Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7253
2026-07-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449837 / JE RK 26-1157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.317 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449837 / JE RK 26-1157
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 oktober 2023 en tot 12 oktober 2024. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 juli 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 5 juli 2024 en tot 12 oktober 2024. Deze machtiging is bij beschikking van 10 oktober 2024 verlengd tot 12 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken.
4.2.
De moeder heeft geen bezwaar tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder heeft de ondertoezichtstelling tot dusver ervaren als steunend en gelet op de manier waarop het contact met de vader op dit moment verloopt vindt de moeder het nog te vroeg om de ondertoezichtstelling af te sluiten. De basis is namelijk nog erg fragiel. Ook benoemt de moeder dat zij de zorgen vanuit de gemeente begrijpt. Doordat de moeder en haar huidige partner uit elkaar gaan, is namelijk sprake van een moeilijke situatie. Dit heeft ook effect op [minderjarige] . Tegelijkertijd is door het handelen van de moeder een zorgelijke situatie voorkomen. Zo is er gezocht naar een deeltijdpleeggezin voor de jongste zoon van de moeder. Dit heeft ervoor gezorgd dat de moeder is ontlast en dat haar draagkracht niet verder onder druk is komen te staan.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hij vindt het nog te vroeg om af te schalen naar het vrijwillige kader. Ook benoemt de vader dat hij graag meer betrokken wil worden bij de schoolgang van [minderjarige] .
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat weliswaar sprake is van positieve ontwikkelingen en de doelen van de ondertoezichtstelling grotendeels zijn behaald, maar ook dat er recent zorgen naar voren zijn gekomen die maken dat de kinderrechter van oordeel is dat ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Er zijn in de afgelopen periode namelijk zorgen naar voren gekomen over de opvoedsituatie bij de moeder en hoewel de moeder stappen heeft gezet om te voorkomen dat haar draagkracht en draaglast (verder) uit balans zou raken, is sprake van een zeer kwetsbare situatie. Dit baart de kinderrechter zorgen omdat in het verleden is gebleken dat het de moeder onvoldoende lukt om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] wanneer het minder goed met haar gaat. Bovendien is gebleken dat de strijd tussen de ouders nog aan de oppervlakte ligt en het benodigde hulpverleningstraject voor [minderjarige] nog moet worden opgestart. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen.
5.4.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel de onderlinge oudercommunicatie is verbeterd en meer gestructureerd verloopt, is dit nog erg pril. Bovendien is de verwachting van de gemeente dat casusregie vanuit het vrijwillige kader onvoldoende mogelijkheden heeft om de vader en de moeder te sturen en te ondersteunen. Er is regie en monitoring nodig vanuit het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling om te voorkomen dat zorgen onvoldoende tijdig worden gesignaleerd of opgevolgd. De kinderrechter komt daardoor - met alle betrokkenen - tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 12 juli 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren, de belangen van [minderjarige] blijft bewaken en zicht houdt op zijn ontwikkeling. Het is daarbij van belang dat in de komende periode een nieuwe vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld en dat een passend hulpverleningstraject voor [minderjarige] wordt opgestart en gemonitord. Omdat op dit moment onvoldoende duidelijk is welke opvoedsituatie voor [minderjarige] op langere termijn het meest veilig is en het meest aansluit bij zijn ontwikkelingsbehoeften, dient er daarnaast in de komende periode meer zicht te komen op de draagkracht en draaglast van de moeder, haar emotionele beschikbaarheid, de invloed van de intensieve hulpverlening in het systeem van de moeder en de impact daarvan op [minderjarige] . Ook dient er zicht te komen op de opvoedvaardigheden van de vader, zijn beschikbaarheid en de mate waarin hij kan aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juli 2026 en tot 12 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449837 / JE RK 26-1157
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 oktober 2023 en tot 12 oktober 2024. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 juli 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 5 juli 2024 en tot 12 oktober 2024. Deze machtiging is bij beschikking van 10 oktober 2024 verlengd tot 12 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken.
4.2.
De moeder heeft geen bezwaar tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder heeft de ondertoezichtstelling tot dusver ervaren als steunend en gelet op de manier waarop het contact met de vader op dit moment verloopt vindt de moeder het nog te vroeg om de ondertoezichtstelling af te sluiten. De basis is namelijk nog erg fragiel. Ook benoemt de moeder dat zij de zorgen vanuit de gemeente begrijpt. Doordat de moeder en haar huidige partner uit elkaar gaan, is namelijk sprake van een moeilijke situatie. Dit heeft ook effect op [minderjarige] . Tegelijkertijd is door het handelen van de moeder een zorgelijke situatie voorkomen. Zo is er gezocht naar een deeltijdpleeggezin voor de jongste zoon van de moeder. Dit heeft ervoor gezorgd dat de moeder is ontlast en dat haar draagkracht niet verder onder druk is komen te staan.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hij vindt het nog te vroeg om af te schalen naar het vrijwillige kader. Ook benoemt de vader dat hij graag meer betrokken wil worden bij de schoolgang van [minderjarige] .
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat weliswaar sprake is van positieve ontwikkelingen en de doelen van de ondertoezichtstelling grotendeels zijn behaald, maar ook dat er recent zorgen naar voren zijn gekomen die maken dat de kinderrechter van oordeel is dat ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Er zijn in de afgelopen periode namelijk zorgen naar voren gekomen over de opvoedsituatie bij de moeder en hoewel de moeder stappen heeft gezet om te voorkomen dat haar draagkracht en draaglast (verder) uit balans zou raken, is sprake van een zeer kwetsbare situatie. Dit baart de kinderrechter zorgen omdat in het verleden is gebleken dat het de moeder onvoldoende lukt om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] wanneer het minder goed met haar gaat. Bovendien is gebleken dat de strijd tussen de ouders nog aan de oppervlakte ligt en het benodigde hulpverleningstraject voor [minderjarige] nog moet worden opgestart. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen.
5.4.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel de onderlinge oudercommunicatie is verbeterd en meer gestructureerd verloopt, is dit nog erg pril. Bovendien is de verwachting van de gemeente dat casusregie vanuit het vrijwillige kader onvoldoende mogelijkheden heeft om de vader en de moeder te sturen en te ondersteunen. Er is regie en monitoring nodig vanuit het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling om te voorkomen dat zorgen onvoldoende tijdig worden gesignaleerd of opgevolgd. De kinderrechter komt daardoor - met alle betrokkenen - tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 12 juli 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren, de belangen van [minderjarige] blijft bewaken en zicht houdt op zijn ontwikkeling. Het is daarbij van belang dat in de komende periode een nieuwe vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld en dat een passend hulpverleningstraject voor [minderjarige] wordt opgestart en gemonitord. Omdat op dit moment onvoldoende duidelijk is welke opvoedsituatie voor [minderjarige] op langere termijn het meest veilig is en het meest aansluit bij zijn ontwikkelingsbehoeften, dient er daarnaast in de komende periode meer zicht te komen op de draagkracht en draaglast van de moeder, haar emotionele beschikbaarheid, de invloed van de intensieve hulpverlening in het systeem van de moeder en de impact daarvan op [minderjarige] . Ook dient er zicht te komen op de opvoedvaardigheden van de vader, zijn beschikbaarheid en de mate waarin hij kan aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juli 2026 en tot 12 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.