Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7260

2026-07-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/442741 / JE RK 25-2177
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/442741 / JE RK 25-2177
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging onder toezichtstelling voor de duur van drie maanden, afwijzing van het resterende deel van het verzoek

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.678 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/442741 / JE RK 25-2177



Datum uitspraak: 6 juli 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de beschikking van 30 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;


de briefrapportage van de GI van 29 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.




2De feiten


2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de vader en de moeder.



2.2.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van 17 april 2020 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2020 en tot 17 april 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 juli 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.


3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 17 juli 2026 tot 17 januari 2027.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is in de afgelopen periode beperkt inhoudelijke voortgang geboekt op de doelen van de ondertoezichtstelling omdat een groot deel van de tijd is besteed aan het herstellen van de samenwerking en communicatie tussen de moeder en de GI. In mei 2026 heeft de GI een prettig en open gesprek gehad met de moeder en zichtbaar is dat de moeder sindsdien een positieve omslag heeft gemaakt. Op korte termijn zal de opvoedondersteuning vanuit het [zorginstelling] starten in de thuissituatie van de moeder. De GI vindt het van belang dat de start daarvan kan worden opgevolgd. Daar komt bij dat de GI zorgen heeft over de terugtrekkende beweging vanuit de vader. De vader heeft namelijk aangegeven dat hij de huidige zorgregeling niet langer kan volhouden. Hierna heeft de vader meermaals geprobeerd de contactmomenten met de minderjarigen niet door te laten gaan, terwijl hij gesprekken hierover heeft afgehouden. Ook dit wil de GI in de komende periode verder opvolgen, waarbij ook zal worden gekeken of weekendopvang passend is voor de minderjarigen om de moeder te ontlasten.


4.2.
De moeder wil liever niet dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Zij heeft vertrouwen in de hulpverlening vanuit het [zorginstelling] en vindt het fijn dat zij voor langere tijd betrokken kunnen blijven. De doelen bij het [zorginstelling] zijn in overleg met de GI en haar opgesteld en hier zal in de komende periode aan worden gewerkt. Daarvoor is een verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Evenmin is een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig om het verloop van de zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen op te volgen. Als de vader een terugtrekkende beweging maakt, zal de moeder daarin een weg vinden en bovendien lukt het de GI niet om in contact te komen met de vader. De moeder ziet daardoor geen meerwaarde in een langere betrokkenheid van de jeugdbeschermers. Zij verzoekt daarom primair het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor maximaal drie maanden, zodat in deze drie maanden een overdracht kan plaatsvinden naar casusregie in het vrijwillige kader.





5De nadere beoordeling



Het wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter stelt vast dat sprake is van een positieve ontwikkeling. De moeder heeft zich opengesteld voor de GI, zij staat open voor gesprekken over de benodigde hulpverlening en onderhoudt zelfstandig contact met de betrokken instanties. Zo staat de moeder open voor de opvoedondersteuning vanuit het [zorginstelling] en heeft zij recent samen met de GI doelen opgesteld waar zij met de hulpverlening van het [zorginstelling] aan zal gaan werken. Het uitgangspunt is dat er middels deze hulpverlening meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van de minderjarigen bij de moeder en dat de moeder ondersteuning krijgt in de zorg voor de minderjarigen. Hoewel de moeder open staat voor deze hulpverlening, vindt de kinderrechter het met de GI van belang dat de jeugdbeschermers in de komende periode de start van deze hulpverlening opvolgen en indien nodig kunnen bijsturen.


5.4.
Daarnaast is gebleken dat de vader in de afgelopen periode heeft aangegeven de zorg voor de minderjarigen als steeds zwaarder te ervaren en de zorgregeling mogelijk te willen aanpassen. Hoewel de moeder begrip heeft getoond voor de situatie van de vader en heeft voorgesteld om samen met de vader en de GI in gesprek te gaan over een passende oplossing, heeft de vader aangegeven dat hij daar op dit moment geen gebruik van wil maken. Het is de GI sindsdien niet gelukt om met de vader in gesprek te gaan, maar wel is gezien dat de vader probeert de contactmomenten met de minderjarigen niet door te laten gaan. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI zich blijft inspannen om in contact te komen met de vader zodat in de komende periode kan worden bezien wat een passende balans is tussen de zorg voor de minderjarigen en de belastbaarheid van beide ouders, waarbij ook met de moeder kan worden gesproken over de mogelijkheden voor weekendopvang voor de minderjarigen.


5.5.
Verder vindt de kinderrechter het belangrijk dat in de komende periode wordt gewerkt aan het opstellen van een borgingsplan, zodat vervolgens een warme overdracht kan plaatsvinden naar de casusregisseur vanuit [hulpverlening] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermers in de komende periode verder werken aan bovengenoemde punten, waarbij de verwachting is dat de periode van drie maanden voldoende zal zijn om hieraan te werken. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek afwijzen.



Uitvoerbaar bij voorraad





5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] met ingang van 17 juli 2026 en tot 17 oktober 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


6.3.
wijst het resterende deel van het verzoek af.








Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.