en mogelijkheid van een adequate overdracht tussen de GI’s en kennismaking van de nieuwe voogdes met de kinderen en de mensen om hen heen.

6. De beslissing




De rechtbank:




6.1.
ontslaat de GI de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering per 1 september 2026 van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] ,



6.2.
benoemt de GI de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering per 1 september 2026 tot voogdes over voornoemde minderjarigen;



6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



6.4.
wijst het meer of ander verzochte af;



6.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.



Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.




Mededeling van de griffier:



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.