Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7375
2026-07-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449182 / JE RK 26-1024
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.182 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449182 / JE RK 26-1024
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1].
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
[de ambulante begeleidster]
,
hierna te noemen: de ambulante begeleidster (vanuit [hulpverlening]).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
een vertegenwoordiger van de GI;
de ambulante begeleidster.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn mening te geven.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 19 juli 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 juli 2024 en tot 19 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 15 juli 2025 verlengd tot 19 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 15 juli 2025 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend tot 19 juli 2026 in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, waarbij de minderjarigen om de beurt doordeweeks van maandag na school tot vrijdag voor school bij de grootouders moederszijde verblijven en welke regeling niet zonder toestemming van de kinderrechter mag worden uitgebreid.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat de ouders in het afgelopen jaar veel positieve stappen hebben gezet. De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn echter nog niet weggenomen. Deze zorgen zien met name op de schoolgang en het gedrag van de minderjarigen, waarbij wordt gezien dat het gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zwaar kan zijn voor de ouders. Omdat dit gedrag erg complex is, wil de GI in het komende jaar betrokken blijven. Op die manier kan de GI zicht houden op het verloop van [therapeut], stabiliteit bieden en onderzoeken of een deeltijdplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin passend is om de ouders te ontlasten. Hier is eerder over gesproken met de ouders maar gelet op de recente melding vanuit school bij Veilig Thuis vindt de GI het belangrijk dat hier opnieuw naar wordt gekeken.
4.2.
De ouders willen liever niet dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, maar begrijpen ook dat het nog nodig is voor de minderjarigen en omdat [therapeut] binnenkort zal starten. Hoewel de ouders het vervelend vinden dat zij zo lang hebben moeten wachten op de inzet van [therapeut], zijn zij bereid om hier in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan mee te werken. De ouders zijn het niet eens met de door de GI voorgestelde deeltijdplaatsing in een pleeggezin. Zij vinden het namelijk niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij steeds op verschillende plekken verblijven. De ouders staan achter de inzet van hulpverlening, maar dit kan ook in de thuissituatie worden geboden.
4.3.
De ambulante begeleidster licht toe dat zij recent op school met de moeder heeft gesproken over de melding die vanuit school is gemaakt bij Veilig Thuis. Uit deze melding volgt dat een docent heeft gezien dat de moeder hardhandig omging met één van de minderjarigen en dat school zorgen heeft over de uitspraken die [minderjarige 2] heeft gedaan over de veiligheid en fysiek geweld in de thuissituatie.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet, open staan voor hulpverlening en erg hun best doen om de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verbeteren. Er wordt gezien dat de ouders consequenter en sensitiever reageren op de minderjarigen en dat de vader een actievere rol heeft in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen waardoor de moeder op hem kan terugvallen en meer aan kan. Dit heeft een positief effect op de minderjarigen en hiervoor wil de kinderrechter de ouders een groot compliment geven. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij hebben namelijk veel meegemaakt in de opvoedsituatie en er zijn zorgen over zowel hun cognitieve als emotionele ontwikkeling en over de hechting tussen de ouders en de minderjarigen. Ook is gebleken dat het aansluiten bij wat de minderjarigen nodig hebben en het stimuleren van hun ontwikkeling door de ouders nog een groot aandachtspunt is waarbij de ouders ondersteuning nodig hebben vanuit de betrokken hulpverlening. Daar komt bij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgelijk gedrag laten zien en daarin veel vragen van de ouders. Mede hierdoor is de moeder met momenten overvraagd en overbelast. Op die momenten heeft de moeder moeite met het reguleren van haar emoties en kan zij snel boos reageren wanneer er iets voorvalt. Deze zorgen zijn recent ook gemeld bij Veilig Thuis vanuit school. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen.
5.4.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Gelet op voornoemde zorgen vindt de kinderrechter het belangrijk dat de jeugdbeschermer ook in de komende periode regie blijft voeren, zicht houdt op de veiligheid van de minderjarigen en de nog te starten hulpverlening van [therapeut] opvolgt. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van een jaar, te weten 19 juli 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat [therapeut] op korte termijn gaat starten zodat gewerkt kan gaan worden aan het versterken van de hechting tussen de ouders en de minderjarigen. Ook vindt de kinderrechter het - mede gelet op de recente melding bij Veilig Thuis - van belang dat de jeugdbeschermer met de ouders en de betrokken hulpverlening in gesprek gaat over de mogelijkheden voor een deeltijdplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin, met als doel de ouders in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te ontlasten en een veilige en stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te creëren.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 19 juli 2026 en tot 19 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449182 / JE RK 26-1024
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1].
