Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7309
2026-07-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448613 / JE RK 26-921
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlengen ondertoezichtstelling korte duur in afwachting nadere informatie over actuele situatie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.927 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448613 / JE RK 26-921
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 28 mei 2026 met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026;
- de aanvullende informatie van de GI, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 23 december 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 8 juli 2025, met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd. Ondanks de inmiddels jarenlange ondertoezichtstelling en de inzet van diverse hulpverlening zijn de hardnekkige patronen van de ouders nog niet voldoende doorbroken. Er is nog steeds sprake van een zeer moeizame verstandhouding en een gebrekkige communicatie tussen de ouders. De conflicten tussen hen blijven voortduren en dit heeft een grote negatieve impact op de ontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn ook nog steeds zorgen over de beperkte leerbaarheid van de moeder en over de emotieregulatie, het middelengebruik, het bagatelliseren van de zorgen en de beperkte bereidheid tot gedragsverandering van de vader. De laatstelijk ingezette hulpverlening ‘[therapie]’ is vroegtijdig beëindigd vanwege het forse taalgebruik van en de bedreigingen door de vader. Eerder betrokken jeugdbeschermers en hulpverleningsinstanties geven aan dat de ouders het maximaal haalbare hebben bereikt – volgens de GI is daarom het goed genoeg ouderschap van deze ouders beoordeeld met een zes – en dat er een overdracht naar het vrijwillig kader moet plaatsvinden. De sinds kort betrokken jeugdbeschermer wil zich daar nog niet bij neerleggen, omdat er te veel zorgen zijn over het effect van de huidige situatie en de problematiek van de ouders op (de veiligheid en ontwikkeling van) [minderjarige] . Op dit moment is echter niet duidelijk welke hulpverlening er nu nog meer voor deze ouders kan worden ingezet om ervoor te zorgen dat er een duurzame gedragsverandering bij hen ontstaat. Hier zal binnenkort een gesprek met de gedragswetenschapper over plaatsvinden. Wellicht dient er een andere organisatie bij de ouders betrokken te raken die beter kan aansluiten bij hun niveau, zoals [organisatie] of de William Schrikker Stichting, echter ook deze organisaties lijken niet helemaal passend. Het is in ieder geval nog van belang om hulpverlening ( [hulpverlening] ) voor [minderjarige] in te zetten. De vader is het daar niet mee eens. Verder acht de GI de huidige zorgregeling op basis waarvan [minderjarige] evenveel tijd bij beide ouders doorbrengt, niet in haar belang vanwege het aanhoudende wietgebruik van de vader en zijn zorgwekkende gedrag, en omdat er op school een gedragsverandering bij [minderjarige] wordt waargenomen als zij bij haar vader is geweest. In plaats daarvan zou de eerdere zorgregeling waarbij [minderjarige] steeds vier dagen bij haar moeder en drie dagen bij haar vader verblijft weer moeten worden uitgevoerd. De GI vindt het tot slot verontrustend dat beide ouders zich tijdens de zitting compleet anders voordoen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Er is volgens de moeder geen sprake (meer) van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Zo benoemt de GI geen concrete zaken waaruit blijkt dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn. [minderjarige] doet het ook heel goed op school. Daarnaast duurt de ondertoezichtstelling nu al langere tijd voort en is het maximaal haalbare bereikt. Er is nu geen hulpverlening bij de ouders betrokken en de GI ziet ook geen mogelijkheden voor verdere hulpverlening voor de ouders. Er is evenmin een plan van aanpak voor hoe het nu verder moet, terwijl dat wel verwacht mag worden. Tegelijkertijd is gebleken dat er bij beide ouders sprake is van goed genoeg ouderschap, ondanks dat er af en toe discussies tussen de ouders zijn en het niet altijd allemaal feilloos verloopt. Het is ook positief dat de vader zelf hulpverlening heeft. Verder verloopt de zorgregeling op zich naar behoren en komen de ouders hun afspraken na. Het voortzetten van de ondertoezichtstelling zal enkel schade toebrengen, omdat de druk vanuit de GI zorgt voor spanningen bij de ouders. De moeder staat dan ook achter een overdracht naar het vrijwillig kader en zal daar haar medewerking aan verlenen. Zij heeft er vertrouwen in dat de ouders – ondanks hun dynamiek – in staat zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] samen verder vorm te geven. Er vindt ook al contact tussen de ouders plaats en dat verloopt volgens de moeder goed. Soms duurt het even, maar uiteindelijk komen de ouders er samen uit. De GI beschrijft de situatie volgens de moeder dan ook veel te negatief.
