Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7373

2026-07-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448549 / JE RK 26-907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448549 / JE RK 26-907
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.504 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/448549 / JE RK 26-907



Datum uitspraak: 8 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2008 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.


1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn mening te geven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .



2.2.

[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven bij hun vader.



2.3.

Bij beschikking van 7 mei 2024 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 mei 2024 en tot 21 mei 2024. Bij beschikking van 13 mei 2024 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd
tot 7 augustus 2024.




2.4.
Bij beschikking van 30 juli 2024 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 juli 2024 en tot 30 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 17 juli 2025 verlengd tot 30 juli 2026.




3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] te verlengen tot aan meerderjarigheid. Daarnaast verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De GI licht toe dat er een aantal weken geen contact is geweest tussen de moeder en de minderjarigen. Over vier weken staat er een evaluatie gepland zodat kan worden bezien op welke manier kan worden gewerkt aan contactherstel. Aan de betrokken hulpverlening is gevraagd om met de minderjarigen een brief op te stellen voor de moeder om haar inzicht te geven in wat haar gedrag met de minderjarigen doet. Dit kan helpend zijn voor de moeder, ook omdat vanuit de omgangsbegeleiding is aangegeven dat de moeder hier onvoldoende inzicht in heeft.


4.2.

[minderjarige 1] vindt het fijn als de jeugdbeschermer en de omgangsbegeleidster langer betrokken blijven. Doordat het laatste begeleide contactmoment met de moeder niet goed is verlopen, wil [minderjarige 1] op dit moment liever geen contact met haar moeder.


4.3.

[minderjarige 3] wil graag dat de jeugdbeschermer langer betrokken blijft. Hij heeft namelijk goed contact met de jeugdbeschermer. Ook met de begeleidster van de contactmomenten met de moeder heeft [minderjarige 3] goed contact en hij vertelt dat hij goed met haar kan praten. [minderjarige 3] vindt het vervelend dat de contactmomenten met de moeder niet altijd doorgaan. Inmiddels heeft [minderjarige 3] zijn moeder al enige tijd niet gezien. Hij weet niet wat daar de reden van is en wil dat liever ook niet weten.


4.4.
De vader stemt in met het verzoek. De ondertoezichtstelling is ook in de komende periode nodig. Zowel de minderjarigen als de moeder hebben namelijk nog hulp nodig.


4.5.
De moeder is het enerzijds niet eens met het verzoek omdat zij graag zonder betrokkenheid van anderen contact wil met de minderjarigen, maar ziet tegelijkertijd ook in dat de ondertoezichtstelling nog nodig is. De moeder verklaart dat de zorgregeling een aantal weken geleden is opgeschort door de jeugdbeschermer omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de contacten met de moeder als verplichting zagen en op dat moment geen contact wilden. Dit kwam als verrassing voor de moeder omdat de contacten de laatste tijd juist goed verliepen. De moeder weet niet of en hoe de contacten in de komende periode worden opgebouwd. Daarover zijn nog geen afspraken gemaakt.




5De beoordeling



Het wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat in de opvoedsituatie van de vader sprake is van een positieve ontwikkeling. Zo is de vader beter in staat om aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarigen en lukt het hem beter om hen de benodigde voorspelbaarheid en veiligheid te bieden. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Zij bevinden zich namelijk nog steeds in een belastende situatie waarin zij moeten schakelen tussen beide opvoedsituaties en sprake is van loyaliteitsproblematiek. Ook heeft de kinderrechter zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, nu de zorgen over de opvoedvaardigheden, de emotionele beschikbaarheid en de instabiliteit van de moeder niet zijn weggenomen. Ook zijn er nog steeds zorgen over de mate waarin de moeder in staat is om structureel aan te sluiten bij wat de minderjarigen nodig hebben en is gebleken dat de moeder moeite heeft om verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen problematiek en de invloed daarvan op de minderjarigen. Bovendien heeft de kinderrechter zorgen over de continuïteit in de contacten tussen de moeder en de minderjarigen, nu er inmiddels een aantal weken geen contact is geweest tussen de moeder en de minderjarigen omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar op dit moment geen behoefte aan hebben. Daar komt bij dat er in de opvoedsituatie van de vader weliswaar meer stabiliteit is ontstaan, maar er zorgen blijven bestaan over zijn fysieke beschikbaarheid en het bieden van structuur aan de minderjarigen. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog niet zijn weggenomen.


5.4.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Er is namelijk geen sprake van een constructieve samenwerking tussen de ouders en gelet op voornoemde zorgen vindt de kinderrechter het belangrijk dat de jeugdbeschermer ook in de komende periode betrokken blijft. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat de moeder adviezen vanuit de betrokken hulpverlening regelmatig afhoudt of onvoldoende accepteert, alsook dat de moeder onvoldoende bereidheid toont om passende hulpverlening voor zichzelf te aanvaarden. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt verlengd voor de duur van een jaar, te weten 30 juli 2027. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] wordt verlengd tot zijn meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 3] 2026.


5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er rust en stabiliteit wordt gecreëerd in het leven van de minderjarigen en dat in de komende periode wordt onderzocht op welke manier het contact tussen de moeder en de minderjarigen kan worden hersteld, waarbij het belang van de minderjarigen voorop dient te staan. Omdat de moeder ter zitting heeft aangegeven dat zij niet goed begrijpt waarom de zorgregeling met de minderjarigen is opgeschort, verwacht de kinderrechter dat de GI hierover het gesprek aangaat met de moeder zodat de moeder hier meer inzicht in krijgt en eventueel de benodigde stappen kan zetten om het contact met de minderjarigen in de toekomst beter te laten verlopen.



Uitvoerbaar bij voorraad





5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 30 juli 2026 en tot 30 juli 2027;



6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] met ingang van 30 juli 2026 en tot [geboortedag 3] 2026;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.