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
[de ambulante begeleidster]
,
hierna te noemen: de ambulante begeleidster (vanuit [hulpverlening]).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
een vertegenwoordiger van de GI;
de ambulante begeleidster.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn mening te geven.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 19 juli 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 juli 2024 en tot 19 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 15 juli 2025 verlengd tot 19 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 15 juli 2025 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend tot 19 juli 2026 in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, waarbij de minderjarigen om de beurt doordeweeks van maandag na school tot vrijdag voor school bij de grootouders moederszijde verblijven en welke regeling niet zonder toestemming van de kinderrechter mag worden uitgebreid.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat de ouders in het afgelopen jaar veel positieve stappen hebben gezet. De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn echter nog niet weggenomen. Deze zorgen zien met name op de schoolgang en het gedrag van de minderjarigen, waarbij wordt gezien dat het gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zwaar kan zijn voor de ouders. Omdat dit gedrag erg complex is, wil de GI in het komende jaar betrokken blijven. Op die manier kan de GI zicht houden op het verloop van [therapeut], stabiliteit bieden en onderzoeken of een deeltijdplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin passend is om de ouders te ontlasten. Hier is eerder over gesproken met de ouders maar gelet op de recente melding vanuit school bij Veilig Thuis vindt de GI het belangrijk dat hier opnieuw naar wordt gekeken.
4.2.
De ouders willen liever niet dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, maar begrijpen ook dat het nog nodig is voor de minderjarigen en omdat [therapeut] binnenkort zal starten. Hoewel de ouders het vervelend vinden dat zij zo lang hebben moeten wachten op de inzet van [therapeut], zijn zij bereid om hier in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan mee te werken. De ouders zijn het niet eens met de door de GI voorgestelde deeltijdplaatsing in een pleeggezin. Zij vinden het namelijk niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij steeds op verschillende plekken verblijven. De ouders staan achter de inzet van hulpverlening, maar dit kan ook in de thuissituatie worden geboden.
4.3.
De ambulante begeleidster licht toe dat zij recent op school met de moeder heeft gesproken over de melding die vanuit school is gemaakt bij Veilig Thuis. Uit deze melding volgt dat een docent heeft gezien dat de moeder hardhandig omging met één van de minderjarigen en dat school zorgen heeft over de uitspraken die [minderjarige 2] heeft gedaan over de veiligheid en fysiek geweld in de thuissituatie.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet, open staan voor hulpverlening en erg hun best doen om de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verbeteren. Er wordt gezien dat de ouders consequenter en sensitiever reageren op de minderjarigen en dat de vader een actievere rol heeft in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen waardoor de moeder op hem kan terugvallen en meer aan kan. Dit heeft een positief effect op de minderjarigen en hiervoor wil de kinderrechter de ouders een groot compliment geven. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij hebben namelijk veel meegemaakt in de opvoedsituatie en er zijn zorgen over zowel hun cognitieve als emotionele ontwikkeling en over de hechting tussen de ouders en de minderjarigen. Ook is gebleken dat het aansluiten bij wat de minderjarigen nodig hebben en het stimuleren van hun ontwikkeling door de ouders nog een groot aandachtspunt is waarbij de ouders ondersteuning nodig hebben vanuit de betrokken hulpverlening. Daar komt bij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgelijk gedrag laten zien en daarin veel vragen van de ouders. Mede hierdoor is de moeder met momenten overvraagd en overbelast. Op die momenten heeft de moeder moeite met het reguleren van haar emoties en kan zij snel boos reageren wanneer er iets voorvalt. Deze zorgen zijn recent ook gemeld bij Veilig Thuis vanuit school. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen.
5.4.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Gelet op voornoemde zorgen vindt de kinderrechter het belangrijk dat de jeugdbeschermer ook in de komende periode regie blijft voeren, zicht houdt op de veiligheid van de minderjarigen en de nog te starten hulpverlening van [therapeut] opvolgt. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van een jaar, te weten 19 juli 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat [therapeut] op korte termijn gaat starten zodat gewerkt kan gaan worden aan het versterken van de hechting tussen de ouders en de minderjarigen. Ook vindt de kinderrechter het - mede gelet op de recente melding bij Veilig Thuis - van belang dat de jeugdbeschermer met de ouders en de betrokken hulpverlening in gesprek gaat over de mogelijkheden voor een deeltijdplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin, met als doel de ouders in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te ontlasten en een veilige en stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te creëren.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 19 juli 2026 en tot 19 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.