4.3.
Door en namens de vader wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Er is volgens de vader geen sprake (meer) van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Het gaat namelijk goed met [minderjarige] . Zij ontwikkelt zich goed en zij doet het goed op school. Ook betwist de vader de zorgen die de GI over hem uit. Hij heeft de hulpverlening van Stichting Emergis en de dramatherapie afgerond. Vanwege de huidige situatie en het gedoe met de GI heeft hij zich wel tot de huisarts gewend voor extra ondersteuning. Verder gebruikt hij inderdaad wiet, maar alleen als [minderjarige] op bed ligt en dit zorgt niet voor problemen. Voorts is van belang dat er bij beide ouders sprake is van goed genoeg ouderschap. Ondanks dat er bij hen nog steeds sprake is van oud zeer, lukt het de ouders meestal om met elkaar te communiceren over [minderjarige] . De GI noemt het een zes, maar voor deze ouders is dat een tien. De ouders hebben al heel wat stappen met elkaar gezet en hun plafond is bereikt. Zij hebben zich de afgelopen tijd dus ook steeds voor alle hulpverlening ingezet. Zij hebben laten zien dat zij welwillend en in staat waren om deze op te volgen. Daarbij komt nog dat de wijze waarop de GI nu te werk gaat alleen maar averechts werkt; de nieuwe jeugdbeschermer is niet goed geïnformeerd, vertelt leugens en diskwalificeert de ouders. Er is evenmin een plan van aanpak voor hoe het nu verder moet. De vader is uiterst ontevreden over de werkwijze van de nieuwe jeugdbeschermer en ook over de wijze waarop het eindverslag van de hulpverlening ‘[therapie]’ is opgesteld. Hij is voornemens om daar werk van te gaan maken. Subsidiair verzoekt de advocaat namens de vader om de ondertoezichtstelling voor twee maanden te verlengen voor het opstellen van een borgingsplan, zodat vervolgens de overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden.
5De beoordeling
Het juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI deels toewijzen en de ondertoezichtstelling van de [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 oktober 2026, onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.4.
Daarbij overweegt de kinderrechter allereerst dat de verhalen van enerzijds de ouders en anderzijds de GI als professional lijnrecht tegenover elkaar staan, waardoor het voor de kinderrechter erg lastig is om een oordeel te vormen over de huidige situatie van [minderjarige] . Vaststaat echter dat er de afgelopen jaren grote zorgen waren over de moeizame verstandhouding en communicatie tussen de ouders, en dat er als gevolg daarvan continu forse spanningen waren tussen de ouders en voor [minderjarige] . Gelet daarop werd er het afgelopen jaar een PSO-traject voor de ouders opgestart, met als doel om hen te leren op een zakelijke manier met elkaar te communiceren en afspraken met elkaar te maken en om vervolgens toe te werken naar het weer zelfstandig kunnen dragen van de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt uit de stukken dat het PSO-traject in februari 2026 is afgerond en dat er toen nog veel open eindjes waren. In de stukken ontbreekt echter een nadere onderbouwing van onder meer het verloop van de hulpverlening en van de ervaringen en bevindingen van de hulpverleners over de ouders en over de wijze waarop zij nu in staat zouden zijn om met elkaar te communiceren en samen te werken. Tegelijkertijd is er door de GI een verslag ingediend van de hulpverlening [therapie] waarin een zeer zorgelijk beeld van met name de vader wordt geschetst, ook tijdens het traject. Dit heeft er zelfs toe geleid dat de hulpverlening voortijdig is beëindigd. Door en namens de vader wordt de inhoud van dit verslag weliswaar uitvoerig betwist, echter het verslag is opgesteld door een professional met een SKJ-registratie, wat betekent dat de kinderrechter in principe moet kunnen vertrouwen op en moet kunnen uitgaan van hetgeen deze professional beschrijft. Gezien al het voorgaande kan de kinderrechter op dit moment niet anders dan uitgaan van de situatie zoals die was ten tijde van de vorige beschikking. Zodoende is de kinderrechter van oordeel dat de zorgen die aanleiding hebben gegeven voor de ondertoezichtstelling, ondanks de veelvuldige inzet van diverse hulpverleningstrajecten gedurende de afgelopen jaren, op dit moment nog steeds onvoldoende zijn weggenomen. Gelet daarop wordt [minderjarige] naar het oordeel van de kinderrechter – ondanks dat zij het goed lijkt te doen op school – nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op eigen kracht weg te nemen.
5.5.
Het vorengaande leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI voorafgaand aan de nadere zitting een nadere onderbouwing overlegt over onder meer de ervaringen van de professionals met de ouders gedurende het PSO-traject, over de bevindingen van de eerdere hulpverleners over de ouders en over hoe het nu met [minderjarige] gaat volgens de hulpverlening en op school. Ook vanuit [therapie] wenst de kinderrechter een nadere toelichting nu het reeds ingediende verslag zo stellig door en namens de vader wordt betwist. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vader aangegeven dat er nog een e-mail is ingediend. Deze zal eveneens tijdens de volgende zitting worden meegenomen. De kinderrechter verwacht voorts van de GI dat er spoedig een gedegen plan van aanpak wordt opgesteld met onder meer de doelen en welke hulpverlening er nog dient te worden ingezet, nu dit noodzakelijk is voor een goede en adequate uitvoering van de ondertoezichtstelling. Wellicht kan het Regionaal Expertise Team (RET) de GI hier nog in ondersteunen. Mocht de GI tot de conclusie komen dat er een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden, dan dient er tijdig een toetsing door de Raad te worden verricht en een borgingsplan te worden opgesteld. De kinderrechter verzoekt aan de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zitting op [datum] 2026 alle bovengenoemde informatie over te leggen inclusief een kort schriftelijk verslag over de ontwikkelingen van de komende periode en wat dat betekent voor de bestaande zorgen en daarbij haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de nadere zitting op [datum] 2026 om [uur] , ten overstaan van de kinderrechter mr. Zuijdweg, waarop het resterende deel van het verzoek nader mondeling zal worden behandeld, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de ouders, hun advocaten en de GI;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de zitting op [datum] 2026 de genoemde stukken over te leggen inclusief een schriftelijk verslag over de actuele stand van zaken en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.5. is overwogen;
6.5.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448613 / JE RK 26-921
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 28 mei 2026 met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026;
- de aanvullende informatie van de GI, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 23 december 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 8 juli 2025, met ingang van 23 juli 2025 en tot 23 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd. Ondanks de inmiddels jarenlange ondertoezichtstelling en de inzet van diverse hulpverlening zijn de hardnekkige patronen van de ouders nog niet voldoende doorbroken. Er is nog steeds sprake van een zeer moeizame verstandhouding en een gebrekkige communicatie tussen de ouders. De conflicten tussen hen blijven voortduren en dit heeft een grote negatieve impact op de ontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn ook nog steeds zorgen over de beperkte leerbaarheid van de moeder en over de emotieregulatie, het middelengebruik, het bagatelliseren van de zorgen en de beperkte bereidheid tot gedragsverandering van de vader. De laatstelijk ingezette hulpverlening ‘[therapie]’ is vroegtijdig beëindigd vanwege het forse taalgebruik van en de bedreigingen door de vader. Eerder betrokken jeugdbeschermers en hulpverleningsinstanties geven aan dat de ouders het maximaal haalbare hebben bereikt – volgens de GI is daarom het goed genoeg ouderschap van deze ouders beoordeeld met een zes – en dat er een overdracht naar het vrijwillig kader moet plaatsvinden. De sinds kort betrokken jeugdbeschermer wil zich daar nog niet bij neerleggen, omdat er te veel zorgen zijn over het effect van de huidige situatie en de problematiek van de ouders op (de veiligheid en ontwikkeling van) [minderjarige] . Op dit moment is echter niet duidelijk welke hulpverlening er nu nog meer voor deze ouders kan worden ingezet om ervoor te zorgen dat er een duurzame gedragsverandering bij hen ontstaat. Hier zal binnenkort een gesprek met de gedragswetenschapper over plaatsvinden. Wellicht dient er een andere organisatie bij de ouders betrokken te raken die beter kan aansluiten bij hun niveau, zoals [organisatie] of de William Schrikker Stichting, echter ook deze organisaties lijken niet helemaal passend. Het is in ieder geval nog van belang om hulpverlening ( [hulpverlening] ) voor [minderjarige] in te zetten. De vader is het daar niet mee eens. Verder acht de GI de huidige zorgregeling op basis waarvan [minderjarige] evenveel tijd bij beide ouders doorbrengt, niet in haar belang vanwege het aanhoudende wietgebruik van de vader en zijn zorgwekkende gedrag, en omdat er op school een gedragsverandering bij [minderjarige] wordt waargenomen als zij bij haar vader is geweest. In plaats daarvan zou de eerdere zorgregeling waarbij [minderjarige] steeds vier dagen bij haar moeder en drie dagen bij haar vader verblijft weer moeten worden uitgevoerd. De GI vindt het tot slot verontrustend dat beide ouders zich tijdens de zitting compleet anders voordoen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Er is volgens de moeder geen sprake (meer) van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Zo benoemt de GI geen concrete zaken waaruit blijkt dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn. [minderjarige] doet het ook heel goed op school. Daarnaast duurt de ondertoezichtstelling nu al langere tijd voort en is het maximaal haalbare bereikt. Er is nu geen hulpverlening bij de ouders betrokken en de GI ziet ook geen mogelijkheden voor verdere hulpverlening voor de ouders. Er is evenmin een plan van aanpak voor hoe het nu verder moet, terwijl dat wel verwacht mag worden. Tegelijkertijd is gebleken dat er bij beide ouders sprake is van goed genoeg ouderschap, ondanks dat er af en toe discussies tussen de ouders zijn en het niet altijd allemaal feilloos verloopt. Het is ook positief dat de vader zelf hulpverlening heeft. Verder verloopt de zorgregeling op zich naar behoren en komen de ouders hun afspraken na. Het voortzetten van de ondertoezichtstelling zal enkel schade toebrengen, omdat de druk vanuit de GI zorgt voor spanningen bij de ouders. De moeder staat dan ook achter een overdracht naar het vrijwillig kader en zal daar haar medewerking aan verlenen. Zij heeft er vertrouwen in dat de ouders – ondanks hun dynamiek – in staat zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] samen verder vorm te geven. Er vindt ook al contact tussen de ouders plaats en dat verloopt volgens de moeder goed. Soms duurt het even, maar uiteindelijk komen de ouders er samen uit. De GI beschrijft de situatie volgens de moeder dan ook veel te negatief.
4.3.
Door en namens de vader wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Er is volgens de vader geen sprake (meer) van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Het gaat namelijk goed met [minderjarige] . Zij ontwikkelt zich goed en zij doet het goed op school. Ook betwist de vader de zorgen die de GI over hem uit. Hij heeft de hulpverlening van Stichting Emergis en de dramatherapie afgerond. Vanwege de huidige situatie en het gedoe met de GI heeft hij zich wel tot de huisarts gewend voor extra ondersteuning. Verder gebruikt hij inderdaad wiet, maar alleen als [minderjarige] op bed ligt en dit zorgt niet voor problemen. Voorts is van belang dat er bij beide ouders sprake is van goed genoeg ouderschap. Ondanks dat er bij hen nog steeds sprake is van oud zeer, lukt het de ouders meestal om met elkaar te communiceren over [minderjarige] . De GI noemt het een zes, maar voor deze ouders is dat een tien. De ouders hebben al heel wat stappen met elkaar gezet en hun plafond is bereikt. Zij hebben zich de afgelopen tijd dus ook steeds voor alle hulpverlening ingezet. Zij hebben laten zien dat zij welwillend en in staat waren om deze op te volgen. Daarbij komt nog dat de wijze waarop de GI nu te werk gaat alleen maar averechts werkt; de nieuwe jeugdbeschermer is niet goed geïnformeerd, vertelt leugens en diskwalificeert de ouders. Er is evenmin een plan van aanpak voor hoe het nu verder moet. De vader is uiterst ontevreden over de werkwijze van de nieuwe jeugdbeschermer en ook over de wijze waarop het eindverslag van de hulpverlening ‘[therapie]’ is opgesteld. Hij is voornemens om daar werk van te gaan maken. Subsidiair verzoekt de advocaat namens de vader om de ondertoezichtstelling voor twee maanden te verlengen voor het opstellen van een borgingsplan, zodat vervolgens de overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden.
5De beoordeling
Het juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI deels toewijzen en de ondertoezichtstelling van de [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 oktober 2026, onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.4.
Daarbij overweegt de kinderrechter allereerst dat de verhalen van enerzijds de ouders en anderzijds de GI als professional lijnrecht tegenover elkaar staan, waardoor het voor de kinderrechter erg lastig is om een oordeel te vormen over de huidige situatie van [minderjarige] . Vaststaat echter dat er de afgelopen jaren grote zorgen waren over de moeizame verstandhouding en communicatie tussen de ouders, en dat er als gevolg daarvan continu forse spanningen waren tussen de ouders en voor [minderjarige] . Gelet daarop werd er het afgelopen jaar een PSO-traject voor de ouders opgestart, met als doel om hen te leren op een zakelijke manier met elkaar te communiceren en afspraken met elkaar te maken en om vervolgens toe te werken naar het weer zelfstandig kunnen dragen van de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt uit de stukken dat het PSO-traject in februari 2026 is afgerond en dat er toen nog veel open eindjes waren. In de stukken ontbreekt echter een nadere onderbouwing van onder meer het verloop van de hulpverlening en van de ervaringen en bevindingen van de hulpverleners over de ouders en over de wijze waarop zij nu in staat zouden zijn om met elkaar te communiceren en samen te werken. Tegelijkertijd is er door de GI een verslag ingediend van de hulpverlening [therapie] waarin een zeer zorgelijk beeld van met name de vader wordt geschetst, ook tijdens het traject. Dit heeft er zelfs toe geleid dat de hulpverlening voortijdig is beëindigd. Door en namens de vader wordt de inhoud van dit verslag weliswaar uitvoerig betwist, echter het verslag is opgesteld door een professional met een SKJ-registratie, wat betekent dat de kinderrechter in principe moet kunnen vertrouwen op en moet kunnen uitgaan van hetgeen deze professional beschrijft. Gezien al het voorgaande kan de kinderrechter op dit moment niet anders dan uitgaan van de situatie zoals die was ten tijde van de vorige beschikking. Zodoende is de kinderrechter van oordeel dat de zorgen die aanleiding hebben gegeven voor de ondertoezichtstelling, ondanks de veelvuldige inzet van diverse hulpverleningstrajecten gedurende de afgelopen jaren, op dit moment nog steeds onvoldoende zijn weggenomen. Gelet daarop wordt [minderjarige] naar het oordeel van de kinderrechter – ondanks dat zij het goed lijkt te doen op school – nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op eigen kracht weg te nemen.
5.5.
Het vorengaande leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het resterende deel. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI voorafgaand aan de nadere zitting een nadere onderbouwing overlegt over onder meer de ervaringen van de professionals met de ouders gedurende het PSO-traject, over de bevindingen van de eerdere hulpverleners over de ouders en over hoe het nu met [minderjarige] gaat volgens de hulpverlening en op school. Ook vanuit [therapie] wenst de kinderrechter een nadere toelichting nu het reeds ingediende verslag zo stellig door en namens de vader wordt betwist. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vader aangegeven dat er nog een e-mail is ingediend. Deze zal eveneens tijdens de volgende zitting worden meegenomen. De kinderrechter verwacht voorts van de GI dat er spoedig een gedegen plan van aanpak wordt opgesteld met onder meer de doelen en welke hulpverlening er nog dient te worden ingezet, nu dit noodzakelijk is voor een goede en adequate uitvoering van de ondertoezichtstelling. Wellicht kan het Regionaal Expertise Team (RET) de GI hier nog in ondersteunen. Mocht de GI tot de conclusie komen dat er een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden, dan dient er tijdig een toetsing door de Raad te worden verricht en een borgingsplan te worden opgesteld. De kinderrechter verzoekt aan de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zitting op [datum] 2026 alle bovengenoemde informatie over te leggen inclusief een kort schriftelijk verslag over de ontwikkelingen van de komende periode en wat dat betekent voor de bestaande zorgen en daarbij haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de nadere zitting op [datum] 2026 om [uur] , ten overstaan van de kinderrechter mr. Zuijdweg, waarop het resterende deel van het verzoek nader mondeling zal worden behandeld, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de ouders, hun advocaten en de GI;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de zitting op [datum] 2026 de genoemde stukken over te leggen inclusief een schriftelijk verslag over de actuele stand van zaken en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.5. is overwogen;
6.5.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.